Heeft Jupiter de super-aardes in ons zonnestelsel vernietigd?

Artistieke weergave van een waterrijke superaarde. Credit: NASA Ames/JPL-Caltech.

Lang voordat Mercurius, Venus, de aarde en Mars zijn ontstaan zou het binnenste zonnestelsel een aantal super-aardes (planeten groter dan de aarde, maar kleiner dan Neptunus) bevat kunnen hebben. Deze zijn, als gevolg van Jupiter, opgebroken en in de zon terecht gekomen, aldus een recente studie gebaseerd op een baanbrekende computersimulatie.Dankzij de recente jacht op exoplaneten weten we dat vrijwel alle zon-achtige sterren in het bezit zijn van een planetenstelsel. Deze zonnestelsels lijken echter weinig op het onze. In ons zonnestelsel is de ruimte tussen Mercurius (de planeet het dichtste bij de zon staat) en de zon vrijwel leeg. Er draaien in dat gebied wel een aantal ruimterotsen om de zon, maar je kunt er zeker geen planeten vinden (ook al dachten ze vroeger van wel). Bij andere zonnestelsels is dat wel anders: daar bevinden zich binnen de omloopbaan van Mercurius vaak meerdere planeten, die niet zelden veel zwaarder zijn dan de aarde (super-aardes). Wat dat betreft lijkt het zonnestelsel een buitenbeentje te zijn.Aan de hand van een baanbrekende computersimulatie blijkt dat Jupiter een toonaangevende rol moet hebben gespeeld bij het boetseren van het zonnestelsel zoals wij dat kennen. Het computermodel maakt gebruik van een concept dat het Grand Tack Scenario genoemd wordt, vrij vertaald het “Grote Overstag Scenario”. Volgens dit model is Jupiter veel eerder gevormd dan de andere planeten, wellicht als gevolg van een instabiliteit in de wervelende schijf van gas en stof rondom de pasgeboren zon.

A depiction of a time early in the solar system’s history when Jupiter made a grand inward migration. As it moved inward, Jupiter (white) picked up primitive planetary building blocks, or planetesimals, and drove them into eccentric orbits (turquoise) that overlapped the unperturbed part of the planetary disk (yellow), setting off a cascade of collisions that would have ushered any interior planets into the sun. Credit: Batygin & Laughlin, 2015/PNAS

Toen Jupiter het levenslicht zag, was de omringende planeetvormende schijf dusdanig massief, dat het Jupiter naar binnen duwde, richting de zon. Vervolgens heeft Jupiter een gapend gat in de schijf gekerfd, waardoor de migratie richting de zon nog eens versneld werd. Jupiter was dus op weg om een Hete Jupiter te worden (gasreuzen ter grootte van Jupiter in een zeer korte omloopbaan), alsof het door een gigantische lopende band werd voortbewogen.Ondertussen ontstonden een stukje verder van de zon nog een aantal planeten, die aanvankelijke weinig meer waren dan gigantische bollen van ijs en steen, met een massa van enkele aardes. Deze zijn toen het gas uit de omringende schijf dat niét gebruik werd voor de vorming van Jupiter gaan opvegen als een stofzuiger. Saturnus bevond zich op de juiste locatie om enorm te groeien, om vervolgens Jupiter achterna te gaan in zijn pelgrimstocht richting de zon. Saturnus viel echter sneller richting de zon dan Jupiter, waardoor de twee planeten weldra hun onderlinge zwaartekracht konden voelen. Als gevolg hiervan werden hun baaneigenschappen met elkaar uitgelijnd. Met andere woorden: voor iedere omloopbaan van Jupiter voltooide Saturnus er precies twee. Dit wordt een 1:2 resonantie genoemd en dit veroorzaakte een chaos op ongekende schaal in het zonnestelsel.

Schema van wat er gebeurt met de planetesimalen (grote en kleinere brokken steen) als Jupiter naar binnen migreert, en later weer naar buiten.

