8 februari 2012

En nog is niet bekend of de Fijn-Structuur Constante echt constant is

Zijn de natuurconstanten echt constant?

Zijn de natuurconstanten constant? Dat is een vraag die de natuurkundigen al tientallen jaren bezig houdt. De lichtsnelheid c bijvoorbeeld - 299 792 458 m/s volgens alle leerboekjes – heeft die altijd die waarde gehad of is er gedurende de evolutie van het heelal ook een veranderende waarde van c? Er zijn natuurkundigen die vermoeden dat de natuurconstanten héél geleidelijk veranderen en dat zou met name te meten zijn aan de zogenaamde Fijn-Structuur Constante α, welke de sterkte van de electromagnetische wisselwerking bepaalt, één van de vier natuurkrachten. Het is een dimensieloze constante die hier en nu op 1/137.035999074 wordt gesteld. Er zijn eerder al pogingen gedaan om de mogelijke verandering van α te meten, namelijk door onderzoek aan het licht van waterstofgas in ver weg gelegen quasars – actieve sterrenstelsels met een superzwaar zwart gat in hun kern – dat onderweg naar aarde deels wordt geabsorbeerd door tussenliggende gaswolken, hetgeen leidt tot donkere absorptielijnen in het spectrum. Onderzoek aan die lijnen geeft de onderzoekers een indruk van de sterkte van de electromagnetische kracht in die quasars. Echte duidelijkheid gaf dat echter niet en daarom heeft men nu de hoop gevestigd op een zelfde soort onderzoek, maar dan met hydroxyl moleculen in plaats van waterstofatomen. Die moleculen bestaan uit een combinatie van zuurstof- en waterstofatomen en de absorptie van dergelijke gaswolken tussen de quasar en de aarde zou een beter resultaat moeten geven. Maar een groep sterrenkundigen onder leiding van Nissim Kanekarat (National Centre for Radio Astrophysics in Pune, India) keek naar de 6,7 miljard lichtjaar ver weg gelegen quasar genaamd PMN J0134−0931 en de resultaatverwachting dat de absorptie van diens licht door tussenliggende hydroxylmoleculen iets kon laten zien van een veranderende constante α kon niet worden waargemaakt. Uit de metingen kan je zowel afleiden dat de constante varieert als dat de variatie nul is, dus dat schiet ook niet op. Boosdoener was waarschijnlijk een tweede tussenliggende hydroxylwolk, die de boel in de ar schopte. Het wachten is nu op de Square Kilometre Array (SKA), een reusachtige nog te bouwen radiotelescoop, die komt te bestaan uit duizenden kleine radioantennes, die verspreid op Aarde zullen staan. Die zal – hoopt men – in staat zijn de hydroxyl wolken gedetailleerd waar te nemen en wellicht de variabiliteit van α. :bron: Bron: New Scientist.

Oergas in heelal ontdekt dat niet vervuild is met ‘metalen’

Impressie van oergas dat als 'koude stromen' samenbalt tot sterrenstelsels

Sterrenkundigen zijn er voor het eerst in geslaagd om ‘primordiaal’ gas te ontdekken, wolken van waterstof, dat dateert van de eerste ogenblikken na de oerknal, waarmee 13,7 miljard jaar geleden het heelal ontstond. Waterstof en helium zijn de lichtste elementen en meer dan 99,9% van de materie die in de oerknal tijdens de zogenaamde nucleosynthese ontstond bestond er uit. Een paar honderd miljoen jaar later ontstonden de eerste sterren en die produceerden ook elementen zwaarder dan helium, zoals zuurstof, koolstof en silicium. Sterrenkundigen noemen die elementen ‘metalen’. Al snel raakten de oerwolken van waterstof en helium vervuild met die metalen en de mate van vervuiling wordt ‘metaliciteit’ genoemd, hetgeen sterrenkundigen kunnen meten door in het spectrum van de wolken de karakteristieke lijnen te zien die de elementen als kosmische vingerafdrukken achterlaten. Tot nu toe zag men alleen wolken die in meer of mindere mate vervuild waren met metalen. Maar gebruikmakend van de HIRES spectrometer op de Keck I 10 meter telescoop van het W. M. Keck Observatorium op Hawaï vonden sterrenkundigen onder leiding van Michele Fumagalli (University of California, Santa Cruz) voor het eerst echte en zuivere oerwolken, zonder metalen. De wolken liggen tussen twee ver verwijderde quasars en de aarde. Het licht van die quasars passeert onderweg de wolken en in de spectra kon men zien dat de oewolken alleen bestaan uit waterstof en deuterium, dat is een zware variant van waterstof. Koolstof, zuurstof en silicium werden niet aangetroffen in de wolken. Het vermoeden bestaat dat wolken als deze zo’n twee miljard jaar na de oerknal veelvuldig voorkwamen als zogenaamde ‘koude stromen’ en dat hieruit door samenkrimping van die wolken sterrenstelsels ontstonden. :bron: Bron: Science Daily.

