9 februari 2012

VLT maakt meest detailrijke infraroodopname van de Carinanevel


Met ESO’s Very Large Telescope (VLT) is de tot nu toe meest gedetailleerde infraroodopname gemaakt van de grote stellaire kraamkamer in het sterrenbeeld Carina. Op de foto zijn allerlei structuren te zien die nog niet eerder in dit spectaculaire landschap van gas, stof en jonge sterren waren waargenomen. Het is een van de meest indrukwekkende opnamen die ooit met de VLT zijn gemaakt. Diep in hart van de zuidelijke Melkweg ligt een stellaire kraamkamer die de Carinanevel wordt genoemd. Hij bevindt zich op een afstand van ongeveer 7500 lichtjaar in het sterrenbeeld Carina (Kiel). Deze wolk van gloeiend gas en stof is een van de meest nabije broedplaatsen van zeer zware sterren en bevat enkele van de helderste en zwaarste sterren die we kennen. Een daarvan, de geheimzinnige en uiterst instabiele ster Èta Carinae, was halverwege de 19de eeuw enkele jaren lang de op één na helderste ster aan de hemel. Waarschijnlijk zal de ster binnenkort – naar astronomische maatstaven dan – als supernova ontploffen. De Carinanevel is een perfect laboratorium voor het onderzoek van de geboorte en de eerste levensfasen van sterren. Hoewel deze nevel ook op foto’s in zichtbaar licht al heel spectaculair is (zie eso0905), gaan veel van zijn geheimen schuil achter dikke wolken van stof. Om door deze sluier heen te dringen, heeft een Europees team van astronomen, onder leiding van Thomas Preibisch (Universitäts-Sternwarte München, Duitsland), de gecombineerde kracht van de VLT en de infrarood-gevoelige camera HAWK-I ingezet. Voor deze indrukwekkende foto zijn honderden afzonderlijke VLT-opnamen gecombineerd. Het resultaat is het meest detailrijke infraroodmozaïek dat ooit van de Carinanevel is gemaakt. Het toont niet alleen de heldere zware sterren, maar ook honderdduizenden veel zwakkere sterren die voorheen onzichtbaar waren. De oogverblindende ster Èta Carinae zelf is linksonder te zien. Hij is omringd door wolken van gas die onder invloed van intense ultraviolette straling tot gloeien zijn gebracht. Verspreid over de foto zijn ook tal van compacte klodders van donker materiaal te zien, die zelfs in het infrarood ondoorzichtig blijven. Dat zijn de stofrijke cocons waarin zich nieuwe sterren vormen. In de laatste paar miljoen jaar zijn in dit hemelgebied grote aantallen sterren ontstaan – zowel individueel als in groepen. De heldere sterrenhoop ongeveer in het midden van de foto heet Trumpler 14. Hoewel dit object ook op visuele golflengten waarneembaar is, zijn op deze infraroodopname veel meer zwakkere sterren te zien. Meer naar links valt een kleine concentratie van gelige sterren op. Dit groepje dook in deze nieuwe VLT-gegevens voor het eerst op: de sterren zijn op visuele golflengten niet te zien. Dit is overigens slechts een van de vele nieuwe objecten die op dit spectaculaire panorama zijn ontdekt. Voor de liefhebbers: hier is het origineel van de foto in tif-formaat, let op: 218 Mb groot! Hieronder een video over de VLT-opnames van de Carinanevel.

:bron: Bron: ESO.