Jupiter en Saturnus zijn een tijd lang heen en weer gaan bewegen, richting de zon en weer verder er vandaan, waarbij de gemiddelde afstand tot de zon steeds groter werd. Jupiter en Saturnus waren dus weer “on the move”, maar dit keer weer van de zon vandaan. Als gevolg van deze zwaartekrachtdans zijn de planeten die achter Saturnus ontstaan zijn (Uranus en Neptunus) naar buiten geslingerd, waarbij ze uiteindelijk de Kuipergordel (die toen dichterij de zon stond) overhoop gehaald hebben. Dit soort zaken waren al langer bekend volgens het zogenaamde Nice-scenario, maar het nieuwe model levert nieuwe inzichten in de gevolgen op het binnen-zonnestelsel. Kijk, tijdens de dans der gasreuzen zijn in het binnen-zonnestelsel een aantal planeten ontstaan op een afstand van 0,2 tot 0,7 AU van de zon (de afstand waarop super-aardes algemeen zijn bij exoplanetenstelsels, waarbij 1 AU gelijkstaat aan de afstand tussen de aarde en de zon). Tussen de super-aardes en Jupiter zou dan een relatief dunne planeetvormende schijf overblijven, zo tussen de 0,7 en 1,5 AU. De buitengrens wordt dan gevormd door de zwaartekracht van Jupiter, die op dat moment een flinke reis achter de rug gehad heeft: vanaf zijn geboortelocatie op 5 AU vanaf de zon richting z’n kortste nadering op 1,5 AU (waarna Saturnus ‘m weer naar achteren trok, terug richting z’n ontstaanslocatie). Hierbij zal Jupiter een groot deel van het plaatselijk aanwezige materiaal naar binnen geslingerd hebben.

Plot van alle exoplaneten die binnen de omloopbaan van Mercurius staan. Credit: K.Batygin/Caltech

De binnengrens van de overgebleven schijf wordt gevormd door de zwaartekracht van de super-aardes, die al snel een bombardement van epische proporties te verwerken kregen als gevolg van de zwaartekrachtinvloed van Jupiter op de planeetvormende schijf. Dit bomardement zal bestaan hebben uit enkele honderden protoplaneten van 100 tot 1000 kilometer groot. Deze knallen voortdurend op elkaar, waardoor de restanten met een steeds hogere snelheid richting de zon zullen vallen.Uit het model blijkt dat vervolgens de aanwezige super-aardes als gevolg van botsingen en interacties met de talloze protoplaneten naar binnen bewegen, richting de zon. Toen de zwaartekrachtdans der gasreuzen tot een einde kwam waren de super-aardes al niet meer te redden. Alles wat er overbleef was een relatief dunne overblijvende schijf, tussen 0,7 en 1,5 AU van de zon, waaruit vervolgens (in een tweede ronde van planeetvorming) de binnenplaneten zoals wij die kennen zijn gevormd: Mercurius, Venus de aarde en Mars. Deze zijn vervolgens door interacties met laatste restjes van de planeetvormende schijf op hun huidige locatie terecht gekomen. Niet lang erna hadden Neptunus en Uranus ook hun huidige locatie genaderd, waarna de binnen-planeten (die al ellende genoeg achter hun rug hadden) nog eens getrakteerd werden op een tweede bombardement, waarbij de meeste kraters op de maan ontstaan zijn (het Late Zware Bombardement) en waarbij vermoedelijk Mercurius een flink deel van z’n massa is kwijtgeraakt. Nou, een briljant model dat verschillende hardnekkige problemen in onze kennis van het ontstaan van het zonnestelsel lijkt op te lossen. Maar het is voorlopig niet meer dan een computersimulatie, het wordt dus wachten op aanvullend bewijs.Het volledige onderzoek kan hier teruggelezen worden. Bronnen: Caltech en io9

Nabij dwergstelsel kan ons helpen het jonge universum te begrijpen

Credit; Instituto de Astrofísica de Andalucía

De allereerste sterrenstelsels ontstonden zo’n 13,3 miljard jaar geleden en bestonden vrijwel geheel uit waterstof en helium, de oer-elementen die bij de oerknal zijn gevormd. Vanwege de enorme afstand tot deze stelsels is het erg lastig om deze te bestuderen. Gelukkig hebben we ook dichterbij huis een mooi voorbeeld in de vorm van het sterrenstelsel I Zwicky 18.

