Nieuwe informatieve webserie: Crash Course Astronomy

Ik ben persoonlijk een groot fan van het populaire YouTube-kanaal Crash Course, waarin de gebroeders Green in grappige en informatieve filmpjes alles vertellen over…..nou ja, zo’n beetje alles. Geschiedenis, biologie, scheikunde, anatomie, geologie, politiek en allerlei andere zaken worden in deze filmpjes van gemiddeld een minuut of tien besproken.

Sinds kort heeft Crash Course er een onderwerp bij: sterrenkunde! Dit onderwerp hebben John en Hank Green uitbesteed aan iemand die daar het meest geschikt voor is: Phil Plait the Bad Astronomer! De eerste drie afleveringen van Crash Course Astronomy kun je hieronder bekijken. Iedere week komt er een nieuwe aflevering uit, dus je bent voorlopig nog wel zoet. Veel plezier!

IXV klaar voor de lancering 11 februari a.s. om 14.00 uur

Impressie van de IXV

Europa’s ruimtevliegtuig IXV – de Intermediate eXperimental Vehicle – is klaar om op woensdag 11 februari om 14.00 uur Nederlandse tijd te worden gelanceerd vanaf Spaceport in Kourou, Frans Guyana. Het wordt een ‘launch and reentry mission’, waarbij de IXV met een Vega raket gelanceerd wordt en in een suborbitale baan om de aarde gebracht, waarna het

Infografiek: alle ruimtemissies in het zonnestelsel

Alle missies van ruimtevaartuigen in het zonnestelsel (Credit: Olaf Frohn)

Olaf Frohn maakt schitterende infografieken over de lopende missies van diverse ruimtevaartuigen in het zonnestelsel. Ik heb ‘m hier vaker laten zien, maar nu komt hij met een nieuwe versie, waarin enkele wijzigingen zijn aangebracht. De ruimtevaartuigen

Miljoenen voor middelgrote zwarte gaten en revolutionaire roodverschuivingsmachine

Credit: ESA

SRON-onderzoekers Jochem Baselmans (2,4 miljoen euro) en Peter Jonker (2 miljoen euro) hebben van de European Research Council beiden een prestigieuze beurs toegekend gekregen voor onafhankelijk baanbrekend onderzoek. Jonker gaat op jacht naar middelgrote zwarte gaten om te bepalen of die werkelijk bestaan. Baselmans gaat een revolutionair instrument ontwikkelen om de roodverschuiving te meten van zogenoemde submillimeterstelsels, ver weg gelegen melkwegstelsels die verantwoordelijk zijn voor de kosmische verinfrarood-achtergrondstraling.

Het gaat bij zowel Baselmans als Jonker om een ERC Consolidator Grant, die toponderzoekers in staat stelt om hun onafhankelijke onderzoeksprogramma en/of onderzoeksgroep te consolideren. De ERC wil zo nieuw excellent onderzoek versterken. Met de Europese onderzoekbeurs kunnen Baselmans en Jonker de komende vijf jaar nieuwe veelbelovende onderzoekers aantrekken.

Middelgrote zwarte gaten: ongrijpbare tussenmaatjes
Peter Jonker gaat met zijn groep een van de grote raadselen van de hoge-energiefysica te lijf: de vraag of middelgrote zwarte gaten daadwerkelijk bestaan. Sterrenkundigen denken dat deze ongrijpbare tussenmaatjes – met een massa van honderden tot wel honderdduizend zonmassa’s – vroeg in het heelal moeten zijn ontstaan uit de eerste generatie van supersterren of enorme gaswolken die tot zwarte gaten ineenstortten. De ruimte rond melkwegstelsels zou er dan vol mee moeten zitten. Zo ook de ruimte rond ons eigen melkwegstelsel. Er zijn inmiddels wel sterke aanwijzingen voor het bestaan van middelgrote zwarte gaten, maar direct bewijs is er nog niet.

