Mogelijk tweelingzusje van Venus ontdekt

De vermoedelijke exo-Venus Kepler 1649b. Deze afbeelding is gemaakt door ‘onze eigen’ Daniëlle Futselaar, auteur van AstroBlogs én wereldberoemd astro-kunstenaar 😉

Met behulp van de Kepler-ruimtetelescoop hebben astronomen mogelijk een tweelingzusje van de planeet Venus ontdekt. Deze nieuwe wereld is iets groter dan onze aarde en draait rondom een zwakke dwergster die als Kepler-1649 door het leven gaat en ongeveer vijf keer kleiner is dan onze zon. Het planetenstelsel bevindt zich op een afstand van 219 lichtjaar vanaf de aarde. De planeet draait in een korte omloopbaan rondom zijn lichtzwakke moederster en voltooit in negen dagen één omloop. Eventuele inwoners van de planeet kunnen dan ook iedere negen dagen oud en nieuw vieren! Overigens is de kans op leven bijzonder klein, aangezien Kepler-1649b ongeveer evenveel zonlicht ontvangt als Venus – de hellewereld van het zonnestelsel, met een verzengende luchtdruk en temperatuur. Planeten zoals Kepler-1649b zijn belangrijk omdat ze wetenschappers veel kunnen vertellen over de leefbaarheid van rotsplaneten die rondom rode dwergsterren draaien. De laatste jaren hebben astronomen veel potentieel aarde-achtige planeten gevonden rondom dit meest voorkomende stertype. Het is echter goed mogelijk dat een groot deel van deze planeten helemaal niet op de aarde lijken, maar juist op Venus.

Bron: SETI.org

‘Blauwe’ binaire ijsdwergen zijn rustig door Neptunus naar buiten geduwd

Credit: Gemini Observatory/AURA, artwork by Joy Pollard.

Voorbij de omloopbaan van Neptunus bevindt zich een uitgestrekte gordel van ijzige objecten, de zogenaamde Kuipergordel. Hiertoe behoren talloze kleine objecten, maar ook enkele grote exemplaren, zoals de dwergplaneten Pluto en Eris. De meeste objecten in deze Kuipergordel hebben een roodachtige kleur en zijn vermoedelijk op hun huidige positie ontstaan. Er bestaat echter ook een kleinere populatie van blauwere planetoïden, die meestal uit binaire paren bestaan. Vermoedelijk zijn deze objecten dichterbij de zon ontstaan en later naar buiten gemigreerd, als gevolg van veranderingen in de omloopbanen van Jupiter, Saturnus, Uranus en (vooral) Neptunus. Nu hebben computersimulaties, gecombineerd met waarnemingen die zijn verricht door de verschillende telescopen, uitgewezen dat deze objecten inderdaad door Neptunus naar buiten zijn “geduwd”. Dit moet echter veel rustiger en geleidelijker zijn gegaan dan verwacht, aangezien de binaire hemellichamen (die slechts heel lichtjes door de zwaartekracht met elkaar verbonden zijn) voor een groot deel hun “dubbele” aard in stand hebben gehouden.

Bron: Gemini Observatory

We zijn NU middenin de opname van de foto van het centrale zwarte gat van de Melkweg

Credit: Scott Noble/RIT

Tussen 5 en 14 april nemen ze met de Event Horizon Telescope (EHT) telescoop één lange opname van Sagittarius A*, het ruim vier miljoen zonsmassa’s zware zwarte gat in het centrum van de Melkweg – zoals eerder gemeld. We zitten daar dus nu – anno 9 april 2017, de dag van de Marathon in Rotterdam – exact middenin. De EHT is een wereldomspannend netwerk van acht bestaande telescopen op zeven locaties, waardoor een virtuele telescoop ontstaat met de grootte van bijna de aarde. Nog nooit eerder hebben zoveel telescopen samengewerkt om een zwart gat in kaart te brengen. De techniek om tot de vereiste resolutie/scherpte te komen heet VLBI (Very long baseline interferometry). Met de EHT hopen ze de ‘schaduw’ van de waarnemingshorizon van Sgr A* te kunnen zien, die je gesimuleerd ziet in de afbeelding hierboven.  Hieronder de beste opname die we tot nu toe hebben van Sgr A*, eentje in röntgenlicht.