Hoewel dit stelsel een cluster van oude sterren bevat, is het grootste deel van de sterren in dit blauwe compacte dwergstelsel veel jonger – maximaal zo’n 500 miljoen jaar oud. Dat maakt I Zwicky 18 een interessant laboratorium voor het bestuderen van het jonge universum.

Wetenschappers hebben nu een wolk van geioniseerd heliumgas gevonden in het dwergstelsel. Heliumgas laat zich niet zomaar ioniseren, maar modellen laten zien dat Populatie III sterren hiervoor verantwoordelijk kunnen zijn. Dat zijn sterren die helemaal uit waterstof en helium zijn opgebouwd.

Hoewel deze sterren niet afzonderlijk kunnen worden waargenomen, wordt hun aanwezigheid verraden door hun invloed op hun omgeving. Wetenschappers vermoeden dat dit soort sterren veel zwaarder kunnen worden dan sterren die “vervuild” zijn met zware elementen – volgens sommige modellen tot wel 1000 zonnemassa’s zwaar.

De bevinding wijst uit dat I Zwicky 18 inderdaad kan worden beschouwd als een relatief nabije vertegenwoordiger van de blauwe compacte dwergstelsels in het verre universum.

Bron: Instituto de Astrofá­sica de Andalucá­a.

De kans wordt groter dat er ooit leven op Mars was

NASA’s Marsrover Curiosity vindt biologisch ‘nuttig’ stikstof op Mars. Een team heeft met behulp van het Sample Analysis at Mars (SAM) instrument aan boord van NASA’s Curiosity, een vorm van stikstof aangetroffen door het analyseren van verzamelde sedimenten en stof. De ontdekking draagt bij aan de mogelijkheid dat er ooit leven op Mars is geweest.

Het is echter geen bewijs dat stikstofmoleculen, gevonden door het team, door leven gecreëerd zijn. Levensvormen kunnen stikstof niet zomaar uit de atmosfeer halen. Daarvoor moet het stikstof omgezet worden in stikstofverbindingen. En die verbindingen komen dus blijkbaar ook op Mars voor.

Stikstof is essentieel voor alle bekende levensvormen. Het is de bouwsteen voor biologische moleculen zoals DNA en RNA, de codering voor leven en eiwitten. Die worden gebruikt voor structuren zoals haar en nagels en het versnellen of het reguleren van chemische reacties.

NASA

Satelliet vangen met nylon net (test)

Het experiment werd een week lang uitgevoerd bij het National Research Council of Canada op de luchthaven van Ottawa (Canada) in februari 2015, inclusief twee dagen parabolische vluchten met het Falcon 20 vliegtuig.

Gewichtloos testen van het net
Tussen de twee onderzoekers wordt een nylon net afgeschoten uit een persluchtpistool. Het vangt de kleinere versie van de satelliet. In de video zie je het eerst in real time, daarna in vertraagde high-speed HD beelden. De beelden zullen gebruikt worden om computersimulaties te voltooien en voor het verder ontwikkelen van full-sized netten om ruimtepuin te verwijderen. Waarschijnlijk gaat het al in gebruik bij ESA’s e.DeOrbit

ESA

Ruimtetelescoop Spitzer ziet groeispurt van protoster

Credit: NASA/JPL-Caltech/Univ. of Toledo; background: E. Safron et al

Met behulp van de Amerikaanse infrardoodruimtetelescoop Spitzer is een krachtige ‘uitbarsting’ waargenomen van een pasgevormde protoster. Volgens de onderzoekers gaat het zo goed als zeker om een plotselinge groeispurt, waarbij de ster-in-wording in korte tijd veel gas en stof uit zijn omgeving aantrekt.

