8 februari 2012

Zoem zoem: geruchten over een supersymmetrische partner van het top quark

Hebben ze de stop-quark ontdekt?

Het zoemt weer flink rond op het internet. Nee, niet over het Higgs boson, dat zoemen is even stilgevallen. Het zoemen is dit keer over supersymmetrie. Volgens de geruchtenmachine zou men bij ‘s werelds grootste deeltjesversneller de Large Hadron Collider van CERN in Zwitserland signalen hebben gezien – een ‘excess’ zoals ze dat noemen – van een zogenaamd stop, beter gezegd een s-top, een supersymmetrische partner van het zwaarste quark dat er is, het top-quark. Volgens de theorie van de supersymmetrie, dikwijls afgekort met SUSY, heeft ieder elementair deeltje een zogenaamde superpartner. Voor quarks zijn dat de squarks en in het geval van het top-quark is dat de stop-quark. Op dinsdag 14 februari a.s. wordt een seminarium bij de LHC gehouden en de natuurkundige Ximo Poveda Torres (University of Wisconsin) zal daar dan een presentatie geven, getiteld:

Search for supersymmetry in events involving third generation squarks and sleptons with ATLAS (niet onbelangrijk: “Tea and Coffee will be served at 10h30″)

Men denkt dat hij dan meer zal gaan vertellen over het stop-quark. Op dit moment is er verder weinig nieuws te vertellen, behalve dat áls het gerucht juist is men geschiedenis bij de LHC heeft geschreven, omdat het dan de eerste keer is dat daadwerkelijk een eerste teken van supersymmetrie gevonden is en daarmee van Nieuwe Natuurkunde, d.w.z. natuurkunde voorbij het Standaardmodel. Hieronder nog een videoclip over de speurtocht naar supersymmetrie bij de LHC.

:bron: Bron: The Reference Frame.

Japanse deeltjeslab KEK ontdekt bijzondere hadronen met 4 quarks

De signalen van de twee ontdekte deeltjes, Zb(10610) en Zb(10650)

Eerst even een lesje Japans: 高エネルギー加速器研究機構 staat voor Kō Enerugī Kasokuki Kenkyū Kikō. En da’s weer Japanees voor de Hoge Energie Versneller Onderzoeksorganisatie. Kortweg KEK dus. Zeg maar CERN, maar dan de Japanse variant. Bij KEK hebben ze een experiment lopen met de zogenaamde Belle-detector en daar hebben ze onlangs iets opmerkelijks ontdekt: een hadron bestaande uit vier quarks. Eh… pardon, een hadron met vier quarks, is dat zo bijzonder? Yep, da’s héél bijzonder. De meest bekende hadronen zijn de protonen en neutronen, waar zo’n beetje alle materie die we om ons heen zien uit bestaat – inclusief de geachte lezers van de Astroblogs. Alle protonen bestaan uit drie quarks: twee op-quarks en één neer-quark1 , de neutronen bestaan ook uit drie quarks: twee neer-quarks en één op-quark. Alle combinaties van drie quarks noemen we weer baryonen. Daarnaast is er nog een categorie hadronen, die uit twee quarks bestaan, en die noemen we weer mesonen. Een overzicht van álle baryonen vind je hier en een overzicht van álle mesonen vind je daar, allemaal bestaande uit drie, respectievelijk twee quarks. Maar nu is men dus gestuit op hadronen met vier quarks. In Belle schieten ze electronen en positronen tegen elkaar en dat leverde in dit geval twee ‘exotische’ deeltjes op: de Zb(10610) en Zb(10650) deeltjes. De b in de naam wijst er op dat een ‘bottom’ quark in de deeltjes voorkomt, een zware variant van de quarks. Met de 10610 resp. 10650 wordt de massa van deze hadrons aangegeven: 10.610 MeV en 10.650 MeV. Een proton weegt 938 MeV, dus de ontdekte deeltjes zijn ongeveer 11 keer zo zwaar. Het is niet voor het eerst dat men tetra-quarks ontdekt, deeltjes bestaande uit vier quarks. Maar tot nu toe bestonden al die kwartetten van quarks minstens uit één charm-quark en men kreeg na de zoveelste vondst (> 10 keer) van weer zo’n tetra-quark sterk de indruk dat er altijd een charm-quark aan te pas moest komen. Gelukkig komen in Zb(10610) en Zb(10650) géén charm-quarks voor en dat opent de weg voor een hele nieuwe serie mogelijke tetra-quarks. Naast ‘systemen’ met twee, drie en vier quarks kennen we ook al systemen met zes quarks (deuterium) en negen quarks (tritium en 3-helium). Vreemd genoeg zijn er nog geen penta-quarks bekend, systemen met vijf quarks. Misschien dat ze bij KEK in Japan nog even door moeten gaan met het beschieten van electronen tegen positronen om ook die exotische variant te ontdekken. Het zou de natuur een stuk symmetrischer maken. :bron: Bron: Quantum Diaries.    

