- Ter vergelijking: zichtbaar licht heeft energieën tussen 2 en 3 eV! [↩]
Nabij object stuurt kosmische stralen naar de Aarde
4 mei 2009 Door Reageer
Uit waarnemingen gedaan met de gammasatelliet Fermi blijkt dat er in het Melkwegstelsel ‘iets’ is dat hoogenergetische electronen en positronen onze richting uit stuurt. Die deeltjes maken deel uit van de zogenaamde kosmische straling en de gemeten energieën bedroegen in sommige gevallen meer dan honderd miljard electronvolt (100 GeV)1 per deeltje. De waarnemingen werden tussen 4 augustus 2008 en 31 januari 2009 gedaan met behulp van de Large Area Telescope (LAT) aan boord van Fermi (zie afbeelding). De waarnemingen bevestigingen datgene wat vorig jaar ook door de PAMELA satelliet en het aardse High Energy Stereoscopic System (H.E.S.S.) was waargenomen, namelijk een overschot aan zeer energierijke electron-positron paren. Wat Fermi, PAMELA en H.E.S.S. ons duidelijk maken is dat er ‘iets’ in ons eigen Melkwegstelsel is dat die paren naar de Aarde stuurt. Dat ‘iets’ is een nabijstaande pulsar óf het zijn annihilerende deeltjes donkere materie vanuit een lokatie ergens in de Melkweg. Dat de bron ‘dichtbij’ ligt kan men gemakkelijk berekenen: bij verderweg liggende bronnen (bijvoorbeeld een ander sterrenstelsel) zouden de energieën een stuk lager moeten liggen, omdat de deeltjes onderweg een deel van hun energie verliezen. Probleem met kosmische straling is dat de deeltjes ervan als biljartballen alle kanten uit kunnen gaan na botsingen met atomen of als ze in een magnetisch veld terechtkomen. Het is daarom lastig te bepalen wát de exacte richting van de bron is. Door de waarnemingen van Fermi zijn overigens de uitkomsten van een ander experiment in de prullebak beland: Fermi kon niet bevestigen dat er een overschot aan electronen-positronen met een gemiddelde energie van 620 GeV is, zoals vorig jaar door ATIC werd gemeten. Volgende doel van Fermi: bepalen wát de preciese bron van de electron-positron anomalie is. Wordt vervolgd. Bron: NASA.
Noot:
Spitzer vindt missing link in M81
4 mei 2009 Door Reageer
Als sterrenkundigen naar spiraal-sterrenstelsels kijken zien ze prachtige spiraalarmen vol met sterren, die vrij gelijkmatig over die armen verspreid zijn. Kijk in het infrarood en je ziet precies hetzelfde: de gelijkmatige distributie van sterren over de spiraalarmen van de sterrenstelsels. De grote vraag is hoe dat precies kan? Per slot van rekening ontstaan sterren niet op gelijkmatige afstand van elkaar, maar ontstaan ze meestal in clusters en zogenaamde associaties, net zoals de bekende sterrenhoop de Pleiaden in het sterrenbeeld Stier. ‘Hoe komen spiraalstelsels er zo homogeen uit te zien, terwijl de sterren niet homogeen ontstaan?’, vroeg een team van sterrenkundigen onder leiding van David Block (Universiteit van Witwatersrand in Zuid-Afrika) zich af. Het antwoord op de vraag blijken stromen van sterren te zijn. Die sterstromen vormen de ‘missing link’ tussen de inhomogene geboorteplaatsen van de sterren en de homogene spiraalarmen. Om die sterstromen te vinden moest men met de infrarood Spitzer ruimtetelescoop langdurig kijken naar M81, het beroemde spiraalstelsel in Grote Beer. In het gedeelte van het electromagnetisch spectrum waar Spitzer kijkt zijn sterren zichtbaar die ongeveer 100 miljoen jaar oud zijn. Jongere sterren stralen vooral in het optische en ultraviolette gedeelte. In het infrarood zou normaal gesproken het zicht op de sterstromen compleet verduisterd zijn door stofwolken, maar door toepassing van de wiskundige Fourieranalyse kon men die stofwolken wegfilteren en bleven de sterstromen over. En die zijn in de afbeelding hierboven rechts te zien. Bron: Spitzer/NASA.


Social profiles Adrianus V