7 februari 2012

Hubble zoomt in op een sterk verbogen sterrenstelsel


Wat je hierboven ziet is een unieke blik op een helder en zéér ver verwijderd sterrenstelsel. Die gele vlekjes in het midden zijn de sterrenstelsels die behoren tot de cluster genaamd RCS2 032727-132623. Waar het om gaat zijn die vele gekromde en blauwgekleurde boogjes, met name die links van de cluster. Die boogjes zijn ‘lenzen’ van één sterrenstelsel, welke zich vanaf de aarde gezien áchter de cluster bevindt en dat met behulp van de Hubble ruimtetelescoop in beeld is gebracht door een team sterrenkundigen onder leiding van Jane Rigby (NASA’s Goddard Space Flight Center in Greenbelt, VS). Dat ene sterrenstelsel – het heet zelf heel poëtisch RCSGA 032727-132609, ahum… -  ligt wel tien miljard lichtjaar van de aarde, terwijl de cluster halverwege ligt. Het licht van dat ver verwijderde sterrenstelsel passeert onderweg naar de aarde de cluster en door de gravitatie van de massa van de cluster wordt het licht verbogen en gekromd in allerlei boogjes, een verschijnsel dat al door Albert Einstein werd voorspeld. Dergelijke gravitatielenzen zorgen er niet alleen voor dat het licht van het er achter liggende stelsel sterk verbogen wordt tot boogjes – soms worden zelfs complete cirkels gevormd, de zogenaamde Einsteinringen – maar ook dat het licht versterkt wordt. Daardoor kon Hubble het sterrenstelsel achter RCS2 032727-132623 zien, iets wat zonder de versterking niet zou hebben gekund. Rigby’s team is er tevens in geslaagd om enigzins het echte uiterlijk van het sterrenstelsel achter de cluster te reconstrueren. Dat zie je hieronder, waarin middels de kleine rechthoek in het midden wordt aangegeven wáár dat sterrenstelsel zich ergens moet bevinden.

Meer info over deze opmerkelijke gravitatielens in dit wetenschappelijke artikel, dat binnenkort zal verschijnen in The Astrophysical Journal. :bron: Bron: Hubble.

Dit is een sterrenstelsel

Jan Brandt heeft er vorige week al aandacht aan geschonken: aan het jaarlijks terugkerende driedaagse sterrenkunde-spektakel “Stargazing life”, dat deze week wordt uitgezonden op BBC 2. Een soort van Nationale Sterrenkijkdagen in het kwadraat, inclusief uitgebreide media-aandacht. Eén van de filmpjes die tijdens Stargazing Life is uitgezonden is de volgende, gemaakt door Andre Pontzen. Leuk om te zien, leerzaam om te volgen.

:bron: Bron: Astropixie.

El Gordo, de grootste cluster die ooit in het verre heelal is waargenomen


Een internationaal team heeft, met behulp van ESO’s Very Large Telescope (VLT) in de Atacama-woestijn in Chili en NASA’s röntgensatelliet Chandra, een extreem hete, zware, jonge cluster van sterrenstelsels onderzocht – de grootste die ooit in het verre heelal is waargenomen. De nieuwe resultaten worden op 10 januari 2012 gepresenteerd bij de 219de bijeenkomst van de American Astronomical Society in Austin, Texas. De pas ontdekte cluster heeft de bijnaam El Gordo gekregen – Spaans voor ‘groot’ of ‘dik’ – z’n catalogusnaam is ACT-CL J0102−4915. Hij bestaat uit twee afzonderlijke subclusters die met snelheden van miljoenen kilometers per uur met elkaar in botsing zijn. De cluster is zo ver weg, dat zijn licht er zeven miljard jaar over heeft gedaan om de aarde te bereiken. ‘Deze cluster is de zwaarste en heetste die tot nu toe op deze afstand of daar voorbij ontdekt is,’ zegt Felipe Menanteau van Rutgers University, die het onderzoek heeft geleid. ‘We hebben een groot deel van onze waarnemingstijd aan El Gordo gewijd, en ik ben blij dat deze gok de moeite waard was en we deze verbazingwekkende clusterbotsing hebben mogen ontdekken.’ Clusters zijn de grootste objecten in het heelal die door de zwaartekracht bijeengehouden worden. Hun ontstaansproces, waarbij kleinere groepen van sterrenstelsels zich verenigen, hangt sterk af van de hoeveelheid donkere materie en donkere energie die op dat moment in het heelal aanwezig was – het onderzoek van clusters kan dus licht werpen op deze duistere componenten van de kosmos. ”Reusachtige clusters zoals deze zijn precies wat we wilden vinden”, zegt teamlid Jack Hughes, ook van Rutgers. “We willen zien of het ontstaan van deze extreme objecten zich aan de hand van de beste kosmologische modellen van dit moment laat begrijpen.” Het team, onder leiding van astronomen uit Chili en van Rutgers University, ontdekte El Gordo door de detectie van een afwijking in de kosmische achtergrondstraling. Deze zwakke gloed is het restant van het eerste licht van de oerknal, de extreem hete en compacte oorsprong van het heelal, die ongeveer 13,7 miljard jaar geleden plaatsvond. De straling die na de oerknal achterbleef treedt in wisselwerking met de elektronen in het hete gas in clusters van sterrenstelsels, waardoor de achtergrondgloed zoals die vanaf de aarde wordt waargenomen wordt verstoord. Hoe dichter en groter de cluster, des te groter dit effect. Hieronder een video, waarin wordt ingezoomd op de cluster.