Credit: X-ray: NASA/UMass/D.Wang et al.; IR: NASA/STScI

OK, de opname van de EHT van Sgr A* duurt tot 14 april. Hebben we dan op 15 april op internet dé eerste foto van het centrale superzware zwarte gat van het Melkwegstelsel? Nee, helaas niet. In totaal gaat er 1 petabyte aan data naar het Haystack Observatory in Westford, Massachussets (VS) en dat moet nog worden verwerkt.  Het duurt nog maanden voordat die analyse gedaan is en er een foto gereed is. Verwachting is dat we de eerste foto van Sgr A* pas begin 2018 kunnen zien. Nog even geduld mensen! Bron: Astrobob.

Jupiter in oppositie – Hubble heeft ‘m in detail gefotografeerd

Credit afbeelding: NASA, ESA, and A. Simon (GSFC)

Gisteravond – vrijdag 7 april om 23.00 uur – stond Jupiter in oppositie, dat wil zeggen dat ‘ie op dat moment recht tegenover de zon stond en daarmee opkwam toen de zon onderging en ondergaat als de zon weer opkomt. Oppositie betekent ook dat de planeet de gehele avond en nacht te zien is. De schijnbare diameter van Jupiter is nu maximaal, 44,2 boogseconden. Dat maakt ‘m uitstekend geschikt om nu waar te nemen en te fotograferen. Da’s ook gedaan deze week door Hubble, die ‘m afgelopen maandag (3 april) fotografeerde. De afstand aarde-Jupiter bedroeg toen 670 miljoen km. Op de foto hierboven, vastgelegd met Hubble’s Wide Field Camera 3 (WFC3), is de resolutie 130 km voor de kleinst zichtbare details – dubbelklikken om te veroppositioneren. Prachtig zijn de wolkenbanden in de atmosfeer van Jupiter te zien, die donker of licht gekleurd zijn, al naar gelang de hoeveelheid bevroren ammonia in de banden (hoge concentraties voor de lichte banden, lage concentraties voor de donkere banden). De windsnelheden in de atmosfeer kunnen soms tot 650 km/uur gaan. Links onder de evenaar zie je de beroemde Grote Rode Vlek, die al honderden jaren wordt waargenomen, een ‘anticycloon’ in de atmosfeer. Rechts is een kleinere rode vlek zichtbaar, die ook wel ‘Rode Vlek Junior’ wordt genoemd en die nog niet zo oud is.

Credit afbeelding: NASA/JPL-Caltech/SwRI/MSSS/Jason Major

Van dichtbij wordt Jupiter ook gefotografeerd, in nóg meer detail dan Hubble kan doen. Dat gebeurt door de Juno ruimteverkenner, die om de planeet draait en die onlangs z’n vijfde scheervlucht vlak langs de gasreus maakte, perijove 5 genaamd. Op 27 maart maakte Juno met z’n Junocam onder andere bovenstaande foto, een schitterende plaat, die op een schilderij lijkt. De afstand bedroeg toen 20.000 km, tikkeltje dichterbij dat Hubble staat. Bron: Hubble + Nine Planets.

Voor het eerst is een atmosfeer ontdekt rondom een superaarde met lage massa

Impressie van GJ 1132 b (credit: MPIA).

Sterrenkundigen zijn er voor het eerst in geslaagd om een superaarde met lage massa te ontdekken – een exoplaneet die iets groter dan de aarde is – en die in het bezit is van een atmosfeer, een gasachtig omhulsel. Het gaat om de planeet GJ 1132 b, die op 39 lichtjaar afstand van ons staat in de richting van het sterrenbeeld Zeilen (Vela) en die 1,4 keer zo groot als de aarde is en 1,6 keer zo zwaar. Eerder waren al twee superaardes ontdekt met een atmosfeer, te weten 55 Cancri e en GJ 3470 b, maar die zijn groter dan GJ 1132 b. Die laatste is nu de kleinst bekende exoplaneet waarbij een atmosfeer is gedetecteerd. Hij draait in slechts 1,6 dagen om de ster GJ 1132, een rode M-dwerg ster. Dat maakt ‘m direct zeer interessant, want die dwergsterren komen zeer vaak voor in de Melkweg en ze blijken in het bezit te kunnen zijn van uitgebreide planetenstelsels, zoals in het geval van TRAPPIST-1, waar zeven exoplaneten omheen draaien.

