ESO’s VLT heeft donkere sterrenstelsels opgespoord in het vroege heelal

Deze lang belichte opname toont het hemelgebied rond de quasar HE 0109-3518. De quasar staat ongeveer in het midden van de foto. De energierijke straling van de quasar doet donkere stelsels oplichten, wat astronomen in staat stelt om de duistere vroege ontstaansfase van sterrenstelsels te onderzoeken. Donkere stelsels bevatten weinig of geen sterren en zenden dus ook geen licht uit dat met telescopen kan worden waargenomen. Dat maakt hen vrijwel onwaarneembaar, tenzij ze door een externe lichtbron, zoals een naburige quasar, worden aangelicht. Credit:ESO, Digitized Sky Survey 2 and S. Cantalupo (UCSC)

Voor het eerst zijn donkere sterrenstelsels – een vroege, theoretisch voorspelde fase in het ontstaan van sterrenstelsels – waargenomen. Deze objecten zijn in wezen gasrijke sterrenstelsels zonder sterren. Met behulp van ESO’s Very Large Telescope is een internationaal onderzoeksteam erin geslaagd om deze ongrijpbare objecten te detecteren via de gloed die zij vertonen doordat zij door een quasar worden aangelicht. Donkere sterrenstelsels zijn kleine, gasrijke stelsels in het vroege heelal die niet erg bedreven zijn in het produceren van sterren. Hun bestaan wordt voorspeld door theorieën over de vorming van sterrenstelsels: ze worden beschouwd als de bouwstenen van de huidige, heldere stelsels, die rijk zijn aan sterren. Astronomen denken dat zij deze grote stelsels wellicht van het gas hebben voorzien waarmee zij later hun huidige sterren hebben geproduceerd. Omdat ze weinig of geen sterren bevatten, zenden de donkere stelsels niet veel licht uit. Daardoor zijn ze moeilijk waarneembaar. Al jaren proberen astronomen technieken te ontwikkelen om het bestaan van deze stelsels te bevestigen. De eerste aanwijzingen voor hun bestaan waren kleine absorptiedipjes in de spectra van lichtbronnen op de achtergrond. Bij dit nieuwe onderzoek zijn de donkere stelsels nu voor het eerst rechtstreeks waargenomen. ‘We hebben het probleem van de detectie van donkere stelsels aangepakt door ze met licht te beschijnen,’ aldus Simon Lilly (ETH Zürich, Zwitserland), mede-auteur van het onderzoeksartikel, dat in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society zal verschijnen. ‘We hebben gezocht naar de fluorescerende gloed van het gas in donkere stelsels die door het ultraviolette licht van een naburige en zeer heldere quasar worden aangelicht. Het quasarlicht brengt deze stelsels aan het gloeien op een manier die vergelijkbaar is met hoe witte kleding oplicht onder de uv-lampen in een nachtclub.’ Het onderzoeksteam heeft het grote licht-opvangende oppervlak en de grote gevoeligheid van de Very Large Telescope (VLT) benut om een reeks zeer lang belichte opnamen te maken, om zo de extreem zwakke gloed van de donkere stelsels te detecteren.

Deze kaart toont de positie van quasar HE 0109-3518 in het sterrenbeeld Beeldhouwer (Sculptor). Op de kaart staan bijna alle sterren die onder goede omstandigheden waarneembaar zijn met het blote oog. De quasar zelf is rood omcirkeld. Credit:ESO, IAU and Sky & Telescope

