7 februari 2012

Astronomen vinden kleine exoplaneet die aan het verdampen is

Impressie van de verdampende planeet bij KIC 12557548

Astronomen hebben bewijs gevonden voor een exoplaneet ter grootte van Mercurius die voor ons ogen aan het verdampen is, zo blijkt uit waarnemingen die zijn verricht met de Kepler ruimtetelescoop. Als dit bevestigd kan worden, is dit de eerste keer dat men een rotsachtige exoplaneet gevonden heeft die aan het verdampen is. Men heeft eerder al een gasplaneet gevonden die iets soortgelijks doormaakt.

Het bestaan van de planeet is afgeleidt uit waarnemingen die zijn verricht bij de ster KIC12557548, die iets kleiner is dan de zon. Iedere 15,685 uur dimt het licht van de ster een beetje. Dat betekent dat een begeleider voor de ster langs trekt. In tegenstelling dat alle andere “transits” (overgangen) die Kepler heeft waargenomen, varieert deze van omloopbaan tot omloopbaan. Computerberekeningen laten zien dat de beste oplossing voor deze bizarre veranderlijke “transits” bestaat uit een rotsachtige planeet, ter grootte van Mercurius, die rechtstreeks in gas verandert. Hierbij wordt de planeet (die normaal gesproken te klein is om door Kepler te worden waargenomen) omhuld door een grote wolk van minerale dampen.

De afstand tussen de planeet en de ster bedraagt slechts 1% de afstand tussen de aarde en de zon, waardoor de temperatuur aan het oppervlak van de planeet zo’n 2000 graden Celsius bedraagt. Dit is voldoende om mineralen als pyroxeen en olivijn te laten verdampen. Dit zijn algemene bouwstenen van rotsachtige planeten. Het gevolg is een gigantische dampwolk rondom de planeet, die op een soortgelijke manier ontstaat als de staart van een komeet. Het is mogelijk dat de planeet zelf behalve een wolk ook een komeetachtige staart heeft, hoewel deze niet is waargenomen. Berekeningen laten zien dat de planeet binnen 200 miljoen jaar (een oogwenk op kosmische tijdschaal) compleet verdwenen zal zijn.

Bovendien laat het lot van de planeet zien wat in de toekomst met ‘onze’ Mercurius zal gebeuren. Als de zon over een paar miljard jaar opzwelt tot een rode reus, zal Mercurius op een soortgelijke manier gaan borrelen en verdampen als de planeet die door Kepler is ontdekt, en een soortgelijke wolk en/of staart gaan vormen. Er bestaan ook alternatieve verklaringen voor de waarnemingen van Kepler. Vandaar dat het verantwoordelijke wetenschapsteam graag de Hubble ruimtelescoop zou willen gebruiken om een spectrale analyse te maken van de wolk. Als hieruit blijkt dat deze bestaat uit elementen als silicium en magnesium (waaruit je rotsen kunt maken), is dat een bevestiging van de “verdampende planeet”-theorie.

:bron: Bron: New Scientist.

Mysterieuze gasring rondom jonge ster roept vragen op


Sterrenkundigen hebben rondom de jonge ster V1052 Cen (HD 101412) - 700 lichtjaren van ons vandaan in het zuidelijke sterrenbeeld Centaurus – een mysterieuze ring vol met koolmonoxidegas ontdekt, die vreemde eigenschappen heeft. De ster heeft net als vergelijkbare sterren ook een grote stofschijf (zoals op de afbeelding te zien), een schijf waaruit een planetenstelsel zoals in het zonnestelsel kan ontstaan. Maar bij al die schijven is de koolmonoxide gelijkelijk verdeeld. Niet bij V1052 Cen, daar is die koolmonoxide te vinden in een scherp begrensde ring,  die als een soort van snoer om de ster te vinden is, op een afstand die vergelijkbaar met de afstand tussen zon en aarde en met een dikte van ongeveer 0,32 AE (bijna 50 miljoen km). De ring werd ontdekt met de Very Large Telescope (VLT) van het European Southern Observatory (ESO) in Chili. De sterrenkundigen onder leiding van Charles Cowley (Universiteit van Michigan, VS) denken dat de ring in stand wordt gehouden door sterke magnetische velden. Ook zou sprake kunnen zijn van planeten die de ring op hun plaats houden, net zoals de ringen van Saturnus beïnvloed worden door de zogenaamde herdermaantjes. Meer informatie over de jonge ster V1052 Cen en diens mysterieuze ring vind je in dit wetenschappelijke artikel. :bron: Bron: Leibniz Instituut voor Astrofysica.

