Artist’s impression van de melkweg en de daaromheen draaiende bolhopen. Credit: ESA/Hubble, NASA, L. Calçada.
Sterrenkundigen zijn erin geslaagd om met behulp van twee grote instrumenten, de ESA/NASA Hubble ruimtetelescoop en de Gaia ruimteverkenner van de ESA, een nauwkeurige bepaling te maken van de massa van het Melkwegstelsel. Binnen een straal van 129.000 lichtjaar vanaf het centrum blijkt er 1,5 biljoen zonsmassa te zitten, da’s 1,5 x 10¹² keer de massa van de zon. Al decennia lang proberen sterrenkundigen die massa te bepalen, maar het lastige is dat 90% daarvan verborgen zit in de donkere materie en we daar moeilijk de massa van kunnen inschatten. Maar door gebruik te maken van de waarnemingen van zowel Hubble als Gaia aan bolhopen rondom de Melkweg heeft men toch een nauwkeurige bepaling kunnen maken.
Eén van de waargenomen bolhopen, NGC 4147. Credit: ESA/Hubble & NASA, T. Sohn et al.
De snelheid waarmee die bolvormige sterrenhopen, waarvan je er eentje hierboven ziet, om de Melkweg draaien hangt af van de massa van de Melkweg. Uit de waarnemingen van Hubble en Gaia (bij die laatste de DR2 data release) heeft men de snelheid van bolhopen tot 65.000 lichtjaar van de aarde nauwkeurig kunnen bepalen en dat heeft op haar beurt weer tot de bepaling van de massa van de Melkweg geleid. Bij eerdere bepalingen was er veel onzekerheid – de eerdere schattingen waren tussen 500 miljard en drie biljoen zonsmassa. Ook daarbij werd onder andere gebruik gemaakt van bolhopen, maar toen was de snelheidsbepaling nog onvolledig. Men kon toen wel zien met welke snelheid de bolhopen naar ons toe of van ons vandaan bewegen – hun snelheid langs de gezichtslijn dus – maar niet de zijwaartse snelheid. Van 46 bolhopen is nu ook de zijwaartse snelheid gemeten, waarvan Gaia er 34 mat en Hubble de overige 12. En dat levert een betere bepaling van de massa op. Eh.. voor de duidelijkheid: die 1,5 biljoen zonsmassa is de totale massa van het Melkwegstelsel, dus van de gewone én donkere materie.
Hier het vakartikel over de bepaling van de massa, dat zal worden gepubliceerd in The Astrophysical Journal. Bron: Hubble.
De zuidelijke sterrenhemel omstreeks 21 uur ’s avonds tijdens de Landelijke Sterrenkijkdagen op 15, 16 en 17 maart. (c) Wil Tirion.
Op vrijdag 15, zaterdag 16 en zondag 17 maart vinden de Landelijke Sterrenkijkdagen plaats. Op deze dagen kan het publiek op tientallen locaties in Nederland door een telescoop de sterrenhemel bewonderen. Het langstlopende publieksevenement onder de sterrenhemel van ons land kent in 2019 zijn 43e editie en wordt georganiseerd onder de vlag van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Weer- en Sterrenkunde (KNVWS).
Tijdens de Landelijke Sterrenkijkdagen draait het om sterrenkijken en het ontdekken en beleven van 7de sterrenhemel boven Nederland. Dat blijkt populair, want het landelijke evenement trekt jaarlijks vele duizenden bezoekers. Als de weersomstandigheden ongeschikt blijken voor het sterrenkijken, dan is er op veel locaties ook een aanvullend programma met fascinerende verhalen over actuele sterrenkundige onderwerpen, met planetariumvoorstellingen en met demonstraties van telescopen. Ook kun je informatie krijgen over weer- en sterrenkunde als hobby. Op de meeste locaties is de toegang gratis, kijk op www.sterrenkijkdagen.nl voor alle details.
De maan gefotografeerd met behulp van een smartphone door een telescoop. Door de schaduwwerking op de dag-nachtgrens zijn de kraters op indrukwekkende wijze zichtbaar. De maan is tijdens de Landelijke Sterrenkijkdagen voor iets meer dan de helft verlicht en zal er elke dag steeds iets anders uit zien. (c) Sebastiaan de Vet, Sonnenborgh.