Met het instrument FORS2 is een hemelgebied rond de heldere quasar HE 0109-3518 in kaart gebracht, om zo het ultraviolette licht op te sporen dat waterstofgas uitzendt als het aan intense straling wordt blootgesteld. Door de uitdijing van het heelal wordt dit licht, tegen de tijd dat het bij de VLT aankomt, waargenomen als een violet schijnsel. ‘Na jaren van pogingen om de fluorescerende emissie van donkere stelsels te detecteren, bewijzen onze resultaten het potentieel van onze methode voor het opsporen en onderzoeken van deze fascinerende en tot nog toe onzichtbare objecten,’ zegt Sebastiano Cantalupo (Universiteit van Californië, Santa Cruz), hoofdauteur van het onderzoek. Het team heeft bijna honderd gasachtige objecten opgespoord die binnen een straal van enkele miljoenen lichtjaren rond de quasar liggen. Na zorgvuldige analyse, gericht op het uitsluiten van objecten waarbij de emissie door stervorming binnen de stelsels zelf wordt veroorzaakt, in plaats van door het licht van de quasar, bleven er uiteindelijk twaalf over. Dat zijn de meest overtuigende identificaties van donkere stelsels in het heelal tot nu toe. Het is de astronomen ook gelukt om enkele eigenschappen van de donkere stelsels te bepalen. Ze schatten dat de stelsels ongeveer een miljard zonsmassa’s aan gas bevatten, wat typerend is voor lichte, gasrijke sterrenstelsels in het jonge heelal. Ook konden ze schatten dat het stervormingsrendement in de stelsels minstens honderd keer zo laag is als in karakteristieke ster-vormende stelsels in een vergelijkbaar stadium van de kosmische geschiedenis. ‘Onze waarnemingen met de VLT hebben het bewijs opgeleverd voor het bestaan van compacte, op zichzelf staande donkere wolken. Met dit onderzoek hebben we een cruciale stap gezet in het opsporen en onderzoeken van de duistere vroege stadia van het ontstaan van sterrenstelsels, en de manier waarop sterrenstelsels aan hun gas zijn gekomen,’ besluit Cantalupo. De integral field-spectograaf MUSE, die in 2013 bij de VLT in bedrijf wordt genomen, zal een uiterst belangrijk hulpmiddel zijn bij het onderzoek van deze objecten. Bron: ESO.

Hubble ontdekt vijfde maantje bij dwergplaneet Pluto

credit: NASA, ESA, and M. Showalter (SETI Institute)

Sterrenkundigen hebben met behulp van de Hubble ruimtetelescoop een vijfde maan ontdekt bij de dwergplaneet pluto. Op de ontdekkingsfoto is S/2012 (134340) 1, of P5, zoals de maan voorlopig wordt genoemd, slechts een klein vlekje. Men denkt dat ‘ie onregelmatig van vorm is en afmetingen tussen 10 en 25 km heeft. P5 zou op ongeveer 95.000 km van Pluto staan en hij zou zich in hetzelfde omloopvlak bevinden als de vier andere manen, Charon, Hydra, Nix en P4. Maantje P5 komt op maar liefst negen foto’s voor, die Hubble met z’n  Wide Field Camera 3 (WFC3) heeft gemaakt op 26, 27 en 29 juni en op 7 en 9 juli 2012. Sterrenkundigen verbazen zich er over dat een dwergplaneet als Pluto – in 2006 berooft van de status van planeet – zoveel manen om zich heen heeft. Men denkt dat het allemaal restanten zijn van een botsing die Pluto miljarden jaren geleden met een ander object uit de Kuipergordel moet hebben gehad. In de zomer van 2015 komt de sonde New Horizons van de NASA bij Pluto aan en dan hoopt men de dwergplaneet en z’n manenstelsel goed te kunnen bestuderen. In de infografiek een mooie vergelijking van onze eigen maan, de vijf manen van Pluto, en de dwergplaneten Pluto en Eris.

Credit: Karl Tate/Space.com

Source SPACE.com: All about our solar system, outer space and exploration Bron: Hubble + Space.com.

