9 februari 2012

Fermi brengt kosmische straling Cygnus X in beeld

OB-associaties in Cygnus X

Op heldere zomerse nachten is in het noordelijke sterrenbeeld Zwaan (Cygnus) de Melkweg te zien, als een oplichtende band aan de hemel. In dat deel van de Melkweg – vlakbij de heldere ster gamma Cygni – bevindt zich een gigantische hoeveelheid gas, te midden van honderden zeer zware en jonge sterren, 4500 lichtjaren van ons verwijderd. Dat gebied heet Cygnus X, niet te verwarren met de dubbelster Cygnus X-1, waarvan één component een zwart gat is. Cygnus X zal je op die zomerse nacht echter niet zien, want het enige wat we er in zichtbaar licht van zien is een donkere band, van verhullend stof. Er zijn andere golflengtes voor nodig om meer te weten te komen over Cygnus X, zoals radiostraling, waarmee het gebied in de jaren vijftig werd ontdekt. Pas hebben ze ook gammastraling afkomstig van Cygnus X gemeten, gedaan met de Large Area Telescope (LAT)  aan boord van NASA-satelliet Fermi. De gammastraling wordt veroorzaakt als kosmische straling in Cygnus X tegen het gas botst en er zeer energierijke fotonen worden geproduceerd. Die kosmische straling op haar beurt – bijna altijd protonen die bijna met de lichtsnelheid reizen – ontstaat weer door de expanderende schillen en krachtige magnetische velden van supernovae. Cygnus X is een broeinest van stervorming, hetgeen zichtbaar is in de vorm van de aanwezige OB-associaties. Dat zijn groepen van zeer massieve O- en B-sterren1 die verwant zijn aan elkaar. Eén van die associaties is Cygnus OB2, een gigantische mix van waterstofgas en piperdepiep jonge en zeer zware sterren, bij elkaar nog geen vijf miljoen jaar oud. Men heeft 65 O-sterren gevonden in Cygnus OB2 en 500 B-sterren. Een deel van de sterren is er al niet meer, want die zijn onder het Pepsi-motto live fast, die young reeds uit elkaar geknald als supernovae. Meer over Cygnus X, inclusief de door Fermi gedetecteerde gammastraling, in de volgende video:

Wil je de foto bovenaan met die twee OB-associaties en de stercluster NGC 6910, dan moet je deze versie ervan even downloaden. :bron: Bron: NASA.

 

Noot:
  1. Kijk hier even wat dat ook weer precies inhoudt. []

Onderzoek dwergstelsels stelt onder-limiet aan massa donkere materie

De zeven onderzochte dwergstelsels

Twee natuurkundigen van de Brown Universiteit hebben aan de hand van waarnemingen die met de Fermi ruimtetelescoop aan zeven dwergsterrenstelsels zijn gedaan kunnen bepalen dat de deeltjes die donkere materie vormen minstens 40 Giga electronvolt (GeV) massa moeten hebben. Savvas Koushiappas en Alex Geringer-Sameth bestudeerden de gegevens van die stelsels en pasten er nieuwe statistische methoden op toe. Die dwergstelsels (in de afbeelding te zien – nou ja, ahum – in de cirkels) zitten vol met donkere materie, die weliswaar onzichtbaar is, maar aan de hand van de snelheid van de zichtbare sterren kan men ‘zien’ dat ze tsjokvol donkere materie zitten. Omdat de stelsels geen waterstofgas bevatten zijn ze uitstekende graadmeters om meer te weten te komen over de donkere materie, die zo’n 23% van het gehele heelal vormt – 4% is gewone materie en de overige 73% bestaat uit donkere energie. Wat Koushiappas en Geringer-Sameth deden was het volgende: deeltjes donkere materie – in de natuurkundige wandelgangen WIMP’s genoemd, weakly interactive massive particles – kunnen in de centra van die dwergstelsels anti-WIMP’s tegenkomen en dan annihileren, d.w.z. elkaar vernietigen en vervolgens zware quark-paren en gammalicht produceren. Met name dat gammalicht is iets wat men kan meten, want Fermi houdt dergelijke hoogenergetische straling in de gaten. Op basis van de Fermi-gegevens konden Koushiappas en Alex Geringer-Sameth bepalen hoeveel gammastraling er van de zeven dwergstelsels komt en aan de hand daarvan was het tweetal in staat om de minimum-massa van de WIMP’s te bepalen, de genoemde 40 GeV. Dat is opvallend, want andere onderzoeksteams die op zoek zijn naar donkere materie - DAMA/LIBRA, CoGeNT en CRESST – hebben gemeld dat ze WIMP’s met massa’s tussen 7 en 12 GeV hebben gevonden. Mmmmm, iets klopt er dus niet. :bron: Bron: Science Daily.

