17 april 2014

Waar zijn de verdwenen bolhopen van de Melkweg gebleven?

Diederik Kruijssen

Gisteravond was ik bij de lezing van drs. Diederik Kruijssen (o.a. Sterrenkundig Instituut Utrecht) bij sterrenkundevereniging Huygens, welke ging over bolvormige sterrenhopen. De bedoeling was – zoals ik gistermiddag schreef – om Kruijssen bij het station van Dordrecht op te halen, maar door de brand bij de Nederlandse Spoorwegen liep dat allemaal iets anders en werd hij door een ander lid van de club in Utrecht opgehaald. Ik had wat dat betreft dus een makkie gisteravond. De lezing was boeiend, informatief en zeker ook interactief. Dat laatste sloeg op de talloze vragen waarmee Kruijssen de zaal bestookte en waarvan hij de antwoorden niet zomaar weggaf. De meest pregnante vraag – naar mijn bescheiden mening – was eigenlijk waar de ‘verloren’ bolvormige sterrenhopen gebleven zijn. Ik kom daar zo op terug. Kruijssen heeft talloze studies gewijd aan bolvormige sterrenhopen, kortweg bolhopen genoemd, en dat blijkt uit een reeks van zijn gepubliceerde artikelen. Geen wonder dat Kruijssen expert op dit gebied mag worden genoemd en dat bleek uit z’n kundige en heldere uitleg van sterrenhopen in de Melkweg. Hij beschreef niet alleen de bolhopen, maar ook de open sterrenhopen, zoals de Pleiaden in het sterrenbeeld Stier, en de groepen sterren in gasnevels, zoals het Trapezium in de Orionnevel. Doorspekt met talloze beelden van simulaties van het ontstaan van sterren uit moleculaire gas- en stofnevels (zoals de hieronderstaande van Matthew Bates, University of Exeter), van de vroegste ontwikkeling van sterrenstelsels rondom donkere materie, botsingen van sterrenstelsels, de gevolgen van dergelijke botsingen voor bolvormige sterrenhopen, etc… liet Kruijssen de laatste stand van zaken zien op zijn vakgebied.

Gasslierten bij Palomar 5 door de getijdewerking van de Melkweg

Kruijssen constateerde aan de hand van getelde bolhopen in zowel de Antennestelsels als de Melkweg dat de laatste een gebrek aan lichte bolhopen heeft. De Melkweg heeft bijna 200 bolhopen, die zich in een grote halo rondom de schijf van de Melkweg bevinden en die allemaal in ellipsvormige banen rondom de kern draaien. 200 bolhopen is eigenlijk heel weinig en vooral in de lichtgewicht klasse van ca. 100.000 sterren is er een schrijnend gebrek aan bolhopen. De grote vraag is dus waar die bolhopen gebleven zijn en dat is waar Kruijssen ons het eenvoudige antwoord op gaf: ze zijn verdwenen door de vele botsingen die de Melkweg heeft ondergaan in het verre verleden. De bolhopen, die tussen 100.000 en 1 miljoen sterren kunnen tellen, houden hun sterren gravitationeel vast, maar die ‘grip’ wordt behoorlijk op de proef gesteld als de bolhopen in hun rondgang door de schijf reizen én als er sprake is van botsingen van de Melkweg met naburige dwergstelsels. Het is niets voor niets dat men vlakbij bolhopen de effecten van getijdwerking heeft gezien, zoals het geval is bij de bolhoop Palomar 5, waar men lange gasslierten heeft gezien (zie afbeelding). Het vroege heelal was een stuk dynamischer dan tegenwoordig, dat wil zeggen dat sterrenstelsels zoals de Melkweg en het Andromedastelsel ontstonden uit de botsing en samensmelting van kleinere stelsels. Dergelijke botsingen bleken fataal te zijn voor een grote groep bolhopen en da’s uiteindelijk de reden dat we er nog maar zo weinig van hebben. De resterende 200 bolhopen zijn dus de laatste der bol-Mohikanen.

Share

Laat wat van je horen

* Copy This Password *

* Type Or Paste Password Here *