Deze worm voelt zich thuis in de ruimte

Credit: Creative Commons ShareAlike license–B. Goldstein

Wanneer astronauten terugkeren naar de aarde zijn ze verzwakt en staan ze vaak niet zo stabiel meer op hun benen. Gewichtloosheid en straling eisen hun tolk op het menselijk lichaam. Maar rondwormen hebben daar veel minder last van, blijkt uit onderzoek. Toen ESA-astronaut André Kuipers in 2004 voor de eerste keer de ruimte in ging, ging hij niet alleen. Kuipers nam een aantal microscopisch kleine wormpjes mee. Niet voor de lol, maar bij wijze van proef. Een internationaal team van Amerikaanse, Japanse, Franse en Canadese wetenschappers wilde zien hoe deze kleine wormen (de zogenaamde Caenorhabditis elegans) zich zouden aanpassen aan het leven in de ruimte. De reden dat juist voor deze wormen gekozen werd is dat Caenorhabditis elegans de eerste meercellige levensvorm is waarvan de gehele genetische structuur in kaart is gebracht. André nam de wormen mee naar het internationale ruimtestation ISS met behulp van ESA’s ruimtebroedplaats Kubik. Een blik op de krioelende mini-astronauten leerde wetenschappers dat de wormen tijdens hun reis veel minder giftige proteïnen in hun spieren hadden dan wanneer ze op aarde waren gebleven. Aanvullend onderzoek toonde aan dat in totaal zeven genen minder actief waren in de ruimte. Alleen de aanwezigheid in de ruimte zorgde er dus voor dat bepaalde genen niet meer normaal functioneerden. Maar vreemd genoeg functioneerden de wormen zelf beter door de afwezigheid van deze genen. Door dezelfde genen in een laboratorium op aarde uit te schakelen leerden wetenschappers dat wormen met de uitgeschakelde genen langer en gezonder leven dan hun soortgenoten. “Spierweefsel krimpt in de ruimte. Maar de resultaten van dit onderzoek laten zien dat onze spieren niet ongewild reageren, maar zich actief aanpassen aan de omstandigheden”, legt Nathaniel Szweczyk uit. Szewczyk is als wetenschapper betrokken bij het project. “Spieren kunnen gezonder ouder worden in de ruimte. Omgekeerd zou je kunnen zeggen dat ruimtevaart het proces van veroudering afremt.” De genencode van de mens is voor ongeveer 55 procent gelijk aan die van Caenorhabditis elegans. Volgens de onderzoekers is de volgende stap het bekijken hoe de menselijke spieren reageren op ruimtereizen. Ook daar helpt André Kuipers bij. Bron: ESA.

[Even wat anders] Astroblogs was vandaag een groot deel van de dag onbereikbaar. Geen idee waardoor. Hackers, cookie’s, spammers, geen idee wat precies de oorzaak was. Ik ben er naar op zoek en probeer herhaling te voorkomen.

Focus op: sterrenstelsel M100

Dit artikel komt niet van Adrianus V, maar is geschreven door Paulus B, collega astronoom en oude bekende van Adrianus, al voelen we ons zelfs na zo’n 35 jaar vriendschap – ook met auteur Jan B -nog piep natuurlijk. Adrianus heeft meerdere keren een astrofoto van mij geplaatst en eigenlijk vond ik dat wel prettig gaan zo. Adrianus zette er altijd wel een fijn compliment bij en dat doe je niet als je zelf het stukje plaatst. Maar goed, laat ik ieder eens verrassen met een eigen publicatie.Afgelopen voorjaar ben ik met vereniging Christiaan Huygens (of ging de vereniging met mij:-) een week naar de Provence geweest om daar te genieten van een nog redelijk onbedorven sterrenhemel. Ik merk nog steeds dat we een goed aantal heldere uren hebben gehad, want ik heb nog foto’s ‘op de plank’ liggen die ik door alledaagse drukte en andere reisjes nog immer moet nabewerken. Ik heb er nu eentje van plank getrokken (lees: van de geheugenkaart) en ben aan de slag gegaan met DeepSkyStacker, Photoshop, Iris (nee, niet mijn dochter maar zo heet ook een CCD astro software programma) en Unimap. Et voila, ik toon u sterrenstelsel M100.

M100 is een groot spiraalstelsel in het sterrenbeeld Coma Berenice en maakt deel uit van een cluster van sterrenstelsels, de Virgocluster. Charles Messier nam het in het jaar 1781 als nummer 100 op in zijn lijst van komeetachtige objecten. Met een magnitude van 9,3 is het een van de helderste leden van de Virgocluster. Nee, niet meteen naar buiten rennen, want met het blote oog is het object niet te zien. Zelfs met een verrekijker gaat het niets worden. Er is een telescoop nodig om iets te zien en liefst een grote!De afstand van M100 is redelijk nauwkeurig bepaald en bedraagt 56 miljoen lichtjaar. En het is echt een groot stelsel want met een diameter van 130.000 lichtjaar is het een stuk groter dan onze eigen melkweg met zijn 100 miljard sterren. Op de foto zijn nog allerlei andere ‘vlekjes’ te zien.  Dit zijn ook sterrenstelsels, de meesten zullen deel uitmaken van de Virgocluster. Ik weet het, het is een tik, maar ik vind het leuk om uit te zoeken hoe die vlekjes allemaal heten en heb er mooie labeltjes bij gezet. Er zijn nog wel meer zwakke stelseltjes aan te wijzen, maar toen ik de naam USNAO2 105006704094 tegenkwam vond ik het mooi genoeg geweest. De vaagste vlekjes zijn zwakker dan magnitude 17. Dat wil zeggen dat we 60.000 keer minder licht ontvangen dan van de zwakste sterren die we hier met het blote oog kunnen zien.Voor de astrofotografen: De foto is samengesteld uit 10 opnames van 5 minuten en is genomen met een gemodificeerde Canon 1000D op ISO1600. De camera was gekoppeld aan een 25cm Orion Optics CT10 Newton telescoop met coma corrector. Dat alles op een Hongaarse Gemini41 montering, volgcorrecties met een WO66mm refractor, DMK-camera en een minilaptop met PHD-guiding software.Een totale belichtingstijd van 50 minuten is in deze dagen kort te noemen. Maar onder een donkere hemel en met een lichtsterke telescoop kom je toch aardig diep. Ik heb nog meer op de plank, dus wordt vast vervolgd.

