9 februari 2012

Hubble zoomt in op een sterk verbogen sterrenstelsel


Wat je hierboven ziet is een unieke blik op een helder en zéér ver verwijderd sterrenstelsel. Die gele vlekjes in het midden zijn de sterrenstelsels die behoren tot de cluster genaamd RCS2 032727-132623. Waar het om gaat zijn die vele gekromde en blauwgekleurde boogjes, met name die links van de cluster. Die boogjes zijn ‘lenzen’ van één sterrenstelsel, welke zich vanaf de aarde gezien áchter de cluster bevindt en dat met behulp van de Hubble ruimtetelescoop in beeld is gebracht door een team sterrenkundigen onder leiding van Jane Rigby (NASA’s Goddard Space Flight Center in Greenbelt, VS). Dat ene sterrenstelsel – het heet zelf heel poëtisch RCSGA 032727-132609, ahum… -  ligt wel tien miljard lichtjaar van de aarde, terwijl de cluster halverwege ligt. Het licht van dat ver verwijderde sterrenstelsel passeert onderweg naar de aarde de cluster en door de gravitatie van de massa van de cluster wordt het licht verbogen en gekromd in allerlei boogjes, een verschijnsel dat al door Albert Einstein werd voorspeld. Dergelijke gravitatielenzen zorgen er niet alleen voor dat het licht van het er achter liggende stelsel sterk verbogen wordt tot boogjes – soms worden zelfs complete cirkels gevormd, de zogenaamde Einsteinringen – maar ook dat het licht versterkt wordt. Daardoor kon Hubble het sterrenstelsel achter RCS2 032727-132623 zien, iets wat zonder de versterking niet zou hebben gekund. Rigby’s team is er tevens in geslaagd om enigzins het echte uiterlijk van het sterrenstelsel achter de cluster te reconstrueren. Dat zie je hieronder, waarin middels de kleine rechthoek in het midden wordt aangegeven wáár dat sterrenstelsel zich ergens moet bevinden.

Meer info over deze opmerkelijke gravitatielens in dit wetenschappelijke artikel, dat binnenkort zal verschijnen in The Astrophysical Journal. :bron: Bron: Hubble.

Magnetisch veld Melkweg gedetailleerd in kaart gebracht


Een team van dertig sterrenkundigen onder aanvoering van het Max Planck Institute for Astrophysics (MPA) in Duitsland is er in geslaagd om de meest gedetailleerde kaart tot nu toe te maken van het magnetische veld van de Melkweg. Tot nu toe werkten die dertig onderzoekers in 26 afzonderlijke projecten en wisten ze daarmee 41.330 metingen te verrichten aan het magnetische veld. Nu is al dat onderzoek verzameld in één grote database en dat heeft geleid tot de nu gepubliceerde kaart, welke je hierboven ziet. Daarin zie je de zogenaamde Faraday diepte afgebeeld, waarmee men de sterkte van het magnetische veld afbeeldt, afhankelijk van hoe je er tegen aan kijkt. Van gepolariseerd licht dat een magnetisch veld passeert kan het polarisatievlak opnieuw van richting veranderen, hetgeen de Faraday rotatie wordt genoemd. Met de kaart hebben de sterrenkundigen nu niet alleen inzicht in de grootschalige variaties in het magnetische veld van het Melkwegstelsel, maar ook in de lokale, kleinschalige variaties, welke samenhangen met turbulenties in het gas in de Melkweg. Middels kaarten als de nu geproduceerde kaart hoopt men meer te weten te komen over de oorsprong en de instandhouding van het magnetische veld. Het vermoeden bestaat dat op de een of andere manier mechanische energie kan worden omgezet in magnetische energie, net zoals de bewegingen in de kern van de aarde het aardse magnetische veld weten op te wekken. :bron: Bron: Science Daily.