El Gordo viel op bij een survey van de kosmische achtergrondstraling met de Atacama Cosmology Telescope. Met ESO’s Very Large Telescope zijn de snelheden van de sterrenstelsels in deze enorme botsing van clusters gemeten, evenals hun afstand tot de aarde. NASA’s röntgensatelliet Chandra is gebruikt om het hete gas in de cluster te onderzoeken. Hoewel clusters van de afmetingen en afstand van El Gordo zeer schaars zijn, zeggen de auteurs dat de nieuwe resultaten nog steeds in overeenstemming zijn met de huidige astronomische inzichten: een heelal dat met een oerknal is begonnen en grotendeels uit donkere materie en donkere energie bestaat. El Gordo is waarschijnlijk op dezelfde manier ontstaan als de zogeheten Kogelcluster, een spectaculaire interactie tussen twee clusters die zich bijna vier miljard lichtjaar dichter bij de aarde bevindt. In beide gevallen zijn er aanwijzingen dat de normale materie, die grotendeels uit heet, röntgenstraling uitzendend gas bestaat, is gescheiden van de donkere materie. Het hete gas is afgeremd door de botsing, maar de donkere materie niet. ”Het is voor het eerst dat we op zo’n grote afstand een Kogelcluster-achtig systeem ontdekt hebben,’ zegt Cristóbal Sifón, student aan de Pontificia Universidad Católica de Chile (PUC) in de Chileense hoofdstad Santiago. ‘Het is als bij het oude gezegde: als je wilt begrijpen waar je heen gaat, moet je weten waar je vandaan komt.” :bron: Bron: Nova.

Waar is de dader van de ‘aanslag’ op sterrenstelsel FGC 1287?

De contouren van de met de VLA waargenomen sliert van gas, vanuit FGC1287

Bekeken in optisch licht lijkt er met het sterrenstelsel FGC 1287 niet aan de hand: een mooi spiraalstelsel vol sterren, dat we vanaf de aarde gezien precies op z’n zij zien. Maar een geheel andere indruk kreeg een internationaal team van sterrenkundigen onder leiding van Tom Scott (Instituto de Astrofísica de Andalucía in Granada, Spanje) ervan toen zij FGC 1287 – 300 miljoen lichtjaar van ons vandaan – waarnamen met de radiotelescopen van de Very Large Array (VLA) in New Mexico. Ze zagen naar één kant een enorm spoor van waterstofgas, zich uitstrekkend tot wel 800.000 lichtjaar van FGC 1287, miljarden zonmassa’s zwaar. Zo’n enorme uitstoot van gas kan niet zo maar ontstaan, daar moet zich iets in of vlakbij FGC 1287 hebben afgespeeld, een kosmische misdaad, waarbij de sliert waterstofgas als een soort bloedend spoor naar het slachtoffer wijst. De vraag is: waar is de dader? Het komt voor dat sterrenstelsels vanuit de kern van een cluster te maken krijgen met een soort tegenwind van heet uitgestoten gas, waardoor gas in het stelsel zelf op hun beurt naar één kant wordt uitgestoten. Maar FGC 1287 staat te ver buiten de kern van Abell 1367, de cluster in het sterrenbeeld Leeuw waar het toe behoort en de tegenwind van de cluster is daar te zwak en het waargenomen spoor te verklaren. Zie de foto hieronder van de plaats van FGC 1287 t.o.v. de clusterkern. Een andere mogelijkheid is een botsing van FGC 1287 met een ander stelsel, waardoor de gassliert is ontstaan. Er staat inderdaad een sterrenstelsel in de buurt, linksonder van FGC 1287. Maar dat stelsel blijkt te licht te zijn om dit allemaal te hebben veroorzaakt. Ook heeft het zelf een ongeschonden uiterlijk, hetgeen de sterrenkundigen doet vermoeden dat ook dit stelsel niet de ‘dader’ is. Kortom, er is dringend behoefte aan een kosmische Sherlock Holmes die deze kosmische misdaad komt oplossen.