Noot:
  1. Er zijn in totaal zes soorten quarks, op z’n Engels up en down; charm en strange; top en bottom (ook wel truth en beauty genoemd). []

Leuk speelgoed, zo’n ATLAS van Lego


Je kan er van alles mee na bootsen, bijvoorbeeld de Marsrover Curiosity, het 2100 jaar oude Mechanisme van Antikythera, Stephen Hawking of een heuse Legoscoop eh… sorry telescoop: met het speelgoed van LEGO®. Natuurkundige Sascha Mehlhase dacht bij zichzelf: dat moet ik ook kunnen en aldus toog hij met welgeteld 9100 leogoblokjes aan de slag om in 81 uren een compleet model te bouwen – schaal 1:50 – van de ATLAS detector, één van de vier grote kathedraal-grote instrumenten die verbonden is aan de Large Hadron Collider, ‘s werelds grootste deeltjesversneller. Met de ATLAS vond men onlangs de eerste serieuze aanwijzingen voor het bestaan van het Higgs boson, het deeltje dat andere deeltjes hun massa geeft. Mehlhase heeft voor het ontwerpen van het Legomodel van de ATLAS gebruik gemaakt van de zogenaamde LEGO Digital Designer, waarmee je op je PC modellen kunt maken.

:bron: Bron: viXra.

Een leuke en interessante video over supersymmetrie

De theorie van supersymmetrie (SUSY) kan ingewikkeld zijn, á la

\{ Q_{ \alpha }, \bar{Q_{ \dot{ \beta }}} \} = 2( \sigma{}^{\mu} )_{ \alpha \dot{ \beta }} P_{\mu}

- een voorbeeld van de Super-Poincaré algebra. Maar het kan ook een tikkeltje eenvoudiger zijn, middels video’s zoals deze:

Scheelt wel, nietwaar? :bron: Bron: The Reference Frame.

Wat komt er na de Large Hadron Collider?

Ontwerp van de Compact Linear Collider, CLIC

Deze week mocht de wereld uitgebreid getuige zijn van de presentaties in Genève, waarin het Europese deeltjesinstituut CERN bekendmaakte dat met de Large Hadron Collider – ‘s werelds grootste deeltjesversneller – aanwijzingen zijn gevonden voor het bestaan van een Higgs boson met een massa van ongeveer 125 GeV. Nee, bewijs er voor kon nog niet worden geleverd, maar dat dat zal wel ergens in 2012 het geval zijn, zo is op dit moment de redenering. OK, je zou denken dat de natuurkundigen op hun lauweren rusten en gewoon doorgaan met de protonenbotsingen in de LHC, om daarmee volgend jaar het ‘Nobelprijs-proof’ bewijs te leveren. Maar niets is minder waar, want natuurkundigen nemen geen genoegen met het grootste en duurste instrument (€ 3,1 miljard voor de LHC, exclusief detectoren) voor deeltjesonderzoek, ook al ondergaat de LHC volgens de planning in 2014 nog een upgrade, waardoor de botsingsenergie van 7 TeV omhoog gaat naar 14 TeV – mogelijk door het gebruik van een nieuwe generatie supergekoelde magneten1. Ze denken al weer vooruit aan nieuwe instrumenten, die nóg meer kunnen dan de LHC. Per slot van rekening kan men met de LHC het Higgs boson ontdekken, maar dan weet je nog weinig details, behalve diens massa. Zijn er bijvoorbeeld meerdere varianten van het Higgs boson, heeft deze supersymmetrische eigenschappen, enzovoorts. Allemaal vragen waar een nieuwe generatie deeltjesversnellers antwoord op moet geven. Daarom liggen er op de tekentafels van de bouwers al twee opvolgers van de LHC:

  • de International Linear Collider (ILC): is de LHC een 27 km grote cirkel, de ILC daarentegen is een versneller die één rechte lange lijn is. Er wordt geen gebruik gemaakt van de protonen, de grootste stabiele deeltjes, maar van de veel lichtere electronen en muonen. Protonen produceren bij hun botsingen een grote hoeveelheid deeltjes, waar veel oninteressante deeltjes (ruis) bij zitten en waarvan de computers maar moeten ontdekken wat bruikbaar is en wat niet. De ILC produceert met z’n lichtere deeltjes veel schonere botsingen, die minder ruis opleveren. De botsingsenergie ligt tussen 500 GeV en 1 TeV – minder dan bij de LHC, maar veel effectiever.
  • de compact linear collider (CLIC), die vergelijkbaar is met de ILC, maar wiens botsingsenergie hoger ligt: tot 3 of zelfs tot 5 TeV. De bedoeling van CLIC is dat met een bundel electronen met hoge intensiteit, maar lager energie een tweede bundel van electronen wordt opgestuwd tot grote energie, resulterend in zeer schone botsingen.
Aan beide versnellers zijn uiteraard peperdure prijskaartjes verbonden – $ 6,75 miljard voor de ILC, de kosten van CLIC weet ik even niet, maar dat zal niet voor een grijpstuiver zijn. :bron: Bron: viXra.

 

Noot:
  1. Er wordt zelfs gesproken over een extreme upgrade richting 33 TeV. []

Hoe zit dat nou met de Higgs-data en het ‘look elsewhere effect’?

Phil Gibb's berekening van het signaal bij 125 GeV van het Higgs boson

De uitkomst van de gisteren door CERN gegeven presentaties van de speurtocht met de Large Hadron Collider naar het Higgs boson is dat er wel aanwijzingen zijn voor het bestaan ervan bij een massa van ongeveer 125 GeV, maar dat er nog geen sprake is van een heuse ontdekking.  Met de ATLAS-detector kwam een signaal (‘excess’) uit de hoge hoed bij 126 GeV, pakweg 100 kandidaat Higgs-bosonen, met een statistische betrouwbaarheid van 3,6σ, rekening houdend met het zogenaamde look elsewhere effect (LEE) zakkend naar 2,3σ. Met CMS zagen ze een signaal bij 124 GeV, ook zo’n 100 kandidaten, met een 2,6σ betrouwbaarheid, zakkend naar 1,9σ met LEE. Van een ontdekking mag officieel pas sprake zijn bij 5σ, d.w.z. als de kans dat het signaal het gevolg is van toeval – zeg maar van ‘ruis’- kleiner is dan 1 op miljoen. Die 3,6σ en 2,6σ zijn resultaten waar de natuurkundigen op dit moment tevreden over kunnen zijn, maar door dat LEE wordt dat flink onderuit gehaald. Vraag is dus: wat is nou precies dat look elsewhere effect? Eh… andere vraag: moeten we dat het ‘Kijk-ook op-andere-plekken-effect noemen? Ik dacht het niet. :-) Het gaat in draait het allemaal om statistieken. In de ondergrondse 27 km lange tunnelsvan de LHC zijn in 2011 pakweg 350 biljoen protonen met een botsingsenergie van 7 TeV tegen elkaar geknald. De krankzinnige hoeveelheid gegevens die deze botsingen opleveren heeft men op diverse wetenschappelijke instituten en universiteiten in Europa geanalyseerd – en analyseert men nog steeds.  Bij de uitkomsten die men krijgt moeten de natuurkundigen zich telkens de vraag stellen: is dat signaal wat ik zie echt of is het een fluctuatie, ruis? Als men dus zo’n bubbeltje in de gegevens ziet, is die dan echt? Neem als voorbeeld de ‘resonantie’ die ze april dit jaar met dezelfde ATLAS-detector in het zogenaamde γγ-kanaal zagen bij 115 GeV. Die had een betrouwbaarheid van 4σ, dus méér dan die van gisteren. Wat bleek een paar weken later: dat die resonantie niet echt is. Nou zijn de gisteren gepubliceerde resultaten en hun ‘sigma’s’ op meer data gebaseerd dan die van april, dus leidt er niet uit af dat de resonantie van april ‘harder’ is dan die van gisteren. Belangrijk in dit verband is welk massabereik je onderzoekt, d.w.z. welke mogelijke massa’s van het Higgs boson je bekijkt. Neem je een groot bereik, bijvoorbeeld 100 tot 750 GeV, dan zal de kans groot zijn dat er ergens een signaal of resonantie opduikt. Beperk je je onderzoek tot een klein bereik, bijvoorbeeld 140 tot 145 GeV, dan is die kans een stuk kleiner. De kans dat je een signaal ziet hangt dus af van een soort ‘boost factor’, (M2-M1)/W, waarin M1-M2 het massabereik is en W de ‘breedte’ van het opgepikte signaal. Door die factor kon de in april gedetecteerde resonantie feitelijk 10 tot 100 keer te hoog liggen en gaf het een verkeerde statistische betrouwbaarheid – niet voor niets dat men zegt dat er drie soorten leugens zijn: leugens, grove leugens, en statistieken. LEE is waar het hier om draait: op welke plekken in dat spectrum van mogelijke massa’s kijk je allemaal op zoek naar bobbeltjes, signalen, resonanties? Hoe meer plekken je in de gaten houdt, des te meer kans dat je dergelijke dingen tegenkomt. Met dit effect moet men bij de speurtocht naar het Higgs boson rekening houden en daarom past men bij de analyses van de metingen die factor toe, eh… niet die simpele (M2-M1)/W, maar een behoorlijke complexe factor. En dat verlaagt vervolgens, zoals we gezien hebben, de betrouwbaarheid. Ik heb overigens in de figuur hierboven de resultaten staan die de natuurkundige Phil Gibbs – van de blog viXra – heeft gemaakt op basis van de gepubliceerde data van ATLAS en CMS. Hij heeft de data in het γγ- als in het ZZ-kanaal van de twee detectoren gecombineerd en de groene verticale strook daarin geeft het meest waarschijnlijke massabereik van het Higgs boson aan: yep, ergens rond 125 GeV. :bron: Bron: viXra + Tommasso Dorigo op CMS.