Hubble ziet een balkspiraal in ‘het Zeemonster’


Hierboven zie je NGC 1073, een majestueus balkspiraalstelsel in het sterrenbeeld Walvis (Cetus), net zo majestueus geportretteerd door de Hubble ruimtetelescoop. Dat sterrenbeeld is genoemd naar het zeemonster Ceto uit de Griekse mythologie. Waar de naam balkspiraal vandaan komt zal niet moeilijk te raden zijn, als je naar de foto kijkt. De meeste spiraalstelsels in het heelal hebben zo’n centrale balk, het resultaat van een gravitationele dichtheidsgolf, die zich door het stelsel voortbeweegt en die door in elkaar vallende gaswolken tot een versnelde stervorming leidt. Ook onze eigen Melkweg is een balkspiraal. Op de foto zijn naast NGC 1073 ook nog andere interessante objecten te zien: een röntgenbron genaamd IXO 5, die vermoedelijk een binair systeem met een zwart gat is, en nog een drietal ver weg staande quasars. Ik zou zeggen: lees de bron even om meer over die objecten te weten te komen. Ik moet nu even m’n tuin sneeuwvrij gaan maken. :-) :bron: Bron: Hubble.

Zijn zwarte gaten juist goed voor de vorming van sterren?

Filamenten van geïoniseerd gas in Centaurus A. Rechts zie je in blauw pasgevormde sterren. Helemaal rechts, buiten de opname, bevindt zich het zwarte gat.

De meeste sterrenstelsels herbergen een monsterlijk zwart gat in hun centrum. Van tijd tot tijd worden deze “ingeschakeld”, waarbij ze ineens grote hoeveelheden materiaal te verstouwen krijgen. Een deel van dit materiaal wordt weggeschoten in de vorm van hoogenergetische straalstromen, die miljoenen lichtjaren lang kunnen worden. Deze straalstromen ploegen door het galactische gas, dat hierbij wordt verhit en weggeblazen. Hierdoor kan een kleiner deel van dit gas gebruikt worden om nieuwe sterren te maken. Met andere woorden: supermassieve zwarte gaten zijn slecht voor de stervorming. Of toch niet?

Waarnemingen die verricht zijn bij Centaurus A, een (relatief dichtbij) actief sterrenstelsel op een afstand van 12 miljoen lichtjaar, laten een ander beeld zien. Dit sterrenstelsel bestaat uit een groot en massief kerngebied (inclusief een actief zwart gat), omringt door prominente stofringen. Men heeft de Hubble ruimtetelescoop gericht op het zogenaamde “binnenste filament”, een helder gebied dat zich dicht bij de straalstroom van het zwarte gat bevindt.

Volgens de gangbare theorie zou de straalstroom het gas in het filament moeten verhitten, waarbij stervorming wordt gehinderd. Dit blijkt voor de buitendelen van het filament inderdaad te kloppen. De binnendelen van het filament blijken echter volop nieuwe sterren te produceren. Schijnbaar zorgt de straalstroom van het zwarte gat ervoor dat het gas in de binnendelen voldoende wordt samengedrukt om nieuwe sterren te vormen, zonder dat het gas hiervoor te heet wordt.

Schijnbaar kunnen zwarte gaten zowel een negatieve als een positieve invloed hebben op de vorming van nieuwe sterren. Dat betekent dat de rol van zwarte gaten bij de evolutie van sterrenstelsels wellicht anders is dan gedacht. Deze ontdekking brengt ons dichterbij het oplossen van een grote puzzel: hoe hebben sterrenstelsels zich ontwikkelt tot hun huidige vorm?

:bron: Bron: RAS.

Tatataratáááá, de allereerste supernova van 2012: SN 2012A

SN 2012A in NGC 3239, gefotografeerd door Adam Block

Mag ik jullie even voorstellen, de allereerste supernova die ontdekt is in 2012: Supernova 2012A. De geëxplodeerde ster – ooit een massieve ster, die na een kort maar heftig leven een type IIP supernova produceerde – bevindt zich in het sterrenstelsel NGC 3239 in het sterrenbeeld Leeuw en de ontdekkers ervan zijn B. Moore, Jack Newton en Tim Puckett, die ‘m op 7 januari vonden. Adam Block van het Mount Lemmon SkyCenter wist SN 2012A te vereeuwigen en dat leverde de hiernaast staande prachtige foto op. Je zou wellicht denken dat die ster een tikkeltje boven de supernova veel helderder is en dat dát de supernova moet zijn, maar dat is visueel bedrog. Die heldere ster is namelijk een voorgrondster in ons eigen Melkwegstelsel, die zich toevallig juist voor NGC 3239 bevindt. Dat stelsel zelf ligt ongeveer 25 miljoen lichtjaar ver weg en vanwege z’n grillige vorm wordt het een onregelmatig sterrenstelsel genoemd, waarbij je met weinig fantasie kan zien dat er feitelijk sprake is van een botsing van twee sterrenstelsels. Supernova krijgen allemaal een catalogusnaam bestaande uit het jaartal en dan een letter van het alfabet. Op dit moment zijn we al aanbeland bij SN 2012P - eh… sorry, is inmiddels SN 2012Q, lees ik net :-) – en je kan je voorstellen dat we in dat tempo binnen een week door het hele alfabet heen zijn. In dat geval gaat men verder met twee letters, dus eerst SN 2012aa, dan SN 2012ab, enzovoorts.  In 2011 kwam men tot SN 2011jy, dus reken zelf dan maar uit hoeveel men er toen ontdekt heeft. :bron: Bron: Bad Astronomy + Recente supernovae.