:bron: Bron: New Scientist + Red Orbit.

Andromeda strain

Adromedanevel door 300 mm telelens

Een dubbelzinnige titel voor een dubbelzinnig artikel met twee dubbelzinnige plaatjes na een dubbelzinnig weekje. Zo….die zin is er uit….en nu maar weer zien orde te scheppen in deze woordelijke chaos. Tja….de titel “Andromeda strain” komt science fiction liefhebbers natuurlijk niet geheel onbekend voor. Het is namelijk de titel van een, toen ik deze aanschouwde op 17 jarige leeftijd in het gezelschap van o.a. Adrianus V en enkele andere jonge mede astrokluppers, hele spannende science fiction film. Verder refereert deze titel ook een beetje naar de heftige spanningsboog die er in mij over de loop der jaren is ontstaan als het gaat om het netjes op de gevoelige plaat weten te krijgen van onze illustere nabije galactische buurman (vrouw??)de Andromedanevel……A lot of strain involved…..heel veel innerlijke spanning om dan toch uiteindelijk het zo deerlijk gewenste plaatje te bemachtigen……….laten wehet  maar simpelweg gewoon een obsessie noemen omdat het, voor mijn woeste gevoel althans, zo vaak mis is gegaan. Diezelfde innerlijke obsessieve spanning heb ik deze week ook ervaren op het gebied van die andere hobby van mij, te weten mijner braven 2 cv’tjes. Vorige week sneuvelde er namelijk, ergens in de buurt van Den Bosch een heel klein maar wel tamelijk essentieel koppelingslagertje na 42 jaar trouwe dienst. Op zich geen ramp…telefoontje naar Elca, mijn onvolprezen wederhelft, die er totaal haar hand  niet voor omdraait om mij desnoods nog vanaf de noordpool naar huis te slepen….ben echt heel goed getrouwd!! Het gerepareerd krijgen van dit euvel bleek echter niet zo makkelijk………het gesneuvelde lagertje in kwestie blijkt namelijk af te wijken wat er normaal altijd (40 jaar lang!) gemonteerd zit op de 2 cv……Oom citroën heeft een half jaar lang ergens in de jaren 70 de euvele moed gehad om “voor de lol” een net effe iets kleiner ( 1mm on precies te zijn) ”geval” te monteren. Voordat ik dat eindelijk in gaten had, na tot twee keer toe uit en inbouwen van de hele aandrijflijn, zat ik zo ongeveer op hetzelfde “obsessieve chagrijn-niveau” als met de Andromeda nevel…………Maarre…”eind goed, al goed” want (zie linker plaatje) afgelopen zondag kreeg zomaar opeens van mijn zwager een heuse 300 mm canon telelens in mijn handen geschoven “waar hij niets meer mee deed…of ik er nog wat mee kon??” Eh..JA…en hoe!! Diezelfde avond nog ermee de Biesbos in gesjeesd… met sluimerend ergens in het achterhoofd een recentelijk schandalig mooi telelens-plaatje van Paul…….vier opnames van vier minuten…een beetje stacken en klooien met photoshop….et voila, tot op heden mijn beste “shot ever”van mijn galactische “angstgegner” de Andromedanevel. Zo wil ik “em” hebben….!!