Credit: cfa.harvard.edu

De atmosfeer rondom GJ 1132 b is ontdekt door een team sterrenkundigen onder leiding van John Southworth (Keele University, VK). Ze maakten daarbij gebruik van de GROND imager op de 2,2m ESO/MPG telescoop van het La Silla Observatorium in Chili. GROND (dat staat voor Gamma-ray Burst Optical/Near-infrared Detector) wordt normaal gebruikt voor het bestuderen van de nagloed van gammaflitsers, maar dit keer keken Southworth en z’n groep ermee naar de transities van GJ 1132 b, die iedere 1,6 dagen plaatsvinden, als de planeet gezien vanaf de aarde voor de ster langs schuift en diens licht een tikkeltje wegneemt. Met GROND kon de transitie in zeven verschillende golflengten worden bestudeerd. Daaruit bleek dat de planeet in bepaalde golflengten groter is dan in andere, een teken dat er een gasomhulsel rondom de planeet is, die in sommige golflengten licht van de ster doorlaat en in andere golflengten niet. Met name in het infrarood blijkt GJ 1132 b groter te zijn dan in andere golflengten.

De kans op leven op GJ 1132 b lijkt klein, ondanks de aanwezigheid van een atmosfeer. De planeet ontvangt door z’n korte afstand tot de dwergster 19 keer meer straling dan de aarde van de zon ontvangt, z’n gemiddelde temperatuur is er ongeveer 377° C. Toch is het opmerkelijk dat de planeet nog een atmosfeer heeft. Het systeem is enkele miljarden jaren oud, rode M-dwergsterren zijn grillige sterren, die sterke uitbarstingen van straling kunnen meemaken. Desondanks heeft GJ 1132 b toch z’n atmosfeer behouden. Uit de metingen blijkt dat de atmosfeer van GJ 1132 b rijk is aan water en methaan. Het vakartikel van Southworth et al getiteld “Detection of the atmosphere of the 1.6 Earth mass exoplanet GJ 1132B”  verscheen in de Astronomical Journal Vol. 153, No. 4 en is hier te lezen. Bron: Universe Today en Centauri Dreams.

Nieuw kosmologisch model gooit donkere energie de prullenbak in

Deze afbeelding is afkomstig van een vergelijking tussen kosmologische modellen, waarvan de complete animatie onderaan het artikel bekeken kan worden. Linksboven zie je de expansie van het universum volgens het standaard “Lambda Cold Dark Matter” model, dat donkere energie bevat. In het midden de expansie volgens het nieuwe Avera-model van de Hongaren, dat geen donkere energie bevat. Rechtsboven dan het Einstein-de Sitter model, het oorspronkelijke model zonder donkere energie. Credit: István Csabai et al

De raadselachtige “donkere energie” die ruim 68 procent van alle materie/energie in het universum bevat zou een illusie kunnen zijn, zo blijkt uit nieuw onderzoek. Het universum is zo’n 13.8 miljard jaar geleden ontstaan door de oerknal en is sindsdien aan het uitdijen. Het belangrijkste bewijs hiervoor is de “wet van Hubble” (die gebaseerd is op waarnemingen van sterrenstelsels), die stelt dat de snelheid waarmee een sterrenstelsel van ons vandaan beweegt proportioneel is aan de afstand tot de aarde.