Ontdek maankraters
De maan is tijdens de sterrenkijkdagen voor meer dan de helft verlicht en zal er elke dag steeds iets anders uit zien. In 2019 is het extra interessant om de maan te bekijken, want het is vijftig jaar geleden dat mensen voor het eerst voet op het maanoppervlak zetten. Bij de deelnemende locaties tuur je door de telescoop naar de inslagkraters en maanzeeën die de Apollo-astronauten ooit van dichtbij zagen.
Tuur naar nevels
Het sterrenbeeld Orion staat met zijn karakteristieke zandlopervorm prominent in het zuidwesten. In de onderste helft van het sterrenbeeld is de Orionnevel zichtbaar, een ‘kosmische kraamkamer’ waar nieuwe sterren en planeten worden gevormd. Deze nevel leert ons ook iets over hoe het zonnestelsel is ontstaan. Van de planeten in ons zonnestelsel is Mars vroeg op de avond in het westen zichtbaar, de andere planeten hebben zich ‘verstopt’ in de buurt van de zon of zijn aan de ochtendhemel te zien.
De Orionnevel in het gelijknamige sterrenbeeld Orion, gefotografeerd door een amateurastronoom. Als ‘kosmische kraamkamer’ geeft deze gaswolk ons veel inzicht in de vorming van sterren en planeten en daardoor ook in het ontstaan ons eigen zonnestelsel. (c) Johan van Kuilenburg, Werkgroep Leidse Sterrewacht.
Begluur kosmische buren
Met een telescoop zijn ook andere lichtzwakke objecten aan de sterrenhemel te zien. Het Andromedastelsel is onze ‘kosmische buur’ en staat ver buiten de Melkweg. Dit sterrenstelsel staat zo ver weg dat we het gezamenlijke licht van de miljarden sterren vanaf een donkere plek slechts zien als een vage vlek. Door een telescoop zijn de ovale contouren en de gloed van het sterrenstelsel al beter te zien. Met een fotocamera en software die foto’s ‘stapelt’ is dit majestueuze sterrenstelstel nog beter te bewonderen. Bron: Astronomie.nl
Vijftig jaar geleden vond de vlucht van Apollo 9 plaats, een testmissie met alle modules die nodig waren voor een maanlanding. De maanlander (LM, Lunar Module) en de besturingmodule (CSM, Command Service Module) werden in een baan om de aarde gebracht door een Saturnus V-raket. In de ruimte werd de koppeling tussen de LM en de CSM geoefend. Ook voerden de astronauten (Russell Schweickart, David Scott en James McDivitt) nog ruimtewandelingen uit en testten ze een nieuw ruimtepak. De foto hierboven, waarbij je Scott met z’n opvallende rode helm uit de CSM genaamd Gumdrop ziet komen, werd precies vijftig jaar geleden gemaakt, 6 maart 1969. Je zal de foto vast wel eens hebben gezien, het is een klassieker. Bron: Wiki.
Een kleine twee weken geleden (21-2) had de Japanse ruimteverkenner Hayabusa-2 een ’touchdown’ met de kleine planetoïde Ryugu, waarbij ‘ie met een soort hoorn monsters heeft ingevangen. Voor het verzamelen van die monsters werd kort voor de touchdown een 5 gram wegende kogel afgevuurd, gemaakt van het element tantalum. Het stof en gruis wat daarbij vrijkwam werd door Hayabusa-2 verzameld. Van de foto’s die Hayabusa-2 tijdens de afdaling, touchdown en opstijgen met z’n kleine CAM-H heeft gemaakt heeft men onderstaande video gemaakt. Die start 59 seconden voor de daadwerkelijke afdaling en de snelheid van afspelen is vijf keer groter dan de realiteit – de video laat zien wat er in 5 minuten en 40 seconden gebeurde.
Op het moment van de touchdown zie je heel veel opspattend materiaal vanaf het oppervlak, dat door de hoorn werd opgevangen. Dat opspatten kwam niet alleen door die touchdown, maar ook doordat kort daarvoren die kogel met een snelheid van 300 m/s werd afgevuurd. Bron: Planetary Society.