Meer bekend over interstellaire medium buiten ons zonnestelsel


Ons zonnestelsel wordt omgeven door een grote magnetische bel, waarin continue deeltjes worden geblazen die afkomstig zijn van de zon. Die deeltjes van de zonnewind komen in botsing met de deeltjes van het zogenaamde interstellaire medium (ISM) en de plek waar die botsing plaatsvindt heet de heliosheath, een deel van de heliosfeer rondom de zon. Op de afbeelding hiernaast is dat het gedeelte met die blauwe en rode strepen. Geladen deeltjes vanuit de ISM komen niet door de heliosheath heen, maar neutrale deeltjes kunnen dat wel. En dat zijn precies de deeltjes die met NASA’s Interstellar Boundary Explorer (IBEX) zijn waargenomen. Met die satelliet kunnen ze de gehele hemel in één jaar tijd afstruinen naar neutrale deeltjes afkomstig van buiten het zonnestelsel en dat hebben ze nu al drie jaar achtereen gedaan. Het resultaat is dat men heeft kunnen vaststellen in welke verhoudingen waterstof, zuurstof, neon en helium in het ISM voorkomen en dat blijkt te verschillen van de verhoudingen in het zonnestelsel. Zo zijn er in het ISM op iedere 20 neonatomen 74 zuurstofatomen, terwijl dat 20:111 in het zonnestelsel is.

Ons zonnestelsel heeft dus verhoudingsgewijs meer zuurstof – essentieel voor het ontstaan van leven – en de grote vraag is natuurlijk hoe dat kan. Er is een mogelijkheid dat het zonnestelsel ergens anders in het Melkwegstelsel is ontstaan, in een gebied waar meer zuurstof is, óf dat er in het ISM wel zuurstof is, maar dat het verborgen zit in bijvoorbeeld stof- of ijsdeeltjes. Het zonnestelsel moet zo’n 45.000 jaar geleden terecht zijn gekomen in de lokale ISM, waar het zich nu bevindt. Met IBEX kon men ook de snelheid meten waarmee de deeltjes van het ISM tegen de heliosheath botsen: maar liefst 84.000 km per uur, 12% langzamer dan men eerst op basis van metingen met een andere satelliet – Ulysses – dacht. Die ‘galactische wind’ – welke windkracht zou dat opleveren, die 84.000km/u? – komt vooral uit de richting van het sterrenbeeld Schorpioen en is naar de zon gericht.  Meer informatie over de waarnemingen met IBEX aan het ISM dat het zonnestelsel omringt in de volgende video:

:bron: Bron: NASA.

En nog is niet bekend of de Fijn-Structuur Constante echt constant is

Zijn de natuurconstanten echt constant?

Zijn de natuurconstanten constant? Dat is een vraag die de natuurkundigen al tientallen jaren bezig houdt. De lichtsnelheid c bijvoorbeeld - 299 792 458 m/s volgens alle leerboekjes – heeft die altijd die waarde gehad of is er gedurende de evolutie van het heelal ook een veranderende waarde van c? Er zijn natuurkundigen die vermoeden dat de natuurconstanten héél geleidelijk veranderen en dat zou met name te meten zijn aan de zogenaamde Fijn-Structuur Constante α, welke de sterkte van de electromagnetische wisselwerking bepaalt, één van de vier natuurkrachten. Het is een dimensieloze constante die hier en nu op 1/137.035999074 wordt gesteld. Er zijn eerder al pogingen gedaan om de mogelijke verandering van α te meten, namelijk door onderzoek aan het licht van waterstofgas in ver weg gelegen quasars – actieve sterrenstelsels met een superzwaar zwart gat in hun kern – dat onderweg naar aarde deels wordt geabsorbeerd door tussenliggende gaswolken, hetgeen leidt tot donkere absorptielijnen in het spectrum. Onderzoek aan die lijnen geeft de onderzoekers een indruk van de sterkte van de electromagnetische kracht in die quasars. Echte duidelijkheid gaf dat echter niet en daarom heeft men nu de hoop gevestigd op een zelfde soort onderzoek, maar dan met hydroxyl moleculen in plaats van waterstofatomen. Die moleculen bestaan uit een combinatie van zuurstof- en waterstofatomen en de absorptie van dergelijke gaswolken tussen de quasar en de aarde zou een beter resultaat moeten geven. Maar een groep sterrenkundigen onder leiding van Nissim Kanekarat (National Centre for Radio Astrophysics in Pune, India) keek naar de 6,7 miljard lichtjaar ver weg gelegen quasar genaamd PMN J0134−0931 en de resultaatverwachting dat de absorptie van diens licht door tussenliggende hydroxylmoleculen iets kon laten zien van een veranderende constante α kon niet worden waargemaakt. Uit de metingen kan je zowel afleiden dat de constante varieert als dat de variatie nul is, dus dat schiet ook niet op. Boosdoener was waarschijnlijk een tweede tussenliggende hydroxylwolk, die de boel in de ar schopte. Het wachten is nu op de Square Kilometre Array (SKA), een reusachtige nog te bouwen radiotelescoop, die komt te bestaan uit duizenden kleine radioantennes, die verspreid op Aarde zullen staan. Die zal – hoopt men – in staat zijn de hydroxyl wolken gedetailleerd waar te nemen en wellicht de variabiliteit van α. :bron: Bron: New Scientist.