VLT-waarnemingen van gammaflits onthullen verrassende ingrediënten in vroege sterrenstelsels

Het licht van gammaflitser GRB 090323 schijnt dwars door twee jonge sterrenstelsels

Een internationaal team van astronomen heeft het kortstondige, maar heldere licht van een verre gammaflits gebruikt om de samenstelling van zeer verre sterrenstelsels te onderzoeken. Verrassend genoeg zijn bij de nieuwe waarnemingen, die zijn gedaan met ESO’s Very Large Telescope (VLT), twee sterrenstelsels in het jonge heelal ontdekt die meer zware elementen bevatten dan de zon. De twee stelsels zijn mogelijk bezig om samen te smelten. Zo’n gebeurtenis leidt tot de vorming van veel nieuwe sterren en zou ook gammaflitsen tot gevolg kunnen hebben. Gammaflitsen zijn de helderste explosies in het heelal. Ze worden in eerste instantie opgemerkt door satellieten die de korte uitbarsting van gammastraling detecteren waarmee de flits begint. Nadat zijn positie is vastgesteld, worden onmiddellijk grote telescopen op aarde op de gammaflits gericht. Daarmee wordt in de loop van de daaropvolgende uren en dagen het zichtbare licht en de infraroodstraling van de nagloeiende gammaflits waargenomen. Een van die uitbarstingen, GRB 090323 geheten, werd ontdekt door de gammasatelliet Fermi van NASA. Kort daarna werd hij opgepikt door de röntgendetector van de NASA-satelliet Swift en door het GROND-systeem van de 2,2-meter MPG/ESO-telescoop in Chili (eso1049), en slechts een dag na de explosie gedetailleerd onderzocht met de VLT. Uit deze waarnemingen blijkt dat het heldere licht van de gammaflits dwars door zijn eigen moederstelsel en een naburig sterrenstelsel is gegaan. Deze sterrenstelsels worden gezien zoals ze ongeveer twaalf miljard jaar geleden waren. Zulke verre sterrenstelsels worden maar heel zelden aangelicht door de gloed van een gammaflits. ‘Toen we het licht van deze gammaflits onderzochten, wisten we niet wat we zouden vinden. Het was een verrassing dat het koele gas in deze twee stelsels in het jonge heelal zo’n bijzondere chemische samenstelling heeft,’ aldus Sandra Savaglio (Max-Planck-Institut für extraterrestrische Physik, Garching, Duitsland), hoofdauteur van het artikel waarin de nieuwe resultaten zijn opgenomen. ‘Deze sterrenstelsels bevatten meer zware elementen dan ooit eerder is waargenomen bij stelsels in zo’n vroeg evolutiestadium van het heelal. We hadden niet verwacht dat het heelal al zo snel zo chemisch volwassen was.’ Terwijl het licht van de gammaflits de beide sterrenstelsels doorkruiste, fungeerde het daarin aanwezige gas als een filter dat dit licht op bepaalde golflengten absorbeerde. Zonder de gammaflits zouden deze zwakke stelsels niet waarneembaar zijn geweest.