De protoster in kwestie, HOPS 383 geheten, bevindt zich op ca. 1400 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Orion, in een stervormingsgebied waar veel nieuwe sterren worden geboren. Het is een protoster die zich nog in het vroegste evolutiestadium bevindt; vermoedelijk is hij niet ouder dan 150.000 jaar. De ster is behalve met Spitzer ook waargenomen door de ruimtetelescopen WISE en Herschel, en door de APEX-telescoop in Chili.

Sinds 2006 is de protoster op infrarode golflengten snel helderder geworden; in 2008 zond hij 35 maal zoveel infrarode straling uit als een paar jaar daarvoor. Pas in 2014 werd de uitbarsting opgemerkt. Het gaat om warmtestraling van omringende stofwolken, die verhit worden door zichtbaar licht van de ster-in-wording. Dat zichtbare licht wordt echter door het stof geabsorbeerd, en is daardoor niet direct waarneembaar.

Nooit eerder is zo’n krachtige uitbarsting waargenomen van zo’n jonge protoster, aldus de onderzoekers in The Astrophysical Journal. Vermoedelijk is de uitbarsting het gevolg van instabiliteiten in de schijf van gas en stof rond HOPS 383. Uit de restanten van die protoplanetaire schijf kunnen later planeten samenklonteren.

Bron: Astronomie.nl

Vrijdag gaan ze voor één jaar de ruimte in: Scott Kelly en Mikhail Kornienko

Credit: NASA/Roscosmos

Komende vrijdag, 27 maart om 20.42 uur Nederlandse tijd, is het zo ver: dan worden de drie astronauten Scott Kelly, Mikhail Kornienko en Gennady Padalka in hun Sojoez TMA-16M capsule met een Sojoez FG draagraket vanaf Bajkonour Cosmodrome in Kazachstan gelanceerd en naar het internationale ruimtestation ISS gebracht. Van het drietal zullen de Amerikaan Scott Kelly en de Rus Mikhail Kornienko maar liefst een jaar lang in het ISS verblijven, om daar onderzoek te doen aan de effecten van een langdurig verblijf in de ruimte op een mens – een letterlijk onderzoek dus. Padalka zal na een half jaar weer huiswaarts keren. De meeste ISS-expedities duren tussen 160 en 170 dagen, een klein half jaar. Ik zal hier vrijdag een livestream openen, zodat de lancering volledig op de Astroblogs te zien is. Vanaf 19.30 uur is iedereen welkom in het Astroblogs-theater om dat mee te maken. 😀 Hieronder een video over de één jaar durende missie van Kelly en Kornienko.

APEX-waarnemingen aan botsende sterren helpen het mysterie van Nova Vulpeculae 1670 ontrafelen

Deze kaart van de positie van de nova (rood omcirkeld) die in het jaar 1670 verscheen, is getekend door de beroemde astronoom Hevelius, en gepubliceerd in het tijdschrift Philosophical Transactionsvan de Britse Royal Society. Credit: Royal Society

Nieuwe waarnemingen met APEX en andere telescopen laten zien dat de ster die Europese astronomen in 1670 aan de hemel zagen verschijnen geen nova was, maar een veel zeldzamer, heftiger verschijnsel: een stellaire botsing. De gebeurtenis was spectaculair genoeg om waarneembaar te zijn met het blote oog, maar de sporen die deze achterliet waren heel vaag. Pas na een zorgvuldige analyse met behulp van submillimetertelescopen kon het 340 jaar oude raadsel worden opgelost. Het resultaat wordt op 23 maart 2015 online gepubliceerd in het tijdschrift Nature.