Volop onderzoek gaande aan twintig Voorwerpjes

De twintig Voorwerpjes, met linksboven Hanny's Voorwerp.

Het begon allemaal met de ontdekking in 2007 van ‘Hanny’s Voorwerp‘, de groen/blauw oplichtende gaswolk bij het sterrenstelsel IC 2497, door Hanny van Arkel, die de vondst deed door mee te doen met de Galaxy Zoo. In navolging van deze ontdekking werd op de Galaxy Zoo een jacht geopend op nog meer ‘Voorwerpjes’ – zoals de verzamelnaam luidt – en inmiddels zijn er door de deelnemers nog 19 ontdekt. De verzameling van twintig Voorwerpjes wordt uitvoerig bestudeerd door de sterrenkundigen en binnenkort wordt er een wetenschappelijk artikel over gepubliceerd in het vakblad Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Voor de liefhebbers: hier is dat artikel te lezen, waar o.a. sterrenkundige William Keel – alias NGC 3314 én lezer van de Astroblogs – aan heeft gewerkt. De vraag is of bij al die Voorwerpjes – ook wel extended emission-line regions (EELRs) genoemd - hetzelfde mechanisme werkzaam is als bij Hanny’s Voorwerp: dat de gaswolk gloeit door de ionisatie van zuurstof, door energetische röntgenstraling afkomstig van de kern van het sterrenstelsel IC 2497, 45.000 tot 70.000 lichtjaar verderop. In die kern huist een superzwaar zwart gat, die momenteel een slapend bestaan heeft, maar die minder dan 100.000 jaar geleden een zeer actieve periode moet hebben gehad. De uitkomst van het huidige onderzoek toont aan dat 14 van de 19 andere Voorwerpjes inderdaad een sterrenstelsel in de buurt hebben, op een afstand van minstens 30.000 lichtjaar, die op één of andere manier invloed heeft op de gloeiende gaswolk. Al die sterrenstelsels zouden af en toe een uitbarsting van hun centrale zwarte gat kennen, met een duur tussen de 20.000 en 200.000 jaren en de stelsels zouden dan AGN’s zijn, active galactic nuclei, wiens uitgestoten röntgenstraling vele jaren later kan stuiten op intergalactische wolken vol met neutraal gas. Als de AGN op een gegeven moment is uitgegaan, dan kan de ionisatie van de gaswolk daarna nog plaatsvinden. De uitstoot van de röntgenstraling gaat vaak in straalstromen, die naar twee tegenovergestelde richtingen gaan en er zijn inderdaad paren van Voorwerpjes gevonden.  Het onderzoek aan de Voorwerpjes gaat nog verder. Binnenkort bijvoorbeeld gaat men met de Hubble ruimtetelescoop zeven Voorwerpjes bestuderen en ook wordt de Europese XMM-Newton röntgensatelliet in stelling gebracht. Wordt vervolgd! :bron: Bron: Galaxy Zoo Blog + New Scientist.