Vliegwielzijde zeldzame 425 cc 21 pk 2CV motor

Maar misschien ga ik toch nog één extre poging wagen en dan neem ik wat meer vier minuten plaatje om vooral die zwakke buitendelen nog wat duidelijker zichtbaar te krijgen. Wat het ….grrrrr……”illustere zeldzame lagertje” betreft is er gelukkig ook weer wat licht in de obsessieve duisternis gekomen omdat een vriendelijke collaga eendoloog voor mij, op zijn draaibankje thuis, dan maar zelf een (hopelijk) waardige kopie/vervanger heeft vervaardigd….en dus kan het blokje er, voor de zoveelste keer,  weer in….om ook deze obsessie tot een goed en een wederom aangenaam snelwegsnorrend genoegen te maken….tot het eind der tijden..and beyond!!!

Dankzij Hubble weten we hoe vaak sterrenstelsels botsen

Door Hubble waargenomen botsingen tussen sterrenstelsels

Dankzij de uitvoerige bestudering van vele foto’s1 gemaakt met de Hubble telescoop van sterrenstelsels tot een afstand van 8 á 9 miljard lichtjaar zijn sterrenkundigen er achter gekomen hoe vaak sterrenstelsels wel niet met elkaar in botsing komen. Tot nu toe liepen de schattingen daarover ver uiteen, variërend van 5 tot 25% van de sterrenstelsels die in een toestand van botsing zouden zijn. Jennifer Lotz (Space Telescope Science Institute in Baltimore, VS) en haar team hebben kunnen bepalen dat grote sterrenstelsels eens per negen miljard jaar met elkaar in botsing komen, terwijl botsingen tussen een klein en groot stelsel drie keer zo vaak voorkomen. Eigenlijk zijn er heel veel soorten van botsingen mogelijk, met de grootte van de stelsels, de invalshoek van de botsing, de oriëntatie van de spiraalarmen, etc… als parameters. Bij elkaar kon het team van Lotz maar liefst 57 verschillende soorten van botsingen onderscheiden en die probeerden ze op de Hubblefoto’s allemaal te herkennen. Probleem is met sterrenstelsels dat ze na zo’n botsing na verloop van (lange) tijd weer normaal beginnen te lijken en dat de ‘littekens’ van de botsing dan niet meer zichtbaar zijn – vergelijk het met een auto die na een botsing in de garage weer helemaal opgelapt is. Met inzet van computersimulaties konden Lotz en haar mensen dergelijke sterrenstelsels ook herkennen. De volgende stap die haar team wil zetten is om botsingen tussen sterrenstelsels nog verder weg te bekijken, tot afstanden van 11 miljard lichtjaar, een fase in het heelal toen de stervorming maximaal moet zijn geweest. Botsingen zijn een voedingsbodem voor de versnelling van die stervorming. :bron: Bron: NASA.

Noot:
  1. Verzameld via enkele grote ‘surveys’, namelijk de All-Wavelength Extended Groth Strip International Survey (AEGIS), de Cosmological Evolution Survey (COSMOS) en de Great Observatories Origins Deep Survey (GOODS). Men maakte ook gebruik van de DEEP2 survey, gemaakt met het W.M. Keck Observatorium op Hawaï. []

Stephan’s Quintet

Stephan’s Quintet vanuit de Dordtse Biesbos

OK…..het is een tikkie vaag ende zwak….maar toch, ik heb “em”…..Het zogenaamde illustere “Stephan’s Quintet”…….een groep van vier (of toch vijf??) vrij zwakke  melkwegstelsels op een afstand een dikke 300 miljoen lichtjaar, gelegen in de richting van het sterrenbeeld Pegasus,  die in heftige interactie zijn met elkaar. Afgelopen zondagnacht was het dusdanig mooi helder dat ik het er toch maar eens op heb gewaagd om dit lastige deep sky object op de gevoelige digitale plaat proberen te zetten. Nu is een zwak en klein object zoals het Stephan’s Quintet eigenlijk wel een beetje op de grens wat er met mijn “astrospeelgoed”  in mijn lichtvervuilde omgeving binnenhaalbaar is………..zelfs op een fraaie heldere avond als afgelopen zondagnacht. Vier opnames van 8 minuten (ouderwets Nobelprijswaardig (!?!) met het handje gevolgd) op ISO 1600 met de 20 cm F6 Newton en een Canon 1000D, daarna stacken en wat stoeien met Photoshop hebben tot het uiteindelijke nevenstaande plaatje geleid. Ter vergelijking heb ik er een “professioneel plaatje” bijgeplaatst om de verschillende melkwegstelsels waaruit het Stephan’s Quintet bestaat te kunnen identificeren…..want ook al is het allemaal “op het randje”….ze staan er toch maar mooi allemaal op!! Volgens de meest recente inzichten is Stephan’s Quintet eigenlijk geen echt quintet maar eerder een voorgrond stelsel genaamd NGC 7320 op 40 miljoen lichtjaar en een veel verder gelegen (300 miljoen lichtjaar) botsend galactisch viertal genaamd “Hickson compact group 92″……….althans als de heren en dames astronomen de gemeten roodverschuivingen moeten geloven…..Het probleem is dat er toch vanuit het hoegenaamde voorgrondstelsel NGC 7320 materie-stromen lijken te lopen richting die andere vier heftig botsende melkwegstelsels….implicerend dat het toch om een interacterend vijftal gaat.Ofwel…. Is er misschien toch iets mis het correct afstandbepalen middels het meten van roodveschuivingen net zoals dat recente akkefietje met die net effe iets te snelle neutrino’s?? Nou ja…..één en ander bewijst maar weer dat “Moeder Natuur” het leven voor ons (amateur) wetenschappers er nog steeds lekker spannend op maakt!!