Jonker wil daarom met ESA’s nieuwe ruimtetelescoop Gaia en de grootste telescopen op aarde objecten en verschijnselen bestuderen die alleen ontstaan kunnen zijn door toedoen van een middelgroot zwart gat. Het gaat hierbij om weggeslingerde supercompacte sterrenhopen, rode superreuzen die extreem heldere röntgenbronnen voeden en witte dwergen die door getijdenkrachten uit elkaar worden getrokken. Jonker zoekt naar sterren die zich in de invloedssfeer van een kandidaat-middelgroot zwart gat bevinden. Door hun bewegingen te meten kan hij de massa ervan vaststellen.Jonker: “Het vinden van onweerlegbaar bewijs voor het bestaan van een middelgroot zwart gat is op zichzelf al een grote wetenschappelijk doorbraak. Maar het onderzoek heeft mogelijk ook verstrekkende implicaties voor de zoektocht naar signalen van donkere materie-deeltjes. En middelgrote zwarte gaten staan aan de basis van kosmische rampen die gravitatiegolven veroorzaken. Tenslotte zijn middelgrote zwarte gaten voor een belangrijk deel de groeikernen en bouwstenen van superzware zwarte gaten.

Credit: SRON

Roodverschuivingsmachine meet 25 melkwegstelsels tegelijkertijd
Jochem Baselmans gaat met zijn groep werken aan de ontwikkeling, bouw en ingebruikname van MOSAIC (Multi Object Spectrometer with an Array of superconducting Integrated Circuits). MOSAIC wordt een revolutionair instrument dat het emissiespectrum van maar liefst 25 submillimeter-melkwegstelsels tegelijkertijd én over een enorme bandbreedte kan meten. De huidige instrumenten kunnen dit niet, wat een systematische studie van het enorme aantal submillimeterstelsels ondoenlijk maakt. Baselmans: “Submillimeterstelsels zenden straling uit op golflengten tussen infrarood- en radiostraling en zijn verantwoordelijk voor de kosmische ver-infrarood achtergrondstraling. We weten heel weinig van deze stelsels, omdat we deze niet in andere golflengtegebieden kunnen waarnemen. MOSAIC stelt ons in staat om gedetailleerde spectra te meten van veel van dergelijke stelsels op de submillimetergolflengtes, wat ons veel leert over de evolutie van sterrenstelsels en ons in staat stelt om de afstand tot deze stelsels te meten.” Het hart van MOSAIC bestaat uit een array van 25 pixels die submillimeterstraling opvangen in een frequentiegebied van 325-905 GHz. Elk pixel heeft een antenne, die in staat is om de waarnemingsrichting aan te passen. Dit stelt MOSAIC in staat om elk pixel onafhankelijk op een individueel sterrenstelsel te richten. Achter de antenne zit een spectrometer die met een hoge resolutie (R=500) het spectrum van het melkwegstelsel meet. Al deze functionaliteiten zijn gecombineerd in één chip, die gebaseerd is op supergeleidende nanotechnologie. Dit is wat MOSAIC technologisch mogelijk en uniek maakt. MOSAIC wordt ontwikkeld in samenwerking met de Universiteit Delft en de Sterrewacht Leiden. De waarnemingen zullen worden gedaan op de Japanse telescoop ASTE in Chili. Bron: SRON.

Hubble kiekt vervormd spiraalstelsel

Credit: ESA, NASA. Acknowledgement: A. Gal-Yam (Weizmann Institute of Science)

De Hubble-ruimtetelescoop heeft een indrukwekkende foto gemaakt van het spiraalstelsel NGC 7714, die zich bevindt op een afstand van 100 miljoen lichtjaar vanaf de aarde. Het sterrenstelsel is sterk vervormd door de invloed van een ander sterrenstelsel, waarbij een enorme flits van stergeboortes op gang is gekomen.Hoewel NGC 7714 wordt gekwalificeerd als een spiraalstelsel, is die vorm maar moeilijk te herkennen. De spiraalarmen hebben een vreemde vorm en bovendien heeft het stelsel een goudgele ring en twee lange slierten van sterren. Wat is er in vredesnaam gebeurd met NGC 7714? De ‘schuldige’ is het kleinere buurstelsel NGC 7715, die zich links van z’n grotere buurman bevindt, net buiten beeld. Deze twee stelsels zijn zo’n 150 miljoen jaar geleden te dicht bij elkaar gekomen, waarna de vorm van beide stelsels onherkenbaar is veranderd. Hierbij zijn zowel de gele ring als de twee sterrenslierten ontstaan. Eén van deze slierten verbindt beide stelsels en fungeert als ‘brug’ voor stervormend gas, dat via de brug richting het grotere stelsel wordt gevoerd. Het gevolg is een enorme toename in het aantal geboren sterren, waarvan een flink deel zogenaamde Wolf-Rayet-sterren zijn. Dit soort sterren behoren tot de grootste, helderste en meest actieve in het hele universum. Bron: European Space Agency.