De Helixnevel in nieuwe kleuren

De Helixnevel, gefotografeerd met ESO's Visible and Infrared Survey Telescope for Astronomy (VISTA)

Met de VISTA-telescoop van de ESO-sterrenwacht op Paranal, Chili, is een prachtige nieuwe opname van de Helixnevel gemaakt. De foto, gemaakt in het infrarood, toont slierten van koud gas die op zichtbare golflengten niet te zien zijn. Ook opvallend is de rijke achtergrond van sterren en sterrenstelsels. De Helixnevel is een van de meest nabije en meest opvallende voorbeelden van een planetaire nevel1 . Hij staat in het sterrenbeeld Aquarius (Waterman) en is ongeveer 700 lichtjaar van de aarde verwijderd. Dit vreemde object is ontstaan toen een zonachtige ster het eindstadium van zijn bestaan bereikte. Daarbij stootte de ster zijn buitenste gaslagen af, wat de vorming van de nevel tot gevolg had. De ster zelf, die zichtbaar is als het kleine blauwe stipje in het midden van de foto, is bezig om tot een witte dwerg te evolueren. De eigenlijke nevel is een complex object bestaande uit stof, geïoniseerd materiaal en moleculair gas dat een schitterend bloemvormig patroon heeft aangenomen en onder invloed van de intense, ultraviolette gloed van de centrale hete ster tot gloeien wordt gebracht. De hoofdring van de Helix is ongeveer twee lichtjaar groot – ruwweg de helft van de afstand tussen de zon en de eerstvolgende ster. Het materiaal van de nevel strekt zich echter tot zeker vier lichthaar van de ster uit. Dat is op deze infraroodopname goed te zien: tot aan de randen van de foto zijn ijle flarden van rood moleculair gas waarneembaar. Op zichtbare golflengten is dit ijle gas moeilijk te zien, maar VISTA’s speciale detectors, die zeer gevoelig zijn voor infrarood licht, kunnen de gloed gemakkelijk vastleggen. De 4,1-meter telescoop is eveneens in staat om een indrukwekkende verzameling van achtergrondsterren en -stelsels te detecteren. Dankzij de scherpe blik van ESO’s VISTA-telescoop is ook de fijne structuur in de ringen van de nevel zichtbaar. Het infrarood laat de verdeling van het koele moleculaire gas goed zien. Het materiaal is samengeklonterd tot filamenten die straalsgewijs vanuit het centrum komen, wat het geheel een vuurwerkachtig karakter geeft. Hoewel ze vrij iel lijken, zijn deze komeetachtige strengen van moleculaire waterstof ongeveer zo groot als ons zonnestelsel. De daarin aanwezige moleculen kunnen de energierijke straling die de stervende ster uitzendt zo goed weerstaan, omdat ze zijn samengeklonterd tot een soort knopen die op hun beurt worden afgeschermd door het stof en gas dat op zichtbare golflengten waarneembaar is. Hoe deze ‘knopen’ zijn ontstaan, is nog onduidelijk. Bron: ESO.

Noot:
  1. Planetaire nevels hebben niets met planeten te maken. Hun verwarrende benaming hebben zij te danken aan het feit dat veel van hen zich als schijfjes vertonen die qua uiterlijk aan de buitenste planeten van ons zonnestelsel (Uranus en Neptunus) doen denken. De Helixnevel, die ook de catalogusaanduiding NGC 7293 draagt, is een buitenbeentje, omdat hij zich in het beeldveld van een kleine telescoop als een groot, lichtzwak object vertoont.. []