Veel samenstanden van planeten deze zomer!

Er zijn deze zomer veel samenstanden (‘conjuncties’ genoemd) van de planeten, zowel aan de avondhemel na zonsondergang als ’s ochtends vroeg voor zonsopkomst. Hieronder verschillende momenten in een infografiek. Daaronder heb ik even de verschillende samenstanden op een rijtje gezet.

Credit: Karl Tate/Space.com

Source SPACE.com: All about our solar system, outer space and exploration

  • begin juli: Venus en Jupiter staan vlakbij elkaar in het sterrenbeeld Stier, nabij de heldere rode ster Aldebaran. Dit kan je komende ochtenden nog bekijken, laag in het oostnoordoosten om een uur of vier ’s nachts.
  • 14 juli: de maan komt Venus en Jupiter gezelschap houden. Een dag later zal de maan zelfs Jupiter bedekken!
  • 14 augustus: in de avondschemering staan Saturnus, Mars en de ster Spica – hoofdster van het sterrenbeeld Maagd – op één lijn. Eén tot twee uren na zonsondergang te zien in het zuidwesten, laag boven de horizon.
  • 21 augustus: ah, daar is ‘ie weer: de maan voegt zich dit keer bij Saturnus en Mars. Zit je toevallig ergens in het zuiden van de Stille Oceaan of op de Zuidpool – brrrrrr… – dan kan je zelfs meemaken dat de maan Spica bedekt.
  • 16 augustus: je kan een poging wagen laag aan de horizon in het oosten Mercurius te vinden en dááronder heel misschien de smalle maansikkel. Mercurius heeft vandaag z’n grootste westelijke elongatie, als ‘ie 18°42’ ten westen van het midden van de zonneschijf staat.

Bron: Space.com + Sterrengids 2012.

Cookies en de Astroblogs

Op 6 juni 2012 schijnt de Cookiewet van kracht te zijn geworden. Nee, heeft niks te maken met het Koekiemonster van Sesamstraat, wel met cookies:

kleine beetjes informatie die een server naar de browser stuurt met de bedoeling dat deze informatie bij een volgend bezoek weer naar de server wordt teruggestuurd.

Websites zijn vanaf die datum verplicht hun bezoekers er op te attenderen dat ze cookies gebruiken. Vandaar dat iedereen die de Astroblogs bezoekt eenmalig onderaan een scherm krijgt met de vraag om akkoord te gaan. Dus gewoon even op die knop klikken en je kan verder genieten van de Astroblogs. 😀

Project 1640 gaat exoplaneten zoeken in ‘donkere gaten’ bij sterren

credit: Project 1640

De naam doet denken aan een geheim project van het Amerikaanse leger, maar het gaat om een ‘civiel’ wetenschappelijk project, dat bedoeld is om met een nieuwe techniek exoplaneten bij andere sterren te vinden: Project 1640. Het kostte zes jaar om het te ontwikkelen, maar het is nu eindelijk van de grond gekomen. Het draait om het gelijknamige instrument, dat verbonden is aan de beroemde 200 inch Hale-telescope van het Mount Palomar observatorium. Dat instrument is in staat om meer dan welk ander instrument dan ook het licht van sterren te filteren. Dat konden andere instrumenten ook al, maar Project 1640 gaat een stap verder en is in staat om in het infrarood objecten tevoorschijn te laten komen die 1 tot 10 miljoen keer lichtzwakker zijn dan de ster waar ze omheen draaien. Op de foto’s hierboven zie je de eerste toepassing. Je ziet de ster HD 157728, die ongeveer anderhalf keer zo groot als de zon is. De ster zelf is niet te zien, het is het donkere vlekje in het midden. Rechts is gebruik gemaakt van Project 1640, waarbij een zogenaamde wavefront sensor er voor zorgt dat er donkere gaten in het beeldje ontstaan. In die gaten wil men proberen om direct exoplaneten te kunnen zien. Komende drie jaar gaat men met Project 1640 meer dan honderd jonge sterren observeren om te trachten die exoplaneten te zien. We zijn benieuwd! Bron: NASA.

