Planetoïdengordel tussen Mars en Jupiter bevat reservoir van komeetkernen

komeet

Van kometen werd altijd gedacht dat ze alleen afkomstig zijn uit de verre buitenregionen van het zonnestelsel, voorbij de baan van Neptunus, uit de Kuipergordel of de verder weg gelegen Oortwolk. Maar de laatste jaren zijn maar liefst twaalf kometen ontdekt waarvan de oorsprong een stuk dichterbij ligt, namelijk de planetoïdengordel tussen Mars en Jupiter. Op grond hiervan denkt een team sterrenkundigen onder leiding van de Columbiaanse komeetspecialist Ignacio Ferrá­n (Universiteit van Antioquia in Colombia) dat die gordel wel eens vol zou kunnen zitten met komeetkernen. Het traditionele beeld is dat de planetoïdengordel vol zit met enkel planetoïden – logisch met zo’n naam – objecten die voornamelijk uit rotsen bestaan (afbeelding hieronder, bovenste situatie).Kometen bestaan uit een mix van ijs en rotsen en normaal gesproken hebben ze ver weg van de zon een sluimerend bestaan. Maar zodra een kern dichterbij de zon komt smelt het ijs en vormt zich de voor kometen zo karakteristieke staart.

Credit: Ignacio Ferrin / University of Antioquia

Ferrá­n’s team denkt dat de planetoïdengordel als een soort van kometenkerkhof ook komeetkernen bevat, die daar ver van de zon een sluimerend bestaan leiden (middelste afbeelding). Door de gravitationele invloed van Jupiter kunnen die kernen een zetje krijgen en richting de binnenste regionen van het zonnestelsel reizen, waar ze als zombies ontpoppen tot echte kometen. Lang geleden moet de planetoïdengordel vol hebben gezeten met komeetkernen (onderste afbeelding). De naam Ferrá­n zijn we deze week nog in een ander verband tegengekomen, want hij is degene die voorspelt dat de komeet ISON wel eens de Zeperd van de Eeuw kan worden, iets wat door anderen weer wordt tegengesproken. Bron: Universe Today

ERC-beurs voor sterrenkundige Ger de Bruyn

Ger de Bruyn. Credit: RuG.

Prof. dr. A.G. (Ger) de Bruyn (ASTRON, Dwingeloo/ Kapteyn Instituut, Rijksuniversiteit Groningen) heeft een Advanced Grant toegekend gekregen van de European Research Council (ERC) ter waarde van 3.35 miljoen euro. Hiermee kan hij voor de komende vijf jaar een onderzoeksgroep van zeven wetenschappers, onder wie promovendi, postdocs, en specialisten in data-analyse en software, vormen.

De LOFAR radiotelescoop

Wanneer ging het licht aan in het heelal? Welke objecten waren daarvoor verantwoordelijk? En wat kunnen we daar nu nog van zien, dertien miljard jaar na dato? Dit zijn maar enkele van de vragen die sterrenkundigen zich stellen over wat er gebeurde in de ‘kleuterjaren’ van ons Universum. Voor een antwoord op deze vragen zal prof. de Bruyn in zijn onderzoek gebruik maken van de revolutionaire nieuwe radiotelescoop LOFAR, ontworpen en gebouwd door ASTRON, het Nederlands instituut voor radioastronomie.

Neutraal waterstof

Sterrenkundigen zoeken naar signalen afkomstig van neutraal waterstof. Deze signalen zijn echter extreem zwak en worden overstemd door de ruis van radio-melkwegstelsels, onze Melkweg en de ontvangers zelf. De signalen bevonden zich oorspronkelijk op een frequentie van 1420 MHz, wat overeenkomt met een golflengte van 21 cm. Maar door de enorme uitdijing van het heelal sinds de signalen werden uitgezonden, zijn de radiogolven uitgerekt tot ongeveer 1.5 – 2.5 meter. Dit komt overeen met frequenties van zo’n 120 – 200 MHz, precies de frequenties waarvoor (een deel van) LOFAR ontworpen is. In die kleuterfase van het heelal, zo vermoedt men, moeten de eerste sterren en melkwegstelsels zijn gevormd. De theorie is dat hun ioniserende UV-straling enorme gaten sloeg – als in een Zwitserse kaas – in de oceaan van neutrale waterstof die het heelal in de eerste honderden miljoenen jaren kenmerkte. Waarnemingen met LOFAR moeten uitsluitsel geven of deze theorie klopt, hoe dat in zijn werk ging en hoelang het proces duurde.