Hubble neemt direct de accretieschijf rondom een zwart gat waar


Met de Hubble ruimtetelescoop is men er in geslaagd om gebruikmakend van de techniek van de zwaartekrachtslenzen voor het eerst de accretieschijf rondom een superzwaar zwart gat in een ver verwijderde quasar waar te nemen. Men heeft zelfs het temperatuursverloop in die schijf kunnen meten. De quasar waar het om draait is HE 1104-1805, die zich miljarden lichtjaren van de aarde af bevindt. Normaal gesproken zou zo’n superhete accretieschijf rondom het zwarte gat, waar het invallende materiaal roteert om de waarneemhorizon van dat zwarte gat, door de enorme afstand niet zichtbaar zijn, zelfs niet voor de Hubble telescoop. Maar gelukkig voor de waarnemers staat er precies tussen de quasar en de aarde een tussenliggend sterrenstelsel in, genaamd [WKK93] G. Dát sterrenstelsel zorgt er voor dat door haar gravitatiekracht het licht van de erachter liggende objecten – in dit geval die quasar – wordt verbogen én in lichtkracht wordt versterkt. Met name dat laatste aspect heeft er voor gezorgd dat de sterrenkundigen, onder leiding van Jose Muñoz (Universiteit van Valencia, Spanje), de quasar veel gedetailleerder konden zien dan zonder het gravitatielens-effect het geval zou zijn, een effect dat al door Einstein werd voorspeld. Sterrenstelsels die werken als gravitatielenzen is al meer dan tien jaar een onderzocht fenomeen, maar hetgeen Muñoz’ team deed ging een stap verder: zij waren in staat de gravitatielenzen van de afzonderlijke sterren in [WKK93] G te volgen, op het moment dat deze gezien vanaf de aarde voorbij het licht schoven van de accretieschijf rondom het zwarte gat in HE 1104-1805. Yep, je leest het goed, kleine onderdelen van het sterrenstelsel, die schuiven voor kleine onderdelen van de quasar – hoe nauwkeurig wil je het hebben. De accretieschijf blijkt tussen de 4 en 11 lichtdagen groot te zijn, dat is 100 tot 300 miljard km. Het waarnemen van dergelijk kleine objecten op deze afstanden staat gelijk aan het waarnemen van zandkorrels op de maan! Een knap staaltje waarneemtechniek, nietwaar? Hieronder een video over deze bijzondere waarneming.

Loading player…


:bron: Bron: Hubble.

Electromagnetische kracht varieert wellicht in het heelal

Voorbeeld van een spectrum van een ver verwijderde quasar

Van de natuurconstanten wordt verondersteld dat ze – zoals de naam al doet vermoeden – constant zijn, dus altijd en overal in het heelal onveranderlijk. De lichtsnelheid c zou dus hier op aarde 299 792 458 m/s zijn, maar ook in een ver verwijderd sterrenstelsel en ook lang lang geleden. En toch heeft een team van Engelse en Australische onderzoekers aanwijzingen gevonden dat één natuurconstante wellicht varieert: het gaat om α, de fijn-structuurconstante, welke de sterkte van de electromagnetische wisselwerking bepaalt, één van de vier natuurkrachten. Er was eerder al een vermoeden dat deze constante helemaal niet zo constant is, een vermoeden dat gebaseerd was op onderzoek aan het licht van de quasars – actieve sterrenstelsels met een superzwaar zwart gat in hun kern – dat onderweg naar aarde deels wordt geabsorbeerd door tussenliggende gaswolken, hetgeen leidt tot donkere absorptielijnen in het spectrum. Onderzoek aan die lijnen geeft de onderzoekers een indruk van de sterkte van de electromagnetische kracht in die quasars. Het aantal onderzochte quasars heeft men verdubbeld, van 150 naar 300 waargenomen quasars, en daaruit werd bevestigd wat men eerder al vermoedde:  de metingen gedaan met de Keck-telescopen op Hawaï geven aan dat α vroeger een fractie kleiner was, terwijl de metingen gedaan met de VLT in Chili zeggen dat α juist groter was! In de richting waarheen de VLT kijkt is de electromagnetische kracht dus een fractie groter dan waarheen Keck kijkt. Bij Keck kijken ze naar de noordelijke sterrenhemel en bij VLT naar de zuidelijke hemel, dus de conclusie ligt voor de hand dat er niet alleen sprake is van een variatie van α in tijd maar óók in ruimte. De variabiliteit van α is koren op de molen van sommige Theorieën van Alles, die voorspellen dat in andere gedeelten van dit heelal – of zelfs in andere heelallen – andere natuurconstanten mogelijk zijn. Meer info over de waarnemingen aan de 300 quasars zijn te vinden in dit wetenschappelijke artikel. :bron: Bron: Swinburne Universiteit.

