Hebben ze nou weer gemineraliseerde organismen gevonden in een meteoriet van Mars?

Credit: NASA – Johnson Space Center

Jullie kennen vast nog wel het verhaal van ALH 84001, de meteoriet afkomstig van Mars, die gevonden werd in december 1984 bij de Allan Hills op Antarctica. In 1996 kwam Dr. David McKay van de NASA met de ‘ontdekking’ dat hij aanwijzingen in de meteoriet had gevonden voor het bestaan van leven op Mars en met die ontdekking werd de 1,93 kg wegende steen wereldberoemd. Het was een stelling waar vele wetenschappers het niet mee eens waren én zijn – de discussie gaat nog steeds door. En nu is daar opnieuw zo’n Marsmeteoriet: dit keer gaat het om Allan Hills 77005, alias ALH-77005, een 482,5 gram wegende meteoriet, die al in 1977 door Japanners in het ijs van de Zuidpool werd ontdekt – je ziet ‘m hierboven. Hongaarse onderzoekers hebben die steen onderzocht en ze zeggen in de steen organische materialen in gemineraliseerde vorm te hebben gevonden.

Het binnenste van de ALH-77005. Credit: NASA – Johnson Space Center

Het zou volgens hen gaan om fossiele resten van bacterieën, die van Mars afkomstig zouden zijn, de oorsprong van de meteoriet. De fossiele resten zouden zich bevinden in smeltholtes (‘melt pockets’), zodat volgens de onderzoekers uitgesloten is dat het gaat om leven met een aardse oorsprong. Over hun onderzoek hebben de Hongaren het artikel Mineralized biosignatures in ALH-77005 Shergottite—Clues to Martian Life? gepubliceerd in het tijdschrift De Gruyter Open Astronomy. De onderzoekers denken dat ook in andere meteorieten afkomstig van andere hemellichamen uit het zonnestelsels gemineraliseerde organismen kunnen voorkomen. Bron: Eurekalert.

Hayabusa2 heeft een kunstmatige krater gemaakt op planetoïde Ryugu

Impressie van het SCI experiment. Credit: JAXA.

De Japanse ruimteverkenner Hayabusa2 is erin geslaagd om op 5 april om 04.36 uur Nederlandse tijd een krater van ongeveer tien meter doorsnede te maken op de planetoïde Ryugu. De krater werd gemaakt door het zogeheten Small Carry-on Impactor experiment (SCI), een trommel van ongeveer 30 cm diameter en 22 cm lengte, die vol met explosieven zat en die aan de onderkant een koperen plaat had. Op 4 april maakte de SCI zich samen met de kleine DCAM3 camera’s op een hoogte van 500m boven het oppervlak van Ryugu los van Hayabusa2, die zelf vervolgens naar de ‘achterkant’ van de planetoïde vloog om te voorkomen dat ‘ie door vliegend puin geraakt zou worden. De SCI maakte een 40 minuten durende daling tot ‘ie explodeerde, ergens zo’n 100 tot 200 meter boven het oppervlak. Door de explosie werd de koperen plaat richting Ryugu afgevuurd en toen die met een snelheid van 2 km per sec tegen Ryugu knalde ontstond de krater – alles gadegeslagen vanaf een kilometer door DCAM3. En da’s allemaal gelukt! Hieronder een tweet van Hayabusa2, met daarin een foto van Ryugu, waarop je rechtboven aan de top een stoot aan materiaal de ruimte in ziet vliegen, veroorzaakt door de impact van de koperen plaat.

Eerder werd al eens een kogel van tantalum op Ryugu geschoten – bij de touchdown eind februari – en nu weer een koperen plaat. De wetenschappers doen dat omdat ze weten dat deze twee elementen van nature NIET op Ryugu voorkomen. In de waarnemingen die ze aan de inslagen doen kunnen ze dan gemakkelijk onderscheid maken tussen de elementen die van Ryugu zijn en de ‘aardse’ elementen. Hayabusa2 zal zich twee weken blijven verschuilen, om er zeker van te zijn dat er geen puin meer boven de inslagkrater hangt. Hij heeft wel contact met DCAM3, om daarmee een oogje in het zeil te houden. Over twee weken keert ‘ie weer terug naar zijn oorspronkelijke positie om de verse krater te kunnen bekijken. Later zal door JAXA worden beslist of Hayabusa2 materiaal uit de krater zal gaan inzamelen of dat daarvoor toch een andere plek wordt gekozen. Dat zal op z’n vroegst pas in juni gaan plaatsvinden. En dat verzamelde materiaal moet vervolgens weer terug naar de aarde worden gebracht. Bron: Gizmodo + Planetary Society.