Enkele van de beroemdste astronomen van de zeventiende eeuw, onder wie Hevelius – de vader van de maancartografie – en Cassini, deden uitgebreid verslag van een nieuwe ster die in 1670 aan de hemel verscheen. Hevelius omschreef hem alsnova sub capite Cygni – een nieuwe ster onder de kop van de Zwaan – maar de astronomen van nu kennen hem als Nova Vulpeculae 1670 [1]Het object bevindt zich binnen de grenzen van het moderne sterrenbeeld Vulpecula (Vosje), dicht bij de grens metCygnus (Zwaan). Het wordt vaak kortweg Nova Vul 1670 genoemd of ook wel CK Vulpeculae … Continue reading. Historische verslagen van novae zijn zeldzaam en van groot belang voor moderne astronomen. Nova Vul 1670 geldt als de oudste opgetekende nova-verschijning en de zwakste nova die later is herontdekt.

Deze foto toont de overblijfselen van de ‘nieuwe ster’ die in het jaar 1670 werd gezien. Hij is opgebouwd uit opnamen in zichtbaar licht van de Gemini-telescoop (blauw), een submillimeterkaart van het stof, gemaakt met de SMA (groen), en een kaart van de moleculaire emissie, gemaakt met APEX en de SMA (rood). Credit: ESO/T. Kami?ski

De hoofdauteur van het nieuwe onderzoek, Tomasz Kaminski (ESO en het Max-Planck-Institut für Radioastronomie, Bonn, Duitsland) legt uit: ‘Vele jaren lang werd dit object als een nova gezien, maar hoe meer het werd onderzocht, des te minder leek het op een gewone nova sterker nog, het leek op geen enkele soort exploderende ster.

Toen hij voor het eerst verscheen, was Nova Vul 1670 gemakkelijk waarneembaar met het blote oog en vertoonde hij twee jaar lang een veranderlijke helderheid. Vervolgens doofde hij uit, om na twee oplevingen voorgoed te verdwijnen. Hoewel het verschijnsel goed is gedocumenteerd voor die tijd, beschikten de toenmalige astronomen niet over de apparatuur die nodig was om het merkwaardige gedrag van de nova te verklaren.

Bijna alle sterren op deze kaart zijn op donkere, heldere avonden waarneembaar met het blote oog. Afgebeeld is het kleine sterrenbeeld Vulpecula (Vosje), dat dicht bij het veel opvallendere sterrenbeeld Cygnus (Zwaan) ligt, in het noordelijke deel van de Melkweg. Credit:ESO, IAU, and Sky & Telescope

In de loop van de twintigste eeuw kwamen astronomen tot het inzicht dat de meeste novae kunnen worden verklaard met het explosieve gedrag van nauwe dubbelsterren. Maar Nova Vul 1670 paste niet goed in dit model en bleef een raadsel.

Zelfs de steeds groter wordende telescopen konden aanvankelijk geen spoor van de vermeende nova terugvinden. Pas in de jaren ’80 detecteerde een team van astronomen een zwakke nevel rond de vermoedelijke locatie van het restant van de ster. Hoewel er een intrigerend verband leek te bestaan met de waarneming van 1670, konden de waarnemingen geen nieuw licht werpen op de ware aard van het verschijnsel dat meer dan driehonderd jaar eerder aan de Europese hemel was waargenomen.

Tomasz Kaminski vervolgt: ‘We hebben het gebied nu op submillimeter- en radiogolflengten onderzocht. Daarbij hebben we vastgesteld dat het restant is omgeven door koel gas dat rijk is aan moleculen met een zeer ongebruikelijke chemische samenstelling.

Deze overzichtsfoto toont de hemel rond de ster Nova Vul 1670, die meer dan drie eeuwen geleden ontplofte. De zwakke overblijfselen ervan zijn net zichtbaar in het midden van deze foto. Credit:ESO/Digitized Sky Survey 2. Acknowledgement: Davide De Martin

Behalve APEX gebruikte het team ook de Submillimeter Array (SMA) en de Effelsberg-radiotelescoop om de chemische samenstelling vast te stellen en de onderlinge verhoudingen van de verschillende isotopen in het gas te meten. Alles bij elkaar leverde dit een extreem gedetailleerd beeld op van de aard van de materie, en van de mogelijke oorsprong ervan.

