Jonge indringers banen zich een weg

Jonge indringers banen zich een weg. Credit: NASA/ESA/R.Sahai (NASA/JPL).

Van de Hubble ruimtetelescoop krijg je ook nooit de indruk dat ‘ie eventjes uitrust en gewoon niets waarneemt. Als het moet valt er iedere dag wel nieuws te melden wat men met dit memorabele instrument heeft ontdekt. Nu heeft Hubble bijvoorbeeld 14 ‘wegloopsterren’ op prachtige wijze gefotografeerd, jonge sterren die zich een weg banen door de interstellaire gas- en stofwolken. Interstellaire indringers worden ze ook wel genoemd, interlopers om het even Anglicaans uit te drukken. Net zoals een boot die door het water vaart golven achter zich laat, zo laten die sterren golven achter in die wolken. Boeggolven noemen ze dat, schokgolven in de gas- en stofwolken. Al langer zijn sterren bekend die dit soort patronen achterlaten in de interstellaire ruimte, de runaway stars genoemd, maar dat zijn altijd massieve sterren (M>10 zonmassa’s), die dankzij hun enorme sterrenwinden die patronen kunnen genereren. Maar de 14 indringers die Hubble nu heeft gezien zijn helemaal niet zo zwaar, slechts enkele tot maximaal acht keer de massa van de Zon. De boeggolven zijn zo’n 17 tot 170 keer de diameter van het zonnestelsel in afmeting en de jonge sterren scheren er met een snelheid van zo’n 180.000 km per uur doorheen. Vermoedelijk komen de indringers uit sterclusters, waar ze ontstaan zijn, en waar ze op de een of andere manier uit ontsnapt zijn. Die manier kan een botsing zijn met een andere ster, zodat ze gelijk een biljartbal wegkaatsen, maar het zou ook kunnen dat ze een dubbelster-compagnon hadden die als supernova explodeerde en daardoor werden ze weggekegeld. Bron: Hubble.

Eerst zwarte gaten, dan sterrenstelsels

credit: NRAO/AUI/NSF, SDSS

Het is zo’n beetje een klassieke kip-ei vraag: wat was er eerst in het vroege heelal, de superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels, of die sterrenstelsels zelf? Anders geformuleerd: begon het allemaal met sterrenstelsels in wiens kern later een superzwaar zwart gat evolueerde óf had je eerst van die joekels van zwarte gaten en vormden zich daar later sterrenstelsels omheen? Het antwoord op deze intrigerende vraag werd gisteren gegeven op de 213e bijeenkomst van de AAS in Long Beach: eerst had je superzware zwarte gaten! Aldus onderzoek dat werd gedaan door sterrenkundigen van het National Radio Astronomy Observatory (NRAO). Met behulp van de Very Large Array (VLA) radiotelescopen en de Plateau de Bure Interferometer in Frankrijk keken zij naar een stel vroege sterrenstelsels. In ons eigen deel van het heelal weet men al een poos dat er een constante verhouding is tussen de massa van de centrale zwarte gaten en de omringende kern van sterren, de zogenaamde centrale verdikking (bulge). Die verhouding is ongeveer 1:1.000, d.w.z. dat de centrale verdikking duizend keer zwaarder is dan het centrale zwarte gat. Maar wat blijkt: dat in het vroerge heelal de verhouding hoger ligt, d.w.z. dat de zwarte gaten er relatief zwaarder zijn. Op de een of andere manier zijn de centrale verdikking en het centrale zwarte gat gekoppeld aan elkaar, maar hoe dat precies werkt is nog niet helder. Wel is duidelijk dat de waarnemingen, onder andere aan het sterrenstelsel J1148+5251, welke we zien op het moment dat het heelal slechts 870 miljoen jaar oud is [1]Terwijl het heelal nu zo’n 13,7 miljard jaar oud is., erop wijzen dat je eerst superzware zwarte gaten hebt en dat daarna de centrale verdikking eromheen ontstaat. Daarmee is in ieder geval déze kip-ei vraag beantwoord. Nou die andere nog. 🙂 Bron: NRAO.

References[+]

References
1 Terwijl het heelal nu zo’n 13,7 miljard jaar oud is.

Wat is SCP 06F6 voor een object?

SCP 06f6. Credit: NASA/ESA/K.Barbary (Univ. California, Berkeley)

Op 21 februari 2006 keek men met de Hubble ruimtetelescoop toevallig in de richting van het cluster van sterrenstelsels genaamd CL 1432.5+3332.8, welke 8 miljard lichtjaar ver weg ligt in het sterrenbeeld Boötes. Men zag met Hubble een lichtstip die er eerst niet was. Komt vaker voor, dus geen opschudding. Vervolgens ging men die stip in de gaten houden en bleek het dat ‘ie gedurende honderd dagen langzaam helderder werd tot maximaal magnitude 21. Vervolgens zakte de lichtkracht met hetzelfde tempo weer in totdat ‘ie buiten het bereik van de Hubble was. Van het object werden ook spectra genomen. Probleem is echter dat zowel de getoonde lichtcurve als het spectrum niet overeenkomen met bekende verschijnselen. Een supernova bijvoorbeeld heeft zowel een andere lichtcurve als een verschillend spectrum. Ook is van SCP 06F6, zoals het object werd gedoopt, niet bekend wat de afstand is en dus weet men niet of het iets is wat zich in ons eigen Melkwegstelsel bevindt óf dat het extragalactisch is, zoals ze dat zo mooi noemen. Kyle Barbary (Lawrence Berkeley National Laboratory (LBNL) in Berkeley, Californië) hield gisteren een betoog tijdens de 213e bijeenkomst van de AAS (waar anders 😉 ) en daar vertelde ze dat men denkt dat SCP 06F6 vermoedelijk een nieuw type object is. Er is op dit moment gewoonweg geen ander bekend object wat er op lijkt. Ideeën zijn er overigens genoeg, maar die zijn nog niet hardgebakken in concrete modellen. Het zou bijvoorbeeld de explosie van een koolstofster kunnen zijn of een botsing tussen een witte dwerg en een groot uitgevallen planetoïde. Of het zou een buitenaardse beschaving kunnen zijn die hun eigen versie van de Large Hadron Collider aan het uittesten is en die geëxplodeerd is. Maar op die uitspraak wilde hij niet geciteerd worden. 😀 Afijn, de studeerkamergeleerden kunnen weer fijn aan het werk. Bron: Universe Today.