Nieuwe computercluster

LOFAR op de ‘superterp’. Credit: ASTRON.

In de ERC-beurs is ook 0.9 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de aanschaf van een uiterst krachtige computercluster. Deze is nodig om het grote aantal berekeningen uit te voeren dat nodig is om de enorme gegevensstroom (meer dan 1000 terabyte*) te verwerken en de signalen uit de ruis te filteren. De Bruyn is, samen met collega-hoogleraren Koopmans en Zaroubi van het Kapteyn Instituut en dr. Brentjens van ASTRON, en ondersteund door een internationaal team van sterrenkundigen, studenten en postdocs, al bijna tien jaar bezig dit onderzoek in de steigers te zetten en LOFAR geschikt te maken voor deze waarnemingen. De komende vijf jaar zal er geoogst moeten worden. Bron: Astron.

Curiosity is nu bijna één jaar op Mars

Credit: NASA / JPL / UA / Phil Stooke

Kunnen jullie je het nog herinneren, de spectaculaire landing van Curiosity in de Gale krater op Mars, 6 augustus 2012? Nog een paar dagen en we kunnen vieren dat Marsrover Curiosity precies een jaar op Mars rond tuft en onderzoek doet. Naar aanleiding van dat heuglijke feit is een video gemaakt, waarin je in sneltreinvaart in twee minuten ziet wat Curiosity dat jaar heeft gedaan, hieronder te zien. En hierboven is een routekaart, gemaakt door Phil Stooke, waarin je de door Curiosity afgelegde route tot en met Sol 349 ziet, een Marsdag duurt iets langer dan een aardse dag, 24 uur, 39 minuteen en 35,244 seconden om precies te zijn.

Bron: Planetary Society.

Hubble ziet mysterieus en bejaard spiraalstelsel

Deze opvallende kosmische wervel is het centrum van het sterrenstelsel NGC 524, gezien door de Hubble-ruimtetelescoop. Dit stelsel bevindt zich in het sterrenbeeld Vissen op een afstand van 90 miljoen lichtjaar.

NGC 524 is een lensvormig sterrenstelsel. Dit soort stelsels worden geacht een tussenstadium te vormen in de evolutie van sterrenstelsels – het zijn namelijk geen spiraalstelsels en ook geen elliptische stelsels. Lensvormige stelsels worden geacht het resultaat te zijn van spiraalstelsels die hun gas zijn verloren en dus ook hun vermogen om nieuwe sterren te maken. Hierbij zullen de spiraalarmen langzaam vervagen, waarna een vormloze schijf van oude sterren overblijft.

Onderstaande foto laat de vorm van NGC 524 in detail zien. Aan de hand van de foto blijkt dat het stelsel nog een beetje gas over heeft in de omgeving van de centrale verdikking. Er is zelfs nog enige spiraalvorm overgebleven, wat vooral zichtbaar is in de stofbanden.

Credit: ESA/Hubble & NASA, Acknowledgement: Judy Schmidt

Bron: NASA

Hubble lost raadsel op van de uitgebluste sterrenstelsels

credit: NASA, ESA, M. Carollo (ETH Zurich)

Alle sterrenstelsels bereiken een moment in hun ontwikkeling dat de stervorming grotendeels stopt en dat ze als het ware ‘uitgeblust’ raken (Engels: “quenched galaxies”). Waarnemingen laten zien dat sterrenstelsels in het verre verleden – lees: verder weg in het heelal – kleiner zijn als ze uitgeblust raken dan meer recente sterrenstelsels, een raadsel dat nu door waarnemingen met de Hubble ruimtetelescoop lijkt te zijn opgelost. In het kader van de Hubble COSMOS survey keken sterrenkundigen naar een heleboel sterrenstelsels, zowel grote als kleine, tot acht miljard lichtjaar ver weg. In de afbeelding hierboven zie je twintig van die kleine, uitgebluste sterrenstelsels. Hieronder een video, waarin wordt ingezoomd op het gebied aan de hemel dat in het COSMOS onderzoek bekeken is.