Door het licht van de gammflitser te analyseren op de verschillende absorptielijnen krijgt men een indruk van de chemische samenstelling van de sterrenstelsels.

Door de karakteristieke vingerafdrukken die de verschillende chemische elementen in het licht van de gammaflits achterlieten nauwkeurig te analyseren, waren de astronomen in staat om de samenstelling van het koele gas in deze zeer verre sterrenstelsels vast te stellen (zie ook de afbeelding hiernaast). Naar verwachting zouden sterrenstelsels in het jonge heelal minder zware elementen moeten bevatten dan de huidige sterrenstelsels, zoals ons Melkwegstelsel. Deze elementen worden geproduceerd tijdens het leven en de laatste levensfase van sterren, die al doende het gas in hun sterrenstelsel geleidelijk verrijken. Astronomen gebruiken die chemische verrijking als indicatie voor het ontwikkelingsstadium van een sterrenstelsel. Maar de nieuwe waarnemingen laten zien dat sommige sterrenstelsels minder dan twee miljard jaar na de oerknal al heel rijk waren aan zware elementen – iets wat tot voor kort ondenkbaar leek. Het ontdekte tweetal sterrenstelsels moet in een ongekend tempo nieuwe sterren produceren om de snelle chemische verrijking van hun koele gas te kunnen verklaren. Gezien hun kleine onderlinge afstand staan de twee stelsels mogelijk op het punt om samen te smelten. De daarbij optredende botsingen tussen gaswolken zouden kunnen verklaren waarom de beide stelsels zoveel sterren produceren. Ook bevestigen de nieuwe resultaten het idee dat er een verband bestaat tussen gammaflitsen en de grootschalige vorming van zware sterren. De hevige stervorming in sterrenstelsels als deze zou al vroeg in de geschiedenis van het heelal gestopt kunnen zijn. Twaalf miljard jaar later, nu dus, zouden de overblijfselen van deze stelsels grote aantallen stellaire overblijfselen, zoals zwarte gaten en koele dwergsterren, bevatten en mogelijk een moeilijk waarneembare populatie vormen van ‘dode’ sterrenstelsels die nog maar een schim zijn van wat ze vroeger waren. Het opsporen van zulke ‘galactische lijken’ zal niet gemakkelijk zijn. :bron: Bron: ESO.

Fermibellen ‘boeren’ van ster etende centrale zwart gat Melkweg


Een jaar geleden ontdekte de gammasatelliet Fermi van de NASA dat zich aan weerszijden van de kern van de Melkweg twee gigantische gasbellen bevinden, die zich verraden door de gamma- en röntgenstraling die ze duitzenden. Iedere bel is wel zo’n 20.000 lichtjaar in doorsnede, een kwart van de gehele doorsnede van het Melkwegstelsel. De straling is afkomstig van een zich uitbreidende schokgolf, waarbij elektronen in botsing komen met fotonen, die daardoor in energie toenemen en gammastraling worden. De vraag is wat de schokgolf heeft veroorzaakt. Een groep sterrenkundigen onder leiding van Kwong Sang Chen (Universiteit van Hong Kong) denkt dat de oorzaak het centrale superzware zwart gat de Melkweg is – 4,31 miljoen zonmassa op de weegschaal – dat de bellen als gigantische kosmische boeren heeft gelaten na het verorberen van een complete ster. Eens per 1000 jaar ongeveer komt een ster te dicht in de buurt van het zwarte gat, aldus Chen en kornuiten, en dan komt een deel in het zwarte gat. De rest wordt in de vorm van protonen uitgeboerd. Die komen in botsing met het omringende gas en stof. Dat wordt verhit en er ontstaat een expanderende schokgolf van electronen. Die kan zich in het vlak van de Melkweg slecht voortbewegen, maar van het vlak af – zowel naar ‘onderen’ als naar ‘ boven’ – kan de schokgolf zich ongehinderd uitbreiden. De protonen die in eerste instantie uitgeboerd worden door het zwarte gat spelen nog een rol, want een deel ervan bereikt de aarde in de vorm van hoog-energetische kosmische straling. :bron: Bron: Technology Review.

