Kometen hebben Mercurius donker geverfd

Vulkanische vlakten op Mercurius. Credit: NASA/JHUAPL/CIW

Waarom is het oppervlak van Mercurius zo donker? Een nieuwe studie biedt wellicht het antwoord: het donkere oppervlak is ontstaan door passerende kometen die stof verliezen. Voorheen werd gedacht dat de aanwezigheid van ijzerdeeltjes verantwoordelijk zou zijn voor het donkere oppervlak van Mercurius, maar dat bleek later niet te kloppen – het oppervlak van de kleinste planeet in het zonnestelsel is helemaal niet rijk aan ijzer. Nieuw onderzoek heeft kometen aangewezen als boosdoener: kometen zijn immers rijk aan donker, koolstofhoudend stof. Als kometen in de buurt van de zon komen – en dus van Mercurius – breken ze soms uiteen. Het stof dat hierbij vrijkomt dwarrelt dan naar beneden en komt aan het oppervlak van Mercurius terecht.

Bron: BBC

Sterrenkundigen zien mysterieus patroon in kortstondige radiobronnen

Credit: Jingchuan Yu, Beijing Planetarium

Vanaf 2007 hebben sterrenkundigen verspreid aan de hemel zeer kortstondige uitbarstingen in radiostraling waargenomen, de zogeheten Fast Radio Bursts (FRB’s). Ze duren slechts enkele milliseconden en bij de uitbarsting wordt naar schatting even veel energie uitgezonden als de zon in één maand produceert. Er zijn nu elf van die FRB’s waargenomen, waarvan de laatste (FRB 140514) live werd waargenomen. Onlangs hebben de sterrenkundigen Michael Hippke (Institute for Data Analysis in Neukirchen-Vluyn, Duitsland) en John Learned (University of Hawaii in Manoa) de 11 waargenomen FRB’s geanalyseerd en daarbij ontdekten ze een merkwaardig en ook wel mysterieus patroon in de radiostraling. Het blijkt namelijk dat alle 11 FRB’s een dispersie hebben – da’s het verschil in de aankomsttijd tussen de radiostraling met hoge en lage frequentie – dat telkens een veelvoud van 187,5 blijkt te zijn, allen binnen een foutmarge van 5%. Hier het op de arXiv verschenen artikel van Hippke en Learned, hieronder de grafiek waarop je de dispersie van de FRB’s ziet, allemaal op de lijn liggend.

De sterrenkundigen hebben op dit moment geen verklaring voor het patroon. Ze hebben berekend dat de kans dat het toeval is dat de FRB’s op één lijn liggen in de grafiek 5 op 10.000 is. Van FRB’s wordt gedacht dat ze van ver buiten de Melkweg komen en dat ze op afstanden van miljarden lichtjaren staan. Hippke en Learned denken daarentegen dat ze in de Melkweg gelegen zijn en dat de bron in staat is op de een of andere manier laag-frequente straling én hoog-frequente straling uit te zenden met tussenpozen die een veelvoud van 187,5 zijn. Het tweetal houdt er rekening mee dat de FRB’s uitgezonden worden door een hoog-intelligente beschaving. “In case this would hold, an extragalactic origin would seem unlikely, as high (random) DMs would be added by intergalactic dust. A more likely option could be a galactic source producing quantized chirped signals, but this seems most surprising. If both of these options could be excluded, only an artificial source (human or non-human) must be considered.” Bron: New Scientist.

Hoe luid klonk de oerknal?

Credit: NASA/WMAP Science Team

Van de oerknal – het moment 13,8 miljard jaar geleden toen het heelal ontstond – wordt wel eens geroepen was dat het heelal toen met een daverende explosie ontstond, waarop vervolgens wordt geroepen dat dit beeld niet klopt omdat het helemaal geen explosie was en dat er ook helemaal geen knal te horen was, zoals je bij explosies in films gewend bent. OK, de oerknal was inderdaad geen explosie, in de zin dat het niet iets was wat in de ruimte plotseling uit elkaar knalde, omdat het de ruimte en tijd zelf waren die vanaf de oerknal uit elkaar dijen en de massaenergie die mee uitdijt. Wat echter wel van dat beeld klopt is dat er wel degelijk geluid te horen was en wel in de vorm van geluidsgolven die al in het vroegste heelal tijdens die eerste fase van uitdijing werden geproduceerd. Nou weten we allemaal dat geluid bestaat uit trillingen en dat die een medium nodig hebben om doorheen te reizen. Recente theorieën én waarnemingen laten zien dat in de allereerste ogenblikken van het heelal al variaties voorkwamen in de dichtheid en druk van de materie, variaties die ‘primordiale akoestische oscillaties‘ produceerden, een soort van geluidsgolven. Die waarnemingen zijn geleverd door de Europese Planck satelliet, die afgelopen jaren de kosmische microgolf-achtergrondstraling nauwkeurig in beeld heeft gebracht, de straling die het restant is van de hete oerknal. De temperatuur van deze straling is ongeveer 2,73 Kelvin, maar hij bevat zeer kleine temperatuursverschillen, gemiddeld zo’n 0,08 milliKelvin, je ziet ze hieronder met de blauwe (iets kouder dan gemiddeld) en rode (iets warmer) gebieden.