Zwarte gaten breken stervorming in zwaarste sterrenstelsels af


Met behulp van de APEX-telescoop hebben astronomen een sterk verband gevonden tussen de krachtigste uitbarstingen van stervorming in het vroege heelal en de zwaarste sterrenstelsels van nu. De hevige stervorming in de sterrenstelsels werd abrupt afgebroken, waardoor ze eindigden als de huidige zware – maar passieve – stelsels van ouder wordende sterren. De astronomen hebben ook de waarschijnlijke oorzaak voor het plotselinge einde van de ‘starbursts’ ontdekt: de opkomst van superzware zwarte gaten. Astronomen hebben waarnemingen van de LABOCA-camera van de door ESO beheerde 12-meter Atacama Pathfinder Experiment-telescoop (APEX) gecombineerd met metingen die verricht zijn met onder meer ESO’s Very Large Telescope en NASA’s Spitzer Space Telescope. Het doel was om te onderzoeken in hoeverre heldere, verre sterrenstelsels zich in groepen of clusters hebben verzameld. Hoe sterker sterrenstelsels geclusterd zijn, des te omvangrijker zijn hun halo’s van donkere materie – de onzichtbare materie die het overgrote deel van de massa van een sterrenstelsel vormt. De nieuwe resultaten zijn de meest nauwkeurige clustermetingen die ooit bij dit soort stelsels zijn gedaan. De sterrenstelsels zijn dermate ver weg dat hun licht er ongeveer tien miljard jaar over heeft gedaan om ons te bereiken. We zien hen dus zoals ze ongeveer tien miljard jaar geleden waren. De stelsels liggen allemaal in een gebied aan de hemel dat Extended Chandra Deep Field South heet, gelegen in het zuidelijke sterrenbeeld Oven (Fornax). Hieronder een video, waarin wordt ingezoomd op dat stukje aan de hemel.

Loading player…

In deze momentopnamen van het vroege heelal ondergaan de stelsels de meest intensieve vorm van stervorming die we kennen: een starburst. Door de massa’s van de halo’s van donkere materie rond de sterrenstelsels te meten, en computersimulaties te gebruiken die laten zien hoe zulke halo’s in de loop van de tijd groeien, hebben de astronomen ontdekt dat deze verre starburststelsels uit de begintijd van het heelal uiteindelijk zijn veranderd in elliptische reuzenstelsels – de zwaarste sterrenstelsels in het huidige heelal. “Het is voor het eerst dat we zo’n duidelijk verband hebben gevonden tussen de meest energierijke starburststelsels in het vroege heelal, en de zwaarste sterrenstelsels van nu”, aldus Ryan Hickox (Dartmouth College, VS, en Durham University, VK). Verder wijzen de nieuwe waarnemingen erop dat de heldere starbursts in deze verre sterrenstelsels slechts honderd miljoen jaar duren – erg kort naar kosmologische begrippen. Toch slagen de stelsels erin om in die korte tijd hun aantallen sterren te verdubbelen. Het plotselinge einde aan deze snelle groei is een van de dingen in de geschiedenis van sterrenstelsels die astronomen nog niet helemaal begrijpen. “We weten dat zware elliptische sterrenstelsels lang geleden nogal plotseling stopten met het produceren van sterren, en nu passief zijn. En wetenschappers vragen zich af wat krachtig genoeg kan zijn om de starburst van een compleet sterrenstelsel af te breken”, zegt teamlid Julie Wardlow (o.a. University of California at Irvine, VS). De resultaten van het team hebben een mogelijke verklaring opgeleverd: in dat stadium van de kosmische geschiedenis vertonen starburststelsels ongeveer dezelfde clustering als quasars, wat erop wijst dat ze zich in dezelfde halo’s van donkere materie bevinden. Quasars behoren tot de meest energierijke objecten in het heelal: het zijn galactische bakens van intense straling die worden aangedreven door een superzwaar zwart gat in hun kern. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat de intense starbursts enorme hoeveelheden materie naar het zwarte gat toevoeren. Hierdoor zendt de quasar op zijn beurt krachtige uitbarstingen van energie uit, waarvan wordt aangenomen dat zij het nog in het sterrenstelsel aanwezige gas – het bouwmateriaal voor nieuwe sterren – wegblazen. Hierdoor valt het stervormingsproces stil. :bron: Bron: ESO.