Overschot antimaterie geen gevolg van annihilatie donkere materie

Fermi laat zien dat de antimaterie niet van donkere materie afkomstig is

In 2008 werd met de Italiaanse detector PAMELA – de Payload for Antimatter Matter Exploration and Light-nuclei Astrophysics, ingebouwd in een Russische satelliet – een overschot aan antimaterie in de ruimte gevonden. Met PAMELA zagen ze meer positronen, de antideeltjes van electronen, dan verwacht en ze kwamen uit de richting van de kern van de Melkweg. Later kon de waarneming hiervan worden bevestigd door de Amerikaanse gammasatelliet Fermi. Toen PAMELA die waarneming in 2008 deed dachten veel wetenschappers dat het ‘surplus’ van positronen het gevolg was van deeltjes donkere materie, die in de extreme omstandigheden nabij het superzware zwarte gat in de kern van de Melkweg annihileerden, elkaar vernietigden en dan hoogenergetische deeltjes zoals electronen én positronen achter lieten. Maar wat blijkt nu uit analyse van de gegevens van Fermi: dat die positronen géén gevolg zijn van annihilatie van donkere materie. De redenatie daarvoor is als volgt: Fermi is in staat het surplus waar te nemen bij positronen die veel energierijker zijn dan wat PAMELA kon zien, tot wel 200 GeV, twee keer zo veel als de Italiaanse detector zag. Indien de positronen door annihilerende WIMP’s – weakly interactive massive particles, zoals de deeltjes donkere materie ook wel worden genoemd – ontstaan dan zou er bij een bepaalde energie een ‘cut off’ moeten zijn, een grens waarboven het surplus abrupt ophoudt. Maar die cut off is niet waargenomen, de positronen komen ook bij hogere energieën voor. Dat betekent dat de WIMP’s veel zwaarder moeten zijn en dat is niet in overeenstemming met andere waarnemingen, zoals van het Italiaanse DAMA-experiment, die limieten stellen aan de massa van de WIMP’s. Onlangs bleek nog uit experimenten met CRESST-II dat WIMP’s ergens tussen 20 en 40 GeV zwaar moeten zijn. Bij WIMP’s met een massa tot 100 GeV zouden positronen boven 100 GeV niet mogen voorkomen. Dat doen ze toch, dus er moet een andere – ‘astrofysische’ – oorzaak voor het positronen surplus zijn. :bron: Bron: New Scientist.

1873 objecten in Fermi’s tweede catalogus van gammabronnen


Met de Amerikaanse satelliet Fermi1 – genoemd naar de Italiaans-Amerikaanse natuurkundige Enrico Fermi – bestuderen ze de gammastraling afkomstig van diverse bronnen uit het heelal. Begin dit jaar werd de tweede catalogus gepubliceerd, welke welgeteld 1873 objecten bevat. Allemaal waargenomen met Fermi’s Large Area Telescope (LAT). Vandaar dat ze spreken van de LAT 2-year Point Source Catalog, yep allemaal puntbronnen. Het is een bonte verzameling van allerlei soorten van objecten, variërend van zogenaamde blazars – actieve sterrenstelsels, wiens ‘motor’ wordt aangedreven door een supermassief zwart gat – via pulsars tot actieve dubbelstersystemen. Het merendeel van de door Fermi waargenomen 1873 objecten blijkt te bestaan uit blazars, zoals blijkt uit dit schema:

De categorie ‘unknown’ is interessant, omdat de precieze aard van de gammabronnen (nog) niet bekend is en verder onderzoek duidelijk moet maken waarmee we te maken hebben. De wel geïdentificeerde bronnen zijn ook boeiend en de betrokken wetenschappers hebben een top 10 samengesteld van de meest interessante ervan, allen te bekijken in de bron. Enkele van die tien zijn de Krabnevel en Centaurus A:bron: Bron: NASA.