Amazon ontwikkelt ‘Project Kuiper’ een mega constellatie van internetsatellieten

Amazon.com blijft het ene na het andere ambitieuze groeiplan uit zijn mouw schudden, van gezondheidszorg tot drone bezorging. Recent richt Amazon ook zijn blik op de ruimte en wil de online retail gigant breedband internet satellieten toevoegen aan zijn toch al niet geringe aanbod. Het initiatief, dat Amazon de codenaam ‘Project Kuiper’ heeft gegeven, zal in totaal 3236 satellieten gaan lanceren naar een lage aardebaan (LEO).

Lees verder

CHEOPS satelliet krijgt groen licht voor lancering

ESA’s CHaracterising ExOPlanets Satellite (CHEOPS) is recentelijk ‘flightready’ verklaard en staat momenteel tijdelijk geparkeerd in Madrid bij de Airbus Defence and Space – Spain (ASE) faciliteit. CHEOPS is klaar om verscheept te worden naar de lanceerbasis te Kourou in Frans Guyana alwaar de ruimtesonde geïnstalleerd zal worden op een Sojoez-Fregat raket. CHEOPS zal exoplaneten gaan bestuderen en gelanceerd worden later dit jaar tussen 15 oktober en 14 november 2019.

Lees verder

Micro-organismen overleven achttien maanden extreme condities in de ruimte

Achttien maanden lang werden honderden aardse micro-organismen blootgesteld aan de barre omstandigheden in de ruimte. BIOMEX is de naam van dit ESA/Roskosmos project – BIOlogy and Mars EXperiment – waarin de organismen in verschillende soorten grondsamenstellingen en omgevingscondities werden getest op hun uithoudingsvermogen in de extreme omstandigheden van de ruimte.  De kleine organismen waaronder bacteriën, schimmels en alg soorten, werden in containers aan de buitenkant van de Russische Zvezda module geplaatst en na intensieve studie bleek dat velen wisten te overleven. Lees verder

Over de superzware zwarte gaten Sgr A* en die in M87

Credit: NASA/Chandra.

Volgende week woensdag 10 april om 15.00 uur Nederlandse tijd gaan ze op persconferenties in Brussel, de Verenigde Staten, Chili, China, Taiwan en Japan de resultaten bekendmaken van de Event Horizon Telescope (EHT), het wereldwijde netwerk van radiotelescopen waarmee ze in 2017 en begin 2018 de superzware zwarte gaten Sagittarius A* (kortweg Sgr A*) en het mega-superzware zwarte gat in het centrum van het elliptische sterrenstelsel M87 hebben waargenomen. Hopelijk en mogelijk hebben ze met de EHT een close-up weten te fotograferen van de onmiddelijke omgeving van de waarnemingshorizon van die zwarte gaten. Goed moment om daarom even stil te staan bij wat we weten van die twee zwarte gaten en hoe groot hun waarnemingshorizon is, de grens waarbinnen de ontsnappingssnelheid groter is dan de lichtsnelheid en vanuit dat gebied zelfs licht niet meer kan ontsnappen.

  • Ten eerste Sgr A* in het centrum van ons eigen Melkwegstelsel. De afstand tussen ons en Sgr A* is 25.640 lichtjaar. De massa is op verschillende manieren gemeten, onder andere door de beweging van sterren zoals S2 in de omgeving van Sgr A* te meten, maar de uitkomsten zijn verschillend: ergens tussen 3,6 en 4,3 miljoen zonsmassa. De waarnemingshorizon van Sgr A* is naar schatting 25 miljoen km in diameter, als we even van die 4,3 miljoen zonsmassa uitgaan. Ter vergelijking: de kleinste afstand tussen Mercurius en de zon is 46 miljoen km. De ‘schaduw van het zwarte gat’ – een beeld van verbogen licht dichtbij die waarnemingshorizon – waarvan ze hopen dat de EHT die heeft gefotografeerd, is zelfs kleiner dan die 25 miljoen km, naar schatting zo’n 2,5 keer kleiner.  Die schaduw zou er zo uit kunnen zien:

    Credit: Avery Broderick.