Wat het team heeft ontdekt, is dat de massa van het koele materiaal te groot is om afkomstig te zijn van een nova-explosie. Bovendien zijn de isotopenverhoudingen die rond Nova Vul 1670 zijn gemeten niet in overeenstemming met die van een nova. Maar als het geen nova was, wat was het dan wel?

Het lijkt een zogeheten rode nova te zijn geweest – een spectaculaire botsing tussen twee sterren, helderder dan een gewone nova, maar minder helder dan een supernova. Rode nova’s zijn heel zeldzame gebeurtenissen waarbij sterren exploderen doordat ze met een andere ster fuseren. Daarbij wordt materie uit het inwendige van de beide sterren de ruimte in geblazen, en blijft uiteindelijk slechts een zwak restant over, dat is ingebed in een koele omgeving die rijk is aan moleculen en stof. Nova Vul 1670 voldoet bijna exact aan het profiel van deze recent erkende klasse van explosieve sterren. Hieronder een video waarin wordt ingezoomd op de locatie van Nova Vul 1670 in het sterrenbeeld Vulpecula.

Mede-auteur Karl Menten (Max-Planck-Institut für Radioastronomie, Bonn, Duitsland) concludeert: ‘Ontdekkingen als deze zijn het leukst: een volslagen onverwacht resultaat!‘ Bron: ESO.

References[+]

References
1 Het object bevindt zich binnen de grenzen van het moderne sterrenbeeld Vulpecula (Vosje), dicht bij de grens metCygnus (Zwaan). Het wordt vaak kortweg Nova Vul 1670 genoemd of ook wel CK Vulpeculae – zijn aanduiding als veranderlijke ster.

Waar komen die pinguïns vandaan?

Afgelopen week werd in het Italiaanse skioord La Thuile het jaarlijkse congres van hoge energiefysica gehouden, de Rencontres de Moriond. Daar werden onder andere de resultaten bekendgemaakt van de LHCb, de ‘Large Hadron Collider beauty‘, één van de vier grote detectoren die verbonden is aan de Large Hadron Collider (LHC) bij Genéve – hier, hier en hoppa nog eens hier de presentaties ervan. Dat beauty in de naam slaat op de quarks-variant, die vroeger deze naam droeg, maar die tegenwoordig ‘bottom’ wordt genoemd. Met de LHCb kijken ze naar de deeltjes die ontstaan bij de protonenbotsingen en daarbij kijken ze met name naar b-hadronen, deeltjes met zo’n zwaar type quark erin. Hieronder een overzicht van de LHCb detector.

De LHCb detector. Credit: LHCb Collaboration

De LHC heeft afgelopen twee jaar in onderhoud gestaan om ‘m naar hogere botsingsenergieën te tillen (‘Long Stop 1’), dus recente experimenten zijn er met de LHCb niet gedaan. Maar ze hebben wel de gegevens van Run 1, die liep van 23 november 2009 t/m 14 februari 2013, nog eens goed geanalyseerd en daar zijn verrassende resultaten uit naar voren gekomen. Na de eerste analyse van de gegevens uit 2010-2011 was een anomalie vastgesteld, een afwijking die niet kon worden verklaard met het Standaard Model (SM) van de deeltjesfysica. Het betreft een anomalie in het verval van een B-meson in een kaon en twee muonen, die ze vonden bij energieën tussen 4 en 7 GeV (zie afbeelding hieronder) – in oranje de voorspelde waarden volgens SM, vanaf 10 GeV zijn geen goede voorspellingen met SM te geven.

Credit: LHCb Collaboration

Het verval van de deeltjes kan met behulp van Feynmandiagrammen worden weergegeven en het verval van dit specifieke B-meson geeft een Feynmandiagram dat lijkt op een Pinguïn, zoals je op de afbeelding bovenaan ziet. Men spreek dan ook van Pinguïn verval, een term die begon met een weddenschap die de beroemde natuurkundige John Ellis in 1977 aanging bij een potje darts en die hij verloor.