De finale van de dertiende Nederlandse Sterrenkunde Olympiade vindt plaats op de Radboud Universiteit Nijmegen van 3 t/m 5 juni 2019. Leerlingen in het voortgezet onderwijs kunnen van 1 maart tot 1 mei 2019 meedoen aan de voorronde. De vijftien kandidaten die de hoogste score behalen in de voorronde, strijden in juni om de hoofdprijs, een waarneemreis naar de sterrenwacht op het Canarische eiland La Palma.
De voorronde voor de Sterrenkunde Olympiade start vandaag. Deelnemers kunnen tot 1 mei 2019 op de website www.sterrenkundeolympiade.nl de opgaven downloaden en de antwoorden insturen.
De Nederlandse Sterrenkunde Olympiade is een jaarlijkse wedstrijd voor middelbare scholieren die geïnteresseerd zijn in natuur- en sterrenkunde en wordt afwisselend georganiseerd door een van de NOVA-instituten. Dit jaar wordt de finale georganiseerd door de Afdeling Sterrenkunde van de Radboud Universiteit.
De deelnemers zullen eerst een masterclass over verschillende sterrenkundige onderwerpen volgen. De masterclass wordt gegeven door onderzoekers en docenten in de sterrenkunde en gaat over onderwerpen als zwaartekracht, compacte dubbelsterren, supernova’s, zwarte gaten en kosmische straling. De docenten zijn:
Gijs Nelemans (compacte dubbelsterren en zwaartekrachtgolven)
Onno Pols (sterevolutie)
Marijke Haverkorn (het interstellair medium en magnetische velden in de Melkweg)
Nadia Blagorodnova (explosies en uitbarstingen op sterren en zwarte gaten)
Frank Verbunt (neutronensterren)
In de avond zijn er verscheidene activiteiten zoals een rondleiding bij de telescopen van de Radboud Universiteit, een barbecue en een escaperoom.
De Olympiade wordt afgesloten met een feestelijke prijsuitreiking op woensdagmiddag. De hoofdprijs is traditiegetrouw een reis naar de Roque de los Muchachos-sterrenwacht op het Canarische eiland La Palma, waar de winnaar met een professionele telescoop mag gaan waarnemen. Naast de hoofdprijs zijn een telescoop en een sterrenkundeboek te winnen. Bron: Astronomie.nl.
Hoe ontstond onze Melkweg? Hoe ontstaan zwarte gaten? Wat is de oorsprong van ons zonnestelsel? Zijn er andere planeten waar leven mogelijk is? Deze en andere vragen onderzoekt de European Space Agency (ESA) met haar huidige wetenschappelijke missies. Voor de toekomst plannen ze bij de ESA nieuwe missies – dit in het kader van Voyage 2050, ESA’s wetenschappelijk ruimteprogramma voor de periode 2035–2050. De Directeur Wetenschap van ESA, Günther Hasinger, nodigt ons allemaal uit om onze mening met hen te delen over die ruimtemissies (zie ook het interview met hem hieronder). Deze publieksconsultatie is vandaag begonnen en eindigt in juni. Wie mee wil doen kan hier terecht!
Het was me het weekendje wel voor SpaceX en NASA. Zowel enerverend als succesvol, zo becommentarieerden de beide bazen Elon Musk en Jim Bridenstine in een grote persconferentie afgelopen zaterdag 2 maart dit bijzondere weekend waarin de Demo-1 centraal stond. Zij en al hun medewerkers konden toen inmiddels terugkijken op een succesvolle lancering en separatie en toonden zich dan ook zeer tevreden. Er heerste op dat moment nog wel enige nervositeit want de docking manoeuvre moest toen nog plaatsvinden, maar ook deze complexe Demo-1 manoeuvre ging vlekkeloos. Op zondagochtend 3 maart om 11.51 had het ISS de draak bij zijn staart. ISS astronauten konden de capsule al vrij snel openen en inspecteren. Deze zat vol vlucht ‘logging’ data en ook de Ripley pop droeg veel sensoren, al deze verzamelde data zal komende tijd geanalyseerd worden om zo de ingenieurs een nog beter inzicht te geven in de Dragon 2 en verbeteringen te kunnen aanbrengen voor de aanstaande Dragon bemande vlucht deze zomer. Lees verder →
credit: Paul Kalas / University of California, Berkeley.