Wetenschappers kunnen de snelheid van een sterrenstelsel meten door te kijken naar lijnen in het spectrum van zo’n stelsel. Als deze lijnen verschoven zijn richting het rode deel van het spectrum, dan moet het stelsel van ons vandaan bewegen. Hoe hoger deze roodverschuiving, hoe hoger de snelheid. In de jaren ’20 van de vorige eeuw hebben wetenschappers de conclusie getrokken dat het heelal aan het uitdijen is. Dat betekent dat het ooit begonnen moet zijn als een superklein puntobject, de oer-singulariteit.

Goed, in de tweede helft van de twintigste eeuw hebben astronomen bewijs gevonden voor “extra massa” om de rotatiesnelheid van sterrenstelsels te verklaren. Deze “donkere materie” wordt nu geacht zo’n 27 procent te bevatten van alle “inhoud” (materie en energie) van het universum. “Gewone” materie is daarentegen goed voor slechts 5 procent!

Waarnemingen van witte dwergsterren in binaire systemen, die kunnen ontploffen als een zogenaamde Type Ia supernova, hebben in de jaren ’90 geleid tot een opvallende conclusie. Het heelal moet een derde component bevatten, donkere energie gedoopt, die ruim 68 procent van de kosmos bevat en ervoor zorgt dat het heelal steeds sneller uitdijt. Maar is dat wel zo?

Een team van Hongaarse natuurkundigen stelt dat de conventionele modellen van de kosmologie er vanuit gaan dat het heelal uniform gevuld is met materie en energie. De inwendige structuur van dit heelal wordt helemaal niet in beschouwing genomen. Dat komt doordat de wetten van Einstein dusdanig complex zijn, dat het honderd jaar lang onmogelijk is geweest om oplossingen van deze wetten te vinden voor een heelal met een complexe structuur. Met andere woorden: de berekeningen werden te ingewikkeld, dus heeft men de wetten van Einstein voor het gemak toegepast op een structuurloos universum.

In werkelijkheid is het heelal echter gevuld met een schuimachtige structuur van clusters van sterrenstelsels, met gigantische leegtes er tussenin. Als je deze structuur meeneemt in de berekeningen, wat eindelijk mogelijk is gemaakt door een nieuwe generatie supercomputers, dan veranderen de uitkomsten ineens behoorlijk. Het blijkt namelijk dat verschillende delen van het de ruimte met een verschillende snelheid uitdijen (terwijl de “totale snelheid” vrij stabiel blijft). Dit heeft de illusie gewekt van donkere energie.

Als het model van de Hongaren kan worden bevestigd, dan kan één van de grootste raadselen van de kosmos meteen de prullenbak in. Géén donkere energie dus! Dat maaakt het universum ineens een beetje simpeler om te begrijpen.

Bron: Royal Astronomical Society

ALMA kiekt dramatisch stellair vuurwerk

ALMA ziet een stellaire explosie in Orion Credit:ALMA (ESO/NAOJ/NRAO), J. Bally/H. Drass et al.

Sterexplosies worden meestal in verband gebracht met supernovae: de spectaculaire dood van sterren. Maar nieuwe ALMA-waarnemingen geven inzicht in explosies aan het andere eind van de levenscyclus van sterren: de geboorte. Astronomen legden dramatische beelden vast toen ze het ontstaan van een groep zware sterren onderzochten. De beelden tonen dat ook stervorming een heftig, explosief proces kan zijn.

Op 1350 lichtjaar afstand, in het sterrenbeeld Orion (Jager) bevindt zich een actieve stervormingsfabriek genaamd de Orion Molecular Cloud 1 (OMC-1). De wolk maakt deel uit van de beroemde Orionnevel. Sterren worden geboren als een gaswolk, die honderden keren zwaarder is dan onze zon, begint te bezwijken onder zijn eigen zwaartekracht. In de dichtste gebieden ontbranden protosterren die vervolgens gaan rondzwerven. Na een tijdje vallen sommige sterren naar een gemeenschappelijk zwaartepunt dat meestal wordt gedomineerd door een bijzonder grote protoster. Als de sterren dicht bij elkaar in de buurt komen, ontstaan er heftige interacties.