Adembenemend mooi: de Melkweg boven de Himalaya


Hier zijn toch geen woorden voor? De foto is gemaakt door Anton Jankovoy. Ik heb ‘m direct op mijn bureaublad als achtergrond geplaatst. Kijk a.u.b. op Jankovoy’s site voor meer juweeltjes van foto’s. :bron: Bron: Astropixie.

Dit is een sterrenstelsel

Jan Brandt heeft er vorige week al aandacht aan geschonken: aan het jaarlijks terugkerende driedaagse sterrenkunde-spektakel “Stargazing life”, dat deze week wordt uitgezonden op BBC 2. Een soort van Nationale Sterrenkijkdagen in het kwadraat, inclusief uitgebreide media-aandacht. Eén van de filmpjes die tijdens Stargazing Life is uitgezonden is de volgende, gemaakt door Andre Pontzen. Leuk om te zien, leerzaam om te volgen.

:bron: Bron: Astropixie.

Astronomen ontdekken ver, donker dwergsterrenstelsel

Zwaartekrachtslens B1938+666 in het infrarood, waargenomen met de 10 meter Keck-II Telescoop op Mauna Kea in Hawaii. Copyright: D. Lagattuta / W. M. Keck Observatory

Astronomen van onder meer ASTRON, het Kapteyn Instituut (RuG) en het Massachusetts Institute of Technology (MIT), VS, hebben een donker dwergsterrenstelsel ontdekt op 10 miljard lichtjaar afstand van de aarde. Het is het tweede en meest ver weg gelegen dwergsterrenstelsel dat ooit buiten ons eigen sterrenstelsel is ontdekt. Het resultaat wordt vandaag online gepubliceerd bij Nature. Sterrenkundigen denken dat sterrenstelsels zoals de Melkweg over een periode van miljarden jaren zijn gevormd door de samensmelting van kleinere sterrenstelsels. De verwachting is dat er veel van die dwergsterrenstelsels verspreid rondom de Melkweg te vinden zijn. Maar omdat deze kleine, overgebleven stelsels amper worden waargenomen, concluderen astronomen dat ze maar heel weinig sterren bevatten en wellicht helemaal bestaan uit donkere materie. Het dwergsterrenstelsel dat nu is ontdekt, is een satellietstelsel, wat betekent dat het zich aan de randen van een groter sterrenstelsel bevindt. “Het stelsel heeft om meerdere redenen weinig tot geen sterren gevormd en is daarom donker gebleven”, zegt eerste auteur Dr. Simona Vegetti, sterrenkundige bij ASTRON in het Helena Kluyver programma, en Pappalardo Fellow bij MIT. Het heelal zou voor ongeveer 25% uit donkere materie moeten bestaan. Maar omdat de donkeremateriedeeltjes geen licht absorberen of uitstralen, zijn ze tot nu toe heel moeilijk waar te nemen en te identificeren. Computermodellen geven aan dat de Melkweg ongeveer 10.000 kleine satellietsterrenstelsels bevat, maar slechts 30 zijn ook echt waargenomen. “Het kan zijn dat veel van deze sterrenstelsels van donkere materie zijn gemaakt en daardoor dus lastig te detecteren zijn, of er is een probleem met onze ideeën over de vorming van sterrenstelsels”, zegt Vegetti. Het team gebruikte zogeheten zwaartekrachtslenzen, waarbij van twee stelsels die in dezelfde richting liggen de dichtstbij gelegen als lens fungeert, om naar deze donkere, dwergsterrenstelsels te zoeken. Prof. Leon Koopmans van het Kapteyn Instituut in Groningen: “We hebben hiermee niet alleen een methode in handen om voorspellingen van het ‘koude donkere materie model’ te kunnen testen, maar we hebben ook een dergelijk donker dwergsterrenstelsel ontdekt, maar liefst honderden keren verder weg dan de satellietstelsels in de Lokale Groep.” De onderzoekers gebruikten voor hun waarnemingen de Keck-II Telescoop in Hawaii, waarbij ze toegang hadden tot speciale optische apparatuur die scherpe beelden van de hemel kan maken. Ze willen dezelfde methode gebruiken om meer dwergsterrenstelsels in andere delen van het universum op te sporen, om zo meer te weten te komen over het gedrag van donkere materie. “We hebben nu één donker dwergsterrenstelsel gevonden, maar stel dat we er niet genoeg vinden – in dat geval moeten we de eigenschappen van donkere materie aanpassen”, zegt Vegetti. “Of we vinden net zoveel sterrenstelsels als in onze simulaties. Dat zou betekenen dat donkere materie precies de eigenschappen heeft die wij denken dat het heeft.” :bron: Bron: Nova.