Credit: Planck Collaboration /ESA

Het zijn deze temperatuursverschillen die een directe aanwijzing zijn voor het bestaan van die akoestische golven tijdens de oerknal. De vraagt dringt zich dan natuurlijk op: als er toen al geluidsgolven waren, hoe luid waren die, hoe hard klonken ze? Professor Theoretische Astrofysica Peter Coles (University of Sussex), blogger op In the Dark, is aan het rekenen geslagen en hij gebruikt daarvoor het gemeten power spectrum van de CMB, de cosmic microwave background, de Engelse naam voor de kosmische achtergrondstraling. Hieronder zie je dat power spectrum, door Planck gemeten, lees deze en deze blogs voor uitleg.

Credit: Planck Collaboration /ESA

Op basis hiervan komt Coles tot de uitkomst dat hoogste pieken in het power spectrum overeenkomen met een geluid van 120 decibel, L=120 dB. Dat is om eerlijk te zijn wel hard, maar niet zo hard als je bij de oerknal, waarbij ons heelal ontstond, zou verwachten. Een geluid van 120 dB is vergelijkbaar met het geluid in een voetbalstadion, als het Nederlands elftal scoort. Zie de afbeelding hieronder.

Credit: Neoseeker.

Je ziet dat bij een rockconcert meer decibels worden geproduceerd dan tijdens de oerknal! 😀 En hoe klonk dat dan precies, die oerknal? Dát beste lezers kan je hier beluisteren. Bron: In the Dark.

Leidse sterrenkundige Ingrid van Houten overleden

Ingrid van Houten-Groeneveld (voorste rij rechts) bij de uitreiking van een oorkonde aan de naamgeefster van planetoïde 10250, de schrijfster Hella Haasse (voorste rij links), in 2007.

Op maandag 30 maart 2015 is de Nederlandse sterrenkundige Ingrid van Houten-Groeneveld op 93-jarige leeftijd in Oegstgeest overleden. Ingrid van Houten was een markante figuur op de Leidse Sterrewacht en leidde samen met haar in 2002 overleden man Cees van Houten het Leiden-Palomar Survey for Minor Planets. In samenwerking met de Amerikaanse astronoom Tom Gehrels heeft het echtpaar in de jaren vijftig, zestig en zeventig een recordaantal van meer dan 5000 planetoïden ontdekt op fotografische platen. Daarvan zijn er 4605 officieel erkend.De ontdekker mag een planetoïde een naam geven, al is dat aan strikte regels gebonden en moet de vernoeming worden bekrachtigd door de Internationale Astronomische Unie (IAU). Tot nu toe is dat pas in circa 19.000 gevallen gebeurd. Van de door Van houten/Van Houten-Groeneveld/Gehrels ontdekte planetoïden hebben er 900 een naam gekregen; 188 van deze planetoïden zijn vernoemd naar Nederlanders en zaken die verband houden met Nederland. Een volledige lijst van alle 351 ‘Nederlandse’ planetoïden is te vinden op de website van sterrenkundejournalist Eddy Echternach: http://www.astronieuws.nl/NL-plan.html.Tegenwoordig worden planetoïden vooral ontdekt met automatische waarneem- en computerprogramma’s. Overigens komen alleen planetoïden in aanmerking voor vernoeming waarvan de baan zo goed bekend is dat ze opnieuw kunnen worden waargenomen. Van de Van Houten-planetoïden zijn er nog ongeveer 25 beschikbaar die aan dit criterium voldoen, zegt Rudolf Le Poole van de Leidse Sterrewacht. Hoe de vernoeming hiervan in de toekomst zal geschieden, is nog onderwerp van overleg met de IAU, aldus Le Poole, die de afgelopen jaren in nauw contact stond met Ingrid van Houten. De in Berlijn geboren Ingrid van Houten laat een zoon, een schoondochter en twee kleindochters na. Planetoïde (1674) Groeneveld is naar haar vernoemd. Bron: Astronomie.nl.

Wat valt er aan de sterrenhemel te zien in april 2015?


De vierde maand van het nieuwe jaar wordt in de volksmond ook wel ‘grasmaand’, ‘pasmaand’ of ‘eiermaand’ genoemd. Voor amateur-astronomen is april 2015 een zeer interessante maand doordat we de planeten Mercurius, Venus en Jupiter goed kunnen waarnemen en we kunnen genieten van de Lyriden meteorenzwerm. In dit uitgebreid artikel wordt een overzicht gegeven van wat er zoal aan de sterrenhemel te zien is in april 2015.