Het Pinguïn verval. De overgang van het b quark naar het s quark (‘s’ van strange) zou kunnen plaatsvinden via het Z’ boson, weergegeven met de stippellijn.

Zoals gezegd hebben ze onlangs de gegevens [1]de eerste analyse was met 1 inverse femtobarn aan data, de nieuwe analyse heeft drie keer zoveel data gebruikt. met nieuwe methodes weer geanalyseerd en de verwachting was dat het hobbeltje uit Run 1 zou verdwijnen. Maar wat bleek: de hobbel bleef bestaan en de statistische betrouwbaarheid ervan was 3,7sigma. – een betrouwbaarheid van 5sigma is nodig om te spreken van een ontdekking. De sterkte van de hobbel was weliswaar minder ten opzichte van de eerdere analyses, maar de hoeveelheid ruis was ook weer verminderd en netto bleef de hobbel even sterk. Door deze bevestiging is afgelopen week de geruchtenmachine flink op gang gekomen dat de door LHCb gevonden anomalie wellicht wijst op het bestaan van een nieuw elementair deeltje, het zogeheten Z’ boson (spreek uit ‘Zet prime’). Ik zeg hier met nadruk op wellicht, want de betrouwbaarheid is nog te laag om er echt juichend over te zijn én er bestaat de mogelijkheid dat de hobbel gebaseerd is op verkeerde berekeningen, zoals Francis Naukas vermoedt.

Een voorbeeld van een waargenomen B°>K*°?? verval, waar ook nog een pion bij wordt geproduceerd.

Natuurkundigen kennen al een Z-boson, een in 1983 ontdekt elektrisch neutraal deeltje dat verantwoordelijk is voor de zwakke wisselwerking, de natuurkracht die zorgt voor radioactief verval van deeltjes. Z’ zou een zware variant zijn van het Z-boson en het zou horen bij een nieuwe, vijfde natuurkracht, een kracht die niet door SM wordt beschreven en die daarom behoort tot de BSM, nieuwe natuurkunde ‘beyond standard model‘. Wellicht is die vijfde natuurkracht Technicolor, waar eerder ze in 2011 bij het Amerikaanse Fermilab al signalen voor hadden gevonden. Verdere metingen in Run 2, waarvan de verwachting is dat in mei dit jaar de eerste protonenbotsingen zullen plaatsvinden, met een hogere botsingsenergie van maar liefst 13 TeV, zullen hopelijk uitwijzen of de anomalie echt is of niet en of ze met de LHCb inderdaad een signaal van een Z’ boson hebben gevonden.  Bron:

References[+]

References
1 de eerste analyse was met 1 inverse femtobarn aan data, de nieuwe analyse heeft drie keer zoveel data gebruikt.

Kan de LHC met z’n verhoogde energie mini-zwarte gaten produceren?

Credit: LHC/CERN

Op maandag 23 maart zullen voor het eerst na de ‘Long Shutdown’ (LS) van twee jaar weer protonen door de Large Hadron Collider (LHC) gaan, de 27 km lange deeltjesversneller van CERN bij Genéve. Het gaat in eerste instantie dan nog om wat testinjecties, maar het zal niet lang meer duren of het echte werk gaat beginnen en de LHC begint aan Run 2. Het Britse wetenschapstijdschrift Nature komt met een mooie en informatieve infografiek over LHC 2.0, welke je hierboven ziet. Dubbelklikken en dan krijg je de grote PDF versie te zien met alle details over ’s werelds grootste deeltjesversneller en over de experimenten die ze er gaan doen. Voornaamste doelen van de LHC 2.0: meer te weten komen over het in 2012 ontdekte Higgs deeltje en kijken of ze aanwijzingen kunnen vinden voor het bestaan van supersymmetrie, waarmee op haar beurt weer donkere materie kan worden begrepen, bijvoorbeeld in de vorm van het gluino. Bron: Francis Naukas.