De Helixnevel in nieuwe kleuren

De Helixnevel, gefotografeerd met ESO's Visible and Infrared Survey Telescope for Astronomy (VISTA)

Met de VISTA-telescoop van de ESO-sterrenwacht op Paranal, Chili, is een prachtige nieuwe opname van de Helixnevel gemaakt. De foto, gemaakt in het infrarood, toont slierten van koud gas die op zichtbare golflengten niet te zien zijn. Ook opvallend is de rijke achtergrond van sterren en sterrenstelsels. De Helixnevel is een van de meest nabije en meest opvallende voorbeelden van een planetaire nevel1 . Hij staat in het sterrenbeeld Aquarius (Waterman) en is ongeveer 700 lichtjaar van de aarde verwijderd. Dit vreemde object is ontstaan toen een zonachtige ster het eindstadium van zijn bestaan bereikte. Daarbij stootte de ster zijn buitenste gaslagen af, wat de vorming van de nevel tot gevolg had. De ster zelf, die zichtbaar is als het kleine blauwe stipje in het midden van de foto, is bezig om tot een witte dwerg te evolueren. De eigenlijke nevel is een complex object bestaande uit stof, geïoniseerd materiaal en moleculair gas dat een schitterend bloemvormig patroon heeft aangenomen en onder invloed van de intense, ultraviolette gloed van de centrale hete ster tot gloeien wordt gebracht. De hoofdring van de Helix is ongeveer twee lichtjaar groot – ruwweg de helft van de afstand tussen de zon en de eerstvolgende ster. Het materiaal van de nevel strekt zich echter tot zeker vier lichthaar van de ster uit. Dat is op deze infraroodopname goed te zien: tot aan de randen van de foto zijn ijle flarden van rood moleculair gas waarneembaar. Op zichtbare golflengten is dit ijle gas moeilijk te zien, maar VISTA’s speciale detectors, die zeer gevoelig zijn voor infrarood licht, kunnen de gloed gemakkelijk vastleggen. De 4,1-meter telescoop is eveneens in staat om een indrukwekkende verzameling van achtergrondsterren en -stelsels te detecteren. Dankzij de scherpe blik van ESO’s VISTA-telescoop is ook de fijne structuur in de ringen van de nevel zichtbaar. Het infrarood laat de verdeling van het koele moleculaire gas goed zien. Het materiaal is samengeklonterd tot filamenten die straalsgewijs vanuit het centrum komen, wat het geheel een vuurwerkachtig karakter geeft. Hoewel ze vrij iel lijken, zijn deze komeetachtige strengen van moleculaire waterstof ongeveer zo groot als ons zonnestelsel. De daarin aanwezige moleculen kunnen de energierijke straling die de stervende ster uitzendt zo goed weerstaan, omdat ze zijn samengeklonterd tot een soort knopen die op hun beurt worden afgeschermd door het stof en gas dat op zichtbare golflengten waarneembaar is. Hoe deze ‘knopen’ zijn ontstaan, is nog onduidelijk. Bron: ESO.

