Zó groot was de ‘coronale massa ejectie’ afgelopen maandag

Credit: NASA/SDO/J. Major.

Afgelopen maandag 16 april was er vanuit zonnevlek 1461 een zonnevlam met een sterkte van M1,6. Niet eens zo’n heel krachtige zonnevlam, er zijn dit jaar veel grotere uitbarstingen geweest uit de zwaarste X-klasse. Wel ging er ook een enorme stoot geïoniseerd waterstofgas omhoog, een zogenaamde Coronale Massa Ejectie (CME). Op de foto zie je deze joekel, gefotografeerd door NASA’s Solar Dynamics Observatory (SDO). En dat kleine bolletje rechtsboven op de foto? Da’s onze aarde op dezelfde schaal! Oeps, dat was een hele grote CME, die gelukkig voor ons niet op de aarde gericht was. Deze week staat er overigens een commentaar in het wetenschappelijke tijdschrift Nature van Professor Mike Hapgood, deskundige op het gebied van ‘ruimteweer’, en daarin waarschuwt hij voor de ernstige gevolgen die grote zonnestormen kunnen hebben, stormen zoals die zich ook hebben voorgedaan in 1859 en 1921. Hij zegt o.a.:

“We already know that a space weather storm the size of those that struck in 1859 or 1921 would prove disastrous, potentially leaving some areas without power for months and causing trillions of dollars of damage. But we should be preparing for a bigger storm, of the type likely to hit once in a thousand years. Sadly, we don’t know how big that storm might be”

Via grootschalig onderzoek aan de onderzoek, zoals middels het Citizen Science project Solar Stormwatch, denkt Hapgood dat we tot een soort van voorspelling kunnen komen van stormen en we ernstige schade aan bijvoorbeeld communicatiesatellieten en electriciteitsnetwerken kunnen voorkomen. Ter afsluiting nog wat beelden van de zonnestorm van afgelopen maandag:

Bron: Universe Today + Bad Astronomy.

Gammaflitsers waarschijnlijk geen bron van kosmische straling

De detectie in IceCube van een muon. Credit:  IceCube Colleboration.

In 1912 ontdekte de Oostenrijks-Amerikaanse fysicus Victor Hess middels ballonvluchten dat er uit de ruimte straling komt met zeer hoge energie, soms wel honderd miljoen keer hoger dan de deeltjes die in ‘s werelds grootste deeltjesversneller Large Hadron Collider (LHC) rondjes draaien – soms meer dan meer dan 1.000.000.000.000.000.000 (10^18) elektronvolt – zoals het beroemde oh-mijn-god-deeltje. Later bleek dat het niet echt om straling (fotonen) gaat, maar om deeltjes, protonen in dit geval. De grote vraag is welk verschijnsel in de ruimte verantwoordelijk is voor de productie van deze energierijke protonen. Deze week bleek dat één kandidaat-producent waarschijnlijk afvalt: de gammaflitsers, de kortstondige uitbarstingen die gemiddeld één keer per dag worden waargenomen en die vermoedelijk veroorzaakt worden door botsende neutronensterren of zwarte gaten en door hypernovae, extreme supernovae. Bij die explosies zouden namelijk behalve protonen ook neutrino’s moeten worden geproduceerd. En die deeltjes – die met gemak dwars door de aarde vliegen – worden bestudeerd met IceCube, een gigantische detector die verstopt zit in één km³ ijs van Antartica. In twee periodes in 2008 en 2009 werden 307 gammaflitsers met IceCube bestudeerd, d.w.z. op het moment dat met andere instrumenten (de Swift satelliet bijvoorbeeld) een gammaflitser werd ontdekt ‘keek’ IceCube direct of ‘ie uit de richting van de flitser neutrino’s zag. Als een neutrino reageert met het ijs wordt een muon geproduceerd, een zwaar electron, en dá­e kan door de ruim 5000 detectoren van IceCube worden gezien. Uitkomst van de metingen was dat bijna geen enkele gammaflitser leidde tot de detectie van neutrino’s. De neutrino-productie van gammaflitsers blijkt minstens 3,7 keer lager te zijn dan men dacht. En aangezien de productie van neutrino’s samenhangt met de protonenproductie – lees kosmische straling – lijkt de gammaflitser af te vallen als bron van kosmische straling. Bron: Berkeley Lab + NRC-Handelsblad, 19 april 2012.