Onderzoek onzichtbaarheidsmantel

Vliegtuigen met mensen die onopgemerkt voortbewegen? De kans is groot dat het werkelijkheid wordt dankzij metamateriaal. Dat is een kunstmatig materiaal dat de mogelijkheid biedt om golven terug te buigen. Dat effect heet ‘negative refraction’. Wetenschappers hebben nog veel uitdagingen aan te gaan op dit gebied voordat het op grote schaal werkelijkheid kan worden.

Metamateriaal is de naam voor synthetische materialen met unieke, ongewone elektromagnetische eigenschappen. Het geheim van metamaterialen ligt in het manipuleren van licht dat buigt bij het reizen door een transparant medium, wat bekend staat als de “brekingsindex.”

De AFOSR (Air Force Office of Scientific Research) reikt wetenschapsbeurzen uit aan onderzoekers die ultralichte materialen ontwikkelen. Ze zijn nu ook op zoek naar een team dat zich over de onzichtbaarheidsmantel wil buigen. Dat effect heet ‘negative refraction’. Wetenschappers hebben nog veel uitdagingen op dit gebied te gaan voordat het op grote schaal werkelijkheid kan worden.

Metamateriaal is de naam voor synthetische materialen met unieke, ongewone elektromagnetische eigenschappen. Het geheim van metamaterialen ligt in het manipuleren van licht dat buigt bij het reizen door een transparant medium, wat bekend staat als de “brekingsindex.”
http://nl.wikipedia.org/wiki/Metamateriaal
De AFOSR (Air Force Office of Scientific Research) reikt wetenschapsbeurzen uit aan onderzoekers die ultralichte materialen ontwikkelen. Ze zijn nu ook op zoek naar een team dat zich over de onzichtbaarheidsmantel wil buigen. De Amerikaanse luchtmacht staat al te popelen om het resultaat in handen te krijgen.

Wetenschappers geloven dat het ontwikkelen van een onzichtbaarheidsmantel zal afhangen van de vorderingen op het gebied van nanotechnologie. De grote uitdaging voor de volgende stappen van metamaterialen ligt in het vervaardigen van fijnere structuren die zichtbaar licht naar wens kunnen manipuleren. Toepassingen als superlenzen en een onzichtbaarheidsmantel zijn het meest waardevol bij die golflengtes. Omdat het zichtbare licht golflengtes van tussen de 400 en 750 nanometer heeft, betekent dat de structuren ook een factor kleiner moeten zijn dan dat.

In 2010 gaf AFOSR de universiteit van Zagreb 30.000 dollar om software te maken die in staat was om de mogelijkheid te analyseren voor een cilindervormige mantel. Ze onderzochten of het mogelijk is om een mantel te maken die uit verschillende lagen metamateriaal bestaat.

De oproepen die de Air Force plaatste staan nu online. De documenten bevatten gedetailleerde doelstellingen en uitgebreide vragen zoals: “is het mogelijk om een mantel te maken die volledige onzichtbaarheid garandeert?” En: “is het mogelijk om een mantel te maken die onzichtbaar is voor bepaalde straling zoals radar-golven?”

Iemand als Henri Lezec staat midden in dat onderzoek. Hij is verbonden aan het Centre for Nanoscale Science and Technology in de VS en denkt dat de opkomende nanotechnologie een hoop kansen voor metamaterialen gaat genereren. Maar volgens Lezec is het nu eigenlijk nog nauwelijks mogelijk om ze te maken.

De Amerikaanse luchtmacht is zeker niet de enige die deze ‘Star Trek’ waardige technologie achterna jaagt. De Amerikaanse marine en DARPA investeerde ook in onzichtbaarheidsprojecten. De Chinese overheid financierde 40 verschillende projecten met een zelfde soort streven.
Als de ontwikkelingen op deze snelheid doorgaan, wordt het een race om wie de theorie het eerste omzet in de praktijk.

Motherboard