Noot:
  1. Planetaire nevels hebben niets met planeten te maken. Hun verwarrende benaming hebben zij te danken aan het feit dat veel van hen zich als schijfjes vertonen die qua uiterlijk aan de buitenste planeten van ons zonnestelsel (Uranus en Neptunus) doen denken. De Helixnevel, die ook de catalogusaanduiding NGC 7293 draagt, is een buitenbeentje, omdat hij zich in het beeldveld van een kleine telescoop als een groot, lichtzwak object vertoont.. []

Bok globules in de Rosetta nevel

Rosetta nevel (NGC2237) in Bi-Color (H-Alpha en O-III)

Een bolwolk of (Bok)globule is een donkere, dichte wolk van stof en gas waar stervorming plaatsvindt. Bolwolken worden vaak aangetroffen nabij H-II-gebieden (ze zijn beter te zien tegen een heldere achtergrond omdat het stof de achtergrondstraling absorbeert) en hebben een massa van zo’n 10 tot 50 zonnemassa’s verspreid over een gebied van ongeveer een lichtjaar in doorsnede. Ze bevatten moleculair waterstof (H2), koolstofmonoxide (CO) en helium (en vele andere moleculen), en ongeveer 1 massaprocent uit silicaten bestaand stof. Bolwolken leiden in de meeste gevallen tot de vorming van dubbele of meervoudige sterren.

Bolwolken werden het eerst waargenomen door de astronoom Bart Jan Bok in de jaren 40 van de 20e eeuw. In een publicatie uit 1947 speculeerden Bok en E.F. Reilly dat deze wolken ‘cocons’ waren die een zwaartekrachtimplosie ondergingen om nieuwe sterren te vormen waaruit sterrenhopen geboren worden. Deze hypothese was moeilijk te verifiëren omdat het zeer lastig waar te nemen is wat zich binnen in de dichte donkere wolk die alle zichtbaar licht absorbeert afspeelt. Een analyse van observaties in het infrarood die in 1990 gepubliceerd werd bevestigde dat in bolwolken sterren werden geboren.

Verdere observaties hebben laten zien dat sommige bolwolken warme bronnen herbergen; sommige bevatten Herbig-Haro objecten, en sommige vertonen gasuitstromen. Studies van moleculaire (H2CO en CS) emissielijnen met golflengtes van ongeveer een mm hebben ook bewijs aangeleverd voor het invallen van materiaal op een aanwassende protoster.

Bolwolken zijn aantrekkelijke objecten om stervorming te bestuderen vanwege hun kleine afmetingen, regelmatigheid en isolatie. Met name kleine wolken zijn aantrekkelijk omdat de massa op enkele plaatsen gecondenseerd is en de afwezigheid van supersonische gasstromen.

Deze opname van de Rosetta nevel gemaakt op twee nachten met de Takahashi die ik tijdelijk van Ad Beerens mag gebruiken toont duidelijk Bok-globules die zich bevinden in de Rosetta-nevel.

Bok globules in de Rosetta nevel

De opname bestaat uit 12x900s O-III en 13x900s H-alpha gefotografeerd met een SXV-H9 CCD camera.

De Rozettenevel is een emissienevel in het sterrenbeeld Eenhoorn (Monoceros). De nevel is geassocieerd met een open sterrenhoop waarvan de sterren de nevel doen oplichten. De Rozettenevel bevindt zich op een afstand van ongeveer 5000 lichtjaar van de Aarde (hoewel de schattingen vrij ver uiteenlopen), en meet zo’n 130 lichtjaar in diameter. De massa van de nevel wordt geschat op ongeveer 10 000 zonsmassa’s. Het midden van de nevel is al schoon geblazen door de jonge sterren die daar gevormd zijn. Dit geeft de typerende vorm met een ‘gat’ in het midden van de nevel.

De open sterrenhoop in de Rozettenevel is ontstaan uit materie van de nevel; sterformatie is nog steeds aan de gang in het complex. De straling van de hete, jonge sterren, leidt ertoe dat de nevel op zijn beurt weer licht uitzendt.