Saturnus-achtig ringensysteem ontdekt dat ster bijna 2 maanden verduistert


Sterrenkundigen van de Universiteit van Rochester hebben bij een op onze zon lijkende ster in het zuidelijke sterrenbeeld Centaurus een ringensysteem ontdekt, dat er voor gezorgd heeft dat het licht van de ster vanaf de aarde gezien bijna twee maanden lang werd verduisterd. Het systeem werd ontdekt in het kader van het internationale SuperWASP (Wide Angle Search for Planets) en All Sky Automated Survey (ASAS) project, waarbij sterren van de nabije Scorpius-Centaurus associatie in de gaten worden gehouden. Het draait allemaal om de ster 1SWASP J140747.93-394542.6, alias ASAS J140748-3945.7 –  leuk om te onthouden – die zich 420 lichtjaren van ons bevindt en die qua massa vergelijkbaar is met de zon. In één opzicht is er een duidelijk verschil met de zon: 1SWASP J140… etc is slechts 16 miljoen jaar oud, da’s 1/300e van de leeftijd van de zon. Scheelt een poepie. In 2007 werd al opgemerkt dat de ster gedurende 54 dagen achteruit ging in lichtkracht, waarbij maximaal 95% van het sterlicht werd geblokkeerd (zie afbeelding hieronder). Meestal duurt het dipje van een passerende exoplaneet enkele uren, maar die 54 dagen is extreem lang. Ook kwam er vier keer een korte onderbreking van de lange dip.

Nadat het Rochester-team andere verklaringen kon uitsluiten – een sferische ster bijvoorbeeld en een stofschijf om de ster – kwam er maar één logische verklaring uit de bus: de verduistering moet veroorzaakt zijn door een gigantisch ringensysteem, bestaande uit vier ringen, met tussenruimtes. Het systeem is enkele tientallen miljoenen kilometers groot, gigantisch als je het vergelijkt met de ringen van Saturnus, die zo’n 300.000 km groot zijn. De vraag is: wat bevindt zich in het midden van het ringensysteem? Een planeet of een bruine dwerg? Die vraag kan op dit moment nog niet beantwoord worden, omdat de massa door het ontbreken van gegevens over de Doppler-verschuiving niet bekend is. Als de massa tussen 16 en 75 Jupitermassa ligt, dan is het een bruine dwerg, een soort van mislukte ster. Is de massa onder de 16 Jupitermassa, dan is het een super-Jupiter, eh… nee meer een super-Saturnus. :bron: Bron: Univ. van Rochester.

Sterrenkundigen zien zwart gat gaskogels de ruimte in schieten

Een internationaal onderzoeksteam, onder wie astronomen van de Universiteit van Amsterdam, de Radboud Universiteit Nijmegen en ASTRON, hebben het moment vastgelegd waarop een zwart gat in de Melkweg supersnelle ‘kogels’ van gas de ruimte in schiet. De waarnemingen zijn gedaan met NASA’s Rossi X-ray Timing Explorer (RXTE) en de VLBA-radiotelescoop en werden gepresenteerd op de 219de bijeenkomst van de American Astronomical Society in Austin, VS. De bollen van geïoniseerd gas, die met een kwart van de lichtsnelheid naar buiten razen, komen uit een gebied net buiten de waarnemingshorizon van het zwarte gat, het punt waarachter niets meer kan ontsnappen. De astronomen keken naar het dubbelstersysteem H1743-322, dat op een afstand staat van 28.000 lichtjaar in de richting van het sterrenbeeld Schorpioen, en medio 2009 uitbarstte:

Bovenste rij: de VLBA-radiowaarnemingen aan H1743-322, de middelste rij toont de RXTE-röntgenwaarnemingen en waar weer onder de bijbehorende animatie uit de video

De dubbelster bestaat uit een gewone ster en een zwart gat. De twee draaien in een aantal dagen om elkaar heen en staan zo dicht bij elkaar dat het zwarte gat continu een stroom van materie opzuigt vanaf de ster. Het stromende gas vormt een afgeplatte accretieschijf om het zwarte gat heen, die een gebied van miljoen kilometers beslaat, verscheidende malen groter dan onze zon. Als materie naar binnen wervelt, wordt het samengeperst en verhit tot miljoenen graden en gaat het röntgenstraling uitzenden. Een deel van het invallende materiaal verlaat de accretieschijf weer als een jet die in twee tegengestelde richtingen naar buiten blaast. Meestal bevat de jet een constante stroom van deeltjes, maar af en toe worden er gigantische gaskogels met een enorme snelheid weggeslingerd. Begin juni 2009 onderging H1743-322 zo’n overgang, en RXTE, VLBA en de Australia Telescope Compact Array (ATCA) legden veranderingen vast in de röntgen- en radio-emissie van de dubbelster. Van 28 mei tot 2 juni waren die vrij stabiel – al namen de cyclische röntgenvariaties toe, maar op 4 juni zag de ATCA dat de radio-emissie significant minder werd. Toen RXTE op 5 juni weer keek, waren de variaties verdwenen. Op dezelfde dag nam de radiostraling toe. De VLBA zag een heldere gasbel naar buiten schieten in de richting van de jet. Een dag later werd een tweede gaskogel gezien, in tegenovergestelde richting. Hieronder een video, waarin de uitbarsting wordt nagebootst.