Gelekt artikel Planck-BICEP2 laat zien dat signaal BICEP2 van stof uit de Melkweg kwam [Update]

In zwart de metingen van BICEP2, inclusief foutmarges. In blauw de metingen na de analyse door Planck en BICEP2. De rode lijn is de B-mode polarisatie, zoals die alleen al door zwaartekrachtslenzen kan worden veroorzaakt, iets wat ver ná de oerknal plaatsvond. Credit: BICEP/Keck Collaboration

Het verhaal over de BICEP2-claim is hier al talloze malen verteld, dus een notendop moet volstaan: op 17 maart 2014 kwam het team van de BICEP2 detector op de Zuidpool met de claim dat ze in de kosmische microgolf-achtergrondstraling B-mode polarisatie hadden gevonden, die volgens het team veroorzaakt wordt door gravitatiegolven die 13,8 miljard jaar geleden ontstaan waren, tijdens de inflatieperiode van de oerknal. Hieronder het door BICEP2 gevonden signaal.

Credit: BICEP/Keck Collaboration

Snel na die claim kwamen er berichten dat de claim onterecht is en dat de polarisatie veroorzaakt is door lokaal stof uit de Melkweg. Vervolgens barstte er een welles-nietes-spelletje uit, dat uitmondde in een publicatie september vorig jaar door het Planck-team – van de Europese Planck sonde die afgelopen jaren óók naar de kosmische straling heeft gekeken – waarin klip en klaar stond dat de gemeten polarisatie komt door lokaal stof. Aftocht via de achteruitgang voor het BICEP2 team zou je zeggen, maar er was nog één escape voor hen: de teams van BICEP2 én Planck zouden samen nog eens naar de metingen van BICEP2 kijken en dan zien of er niet toch een spoortje van primordiale gravitatiegolven in het signaal zaten. Lang, héél lang wordt er al naar die analyse uitgekeken en deze week verscheen daar plotseling de gezamenlijke publicatie op de Franse editie van de Planck website. Dat was kennelijk niet de bedoeling, want kort na verschijnen werd de publicatie weer verwijderd, maar zoals we allemaal weten heeft Internet een ijzeren geheugen en wordt alles in de Google cache bewaard – hier de publicatie die we eigenlijk niet mochten zien. En wat blijkt: ook uit de gezamenlijke analyse blijkt dat de gemeten B-mode polarisatie veroorzaakt is door lokaal stof en door gravitatielenzen van ná de oerknal. Ja, ergens zit een héél klein excesje dat niet door die twee wordt verklaard, maar dat stijgt niet uit boven de statistische ruis. Hier zoals ze het zelf formuleren:

Eén van de cruciale parameters in de metingen is de r, de verhouding tussen de tensor van de zwaartekrachtsgolven en de scalar van de dichtheidsgolven – lees deze blog voor de uitleg. BICEP2 dacht dat r tussen 0,16 en 0,2 lag, een hoge waarde. Maar wat blijkt uit de gezamenlijke analyse: dat r minder dan 0,13 is, te weinig om een ontdekking te claimen. Kortom, de bubbel van BICEP2 is gebarsten, zoals In the Dark het formuleert. Bron: New Scientist + In the Dark.

Gele bollen in Melkweg ontdekt door burgerwetenschappers met Milky Way project

In het centrum van dit enorme stervormingsgebied zie je de gele bollen. Credit: NASA/JPL-Caltech.

Hanny’s Voorwerp is het meest bekende voorbeeld van een vondst die gedaan is met Citizen Science, burgerwetenschap door vrijwillige enthousiastelingen, die de professionele wetenschappers te hulp schieten. Maar Hanny van Arkel, ontdekker van Hanny’s Voorwerp, krijgt snel navolging, want met het Milky Way Project van de Zooniverse hebben burgerwetenschappers in stervormingsgebieden in onze eigen Melkweg een nieuwe klasse van objecten ontdekt, de zogeheten ‘gele bollen’. In dat project worden de vrijwilligers gevraagd te kijken naar foto’s, gemaakt met de Spitzer infraroodsatelliet van de NASA. De ontdekking van de gele bollen op die foto’s begon met de simpele vraag ‘Hmmmm, what’s that?‘, precies op dezelfde manier als Hanny’s ontdekking werd ingeluid met de simpele vraag die ze in 2007 op het Galaxy Zoo forum stelde: ‘what’s the blue stuff below?‘.