ESA brengt Adelaarsnevel (‘Pillars of Creation’) opnieuw in beeld


In 1995 bracht de Hubble ruimtetelescoop ze al in beeld: de beroemde ‘Pillars of Creation”, de langgerekte waterstofwolken in de Adelaarsnevel (M16), een grote emissienevel in het sterrenbeeld Slang, gelegen rondom de jonge, open sterrenhoop NGC 6611. De foto die Hubble van die kosmische Pilaren der Schepping wist te maken wordt beschouwd als één van de mooiste astrofoto’s uit de 20e eeuw. De ESA heeft het gedurfd de Adelaarsnevel opnieuw te fotograferen en wel door twee van z’n satellieten in de ruimte, de infraroodsatelliet Herschel en de röntgensatelliet XMM-Newton. Verborgen in die pilaren zitten zogenaamde evaporating gaseous globules of op z’n Engels afgekort EGG’s. donkere stofwolken waarin zich piepjonge, massieve sterren bevinden. Hubble kon die EGG’s niet zien, maar Herschel is met z’n infrarood-ogen in staat door dat stof heen te kijken. En XMM-Newton is vervolgens weer in staat om het röntgenlicht te zien dat afkomstig is van de sterren die de pilaren geschapen hebben. Op basis van vele waarnemingen hebben sterrenkundigen het vermoeden dat 6000 jaar geleden één van de sterren van de 75 lichtjaar grote Adelaarsnevel als een supernova moet zijn ontploft. De afstand van de nevel tot de aarde is zo’n 7000 lichtjaar en licht van die supernova heeft ons nog niet bereikt. Al dat wel het geval is zal dat direct het einde betekenen van de Pillars of Creation, want die gaswolken zullen door de schokgolf van die supernova weggevaagd worden. Hieronder een compilatie van de vele waarnemingen met diverse instrumenten, die aan de Adelaarsnevel zijn gedaan.

:bron: Bron: ESA.

De VLT brengt de rookachtige, roze kern van de Omeganevel in beeld

De Omeganevel in het sterrenbeeld Boogschutter

Deze nieuwe opname van de Omeganevel, gemaakt met ESO’s Very Large Telescope (VLT) in het kader van het ESO Cosmic Gems-programma, behoort tot de scherpste die ooit vanaf de aarde zijn gemaakt. De foto geeft een buitengewoon detailrijk beeld van de rokerige, roze gekleurde centrale delen van dit beroemde stervormingsgebied, dat een kosmisch landschap van gaswolken, stof en pasgeboren sterren is. Het kleurrijke gas en donkere stof in de Omeganevel dient als bouwmateriaal voor de vorming van een nieuwe generatie sterren. De jongste sterren in dit specifieke deel van de nevel – oogverblindend helder en blauwwit stralend – lichten het geheel op. De rookachtige slierten stof in de nevel steken donker af tegen het gloeiende gas. De overwegend rode tinten van dit wolkachtige uitspansel zijn het gevolg van waterstofgas dat onder invloed van de intense ultraviolette straling van de hete, jonge sterren tot stralen is gebracht. De Omeganevel heeft, afhankelijk van de waarnemer en wat deze meende te zien, allerlei verschillende namen gekregen, zoals ‘Zwaannevel’, ‘Hoefijzernevel’ en zelfs ‘Kreeftnevel’. Het object staat ook te boek als Messier 17 (M17) en NGC 6618. De nevel bevindt zich op een afstand van ongeveer 6500 lichtjaar in het sterrenbeeld Boogschutter. Dit heldere complex van gas en stof, dat tot de jongste en meest actieve stervormingsgebieden in de Melkweg behoort, is een populair doelwit voor astronomen. De opname is gemaakt met het instrument FORS (FOcal Reducer and Spectrograph) van Antu, een van de vier grote unit-telescopen van de VLT. De scherpte van de opname is niet alleen te danken aan de grote omvang van de telescoop, maar ook aan de, ondanks lichte bewolking, uitzonderlijk stabiele lucht tijdens de opname. Hierdoor behoort deze nieuwe foto tot de scherpste die ooit vanaf de aarde van dit deel van de Omeganevel zijn gemaakt. De hoge resolutiefoto van de Omeganevel is hier te downloaden. :br0n: Bron: ESO.