Herschel biedt nieuwe kijk op evolutie sterrenstelsels

Stervorming in sterrenstelsels wordt gevoed door gigantische gasstromen

Sterrenstelsels in ons heelal ontwikkelen zich anders dan lang werd aangenomen. Dat hebben wetenschappers ontdekt met waarnemingen van ESA’s Herschel infrarood ruimtetelescoop. Sterrenstelsels hoeven niet met elkaar te botsen om een geboortegolf van nieuwe sterren mogelijk te maken. Veel belangrijker is de hoeveelheid gas die aanwezig is in een sterrenstelsel. Deze conclusie is gebaseerd op observaties van twee stukken heelal, elk zo groot als een derde van de volle maan. Zelfs in deze kleine stukjes hemel zag Herschel meer dan duizend sterrenstelsels op verschillende afstanden van de aarde. Hoe groter de afstand, hoe verder je terugkijkt in de tijd. Samen beslaan de sterrenstelsels tachtig procent van de historie van het heelal. Herschel is een unieke ruimtetelescoop. Het wetenschappelijke hart is het instrument HIFI (Heterodyne Instrument for the Far Infrared), dat in Nederland werd ontwikkeld. HIFI is het meest geavanceerde ruimte-instrument dat ooit in Nederland werd gebouwd. Juist dankzij HIFI’s onderzoek in het infrarood krijgen we een veel completer beeld van stervorming dan voorheen. Het aantal stergeboortes piekte toen het heelal nog heel jong was, ongeveer tien miljard jaar geleden. Dat was al bekend. In die tijd maakten sterrenstelsels tien tot honderd keer meer sterren dan op dit moment. Dichter bij de aarde – en dus recenter in de tijd – zijn zulke uitbarstingen van stergeboortes zeldzaam. Ze lijken alleen voor te komen als sterrenstelsels botsen. Dus namen wetenschappers aan dat zulke botsingen in de hele geschiedenis van het heelal de motor waren voor grootschalige stergeboorte. Data van Herschel laat nu zien dat botsingen van sterrenstelsels in het verre verleden maar een heel kleine rol spelen bij stergeboorte. Want ook zonder die botsingen werden sterren met duizelingwekkende aantallen tegelijk geboren. Wetenschappers vergeleken de hoeveelheid infrarood licht dat wordt uitgezonden door de sterrenstelsels bij verschillende golflengtes. Daaruit bleek dat de hoeveelheid stergeboortes vooral wordt beïnvloed door de hoeveelheid gas die ze bevatten, niet of de stelsels botsen met andere. Gas is de ruwe bouwstof voor stervorming. Uit dit onderzoek blijkt de simpele verhouding: hoe meer gas, hoe meer sterren worden geboren. :bron: Bron: ESA.

Een kosmisch uitroepteken!