Ongeveer 100.000 jaar geleden, diep in de OMC-1, ontstonden meerdere protosterren. De zwaartekracht trok ze steeds sneller naar elkaar toe totdat 500 jaar geleden twee van die sterren met elkaar in aanraking kwamen. Astronomen weten niet zeker of ze elkaar slechts lichtjes schampten of dat ze vol op elkaar knalden. In ieder geval veroorzaakte het een krachtige uitbarsting die ervoor zorgde dat andere protosterren en honderden reusachtige gas- en stofstromen met 150 kilometer per seconde door de ruimte schoten. Bij deze catastrofe kwam net zo veel energie vrij als onze zon in 10 miljoen jaar uitstoot.

ALMA-beeld van een explosieve gebeurtenis in Orion. Credit:ALMA (ESO/NAOJ/NRAO), J. Bally/H. Drass et al.


Nu, 500 jaar later, gebruikte een team van sterrenkundigen onder leiding van John Bally (University of Colorado, VS) de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) om in het hart van de wolk te kijken. Daar vonden ze het weggeslingerde puin van de explosieve geboorte van de groep zware sterren. Het ziet eruit als de kosmische variant van vuurwerk waarbij reusachtige fonteinen wegschieten in alle richtingen.

Zulke explosies duren waarschijnlijk relatief kort. De resten, zoals die gezien met ALMA, blijven slechts enkele eeuwen zichtbaar. Alhoewel ze vluchtig zijn, komen explosies van protosterren waarschijnlijk veel voor. Daarnaast kunnen ze, doordat ze hun moederwolk vernietigen, het stervormingsproces in de gigantische moleculaire wolken helpen reguleren.

Beelden van een explosie in Orion door ALMA en VLT. Credit:ALMA (ESO/NAOJ/NRAO), J. Bally/H. Drass et al.



Dat het puin in OMC-1 weleens een opvliegend karakter kon hebben, werd voor het eerst onthuld met de Submillimeter Array in Hawaï in 2009. Bally en zijn team bekeken de wolk ook in het nabije infrarood met de Gemini South-telescope in Chili. Ze ontdekten toen de opmerkelijke structuur van de fonteinen die bijna een lichtjaar lang zijn.



De nieuwe ALMA-beelden tonen het explosieve karakter in hoge resolutie. Ze brengen belangrijke details aan het licht over de verdeling en de beweging van koolmonoxidegas (CO) in de fonteinen. Dit helpt astronomen bij het beter begrijpen van de onderliggende kracht van de uitbarsting en van de impact die zulke gebeurtenissen hebben op stervorming in de Melkweg.

Bron: ESO.

Botsing tussen Melkweg en Andromedastelsel onderzocht met Nederlands kleinste supercomputer

De Little Green Machine II. Een team van Nederlandse wetenschappers heeft een supercomputer gebouwd ter grootte van vier pizzadozen. De Little Green Machine II heeft het rekenvermogen van meer dan 10.000 normale pc’s.
Credit: Simon Portegies Zwart (Universiteit Leiden)

Een team van Nederlandse wetenschappers heeft een supercomputer gebouwd ter grootte van vier pizzadozen. De Little Green Machine II heeft het rekenvermogen van 10.000 pc’s en zal gebruikt worden door onderzoekers in de oceanografie, informatica, kunstmatige intelligentie, algoritmiek, financiële modellering en sterrenkunde. De computer is ontwikkeld met hulp van IBM en staat bij de Universiteit Leiden.

De supercomputer genereert een rekenvermogen van ruim 0,2 Petaflops. Dat zijn 200.000.000.000.000 berekeningen per seconde. Daarmee evenaart de supercomputer het rekenvermogen van meer dan 10.000 normale pc’s.

De onderzoekers maakten hun supercomputer door vier pc’s met elk vier speciale grafische kaarten te verbinden via een supersnel netwerk. Simon Portegies Zwart (Universiteit Leiden): “Ons ontwerp is heel compact. Je zou hem zelfs in een bakfiets kunnen vervoeren. Bovendien is het elektriciteitsverbruik slechts ongeveer 1% van dat van een vergelijkbare grote supercomputer.”