Tot nu toe dachten astronomen dat de kogels werden afgevuurd op het moment van de radio-uitbarsting, maar uit de VLBI-waarnemingen blijkt dat ze al op 3 juni werden afgeschoten, twee dagen voordat de opvlamming in radiostraling plaatsvond. Het onderzoek biedt nieuwe aanknopingspunten voor de manier waarop een jet aangaat en wat er vervolgend precies gebeurt. Co-auteur Diego Altamirano (UvA) is benieuwd of het resultaat universeel is en of de geplande vervolgwaarnemingen uitwijzen of het ook voor andere zwarte gaten geldt. Sommige superzware zwarte gaten hebben veel krachtiger jets dan andere en een van de ideeën is dat de rotatie van het zwarte gat het verschil bepaalt. “Maar nu zien we bij een enkele uitbarsting van een röntgendubbelster twee soorten jets, waarbij de rotatie zeker niet is gewijzigd”, zegt Sera Markoff (UvA). “Dat betekent dat hier andere fysica aan het werk is. Objecten zoals H1743-322 kunnen ons begrip van dit verschijnsel verruimen, voor alle maten zwarte gaten”, aldus Markoff. :bron: Bron: Nova.

Subaru bevestigt ongeziene exoplaneten in stofring rond HR 4796 A

De door Subaru gefotografeerde stofring rondom HR 4796 A. Het gebied rondom de ster is afgedekt.

Met behulp van de Japanse 8,2 meter Subaru telescoop op Hawaï hebben sterrenkundigen de stofring rondom de ster HR 4796 A nauwkeurig kunnen opmeten en daaruit blijkt dat om de ster exoplaneten draaien, die op geen andere manier nog gedetecteerd zijn. Het vermoeden dat er planeten in de buurt van deze jonge ster staan, welke zich zo’n 240 lichtjaar van de aarde bevindt in het sterrenbeeld Centaurus, was er al op basis van waarnemingen met de Hubble ruimtetelescoop, en Suburu heeft met z’n planetencamera HiCIAO (High Contrast Instrument for the Subaru Next Generation Adaptive Optics) het vermoeden bevestigt. Die bevestiging werd als volgt gedaan: de ring is ongeveer twee keer zo groot als de baan van de dwergplaneet Pluto om de zon en HR 4796 A – de witte stip middenin de foto – staat niet precies in het midden van de stofring. Die ring bestaat uit stof, dat overgebleven is van de gas- en stofwolk waaruit de ster zo’n 8 tot 10 miljoen jaar geleden is ontstaan. Door de aanwezigheid van enkele zware planeten binnen die ring wordt HR 4796 A gravitationeel aangetrokken en dat heeft er voor gezorgd dat de ster zich niet meer in het midden van de ring bevindt. Iets dergelijks heeft men ook waargenomen bij de ster Fomalhaut. Meer info over de waarnemingen aan HR 4796 A, welke gedaan werden in het kader van het vijfjarige SEEDS (Strategic Exploration of Exoplanets and Disks with Subaru Telescope/HiCIAO) project, zijn in dit wetenschappelijke artikel te vinden. :bron: Bron: NAOJ.

Kepler ontdekt nog twee exoplaneten, kleiner dan de aarde

Impressie van het systeem KOI 55, met de twee kleine exoplaneten KOI 55.01 en KOI 55.02