SDSS III levert de grootste 3D-kaart van het heelal op

3D-kaart van het heelal, gemaakt met SDSS III

Sinds 2000 is met de Sloan Digital Sky Surveys (SDSS I, II, III) een kwart van de hemel – da’s 14.555 vierkante graad om precies te zijn - onderzocht, waarbij de gegevens van miljoenen sterrenbeelden letterlijk in kaart zijn gebracht en dat biljoenen pixels aan data heeft opgeleverd, vergaard met de 2,5 meter telescoop van het Apache Point Observatorium in Sunspot, New Mexico in de VS. Sterrenkundigen van Lawrence Berkeley National Laboratory (LBNL) hebben die gegevens gebruikt om de grootste 3D-kaart van het heelal te maken, waarin duidelijk wordt op welke manier materie samenklompt tot sterrenstelsels. De sterrenkundigen onder leiding van Shirley Ho concentreerden zich daarbij op de zogenaamde Luminous Galaxies, extreem heldere sterrenstelsels, waar de SDSS III er al anderhalf miljoen van telt, gelegen op afstanden tussen 7 en 11 miljard lichtjaar afstand. Van die anderhalf miljoen gebruikte het Berkeleyteam er 900.000, op de afbeelding hiernaast al die groene stipjes, tel ze maar na. :-) Ze ogen op foto’s rood, vanwege hun relatief oude sterpopulatie. Jonge, massieve en blauwgekleurde sterren hebben ze niet meer, die zijn geëxplodeerd tot supernovae. Uit de gegevens heeft men al af kunnen leiden dat donkere energie 73% van de dichtheid van het heelal vormt, met een onzekerheid van 2%. Ook blijkt dat 50.000 jaar na de oerknal straling (fotonen en neutrino’s) en materie (voornamelijk waterstof) precies in evenwicht met elkaar waren qua dichtheid. De periode daarvoor overheerste de straling in het heelal, daarna brak geleidelijk de hegemonie van de materie door. Die hegemonie werd definitief 300.000 jaar na de oerknal, toen door het dalen van de temperatuur in het heelal de straling en materie letterlijk los werden gekoppeld van elkaar, het moment van “het oppervlak van de laatste verstrooiing“. In de materie komen zogenaamde baryon acoustische oscillaties (BAO’s) voor, overblijfselen van geluidsgolven die in de eerste momenten na de oerknal voorkwamen en die blijken iedere 450 miljoen jaar een piek te hebben, resulterend in een piek in de clustering van materie in sterrenstelsels, clusters van sterrenstelsels en superclusters van clusters van sterrenstelsels. Middels de Baryon Oscillation Spectroscopic Survey (BOSS), dat deel uitmaakt van SDSS III, probeert men die BAO’s verder in kaart te brengen en begin dit jaar hoopt men daar de resultaten van te kunnen laten zien. De details over SDSS III en de daaruit geproduceerde 3D-kaart van het heelal kan je lezen in dit wetenschappelijke artikel. :bron: Bron: Science Daily.

Switch to our mobile site