Waterdamp verraadt hoe sterren ontstaan rond zwart gat in vroege heelal

H2O emissie in APM08279+5255

Een internationaal team onder leiding van de Leidse sterrenkundige Paul van der Werf heeft ontdekt dat zich rond een zwart gat in het jonge heelal een ondoorzichtige schijf van gas en stof bevindt waarin in hoog tempo jonge sterren ontstaan. Het team deed de onverwachte ontdekking bij een succesvolle zoektocht naar water in het vroege heelal. Tot verbazing van de onderzoekers blijkt de waargenomen waterdamp rond het zwarte gat in de kern van quasar APM08279+5255 zich te bevinden in een schijf met een dichtheid die zo hoog is dat straling er nauwelijks uit kan ontsnappen. Het team deed de ontdekking met de gevoelige radiotelescopen van IRAM (Institut de Radioastronomie Millimétrique) op het Plateau de Bure in de Franse Alpen. Deze telescopen werden gebruikt om waterdamp te zoeken in de quasar, een sterrenstelsel in het vroege heelal dat zijn helderheid ontleent aan de groei van een zwart gat dat honderden miljoenen malen zwaarder is dan de zon. Teamleider Paul van der Werf legt uit: “Water in kosmische wolken is normaal bevroren tot ijs, maar dit ijs kan verdampen door de sterke straling van de quasar of van jonge sterren. Daarom besloten wij in dit object te zoeken naar waterdamp. Doordat de quasar zo ver weg staat kijken we terug in de tijd, naar een periode dat het heelal nog maar 10% van zijn huidige leeftijd had bereikt.” De grote verrassing was echter niet de gevonden hoeveelheid waterdamp (1000 biljoen maal de hoeveelheid water op aarde) maar de ontdekking van een ondoorzichtige schijf waarin de waterdamp zich bevindt en waarin in hoog tempo jonge sterren ontstaan. De dichtheid van die schijf is zo hoog dat straling er bijna niet uit kan ontsnappen. Teamlid Marco Spaans (Groningen) licht toe: “Watermoleculen zijn gevoelig voor infraroodstraling, en we konden de gevonden waterdamp dus gebruiken als een kosmische infrarood lichtmeter. Op deze manier vonden we dat nagenoeg alle straling in de gasschijf rond het zwarte gat is opgesloten. De opgesloten straling is zelfs zo intens dat de aanwezige gas- en stofwolken er door kunnen worden weggeblazen.” Deze conclusie werpt een verrassend nieuw licht op het verband tussen zwarte gaten en de sterrenstelsels waarin ze zich bevinden. Teamlid Alicia Berciano Alba (ASTRON): “Er bestaat een raadselachtig verband tussen de massa van zwarte gaten in kernen van sterrenstelsels en de sterrenstelsels zelf, alsof de vorming van beide door hetzelfde proces wordt gereguleerd. Onze resultaten laten zien dat dit soort gasschijven, waarbij het gas door straling wordt weggeblazen, hierbij waarschijnlijk een hoofdrol spelen.” IRAM-directeur Pierre Cox, coauteur van het artikel, voegt toe: “Deze ontdekking biedt nieuwe mogelijkheden voor het bestuderen van sterrenstelsels in het vroege heelal, met behulp van watermoleculen waarmee de directe omgeving van het zwarte gat bestudeerd kan worden, wat met andere middelen veel moeilijker is”. Het team zoekt nu naar waterdamp in andere objecten in het vroege heelal. Een publicatie over het onderzoek verschijnt binnenkort in Astrophysical Journal Letters. :bron: Bron: Nova.

Grootste en verst verwijderde waterreservoir in het heelal ontdekt


Twee teams sterrenkundigen hebben onafhankelijk van elkaar ver weg van de aarde een gigantische hoeveelheid water ontdekt. Het betreft een wolk van enkele honderden lichtjaren groot, vol water dat zich rondom een zwart gat in het centrum van quasar genaamd APM 08279+5255 bevindt en dat 140 biljoen keer zoveel water bevat als al het water in de oceanen op aarde. Eh… één biljoen is 1012, dus da’s een flink zwembad vol bij die quasar. De quasar ligt twaalf miljard lichtjaar van de aarde en het zwarte gat in het centrum, dat de quasar z’n enorme lichtkracht geeft, is 20 miljard keer zo zwaar als de zon. We blijven even in de gigagetallen, want het monster produceert net zoveel energie als één biljard (da’s duizend biljoen) zonnen! 8-O Het zwarte gat warmt het water op tot een een temperatuurtje van -53 °C, brrrrrr fris. Nooit eerder hebben sterrenkundigen zo’n grote hoeveelheid water gevonden. Het is ook voor het eerst dat water zo ver weg werd ontdekt. Vorige recordhouder was een quasar op 11 miljard lichtjaar afstand, MG J0414+0534. Bedenk dat APM 08279+5255 al 1,7 miljard jaar na de oerknal bestond en dat er toen dus al grote hoeveelheden water voorkwamen. Op basis van onderzoek aan het water en ook aan koolmonoxide denkt men dat het zwarte gat in deze quasar nog verder zou kunnen groeien en wel zes keer zwaarder kan worden. :bron: Bron: NASA/JPL.