Botsende sterrenstelsels. Om de nieuwe, kleine supercomputer te testen, voerden de onderzoekers een simulatie uit van de botsing tussen de Melkweg en de Andromedanevel. Die botsing vindt over ongeveer vier miljard jaar plaats.
Credit: Jeroen Bédorf (Universiteit Leiden)

In tegenstelling tot voorganger Little Green Machine I gebruikt de nieuwe supercomputer geprofessionaliseerde grafische kaarten die geschikt zijn voor grote wetenschappelijke berekeningen en niet meer de standaard spelletjeskaarten uit de computerwinkel. De machine is ook niet meer gebaseerd op de x86-architectuur van Intel, maar bevat de veel snellere, door IBM ontwikkelde, OpenPower-architectuur.

Sterrenkundige Jeroen Bédorf (Universiteit Leiden): “De onderlinge communicatie tussen de kaarten is in het afgelopen half jaar enorm verbeterd. Hierdoor waren we in staat verschillende kaarten met elkaar te verbinden tot een geheel. Deze technologie is essentieel voor de bouw van een supercomputer, maar niet zo heel zinnig voor het spelen van spelletjes.”

Voor de eerste tests simuleerden de onderzoekers de botsing tussen de Melkweg en de Andromedanevel die over ongeveer vier miljard jaar plaatsvindt. Een paar jaar geleden tartten de onderzoekers met deze simulatie de enorme Titan-computer (17,6 Petaflops) in het Amerikaanse Oak Ridge. “Nu kunnen we deze berekeningen zelf thuis doen”, zegt Jeroen Bédorf, “Dat is wel zo makkelijk.”

Little Green Machine II is de opvolger van Little Green Machine I uit 2010. De nieuwe kleine supercomputer is ongeveer tien keer zo snel als zijn voorganger die vandaag met pensioen gaat. De naam Little Green Machine is gekozen vanwege de kleine afmetingen en het lage energieverbruik. Daarnaast is het een knipoog naar de in 1967 door Jocelyn Bell-Burnell ontdekte radiopulsar. Die pulsar, de eerste ooit ontdekt, kreeg de bijnaam LGM-1, waarbij LGM staat voor Little Green Men.

De bouw van de kleine supercomputer kostte ongeveer 200.000 euro en is financieel ondersteund door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Aan de ontwikkeling werkten de volgende onderzoekers mee: Joost Batenburg (CWI), Gerard Barkema (Universiteit Utrecht), Jeroen Bédorf (Universiteit Leiden), Rob Bisseling (Universiteit Utrecht), Arjen Doelman (Universiteit Leiden), Henk Dijkstra (Universiteit Utrecht), Barry Koren (TU Eindhoven), Kees Oosterlee (CWI), Aske Plaat (Universiteit Leiden), Simon Portegies Zwart (Universiteit Leiden), Kees Vuik (TU Delft) en Harry Wijshoff (Universiteit Leiden). Bron: Astronomie.nl.

Vrijdag 7 april lezing bij Huygens over Saturnus, de “Lord of the Rings”

Vrijdagavond 7 april houdt Alex Scholten bij sterrenkundevereniging Chr. Huygens in Papendrecht een lezing over Saturnus, de “Lord of the Rings”. Alex Scholten, woonachtig in het Gelderse Eerbeek, is al bijna 40 jaar actief amateursterrenkundige, waarbij zijn aandacht vooral uitgaat naar kometen, meteoren en de ruimtevaart in ons zonnestelsel. Van 1990 tot 2011 was hij voorzitter/waarnemingsleider van de Nederlandse Kometen Vereniging. Als voorzitter van de Volkssterrenwacht Bussloo (bij Apeldoorn) verzorgt hij regelmatig lezingen, cursussen en waarnemingsavonden voor het publiek. In het dagelijks leven is de spreker werkzaam als specialist functioneel beheer bij de verzekeringsmaatschappij Achmea in Apeldoorn.