Nou is ’t zeker: er zit geen arseen in het DNA van bacterie GFAJ-1

De bacterie GFAJ-1. Credit: NASA/Jodi Switzer Blum

Vanochtend verschenen twee artikelen in het vakblad Science, die het lot bezegelden van ‘wonderbacterie’ GFAJ-1, de bacterie in het Mono Meer in Californië, waarvan anderhalf jaar geleden met veel tamtam op een door de NASA georganiseerde persconferentie bekend werd gemaakt dat het DNA ervan niet op fosfor zou zijn gebaseerd, maar op arseen. Dat zou een unicum zijn, want al het andere leven op aarde heeft DNA dat op fosfor is gebaseerd. Leven elders in het heelal zou wellicht ook op arseen kunnen zijn gebaseerd. Maar direct na de bekendmaking kwam er de nodige kritiek en in februari kwam een Canadees-Amerikaanse onderzoeksgroep met een voorlopige experimentele weerlegging van het onderzoek van Felisa Wolfe-Simon, die destijds op de persconferentie de ‘vondst’ bekendmaakte. Vandaag werd het onderzoek officieel gepubliceerd, samen met dat van een Zwitserse groep, in Science. Conclusie van beide artikelen: GFAJ-1 kan weliswaar tegen hoge concentraties arseen, maar het is niet ingebouwd in z’n fosfor. De Zwitserse groep denkt dat de NASA-onderzoekers met vervuild materiaal werkten. De publicatie in Science is opmerkelijk: het is in hetzelfde blad dat anderhalf jaar geleden het resultaat van de groep van Wolfe-Simon werd gepubliceerd. Bron: NRC-Handelsblad, 9 juli 2012.

 

Röntgenstraling protoster V1647 in Orion verraadt z’n rotatie

Schets van de protoster V1647 Orionis en z’n omringende accretieschijf. Credit: NASA/CXC/GSFC/K.Hamaguchi, et al

Sterrenkundigen hebben met een drietal röntgensatellieten – de Amerikaanse Chandra, de Europese XMM-Newton en de Japanse Suzaku – de protoster V1647 Orionis bestudeerd en daar kwam uit naar voren dat deze ‘ster in wording’ een rotatieperiode van slechts één dag kent. De protoster ligt ingebed in de McNeil’s nevel, die zich weer vlakbij de bekende stervormingsnevel M78 bevindt, 1300 lichtjaar van de aarde. V1647 Ori is nog geen echte ster, maar een protoster, dat wil zeggen dat ‘ie nog geen licht geeft zoals gewone sterren door fusie in z’n kern. Hij licht op doordat er materiaal op z’n oppervlakte valt en dat levert hitte-straling op, hetgeen als infraroodstraling kan worden gezien. Dat die röntgensatellieten V1647 Ori konden zien komt omdat er iets bijzonders heeft plaatsgevonden: het blijkt dat zeer sterke magnetische velden in staat zijn grote hoeveelheden gas en stof uit de omringende accretieschijf – de broedplaats van nieuwe planeten – op het oppervlak van de protoster te dumpen en tot enorme temperaturen te verhitten, soms wel 50 miljoen Kelvin. De plekken waar dat gebeurt gaan röntgenstraling uitzenden en die straling is door het genoemde trio ontdekt. De protoster zou op zich nog miljoenen jaren kunnen bestaan, zich langzaam voorbereidend op de mooie dag dat de waterstof in de kern begint te fuseren en het leven als gewone ster begint, ware het niet dat de rotatieperiode van één dag wel erg kort is en het zomaar zou kunnen gebeuren dat de ster uiteen wordt gerafeld. Afwachten maar welk pad ‘ie volgt. 🙂 Meer info in dit wetenschappelijke artikel. Hieronder een video waarin wordt ingezoomd op V1647 Ori en we een impressie van de protoster en z’n nabije omgeving krijgen.

Bron: Chandra.’