Het was een week geleden wereldwijd al groot nieuws: dat de Kepler ruimtetelescoop twee exoplaneten had ontdekt, die de groottte van de aarde hebben: Kepler 20-e en Kepler 20-f, waarvan de eerste zelfs kleiner is dan de aarde. Ze zitten kennelijk niet stil bij het Kepler-team, want nu is bekend geworden dat met deze in maart 2009 gelanceerde satelliet opnieuw twee exoplaneten zijn ontdekt, die kleiner zijn dan de aarde: KOI 55.01 en KOI 55.02 – KOI staat voor Kepler object of interest – die beiden draaien om de kleine dwergster KOI 55, ook wel bekend als KIC 05807616. De ster waar Kepler 20-e en -f omheen draaien is vergelijkbaar met de zon, maar de ster waar KOI 55.01 en KOI 55.02 omheen draaien is heen anders: het is het overblijfsel van een ster die z’n rode reuzenfase heeft gepaseerd. Gedurende die fase moeten de twee exoplaneten in de buitenlagen van de grote ster hebben gebivakkeerd, waarbij ze hun atmosfeer en vloeibare lagen als gevolg van de extreme omstandigheden moeten hebben verloren. De ster is inmiddels door het afstoten van die buitenlagen verschrompeld tot een klasse B dwergster  en van de exoplaneten bleef de harde kern over, die 0,76 en 0,87 keer de diameter van de aarde heeft, voor KOI 55.01 resp. KOI 55.02. De planeten draaien in 5.,6 resp. 8,23 uren om de ster, hun afstanden tot de ster zij 0,0060 en 0,0076 AE, d.w.z. 900.000 resp. 1.110.000 km. De aarde zou in het geval van zo’n rode reuzenfase na één miljard jaar volledig verdampt zijn, dus het vermoeden bestaat dat KOI 55.01 en KOI 55.02 veel groter moeten zijn geweest – vergelijkbaar met Jupiter of Saturnus – en dat hun kern daarom gedurende de barre omstandigheden in de steratmosfeer heeft overleefd. :bron: Bron: Universe Today.

Hubble brengt turbulente eindfase stervorming in beeld


Hierboven zie je het stervormingsgebied Sh 2-106 – S106 voor intimi – een paar duizend lichtjaar van ons vandaan in het sterrenbeeld Zwaan (Cygnus). De Hubble ruimtetelescoop bracht ‘m in beeld met z’n Wide Field Camera 3 (WFC3). Middenin S106 ligt een zeer zware, jonge ster genaamd  S106 IR, 15 zonmassa’s op de weegschaal. Je ziet ‘m nog net in het midden van de foto met die ‘spikes’. Wat opvalt zijn de twee verschillend gekleurde gebieden: een zandlopervormig blauwgekleurd gebied en daartussen een rood-bruin gekleurd gebied. Het zijn allemaal waterstofgebieden, die het restant zijn van de gaswolk waaruit  S106 IR is ontstaan. De massieve ster is in z’n turbulente laatste fase van zijn ontstaan, kort voordat ‘ie zal toetreden tot de zogenaamde hoofdreeks van sterren uit het Herzsprung-Russell diagram, morgen onderwerp van een lezing bij Huygens. Naar twee kanten verhit de ster met z’n extreme ultraviolette straling het omringende waterstof tot zo’n 10.000 °C en dat ioniseert op haar beurt de blauw oplichtende wolken. Buiten dat zanlopergebied bevindt zich koeler gas, vermengd met stof en dat verhult grote gedeelten van S106. Het stervormingsgebied S106 is het 106e object uit de catalogus van geïoniseerde waterstofwolken (HII) in de Melkweg, opgesteld door de sterrenkundige Stewart Sharpless, die ‘m in de jaren vijftig samenstelde. Een grote versie van de foto van S106 is hier in tif-formaat (25 Mb) verkrijgbaar.

And now something completely different

Eh… even wat anders: diverse lezers melden mij dat ze op hun PC de mobiele versie van de Astroblogs te zien kregen en dat omschakelen naar de gewone versie niet lukte. Ik heb daarom even de mobiele versie uitgezet vervangen door een andere mobiele plugin en hoop de oorzaak van dit probleem te ontdekken daarmee te hebben opgelost.

:bron: Bron: Hubble.

 