Quasar op recordafstand ontdekt

Impressie van de quasar ULAS J1120+0641

Een team van Europese astronomen heeft met behulp van ESO’s Very Large Telescope en tal van andere telescopen de tot nu toe verste quasar ontdekt en onderzocht. Dit heldere baken, dat van energie wordt voorzien door een zwart gat dat twee miljard keer zo zwaar is als de zon, is verreweg het helderste object dat in het vroege heelal is waargenomen. De onderzoeksresultaten verschijnen op 30 juni 2011 in het tijdschrift Nature. Quasars zijn zeer heldere, verre sterrenstelsels die hun energie waarschijnlijk ontlenen aan de superzware zwarte gaten in hun kernen. Dankzij hun grote helderheid kunnen deze objecten ons meer inzicht geven in het tijdperk waarin de eerste sterren en sterrenstelsels ontstonden. De nieuwe quasar is zo ver weg dat zijn licht informatie bevat over het einde van het zogeheten reïonisatietijdperk. De pas ontdekte quasar, die de aanduiding ULAS J1120+0641 draagt, wordt gezien zoals hij slechts 770 miljoen jaar na de oerknal was (roodverschuiving 7,1). Zijn licht heeft er 12,9 miljard jaar over gedaan om ons te bereiken. Hoewel er al objecten zijn ontdekt die nóg verder weg zijn zoals een gammaflits met roodverschuiving 8,2 en een sterrenstelsel met roodverschuiving 8,6 is de nieuwe quasar honderden keren helderder dan deze. Van alle objecten die zo helder zijn dat ze nauwkeurig onderzocht kunnen worden, is de quasar verreweg het verste. De op één na verste quasar wordt gezien zoals hij 870 miljoen jaar na de oerknal was (roodverschuiving 6,4). Verder weg gelegen quasars kunnen niet op zichtbare golflengten worden opgespoord, omdat hun licht, opgerekt door de uitdijing van het heelal, tegen de tijd dat het op aarde arriveert grotendeels in het infrarode deel van het spectrum valt. De Europese UKIRT Infrared Deep Sky Survey (UKIDSS), die gebruik maakt van de speciale Britse infraroodtelescoop op Hawaï, is ontworpen om dit probleem te verhelpen. Het team van astronomen heeft miljoenen objecten in de UKIDSS-database doorgespit op potentiële verre quasars, en vond uiteindelijk de speld in de hooiberg. De afstand van de quasar is bepaald aan de hand van waarnemingen met het FORS2-instrument van ESO’s Very Large Telescope (VLT) en instrumenten van de Gemini North Telescope. Omdat het object relatief helder is, is het mogelijk er een spectrum van op te nemen (wat betekent dat het licht van het object in zijn samenstellende kleuren wordt gesplitst). Dankzij deze techniek zijn astronomen veel te weten gekomen over de quasar. Uit de waarnemingen blijkt dat de massa van het zwarte gat in het centrum van ULAS J1120+0641 ongeveer twee miljard keer zo groot is als die van de zon. Deze zeer grote massa laat zich, zo kort na de oerknal, lastig verklaren. De huidige theorieën over de groei van superzware zwarte gaten voorspellen dat hun massa langzaam toeneemt door het opslokken van materie uit de omgeving. Meer over de ontdekking van de record-quasar vindt je in de volgende ESOcast (#32):

:bron: Bron: Nova.

Chandra Deep Field South: vroege heelal bezaait met zwarte gaten

Een stukje van de Chandra Deep Field South (CDFS)