De Maan en de planeten

De maan begin april (credit: Sky & Telescope)

De planeet die zich het dichtst bij onze ster bevindt, Mercurius, is vanaf 20 april tot ongeveer 16 mei 2015 ’s avonds waarneembaar in het westen. Zo heeft Mercurius in april 2015 een helderheid van magnitude -1 waardoor deze zeer goed zichtbaar is aan de sterrenhemel. De tweede planeet in ons zonnestelsel, gezien vanaf de Zon, prijkt ’s avonds tussen het westen en het noordwesten aan de hemel in de sterrenbeelden Ram (Aries) en Stier (Taurus). Venus gaat eind april pas vier uur na de Zon onder waardoor deze zeer goed waarneembaar is. In april 2015 heeft Venus een schijnbare helderheid van magnitude -3,5. Mars, ook wel de ‘rode’ of ‘oranje’ planeet genoemd omwille van zijn kleur, verdwijnt in april 2015 langzaam in de avondschemering boven de westelijke horizon. Vanaf half april gaat Mars minder dan anderhalf uur na de Zon onder. Hierdoor wordt het steeds moeilijker om Mars waar te nemen. De grootste planeet uit ons zonnestelsel, Jupiter, is in april 2015 ’s avonds goed zichtbaar in het sterrenbeeld Kreeft (Cancer). In het begin van de nacht kunnen we Jupiter hoog in het zuiden of het zuidwesten aantreffen waarna de gasplaneet lang na middernacht ondergaat in het noordwesten. Op 1 april 2015 vinden we alle grote Jupitermanen terug ten westen van de planeetschijf. Vanaf Jupiter gezien zijn dit Europa, Io, Callisto en Ganymedes. Op 11 april kunnen we vier grootste manen van Jupiter, de zogeheten ‘Galile

NASA gaat toch geen hele planetoïde vangen – maar wel een stukje ervan

Credit: NASA

NASA heeft meer informatie bekend gemaakt over het voornemen om een planetoïde te “vangen” en in een baan rond de maan te brengen. Het Amerikaanse ruimteagentschap heeft namelijk gekozen voor optie B – een grote rots aan het oppervlak van een planetoïde meenemen, in plaats van een heel exemplaar. Deze rots zal dan in een baan rond de maan gebracht worden en rond 2025 bezocht worden door astronauten. De keuze voor optie B heeft een belangrijk voordeel. Een willekeurige planetoïde heeft namelijk voldoende grote rotsen aan z’n oppervlak om een geschikte te vinden. Als je een hele planetoïde zou willen “vangen” dan loop je het risico dat bij het arriveren van de “cowboy-sonde” de planetoïde in kwestie ongeschikt blijkt te zijn – te groot, te klein of te gevaarlijk bijvoorbeeld. In dat geval kan die sonde niet zomaar op zoek gaan naar een ander exemplaar.Het complete voorstel van de Asteroid Redirect Mission ziet er als volgt uit. Rond 2020 zal een sonde gelanceerd worden, die twee jaar later zal arriveren bij z’n doelwit. Welke planetoïde het doelwit zal worden is nog niet bekend, maar op dit moment is de 400 meter grote ruimterots 2008 EV5 de belangrijkste gegadigde.

De sonde zal vervolgens een rotsblok uitkiezen en deze vangen en meenemen. Vervolgens zal de sonde een wijde omloopbaan rond de planetoïde gaan aannemen en daar zo’n 300 dagen blijven. Het is de bedoeling dat de zwakke zwaartekracht van het rotsblok (plus sonde) de planetoide een klein zetje zal geven. NASA zal deze verandering in de omloopbaan heel nauwkeurig gaan meten, om te zien of deze technologie eventueel gebruikt zou kunnen worden om een potentieel gevaarlijke planetoïde te laten afbuigen. Vervolgens zal de cowboy-sonde z’n stuk ruimtevee loslaten in een nieuwe weide, namelijk een omloopbaan rond de maan. Zo rond 2025 zal dan een bemande missie naar het rotsblok gaan plaatsvinden, waarbij de Orioncapsule en de nieuwe megaraket getest kunnen worden. De totale kosten van het project bedragen zo’n 1,25 miljard dollar – en da’s exclusief de lancering en de bemande missie. Bron: SPACE.com.