Lezing: Het dynamische Hertzsprung-Russell diagram

Het Herzsprung-Russell diagram

Komende vrijdag – 16 december 2011 – is er bij sterrenkundevereniging Christiaan Huygens weer een lezing. Dit keer eentje van drs. Robert de Jong, die zal vertellen over het Herzsprung-Russell diagram of kort gezegd het HDR. Als je niet weet wat het is of hoe het werkt dan deel je alles eerst in hokjes in. Dat noemen ze classificeren. Je krijgt dan inzicht in de diverse verschijningsvormen. Daarna bedrijf je hierop statistieken om er verder van te leren. Dat is nu precies wat gebeurd is voor de sterren. In eerste instantie lijken alle sterren op elkaar, alleen is de ene ster helderder dan de andere en soms verschillen ze ook ietwat van kleur. Als je echter de (kleuren)spektra van sterren met elkaar vergelijkt dan blijken er tientallen soorten sterren te bestaan. Als je de eigenschappen van die sterren op een bepaalde wijze in een diagram plaats krijg je zo het Hertzsprung-Russell diagram. Dit HRD wordt gebruikt om inzicht te krijgen in de opbouw en werking van de sterren. Het samenstellen van een HRD voor de sterren is niet eenvoudig als dat nauwkeurig plaats moet vinden, maar als dit werk gedaan is kunnen er vele conclusies uit getrokken worden, waaronder de levensgeschiedenis van sterren en de leeftijdsbepaling van sterren. Het is niet de eerste keer dat Robert de Jong bij Huygens te gast is. Zo is hij al eens komen vertellen over o.a. de kwantummechanica in de sterrenkunde en na zijn lezing over de oerknal bleek uit een stemming dat heel wat leden niet meer zo overtuigd waren van deze theorie. De laatste keer dat hij bij Huygens was gaf hij een boeiende lezing over fractalkosmologie. Ze hebben er het volste vertrouwen in dat hij de aanwezigen ook deze keer weer weet te boeien. De lezing begint om 20:30. Vanaf 20:00 uur is de zaal open en ben je van harte welkom voor een lekkere kop koffie of thee. :bron: Bron: Huygens.

Tandpasta hebben we te danken aan neutrino’s en supernovae

Waar komt de tandpasta vandaan?

Heerlijk om zo op de zondagmorgen bij een kopje koffie te lezen: de blog van Elisabeth Lovegrove over nucleosynthese, het ontstaan van de elementen. Die elementen vinden we keurig gerangschikt in de Periodieke Tabel en wij, de aarde, de andere planeten, de sterren, de gas- en stofnevels en noem maar op bestaan er uit. Nucleosynthese bestaat in feite uit twee gedeelten: het ontstaan van de lichtste elementen tijdens de oerknal en van de zwaardere elementen in sterren. Die eerste wordt de Oerknal Nucleosynthese genoemd, waarbij in de eerste minuten na de oerknal – waarmee 13,7 miljard jaar geleden het heelal ontstond – waterstof, helium, deuterium, tritium en lithium ontstonden. De vorming van de zwaardere elementen, door sterrenkundigen ‘metalen’ genoemd, wordt nucleosynthese genoemd en die vond pas plaats vanaf 200 miljoen jaar na de oerknal, toen de eerste sterren verschenen. En die vindt vandaag de dag nog steeds plaats, want in de kernen van sterren worden nog steeds nieuwe elementen gevormd, zoals in onze zon met de waterstofverbranding tot helium ook het geval is. Bij de nucleosynthese moet je feitelijk weer twee varianten onderscheiden: de vorming van elementen in ‘gewone’ sterren, waarbij elementen tot en met ijzer kunnen ontstaan, en de vorming van de elementen zwaarder dan ijzer in supernovae1. De eerste variant werd in 1957 voor het eerst beschreven door het viertal Margaret en Geoffrey Burbidge, William Fowler en Fred Hoyle, kortweg aangeduid als B²FH, in dit beroemd geworden artikel: Synthesis of the Elements in Stars. De details zal ik jullie besparen, maar interessant is wel om het ontstaan van enkele isotopen uit de Periodieke Tabel te noemen. Het gaat om enkele bijzondere elementen zoals anthanum, tantalum en fluorine, die ontstaan door een speciaal proces dat neutrino afsplitsing of het neutrino proces wordt genoemd. In de extreme omstandigheden van een supernova kan een neutrino een atoomkern raken, waarbij een ‘splinter’ van de kern wordt afgestoten. Zo kan een neutrino een neon-20 kern raken en dan vliegt er een proton als splinter weg. En wat hou je dan over: fluorine-19. En wat maken ze van fluorine, vermengd met wat silicaten en water (H2O)? Yep, tandpasta! Grappig is trouwens dat een ander klassiek artikel – in dit geval The Hydrodynamic Behavior of Supernovae Explosions uit 1966 geschreven is door Richard White en… Stirling Colgate! What’s in a name. :-D :bron: Bron: Astrobites.

Noot:
  1. Al zijn er de laatste tijd ook sterrenkundigen die suggereren dat elementen in neutronensterren kunnen ontstaan. []

Switch to our mobile site