Ook Fokke & Sukke hebben naar het Higgs boson gezocht


Ook in Nederland wordt druk gezocht naar het Higgs boson. En met goed gevolg. :-D :bron: Foksuk ©.

CERN vindt met LHC eerste aanwijzingen voor Higgs boson rond 125 GeV

De waarneemgegevens van ATLAS wijzen op een Higgs boson bij 126 GeV

In de twee presentaties die vanmiddag zijn gegeven bij het Europese deeltjes-onderzoeksinstituut CERN is naar voren gebracht dat er aanwijzingen gevonden zijn voor het bestaan van het Higgs boson met een massa rond 125 GeV/c². In de ene presentatie werden de gegevens bekendgemaakt van de ATLAS-detector, in de andere van de CMS-detector, beiden verbonden aan de Large Hadron Collider (LHC), ‘s werelds grootste deeltjesversneller op de grens van Zwitserland en Frankrijk. ATLAS-baas Fabiola Gianotti wist te vertellen dat er een signaal (‘excess’) is waargenomen bij 126 GeV, met een statistische betrouwbaarheid van 3,6σ. Rekening houdend met het zogenaamde look elsewhere effect1 zakt die betrouwbaarheid naar 2,3σ. Bij die laatste betrouwbaarheid is er 2% kans dat het signaal niet echt is, maar statistische ruis. Bij concullega-detector CMS zien ze een signaal bij 124 GeV en met een 2,6σ betrouwbaarheid, zakkend naar 1,9σ met het LEE-effect, aldus CMS-baas Guido Tonelli in z’n presentatie. Higgs bosonen zwaarder dan 127 GeV worden door CMS uitgesloten. Door ATLAS wordt het massabereik van Higgs bosonen beperkt tot ergens tussen 115 en 131 GeV. En hoe zit het dan met de aanwijzingen voor SUSY, supersymmetrie? Die zijn (nog) niet gevonden met de LHC, maar het bestaan van een licht SM Higgs boson, d.w.z. eentje volgens het Standaard Model rond 125 GeV, is gunstig voor SUSY, aldus CERN-opperbaas Ralf Heuer zojuist tijdens een persconferentie. Voor de geïnteresseerden: hier kan je de presentaties van ATLAS en CMS vinden. :bron: Bron: New Scientist + A quantum diaries survivor + Physics World.

Noot:
  1. Niet onbelangrijk wat Tomasso Dorigo – natuurkundige werkzaam bij CMS en blogger van ‘A Quantum Diaries Survivor’ – over dit effect te melden heeft: “[...] I do not believe we need to worry anymore too much about the look-elsewhere effect (aka trials factor), which is a derating of the local significance due to the many places you look.“ []

Laatste roddels vóór de CERN-presentaties over het Higgs boson


Morgen (dinsdag 13 december 2011) vanaf 14.00 uur worden bij CERN in Genève twee presentaties gegeven over de speurtocht naar het beroemde Higgs boson, ook wel het Higgs deeltje of God deeltje genoemd, de ene over de resultaten die met de ATLAS-detector zijn geboekt, de andere met de CMS-detector, beiden verbonden aan de Large Hadron Collider (LHC), ‘s werelds grootste deeltjesversneller. De presentaties en navolgende discussie met journalisten zijn live te volgen. Ik heb jullie sinds de eerste aankondiging van de presentaties met regelmaat vermoeid over het Higgs boson en over de vele geruchten die er over de ronde deden én doen. Een dag voor de presentaties is het goed om jullie nog even te voeden met de laatste roddels die rondzoemen. Zie het maar als een voorbereiding op morgen en dan moeten we maar kijken wat er allemaal van klopt.