Het idee was altijd dat uit die kleine stelsels toch grote stelsels ontstaan, niet meer door stervorming, want dat was gestopt, maar door het botsen en samensmelten van die kleinere stelsels. Maar probleem daarvan was weer dat er niet genoeg kleine stelsels lijken te zijn om als bouwstenen voor grote stelsels te dienen. Wat Hubble vond was dat de stervorming in de grote sterrenstelsels veel langer door gaat en dat ze pas later uitgeblust raken. Het was alsof de gemiddelde grootte van appartementen in een stad niet toeneemt door de aanbouw van nieuwe appartementen aan oude, maar door de bouw van nieuwe, grotere appartementen, aldus één van de onderzoekers, Simon Lilly (ETH Zurich). Hier het wetenschappelijke artikel over de uitgebluste sterrenstelsels. Bron: Hubble.

Voor de liefhebbers: Data Release 10 van de Sloan Digital Sky Survey III is verschenen

Credit: SDSS

Vermoedelijk weinigen zullen er wakker van liggen, maar toch maak ik er maar even melding van: gisteren is de zogenaamde Data Release 10 (DR10) op het internet verschenen van de Sloan Digital Sky Survey III (SDSS-III). Het bevat onder andere de spectrografische gegevens in infrarood licht van 60.000 57.454 sterren in en rondom de Melkweg. Op de afbeelding hierboven zie je de spectra van twee van die sterren, eentje in de centrale verdichting van de Melkweg die heel veel metalen bevat – alle elementen zwaarder dan waterstof en helium noemen de sterrenkundigen metalen – en eentje in de schijf van de Melkweg die weinig metalen bevat. de gegevens van DR10 zijn verzameld in het kader het Apache Point Observatory Galactic Evolution Experiment (APOGEE), samen met BOSS, MARVELS en SEGUE één van de deelprojecten van SDSS-III. Met APOGEE wil men een driedimensionale kaart maken van de sterren in de Melkweg, inclusief hun spectra, en daarmee wil men meer te weten komen over het ontstaan en de ontwikkeling van de Melkweg. Mocht je in de DR10 willen duiken: dat kan via de Object Explorer van SDSS-III. Hieronder bijvoorbeeld de pagina van die ster vol met metalen.

Credit: SDSS

Er is ook een wetenschappelijk artikel verschenen over DR10 en dat kan je hier lezen. Lekkere zomerse lectuur, stukje Jupiter-taart erbij, heerlijk!

ESA en DLR gaan meer social media gebruiken met #SocialSpace

Credit: ESA

De Europese ruimtevaartorganisatie ESA en haar Duitse zusterorganisatie DLR German Aerospace Center gaan meer gebruik maken van sociale media en dat doen ze onder de naam #SocialSpace. ESA en DLR waren al volop actief op het terrein van de sociale media, zoals middels SpaceTweetups, waarvan er sinds 2011 al acht zijn georganiseerd, en via SpaceUps, interactieve conferenties die inmiddels in België, Duitsland en Frankrijk zijn gehouden. Hier een rijtje met sociale media, die zullen worden ingezet om nog meer mensen te betrekken bij hun werkzaamheden op het terrein van de ruimtevaart:

Via deze kanalen zal binnenkort de eerste #SocialSpace worden gehouden. Geen idee wat ik mij daarbij moet voorstellen, maar ik laat mij graag verrassen! 😀 Bron: ESA.

Planetoïde 2011 EO40 mogelijk de bron van de Tsjeljabinsk-meteoriet

Foto van de meteoor die boven Tsjeljabinsk explodeerde. Credit: Aleksandr Ivanov/Wikipedia.

Op 15 februari van dit jaar explodeerde boven de stad Tsjeljabinsk in het zuiden van de Oeral in Rusland een grote meteoriet van zeventien meter doorsnede, die voor veel schade en gewonden in de stad en omgeving zorgde. Kort na de gebeurtenis werd al duidelijk dat de meteoriet afkomstig moest zijn van een planetoïde die behoort tot de zogenaamde Apollo familie, maar de vraag was van welk lid van die familie. Op basis van berekeningen aan de baan van de Tsjeljabinsk-meteoriet komen de Spaanse sterrenkundige Carlos de la Fuente Marcos en zijn broer Raul (Complutense Universiteit van Madrid, Spanje) tot de identificatie van de dader: planetoïde (285028) 2011 EO40, een rots óf een ‘cluster van rotsen’ van 200 meter doorsnede.