ALMA ziet details in ver, ‘gelensd’ sterrenstelsel

Gereconstrueerd beeld van de stervormingsactiviteit in het sterrenstelsel SDP.81. Credit: ESA

Met het ALMA-observatorium in Chili is de verdeling van de stervormingsactiviteit in kaart gebracht in een sterrenstelsel op ruim 11 miljard lichtjaar afstand. Het stelsel, SPD.81 geheten, staat zo ver weg dat het normaalgesproken niet eens zichtbaar zou zijn. Het bevindt zich echter achter een dichterbij gelegen sterrenstelsel dat fungeert als zwaartekrachtslens. Het beeld van het achtergrondstelsel is door die lenswerking 17 maal helderder dan normaal. Bovendien is het zeer sterk vervormd, tot een vrijwel complete ‘Einsteinring’.

De ALMA-waarnemingen aan het ‘gelensde’ sterrenstelsel zijn verricht op submillimetergolflengten. Ze brengen de verdeling in beeld van stof waaruit nieuwe sterren ontstaan. Door het zwaartekrachtsveld van het voorgrondstelsel goed te modelleren, was het mogelijk om het onvervormde beeld van het verre sterrenstelsel te reconstrueren. Daaruit blijkt dat er sprake is van drie afzonderlijke gebieden met veel stervormingsactiviteit.

De resultaten van het onderzoek zijn voor publicatie aangeboden aan Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. De onderzoekers denken dat SPD.81 een schijfvormig sterrenstelsel is dat we min of meer in zijaanzicht zien. De stervormingsactiviteit in het stelsel ongeveer 300 maal zo hoog als in ons Melkwegstelsel. Het is voor het eerst dat er zulke gedetailleerde stofwaarnemingen beschikbaar zijn van een sterrenstelsel op zo’n grote afstand.

Bron: Astronomie.nl

Kenden ze 17.000 jaar geleden al de sterrenbeelden Stier en Orion?

Credit: Prof. Saxx/Wikipedia.

Ik kwam vandaag de foto hierboven tegen, een tafereel van enkele stieren, afgebeeld op een wand in de beroemde grotten van Lascaux in de Dordogne in Frankrijk. De tekening is naar schatting zo’n 17.300 jaar oud, uit het tijdperk dat het  laat-Paleolithicum wordt genoemd. Waar het nu even om draait is die stier in ’t midden, met linksonder en rechtsboven van z’n kop enkele zwarte stippen. Nou kennen we allemaal het sterrenbeeld Stier (Latijn: Taurus) en dat ziet er op oudere hemelkaarten zo uit:

Op deze tekening zien we naast de kop van de Stier twee bekende hemelobjecten: linksonder het sterrenbeeld Orion met de bekende Gordelsterren en rechts in de nek van de Stier de bekende open sterrenhoop Pleiaden of het Zevengesternte. Hé, wacht eens even, die objecten zijn ook op de grottekening van Lascaux te zien!

Credit: Prof. Saxx/Wikipedia.

Rechtsboven zijn heel herkenbaar de zeven sterren van de Pleiaden te zien, linksonder de Gordelsterren van Orion. OK, dat laatste is een tikkeltje vreemd, want er zijn drie Gordelsterren (Alnitak, Alnilam en Mintaka, oftewel ÃŽÂ¶, ε en δ Orionis) en de Lascaux-tekenaar beeldde vier sterren af. Eh… nog even verder mijmeren over deze oeroude afbeelding: onder de ‘vier’ Gordelsterren zie je nog twee parallel lopende streepjes. Is dat niet de Orionnevel, die op heldere nachten al als een wazig vlekje te zien is? Laatste opvallendheid: tussen de hoorns van de Stier loopt zoals we weten de ecliptica, het pad aan de hemel waarlangs de zon zich beweegt. Hieronder zie je de ecliptica, de gestreepte lijn dwars in het midden, op een afbeelding waarin de sterrenbeelden in spiegelbeeld staan.

Wat zien we op de Lascaux afbeelding in het verlengde van die twee hoorns van de Stier: juist ja, een grijze bol. Is dat de zon… of de maan? Afijn, genoeg interessante dingen op die prehistorische tekening om over na te denken en te speculeren. Zouden ze toen al de sterrenbeelden hebben gehad, zoals wij die heden ten dage ook nog steeds kennen? En zijn het dus niet de Soemeriërs uit Mesopotamië geweest die deze sterrenbeelden hebben bedacht, zoals algemeen wordt gedacht? Bron: Koberlein.

André Kuipers theater college

André Kuipers, 10 maart 2015, Wilminktheater Enschede

Al in november vorig jaar tipte ik op Astroblogs dat André Kuipers een theaterprogramma ging doen waarin hij zijn ervaringen als astronaut met een groot publiek ging delen. Een prettige spreker als André is, waren mijn verwachtingen dan ook hoog. Des te groter was mijn verdriet toen bleek dat ik te lang gewacht had met het reserveren van een kaartje. Dit verdriet werd gelukkig teniet gedaan door euforie toen ik hoorde dat ik, van de vele personen op de wachtlijst, gepromoveerd mocht worden tot bezitter van het felbegeerde recht op een zitplaats in de zaal. Lees verder