Richt de Chandra röntgen-ruimtetelescoop zes weken lang onafgebroken op één punt aan de zuidelijke sterrenhemel en wat krijg je: de Chandra Deep Field South, de diepste röntgenblik die ooit op het heelal is geworpen. Die CDFS, zoals de afkorting ervan luidt, is vergelijkbaar met hetgeen optische broer Hubble ook ooit deed: de Hubble Ultra Deep Field. Hiernaast zie je een mix van infrarood-beelden van Hubble en een stukje van de CDFS van Chandra. Yep, beiden keken naar ‘t zelfde piepkleine stukje hemel, in het sterrenbeeld Oven (Fornax). Links op de grote foto – hier in grote versie beschikbaar, 48 Mb groot in tif-formaat – zie je enkele blauwe heldere stippen. Dat zijn röntgenbronnen, die door Chandra zijn bekeken, allemaal sterrenstelsels die een actief superzwaar zwart gat in hun kern hebben. Rechts twee ‘gestackte’ opnames van één van die bronnen, in hoge en lage energie. Door de CDFS te bestuderen hebben sterrenkundigen ontdekt dat het vroege heelal letterlijk bezaaid moet zijn geweest met superzware zwarte gaten, die tezamen opgroeiden met de hun omringende sterrenstelsels. Als tandems moeten die zwarte gaten en sterrenstelsels zijn opgetrokken. Schattingen geven aan dat tussen 800 en 950 miljoen jaar na de oerknal al zo’n 30 miljoen superzware zwarte gaten aanwezig waren. Pakweg 30 tot 100% van alle toenmalige sterrenstelsels moet een dergelijk zwart gat in z’n kern hebben gehad. Da’s ongeveer 10.000 keer meer dan men eerder inschatte op basis van tellingen van quasars. Als zo’n zwart gat actief wordt door invallend materiaal kunnen we ‘m op aarde als een quasar zien, dus feitelijk hebben we het over hetzelfde. :bron: Bron: Chandra.

LOFAR maakte diepere beelden van het heelal dan ooit tevoren

Door LOFAR waargenomen radiobronnen rondom de quasar 3C196

Astronomen hebben met LOFAR dieper het heelal in gekeken dan ooit. Daarmee hebben ze een belangrijke stap gezet in hun zoektocht naar de uiterst zwakke signalen van waterstofgas in het vroege heelal. Deze straling van neutraal waterstofgas komt uit de tijd dat het heelal een factor 10 jonger en kleiner was dan nu, zo’n 400 tot 800 miljoen jaar na de oerknal. Tijdens deze periode in het nog jonge heelal verdween het neutraal waterstof langzaam als gevolg van de ioniserende kracht van de eerste sterren en quasars. De beelden die de nieuwe LOFAR-telescoop, ontworpen en gebouwd door ASTRON, nu heeft gemaakt, tonen zwakke radiobronnen op golflengtes van enkele meters. De LOFAR-beelden zijn dieper en scherper dan ooit tevoren. Waterstof is de belangrijkste bouwsteen van het zichtbare heelal. De detectie van de straling van dit gas is van groot belang voor het begrijpen van de oorsprong van de structuur van het heelal. Een aantal teams uit India, de VS, Canada, Australië en Nederland is momenteel verwikkeld in een race om als eerste deze straling waar te nemen. Het door Nederland geleide internationale team loopt momenteel voorop in deze race. De obstakels die nog genomen moeten worden zijn echter aanzienlijk. De radiostraling van waterstof, die wordt uitgezonden op een golflengte van 21 cm, speelt al zeer lang een belangrijke rol in het Nederlandse radiosterrenkundig onderzoek met de telescopen van Dwingeloo en Westerbork. Het bestaan van de 21 cm-lijn werd in 1944 voorspeld door de Nederlandse astronoom Hendrik van de Hulst, na een suggestie van Prof. Jan Hendrik Oort. De detectie van de straling uit onze Melkweg, onder andere met de radiotelescoop in Kootwijk, werd echter pas in 1951 gerealiseerd, precies 60 jaar geleden. Het gas waar de astronomen nu naar zoeken, staat echter vele duizenden keren verder weg en is naar verwachting zo’n tienduizend keer zwakker. Het wordt waargenomen op zeer lange golflengtes (van circa 1,5 tot 2,5 meter), waar op de voorgrond de straling van onze Melkweg en de dampkring van de aarde het detecteren van het gas bemoeilijken. Het LOFAR-team maakt gebruik van de krachtigste computers in Nederland. Er is nog een lange weg te gaan, maar dat neemt niet weg dat de astronomen zeer enthousiast zijn over de kwaliteit van de metingen die dit voorjaar zijn gedaan. En net als 60 jaar geleden hoopt het huidige team binnen een aantal jaar als eerste dit huzarenstukje te klaren. Als men daarin slaagt zal een nieuw venster worden geopend op de kleuterjaren van het heelal. En dit zal het begin inluiden van een nieuwe belangrijke fase van het onderzoek naar de processen die ons zichtbare heelal hebben gevormd. :bron: Bron: Nova.

Switch to our mobile site