Het raadsel van HD 106906 b lijkt te zijn opgelost. Het is een exoplaneet die draait rondom een jonge spectroscopische dubbelster, HD 106906 (zonder die ‘b’) op 336 lichtjaar afstand in het zuidelijke sterrenbeeld Zuiderkruis (Crux). Hij werd ontdekt in december 2003 met de Magellan telescoop van het Las Campanas Observatorium in Chili en al snel bleek er iets vreemds te zijn met HD 106906 b. Hij bleek heel zwaar te zijn – elf keer de massa van Jupiter. Nee, dat maakte ‘m niet vreemd. Wel dat ‘ie héél ver weg stond van z’n moederster(-ren), maar liefst 738 Astronomische Eenheid, da’s 110 miljard km, 18 keer de afstand tussen de zon en Pluto. Zó zwaar en zó ver weg van z’n moederster, dat zorgde er voor dat ‘ie gemakkelijk optisch te zien is (zie de afbeelding hierboven). Er is geen enkele exoplaneet bekend die zo ver weg staat van z’n moederster. En het past ook niet in modellen van het ontstaan van planeten: in-situ vorming van planeten uit proto-planetaire stofschijven zou veel dichterbij de ster moeten plaatsvinden. Zo’n stofschijf hebben ze gevonden bij HD 106906, maar dan zou je verwachten dat HD 106906 b in het vlak van die stofschijf ligt. Da’s echter niet het geval, de planeet staat er 21° boven. Zie daar het raadsel van HD 106906 b. Maar daar lijkt dus nu een oplossing voor te zijn.
Credit: UC-Berkeley. Credit: Paul Kalas.
De sterrenkundigen Paul Kalas en Robert De Rosa zijn gedoken in de DR2-gegevens van de Europese Gaia satelliet, die meer dan een miljard sterren in de Melkweg heeft bestudeerd. Daarbij keken ze vooral naar de gegevens van 461 sterren die behoren tot de Scorpius–Centaurus (Sco–Cen) associatie, een groep sterren waar ook HD 106906 toe behoort. Van die sterren heeft Gaia de exacte positie en snelheid gemeten. Daarmee konden Kalas en De Rosa terugrekenen waar die sterren eerder hebben gestaan en daaruit kwam naar voren dat er drie miljoen jaar geleden twee sterren heel dicht langs het systeem van HD 106906 moeten zijn gevlogen, de dubbelster genaamd HIP 59716 en HIP 59721. Die twee sterren zie je in de animatie hierboven rechts aangegeven. En die passage blijkt volgens Kalas en de Rosa de zwaartekrachtskick te hebben gegeven waardoor HD 106906 b IN het systeem van HD 106906 kon blijven en een stabiele, maar zeer lange baan rondom de moederster kon krijgen. De passage zorgde er voor dat HD 106906 b 21° boven het vlak van de stofschijf terecht kwam.
Credit: Dr. Paul G. Kalas
Zo´n passage van andere sterren is niet bijzonder. Ons eigen zonnestelsel werd zo´n 70.000 jaar geleden ook genaderd door een andere ster, de ster van Scholz die door de Oortwolk schijnt te zijn gevlogen. En wellicht dat het bestaan van die Oortwolk zelf ook samenhangt met de passage van een andere ster, eentje die ons zonnestelsel misschien meer dan vier miljard jaar geleden passeerde. Wellicht dat die passage ervoor zorgde dat de hypothetische Planeet Negen, waar de laatste jaren heel veel naar wordt gespeurd, ook in een ruime, maar stabiele baan rondom de zon terecht kwam. In die zin zou Planeet Negen ´onze´ versie van HD 106906 b zijn.
Het aanmeren van de Dragon Crew aan het Internationale Ruimtestation is om 11.51 Nederlandse tijd gelukt. Hierbij de live video verbinding. Het aanmeren stond op 3 maart om 3.30 lokale tijd gepland. Ook NASA TV zendt het live uit. En de draak is bij zijn staart gepakt ruim 2,5 uur later. De ISS astronauten zullen de capsule van binnen inspecteren. Lees verder →
Nieuwe beeldmateriaal afkomstig van ESA’s Mars Express Orbiter tonen oude fluviale netwerken van rivierbeddingen die zich door het Martiaanse landschap uitstrekken. Decennia lang onderzoek met gegevens van de Viking sondes, de Mars Global Surveyor en de Mars Express hebben sterke aanwijzingen dat rond zo een drie tot vier miljard jaar geleden de Rode Planeet veel ‘blauwer’ was dan nu. Op Mars bevonden zich grote netwerken van waterwegen van duizenden kilometers lang die al meanderend door het landschap trokken. Dat maakt dat de genomen foto’s van de Mars Express Orbiter niet zozeer een grote verrassing in zich dragen maar desalniettemin blijven die netwerken wel fraai om te zien. Deze beelden zijn van de zuidelijke hooglanden van Mars, een gebied dat zijn gebutste en uitgeslepen landschap te danken heeft aan talrijke kraters en oude drooggevallen beddingen van waterwegen.