De Kikkervisjes in IC 410 vanuit Schelluinen


Geïnspireerd door m’n Astroblog over de zwakke emissienevel IC 410 in het sterrenbeeld Voerman (Aurigae) – die vol met allerlei sliertvormige objecten zit, welke erg lijken op kikkervisjes – is Gerrit Burggraaf – actief Deepsky-fotograaf in Schelluinen - aan de slag gegaan om die nevel te fotograferen. En met welk resultaat! Met z’n A&M super APO 115mm op F6 en de ATIK 4000 mono met de filters Ha-S2-O3 (3nm) heeft hij de nevel 5 uur lang belicht, veel te weinig voor dit lichtzwakke object, volgens hem. Ik ben benieuwd wat nóg langer belichten en een goede seeing dan allemaal voor moois oplevert. Dit is al super namelijk.

NGC 7380 Wizard Nevel in Cepheus

Opname van de NGC7380 Wizard Nevel (dubbelklikken voor grote versie)

Sommige open clusters liggen ingebed in een nevel en kunnen soms zelfs een helder H-alfa gebied doen oplichten. NGC 7380 in Cepheus is een groep van vooral O en B type sterren die liggen in het H-alfa gebied met de code SH2-142. De sterren vinden hun oorsprong in een groot nevelgebied in Cepheus en de nevel en het cluster maken zelf weer deel uit van een groter, visueel onzichtbare moleculaire wolk met de naam NGC 7380E. Stervorming is zo’n 4 miljoen jaar geleden begonnen met de vorming van NGC 7380 en heeft geduurd tot zo’n 2 miljoen jaar geleden. De wolk werd geioniseerd door de heldere dubbelster HD215835 (DH Cephei) wat uiteindelijk leidde tot de vorming van SH2-142. DH Cephei is de iets heldere ster nabij het midden van de nevel in de opname. De structuur van de waterstofwolk heeft een karakteristieke vorm met afwisselend heldere randen en donkere stofbanden. De opbouw van de nevel en het abrupte einde van de moleculaire wolk suggereren dat SH2-142 een belvormig ionisatiefront is dat van opzij wordt gezien langs de rand van de moleculaire wolk. SH2-142 heeft een grootte van ong. 140×75 lichtjaar en ligt zo’n 10.400 lichtjaar van onze aarde af. De totale massa van de moleculaire wolk NGC 7380E wordt geschat op 6000-15000 zonsmassa’s.

De opname van deze nevel is gemaakt met mijn ED80 en juni en mijn ED110 in november. In totaal zijn er de volgende opnamen gemaakt:

32x 1800s Ha (20xED80 en 12x ED110) 4,5nm custom scientific

8x 1800s OIII (ED80) 13nm astronomik

7x 1800s S2 (ED80) 13 nm astronomik

Alle opnamen zijn gemaakt met een SXV-H9 camera. In totaal is er dus 23,5 h aan belichting in deze opname gestopt.

Prettige kerstdagen iedereen!

Bron tekst: Rob Gendler astropics

 

WISE ziet een kosmische slingerkrans


Zie hier Barnard 3, alias IRAS Ring G159.6-18.5, een gaswolk in de Melkweg op de grens van de sterrenbeelden Perseus en Stier, pakweg 1000 lichtjaar van ons verwijderd. Met een tikkeltje fantasie zie je er zo een kosmische slingerkrans in, een heldere, groene krans, met in het midden een rood ornament. Allemaal in beeld gebracht met NASA’s Wide-field Infrared Survey Explorer (WISE), een infrarood-satelliet. In de rode wolk in het midden zie je een heldere ster, HD 278942 genaamd.  Die ster is verantwoordelijk voor het groen en rood oplichten van die wolken. De sterke ultraviolette straling van de ster warmt de gaswolken op en daardoor krijg je het groene en rode licht, waarbij het rode gebied meer metalen bevat en wat koeler is dan het groene gebied. :bron: Bron: NASA/JPL.

Switch to our mobile site