Credit: NASA/JPL-Caltech

In eerste instantie zagen de deelnemers van de Milky Way Project op de Spitzer-foto’s al meer dan 5000 groene bellen met een rood centrum: holtes in de interstellaire materie die schoongeblazen zijn door de straling van pasgevormde zware sterren. Nu zijn er ook veel ‘gele bollen’ ontdekt, die vaak op de randen van de groene bellen blijken te liggen, randen die veel polycyclische aromatische hydrocarbonaten (PAH’s) bevatten, organisch materiaal. Men denkt dat de gele bollen, waarvan er inmiddels al zo’n 900 zijn gevonden, de allervroegste levensfase zijn van sterren die 10 tot 40 keer zo zwaar zijn als de zon. Dat de gele bollen vaak op de randen van de groene bellen blijken te liggen, wijst erop dat er sprake is van ‘getriggerde stervorming’, waarbij een jonge ster een bel in de interstellaire materie blaast en uit de verdichtingen aan de rand van die bel dan weer nieuwe sterren ontstaan. De gele kleur wijst op PAH’s, die nog niet door de sterwinden zijn weggeblazen, maar die ook nog gedrenkt zijn in het warme, insterstellaire stof – de PAH’s zijn groen, het stof is rood, dat maakt samen geel. Let wel: het is allemaal in infrarood licht, dus die kleuren zijn niet de echte kleuren. Een artikel over de gele bollen is onlangs gepubliceerd in het vakblad the Astrophysical Journal. Bron: Spitzer.

‘Mini-Neptunussen’ kunnen veranderen in levensvatbare werelden

Credit: Rodrigo Luger / NASA images

Een fenomeen dat geacht werd om funest te zijn voor het ontstaan van buitenaards leven, blijkt in sommige gevallen juist bevorderlijk te zijn voor de levensvatbaarheid van een planeet. Het gaat om planeten die rondom een rode dwergster te draaien – sterren die kleiner en koeler zijn dan onze zon. Dit soort sterren zijn in hun jongere jaren vaak bijzonder actief en kennen krachtige uitbarstingen van röntgenstraling en UV-licht. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat een dergelijke activiteit in staat is om oceanen van eventueel aanwezige exoplaneten binnen een paar honderd miljoen jaar te laten verdampen. Nu blijkt hier een uitzondering op te bestaan: gasreuzen die naar binnen migreren en onder invloed van de straling hun gas verliezen, waarna een potentieel levensvatbare rotsachtige kern overblijft. Dit blijkt vooral te werken bij ijsreuzen – gasreuzen met een relatief dunne envelop van waterstof en helium en een relatief grote kern, die niet alleen uit rotsen en metalen bestaat, maar ook voor een groot deel uit ‘ijzen’ – met name bevroren water, methaan en ammonia. Dit soort planeten, waarvan Neptunus een goed voorbeeld uit ons eigen zonnestelsel is, ontstaan in de koude buitendelen van een planetenstelsel. Hier ontstaan, als gevolg van accretie, grote protoplaneten die voor een flink deel uit ijs bestaan. Na verloop van tijd zullen deze planeten een envelop van waterstof en helium aantrekken, vergelijkbaar met die van Jupiter, maar dan veel kleiner.Vervolgens kan zo’n planeet gaan migreren – door interacties met het restant van de planeetvormende schijf rondom de ster, in combinatie met interacties met kleine planetesimalen. Op zo’n manier kan een gasplaneet die op flinke afstand van de moederster ontstaan is, in de loop van de tijd plots heel dichtbij komen te staan – dichtbij genoeg om de invloed van de straling van de jonge rode dwergster in alle hevigheid te voelen.Als zo’n ‘Neptunus’ dan niet te groot is, een mini-Neptunus dus, kan na verloop van tijd de gehele gasvormige envelop weggeblazen worden. Wat over blijft, is een rotsachtige en waterrijke kern. Als de activiteit van de moederster dan afneemt, zal de ex-Neptunus voldoende water kunnen vasthouden om een levensvatbare wereld te worden. Bron: University of Washington.