MEO Huygens krater zuidelijke hooglanden credits; ESA DLR Universe Today
De topografie van deze nieuwe beelden volgend; het systeem is een vallei netwerk in de zuidelijke hooglanden van Mars, gesitueerd ten oosten van een grote impact krater Huygens genaamd en noord van Hellas, het grootste impact bassin van de planeet. Het water lijkt van de hoogtes afgestroomd te zijn in noord-zuid richting, dat op deze beelden van rechts naar links loopt. De valleien die ze achterlaten hebben, hebben een breedte van rond de 2 km en zijn 200 meter diep. Dit is het duidelijkst te zien op de foto (hierboven) waar rood het hoogst gelegen gebied is, dan loopt het af via de gele, groene en blauwe gebieden. De structuren lijken enigszins op aardse drainage systemen, wat de suggestie wekt dat ze overtollig water afvoerden afkomstig uit rivieren met krachtige stromingen. De bulk van het water mag dan verdwenen zijn, er zijn inmiddels indicaties dat er ondergrondse aquifers aanwezig zijn. Deze zouden bestaan in de vorm van zogeheten ijspakken of meren met vloeibaar water.
MeO meanderende rivieren credits; ESA DLR
De Mars Global Surveyor en de Mars Express Orbiter verzamelen data die het uitgangspunt vormen voor het onderzoek naar water op Mars. Netwerken van geulen die in langere en bredere kanalen uitmonden impliceren erosie werking door een vloeibare substantie en lijken sterke op oude aardse rivierbeddingen. De kanalen op Mars kunnen zeer breed zijn, tot 25 km, en honderden meters diep. Ze lijken afkomstig te zijn van ondergrondse aquifers in de zuidelijke hooglanden en af te lopen naar de noordelijke, vlakkere laaglanden. Het kanaal systeem lijkt zich flink te vertakken en vormt daarbij een soort van boom wortel structuren die afkomstig zijn van een centraal deel, dit type geomorfologie wordt ook wel ‘dendriet’ systeem genoemd, naar het Griekse woord voor ‘boom’, dendron.
Voor menselijke kolonisatie alsook om biomarkers voor de aanwezigheid van leven op Mars te vinden is water een belangrijk gegeven. De Mars Oceaan hypothese stelt dat ooit, zo een 4 miljard jaar geleden, een derde van het oppervlak van Mars bedekt was met een oceaan van water, de Paleo-Oceaan of Oceanus Borealis genoemd, en zou het bassin getooid met de naam Vastitas Borealis, gevuld hebben op het noordelijk halfrond van de planeet. Een regio die zich zo een 4,5 km onder het gemiddelde hoogte niveau van de planeet bevindt (een groot deel van het noordelijk halfrond bevindt zich op een lagere hoogte dan de rest van de planeet en is vrij vlak). Tijdens deze periode zou de atmosfeer dichter en het klimaat warmer geweest moeten zijn opdat het vloeibaar water aan het oppervlak kon blijven. Waar dit water allemaal gebleven is, is nog een andere grote vraag. In een notendop, zo stelt men, dat toen Mars afkoelde, de ocean(en) bevroren, en dat een deel van o.a. de noordelijke oceaan op de Vastitas Borealis vlakte nog altijd in deze staat zich onder de grond bevindt te midden van een laag stof en stenen. Het water kan ook door sublimatie in de atmosfeer komen en zich verder uitspreiden in de ruimte. Maar er zijn ook nog alternatieve theorieën. Deze stellen voor dat de oppervlakte geulen en kanalen veroorzaakt zijn door wind erosie, en dat er in plaats van water er sprake was van aanwezigheid van vloeibaar koolstofdioxide en methaan in deze meanderende kanalen. Bronnen; New Atlas / ESA / Wikipedia