Noot:
  1. In het begin werd deze GLAST genoemd. []

Kijk nou toch eens, een pulsar met een staart

Pulsar PSR J0357+3205 met staart

Dat kometen een staart hebben dat wisten we al, maar dat pulsars er af en toe ook eentje hebben is een minder bekend fenomeen. Pulsars zijn snel ronddraaiende neutronensterren, wiens hoogenergetische straling in bundels vanaf de magnetische polen de ruimte in wordt geslingerd. Bij sommige pulsars zien we die bundel als een lange röntgenstaart. Zoals in het geval van PSR J0357+3205 – roepnaam PSR J0357 – 1600 lichtjaren van ons vandaan in het sterrenbeeld Perseus. Hiernaast zie je de pulsar, rechtsboven, en de staart, die maar liefst 4,2 lichtjaren lang is. De Fermi gammasatelliet zag ‘m voor het eerst in 2009. De pulsar moet volgens berekeningen ongeveer een half miljoen jaar oud zijn. Het vreemde aan de staart van PSR J0357 is dat ‘ie qua eigenschappen afwijkt van de staarten van andere pulsars. Bij de meeste ‘staart-pulsars’ is er sprake van een soort van boeggolf, die ontstaat als de pulsar zich voortbeweegt door het interstellaire medium en daar in botsing komt met gas en stof. De gegevens die de Amerikaanse röntgensatelliet Chandra heeft opgehoest van PSR J0357 laten echter zien dat er van een boeggolf geen sprake kan zijn. Zo verliest de roterende pulsar minder energie aan z’n staart dan andere pulsars. Ook is de röntgenstraling van de staart van PSR J0357 het helderst aan het uiteinde en niet – zoals bij de andere staart-pulsars – aan de kop van de staart. Die heldere punten linksonder in de staart zijn overigens lichtbronnen, die vermoedelijk geen verband houden met PSR J0357. Verder onderzoek aan deze bijzondere staart-pulsar moet de sterrenkundigen meer vertellen wat er precies aan de hand is. :bron: Bron: Chandra.

Fermi ziet dubbele gamma-uitbarsting in bizar dubbelstersysteem


Sterrenkundigen hebben met behulp van de Fermi gammasatelliet een dubbele uitbarsting in gammalicht waargenomen, veroorzaakt door een botsing van een pulsar met materiaal dat door een nabije ster was uitgeworpen. De pulsar, genaamd PSR B1259-63, in het sterrenbeeld Zuiderkruis (Crux) op een afstand van 8000 lichtjaar, draait in 3,4 jaar rondjes om de ster LS 2883. Pulsars zijn snel ronddraaiende objecten, die het overblijfsel zijn van zware sterren, wiens buitenlagen na een kort maar heftig leven in een supernova zijn weggeblazen. De overgebleven kern in het geval van PSR B1259-63 is zo’n 20 km groot, telt twee zonmassa op de weegschaal en draait maar liefst 21 keer per seconde om z’n as. LS 2883 is een hete blauwe Be-ster, maar liefst 24 keer zo zwaar en 9 keer zo groot als onze zon en omgeven door een grote gasschijf. De pulsar heeft een sterk eccentrische baan om de ster en op 15 december 2010 bereikte de pulsar z’n perigeum – de kortste nadering tot de ster, een afstand van bijna 100 miljoen km. Zoals je op de afbeelding hierboven ziet ging de pulsar tot twee keer toe door de gasschijf van LS 2883: de eerste keer in nov/dec 2010, de tweede keer jan/feb 2011. De eerste keer leverde een lichte gamma-uitbarsting op, de tweede keer een sterke uitbarsting, beiden waargenomen door Fermi. Het is niet de eerste keer dat men zo’n duo-uitbarsting in gammalicht waarneemt. In 2006 werd het waargenomen in hetzelfde dubbelstersysteem met de Europese XMM-Newton satelliet. De afgelopen dubbele uitbarsting was dus ook verwacht en bleek inderdaad plaats te vinden. In de video hieronder meer info over deze bijzondere gebeurtenis:

In 2014 is het volgende perigeum en men hoopt dan te kunnen verklaren waarom de tweede gamma-uitbarsting zoveel krachtiger was dan de eerste. :bron: Bron: NASA.

Over schuren en deeltjesversnellers gesproken

De LHC heeft 1/femtobarn bereikt!

Bij deeltjesversnellers zoals de Amerikaanse Tevatron van het Fermilab en de Europese Large Hadron Collider (LHC) van CERN knallen ze met grote snelheid deeltjes tegen elkaar. Bij de Tevatron laten ze protonen tegen antiprotonen botsen, bij de LHC protonen tegen protonen, miljarden per seconde en dat uren, dagen, weken, zelfs maanden achter elkaar. Hoe meer deeltjes, hoe meer botsingen, des te meer data ze hebben. Als maat voor de data gebruiken natuurkundigen de Engelse term ‘barn’, in het Nederlands schuur. Oorsprong ervan lijkt te liggen bij de beroemde natuurkundige Enrico Fermi, die ooit riep dat een atoomkern zo groot als een schuur is, bij wijze van spreken dan. Ieder deeltje heeft een zogenaamde cross-section, een kleine omtrek waarbinnen het kan reageren met een ander deeltje. Hoe groter de cross-section – weergegeven in barn – des te meer kans dat het reageert op andere deeltjes. Eén barn is 10-28 m2. Natuurkundigen rekenen vooral in femtobarn, 1 fb=10-43 m2. De hoeveelheid botsingen die de deeltjesversnellers kunnen produceren noemen ze de luminosity en de eenheid daarvan is de omgekeerde femtobarn. De Tevatron heeft de afgelopen tien jaren 10/fb weten op te hoesten, de LHC heeft afgelopen jaar 1/fb geproduceerd (zie de afbeelding). De Tevatron heeft op dit moment dus een grote voorsprong, maar op 30 september a.s. stoppen de botsingen en moet de Tevatron letterlijk z’n deuren sluiten vanwege bezuinigingen. De LHC is veel krachtiger en is bezig snel z’n achterstand in te halen. Aan de Tevatron zijn meerdere detectoren verbonden, zoals de CDF en D0. Onlangs kwam op twee manieren aan het licht dat deze detectoren de data op verschillende wijze interpreteren: CDF zag onlangs een hobbel in de data bij 145 GeV, terwijl D0 deze niet zag. Ook bleek het CDF een verschil te zien tussen de massa van een topquark en anti-topquark, terwijl Do dat verschil niet zag. Hoe die verschillen te verklaren zijn weet men nog niet. We horen er vast nog meer over. :bron: Bron: Cosmic Variance + Vixra.

Riemen vast, de Astronomy Journal Club gaat zo beginnen


Zoals aangekondigd zal straks vanaf 21.00 uur Nederlandse tijd een wereldwijde discussie worden gevoerd via Twitter over de waarnemingen van de gammasatelliet Fermi aan kosmische straling, mogelijk verband houdend met donkere materie. Dat is de Astronomy Journal Club! Je kan hieronder live de discussie volgen – tweets worden iedere 30 seconden ververst. Wil je zelf ook meedoen dan moet je via je eigen Twitter-app gezellig meekletsen en de hashtag #astroJC of #astrojc gebruiken:

Knopje rechtsonder (‘view more’) geeft je uitzicht op àlle tweets

Switch to our mobile site