  • De roddel die al weken de ronde doet blijft fier overeind: namelijk dat ergens rondom een massa-energie van 125 GeV zowel ATLAS als CMS een signaal hebben gezien. Géén 5σ-signaal dat als bewijs kan worden opgevat, daar zijn die schamele 350 biljoen botsingen tussen protonen veel te weinig voor. :-)
  • Bij ATLAS en CMS is dat signaal opgepikt bij het H→γγ kanaal, d.w.z. de variant waarbij een Higgs boson vervalt in twee fotonen. ATLAS schijnt een iets hogere betrouwbaarheid te hebben, 3σ versus 2,5σ.
  • Er schijnt ook een signaal te zijn in het H→ZZ*→4l kanaal, d.w.z. het kanaal waarbij het Higgs boson eerst vervalt in twee Z-bosonen en daarna in twee paar leptonen1, ook wel het gouden kanaal genoemd. ATLAS zou drie ‘gevalletjes’ (Engels: events) hebben gezien bij – alweer – 125 GeV, CMS zou ook drie gevalletjes tussen 117 en 121 GeV hebben gezien.
OK, genoeg geroddeld. Morgen kijken we allemaal naar the real thing! :bron: Bron: o.a. Not even wrong + Résonaances.
Noot:
  1. Feitelijk een lepton-paar en een antilepton-paar. Leptonen zijn electronen of hun zwaardere variant, de muonen. []

Tandpasta hebben we te danken aan neutrino’s en supernovae

Waar komt de tandpasta vandaan?

Heerlijk om zo op de zondagmorgen bij een kopje koffie te lezen: de blog van Elisabeth Lovegrove over nucleosynthese, het ontstaan van de elementen. Die elementen vinden we keurig gerangschikt in de Periodieke Tabel en wij, de aarde, de andere planeten, de sterren, de gas- en stofnevels en noem maar op bestaan er uit. Nucleosynthese bestaat in feite uit twee gedeelten: het ontstaan van de lichtste elementen tijdens de oerknal en van de zwaardere elementen in sterren. Die eerste wordt de Oerknal Nucleosynthese genoemd, waarbij in de eerste minuten na de oerknal – waarmee 13,7 miljard jaar geleden het heelal ontstond – waterstof, helium, deuterium, tritium en lithium ontstonden. De vorming van de zwaardere elementen, door sterrenkundigen ‘metalen’ genoemd, wordt nucleosynthese genoemd en die vond pas plaats vanaf 200 miljoen jaar na de oerknal, toen de eerste sterren verschenen. En die vindt vandaag de dag nog steeds plaats, want in de kernen van sterren worden nog steeds nieuwe elementen gevormd, zoals in onze zon met de waterstofverbranding tot helium ook het geval is. Bij de nucleosynthese moet je feitelijk weer twee varianten onderscheiden: de vorming van elementen in ‘gewone’ sterren, waarbij elementen tot en met ijzer kunnen ontstaan, en de vorming van de elementen zwaarder dan ijzer in supernovae1. De eerste variant werd in 1957 voor het eerst beschreven door het viertal Margaret en Geoffrey Burbidge, William Fowler en Fred Hoyle, kortweg aangeduid als B²FH, in dit beroemd geworden artikel: Synthesis of the Elements in Stars. De details zal ik jullie besparen, maar interessant is wel om het ontstaan van enkele isotopen uit de Periodieke Tabel te noemen. Het gaat om enkele bijzondere elementen zoals anthanum, tantalum en fluorine, die ontstaan door een speciaal proces dat neutrino afsplitsing of het neutrino proces wordt genoemd. In de extreme omstandigheden van een supernova kan een neutrino een atoomkern raken, waarbij een ‘splinter’ van de kern wordt afgestoten. Zo kan een neutrino een neon-20 kern raken en dan vliegt er een proton als splinter weg. En wat hou je dan over: fluorine-19. En wat maken ze van fluorine, vermengd met wat silicaten en water (H2O)? Yep, tandpasta! Grappig is trouwens dat een ander klassiek artikel – in dit geval The Hydrodynamic Behavior of Supernovae Explosions uit 1966 geschreven is door Richard White en… Stirling Colgate! What’s in a name. :-D :bron: Bron: Astrobites.

Noot:
  1. Al zijn er de laatste tijd ook sterrenkundigen die suggereren dat elementen in neutronensterren kunnen ontstaan. []

Switch to our mobile site