Zie hier het tweetal sterrenstelsels genaamd VV 340, ook wel bekend als Arp 302. Het bovenste stelsel heet VV 340 Noord, het onderste heet… yep, helemaal goed: VV 340 Zuid. Het duo ligt 450 miljoen lichtjaar van ons vandaan in het noordelijke sterrenbeeld Ossehoeder (Boötes). De twee stelsels bij elkaar vormen een perfecte kosmisch uitroepteken. Behalve de vorm is er nog iets interessants aan de hand, want de twee zijn flink bezig op elkaar te knallen in een gigantische frontale botsing. VV 340 vormt een zogenaamde Luminous Infrared Galaxy (LIRG) en als zodanig is ‘ie flink waargenomen door een bataljon aan instrumenten, zoals Chandra, Hubble, Spitzer en Galex, samen de Great Observatories All-Sky LIRG Survey (GOALS) vormend. Uit het onderzoek komt naar voren dat VV 340 Noord een groeiend superzwaar zwart gat heeft, dat verantwoordelijk is voor de emissie van de infraroodstraling van VV 340. De zuidelijke partner blijkt de meeste optische en UV-straling uit te zenden, hetgeen wijst op een grote mate van stervorming aldaar. Dat kosmische uitroepteken doet mij trouwens denken aan het forum van de Galaxy Zoo, waar vele gebruikers de gewoonte hebben om hun naam te spellen met behulp van sterrenstelsels, wiens vorm aan letters doen denken. Ik – Adrianus V – gebruik bijvoorbeeld deze ‘ondertekening’:


Een werkelijk kosmische Adrianus V, nietwaar? :-) :bron: Bron: Chandra.

Twitter vanmiddag mee met de Astronomy Journal Club over galactische verdikkingen


Straks om 12.00 uur stipt zal wereldwijd via Twitter een discussie plaatsvinden over het onderwerp Demographics of Bulge Types within 11 Mpc and Implications for Galaxy Evolution. Huh, zeg het nou eens in gewoon Nederlands? OK, het gaat om de zogenaamde ‘centrale verdikking’ van sterrenstelsels, de grote centrale hoop van sterren. Elliptische sterrenstelsels lijken alleen maar uit zo’n grote hoop te bestaan, spiraalstelsels hebben er nog een schijf omheen met spiraalarmen. Ook zijn er sterrenstelsels zonder centrale verdikking en ook zijn er die een zogenaamde pseudo-verdikking hebben, een centrale opeenhoping van sterren die niet rond is, maar zich uitstrekt in de schijf. Afijn genoeg variatie dus. In onderstaand wetenschappelijk artikel – met vier bladzijden kort te noemen – wordt ingegaan op de ontwikkeling van die centrale verdikking.

Demografie van centrale galactische verdikkingen

Centrale idee: de meeste sterrenstelsels binnen 11 megaparsec (≈35 miljoen lichtjaar ) hebben zo’n pseudo-centrale verdikking en die is NIET het gevolg van botsingen van sterrenstelsels. Dit is de vijfde discussie in het kader van de Astronomy Journal Club. Heb je geen tijd het artikel te lezen – ja ja, ik weet het, deze aankondiging een paar uur vantevoren is wel erg laat, zucht… – dan concentreer je je maar even op deze samenvatting:

We present an inventory of galaxy bulge types (elliptical galaxy, classical bulge, pseudobulge, and bulgeless galaxy) in a volume-limited sample within the local 11 Mpc volume using Spitzer 3.6 micron and HST data. We find that whether counting by number, star formation rate, or stellar mass, the dominant galaxy type in the local universe has pure disk characteristics (either hosting a pseudobulge or being bulgeless). Galaxies that contain either a pseudobulge or no bulge combine to account for over 80% of the number of galaxies above a stellar mass of 109 MSun. Classical bulges and elliptical galaxies account for ~1/4, and disks for ~3/4 of the stellar mass in the local 11 Mpc. About 2/3 of all star formation in the local volume takes place in galaxies with pseudobulges. Looking at the fraction of galaxies with different bulge types as a function of stellar mass, we find that the frequency of classical bulges strongly increases with stellar mass, and comes to dominate above 1010.5 MSun. Galaxies with pseudobulges dominate at 109.5 – 1010.5 MSun. Yet lower-mass galaxies are most likely to be bulgeless. If pseudobulges are not a product of mergers, then the frequency of pseudobulges in the local universe poses a challenge for galaxy evolution models.

Wil je meedoen dan moet je op Twitter zijn en dan de hashtag #astrojc gebruiken. Simpel. Tot straks! :bron: Bron: AJC.
[Naschrift]: Hier is het verslag van de discussie vanmiddag, met dank aan de razendsnelle notulist.

Switch to our mobile site