Baan van planetoïde (285028) 2011 EO40. Credit: NASA

Sterrenkundigen denken dat niet alle planetoïden dichte objecten zijn, maar soms verzamelingen van losse rotsen, lichtjes bijeengehouden door de zwaartekracht. Eén van die rotsen van planetoïde 2011 EO40 zou zich los hebben geweekt van de rest en het vrije pad hebben gekozen, eindigend in de atmosfeer boven Tsjeljabinsk. Als 2011 EO40 echt de bron van die meteoriet is zou dat betekenen dat er nog meer meteorieten van die planetoïde kunnen komen. 2011 EO40 staat al op een lijst van het Minor Planet Center (MPC) in Cambridge, Massachusetts, met voor de aarde gevaarlijke objecten, dus als de broertjes de la Fuente Marcos gelijk hebben moeten we die nog beter in de gaten houden. Hier is het wetenschappelijke artikel dat zij geschreven hebben over de Tsjeljabinsk-meteoriet in de identificatie van planetoïde 2011 EO40 als de bron. Bron: New Scientist.

Nieuwe categorie van “loodzware” sterren ontdekt

Artistieke impressie van het oppervlak van HE2359-2844. De zeer hoge temperatuur (38000 graden Celsius) zorgt ervoor dat de ster een blauwachtige kleur heeft. Door gebruik te maken van speciale filters, zouden de lood- en zirconiumrijke wolken in beeld gebracht kunnen worden. Credit: Images created using POV-Ray by C. S. Jeffery

Astronomen hebben twee “loodzware” sterren ontdekt. Het gaat om twee zogenaamde heliumrijke subdwergen, kleine maar hete sterren die veel minder waterstof en veel meer helium bevatten dan normale sterren. Daarnaast blijkt dat beide sterren maar liefst 10.000 keer meer lood te bevatten dan onze zon!

De twee sterren staan bekend als HE 2359-2844 en HE 1256-2738 en staan op een afstand van respectievelijk 800 en 1000 lichtjaar van de aarde. Lood heeft een atoomnummer van 82 en is hiermee één van de zwaarste elementen die natuurlijk voorkomen. Het oppervlak van beide sterren heeft een temperatuur van 38.000 graden (meer dan zes keer heter dan de zon), waardoor ieder loodatoom drie van z’n elektronen kwijtraakt. Dit resulteert in een karakteristiek spectrum, waardoor de loodconcentratie vanaf de aarde gemeten kan worden. De twee sterren zijn ook rijk aan yttrium en zirconium en vormen de eerste leden van een nieuwe klasse van sterren: de heavy metal sterren :)De onderzoekers geloven dat deze metaalrijke sterren een missing link vormen tussen heldere rode reuzen (sterren zon 30 tot 40 keer groter dan de zon) en de (relatief) zwakke blauwe subdwergen, die zo’n 5 keer kleiner zijn dan de zon, maar ook 7 keer heter en 70 keer zo helder. Sommige rode reuzen verliezen hun dikke waterstofenvelop en gaan vervolgens inkrimpen tot hete subdwergen, of vrijwel-naakte heliumsterren. Als de sterren krimpen, worden de omstandigheden geschikt voor het sorteren van de atomen van de ster in afzonderlijke lagen, waar ze geconcentreerd worden met een factor 10.000.Op deze manier zouden er wolken kunnen ontstaan, die waarneembaar zijn vanaf de aarde. Het team denkt dat hun waarneming een zeldzaam voorbeeld is van zo’n detectie, waarbij de loodwolken een laag van 100 km dik vormen, met een gewicht van zo’n 100 miljard ton.Bron: Royal Astronomical Society.

Enceladus is een verstelbare tuinsproeier

Credit: NASA/JPL-Caltech/University of Arizona/Cornell/SSI

De Saturnusmaan Enceladus spuwt voortdurend stralen van waterijs en organische deeltjes de ruimte in. Men heeft nu ontdekt dat de intensiteit van deze straalstromen afhankelijk is van de afstand tussen Enceladus en de ringplaneet, zo blijkt uit gegevens die zijn verzameld door de Cassini-ruimtesonde. Deze ontdekking vormt de volgende aanwijzing dat Enceladus onder z’n oppervlak een oceaan (of op z’n minst een reservoir) van vloeibaar water herbergt.De ontdekkers vergelijken het met een verstelbare tuinsproeier. De gaatjes zijn bijna dicht als Enceladus vlakbij Saturnus staat en gaan weer open als de onderlinge afstand weer toeneemt. Dit heeft vermoedelijk te maken met de manier waarop de zwaartekracht van Saturnus het ijsmaantje doet kneden en boetseren.

credit: NASA/JPL/Space Science Institute

Bron: NASA