Cassini bij Saturnus. Credit: NASA

De planeet Saturnus behoort zonder meer tot één van de fraaiste objecten voor een waarneming door de telescoop. Met zijn opvallende ringen en een aantal manen levert dit al snel een ‘wow-moment’ op. Dankzij de ruimtevaart beschikken we tegenwoordig over spectaculaire beelden van de planeet, zijn ringen en zijn talrijke wonderlijke manen. Met name de Cassini-missie heeft ons veel geleerd. Half september dit jaar bereikt de missie na 13 jaar zijn einde. Met nog een aantal spectaculaire passages langs de ringen eindigt de missie met een ‘duikvlucht’ in de atmosfeer van de gasplaneet. In de presentatie wordt een overzicht gegeven van de actuele kennis van Saturnus, zijn ringen en de meest bijzondere manen, zoals Titan en Enceladus. Om 20:00 uur is de zaal open en ben je van harte welkom. Zoals gebruikelijk beginnen ze bij Huygens om 20:30 uur. Bron: Huygens.

Reusachtig sterrenstelsel in jong heelal plaatst astronomen voor raadsel

Het enorme sterrenstelsel was er al toen het heelal nog maar 1,6 miljard jaar jong was. Dat plaatst astronomen, onder wie sterrenkundigen in Leiden, voor een raadsel. Het sterrenstelsel moet in korte tijd enorm gegroeid zijn. (c) Leonard Doublet/Swinburne University

Een internationaal team van sterrenkundigen, onder wie de Leidse astronomen Corentin Schreiber en Ivo Labbé, heeft een reusachtig sterrenstelsel ontdekt uit de tijd dat het heelal pas 1,6 miljard jaar jong was. Het stelsel moet kort na de oerknal extreem snel gegroeid moet zijn, wat ingaat tegen alle heersende theorieën. De onderzoekers publiceren hun bevindingen donderdag in Nature.

“Het reuzenstelsel is te vergelijken met een baby van honderd kilo met een baard”, zegt coauteur Ivo Labbé (Universiteit Leiden). “Het stelsel is zwaarder dan onze Melkweg en stopte met het vormen van nieuwe sterren toen het heelal pas zo’n 1 miljard jaar jong was. Ter vergelijking, onze Melkweg is al meer dan twintig keer zo lang aan het groeien.”

Enkele jaren geleden kregen Caroline Straatman (nu Max-Planck-Institut für Astronomie in Heidelberg, Duitsland) en Labbé het sterrenstelsel in het vizier in afbeeldingen van de ZFOURGE-survey. Het sterrenstelsel, ZF-COSMOS-20115, bleek een bijzonder rode kleur te hebben die mogelijk was veroorzaakt door een ophoping van oude sterren. Om meer bewijs te vinden voor deze bewering, waren spectroscopische waarnemingen nodig die de vingerafdruk van oude sterren aantonen. Labbé regelde daarom samen met Karl Glazebrook (Swinburne University, Australië) waarneemtijd op de Keck-telescopen in Hawaï voor januari en februari 2016.

Uit de analyse van de waarnemingen blijkt dat er diepe absorptielijnen van waterstofgas te zien zijn. Die lijnen duiden op oude sterren en leveren het bewijs voor de unieke aard van het sterrenstel. Corentin Schreiber (Universiteit Leiden) analyseerde de gegevens: “Het lijkt erop dat het stelsel al 500 miljoen jaar eerder tot rust is gekomen. Dus het moet binnen een miljard jaar na de oerknal zo zijn gegroeid. Dat is echt ongelofelijk.”

Het is onduidelijk hoe het sterrenstelsel zo snel heeft kunnen groeien. Het stelsel zou dan namelijk om sterren te vormen bijna al het gas in zijn omgeving moeten hebben gebruikt, terwijl de huidige theorieën ervan uitgaan dat sterrenstelsels minder dan tien procent van het gas benutten.

De onderzoekers denken dat er nog meer van zulke sterrenstelsels zijn. Die verschuilen zich mogelijk achter stofwolken of zijn te zwak om vanaf de aarde te zien. Met de James Web-ruimtelescoop, die eind 2018 wordt gelanceerd, en met de ALMA-telescopen in Chili hopen de onderzoekers in de toekomst meer duidelijkheid te krijgen.

Bron: Astronomie.nl.