    Het zou toch fantastisch zijn als de EHT erin is geslaagd die schaduw te fotograferen. Oh ja, in de buurt van Sgr A* wemelt het nog van de kleinere zwarte gaten, zoals dit middelgrote zwarte gat wat onlangs is ontdekt.

  • Dan dat mega-superzware zwarte gat in M87, een groot elliptisch sterrenstelsel in het centrum van de Virgo-cluster, een cluster van duizenden sterrenstelsels. Ook al staat dat stelsel véél verder weg dan Sgr A* – naar schatting is de afstand 53,5 miljoen lichtjaar, dan nog hebben de sterrenkundigen de EHT ook laten kijken naar het mega-superzware zwarte gat in het centrum van M87 en wel omdat ‘ie mega-superzwaar is en daarom een nog veel grotere waarnemingshorizon dan Sgr A* heeft. Ook bij deze moloch lopen de schattingen voor z’n massa uiteen: ergens tussen de 3,5 en 7,2 miljard zonsmassa, jawel een tikkie zwaarder dan Sgr A*. Die laatste waarde levert een waarnemingshorizon op die 50 miljard km in diameter is, da’s ruim acht keer de afstand tussen zon en Pluto. Per jaar schijnt er ongeveer een zonsmassa aan gas in het zwarte gat te vallen, zodat deze continu groeit.

Astrobloggers Jan Brandt en ondergetekende zijn er woensdag ook bij in Brussel, alwaar we eerst toegesproken zullen worden door Carlos Moedas, Europees Commissaris voor Onderzoek, Wetenschap en Innovatie. Daarna lichten de onderzoekers die betrokken zijn bij de resultaten van de EHT de resultaten toe. Jullie Astroblog-lezers zullen de eerste zijn die ’t te horen krijgen. D-) Ik zal t.z.t. hier een live screen plaatsen, via welke jullie direct de persconferentie kunnen volgen. Vol verwachting klopt ons hart wat ze ons laten zien over Sgr A* en M87.

VP Mike Pence wil al in 2024 Amerikanen op de maan – gaan ze dan ook eerder naar Mars?

Vorige week heeft de Amerikaanse vice-President Mike Pence tijdens een lezing voor de National Space Council verklaard dat de Verenigde Staten al in 2024 astronauten op de Maan willen zetten. Da’s vier jaar eerder dan wat president Trump eerder had aangegeven in z’n Space Policy Directive 1 uit 2017, toen die ’t over 2028 had. En da’s best ambitieus te noemen, nee wat zeg ik, da’s best gewaagd te noemen. Twee weken vóór Pence z’n toespraak liet het Witte Huis namelijk weten dat er bezuinigd gaat worden op de NASA, dat er 9% minder geld is voor de bemande Orion capsule en maar liefst 17% minder geld voor het Space launch System, de raket waarmee die capsule naar de maan moet worden gebracht. De ontwikkeling van Orion en SLS heeft afgelopen jaren al de nodige vertraging opgelopen – de lancering van Exploration Mission-1 zal naar verwachting pas ergens juni 2020 gaan plaatsvinden – en als er dan ook nog eens minder budget is zal dat de zaak niet eenvoudiger maken.

Impressie van de lancering van de SLS. Credit: NASA/Boeing.

Pence vergrootte in z’n toespraak de druk op de NASA nog eens door te zeggen dat die datum hard was en dat ‘ie gedaan moest worden “by any means necessary“, inclusief de inzet van bijvoorbeeld commerciële partijen. En mochten de NASA en z’n partner Boeing er niet in slagen om binnen vijf jaar Amerikanen op de maan te zetten, dan – zo zei Pence “we need to change the agency, not the mission.” Jawel, dat liegt er niet om, ’t klinkt in mijn ogen zelfs als een soort dreigement. NASA Administrator Jim Bridenstine, door het Witte Huis aangesteld als baas van de NASA, heeft in een reactie aangegeven dat het allemaal haalbaar is. Sterker nog, volgens hem betekent het dat er nog eerder Amerikaanse astronauten op Mars kunnen staan, volgens Bridenstine mogelijk al in 2033. Voorwaarde is wel dat er meer geld komt, zo zei hij deze week tegenover het comité van het Amerikaanse congres, dat zich bezig houdt met NASA’s budget voor 2020.

Jim Bridenstine op 2 april voor het comité van het Congres. Credit: NASA/U.S. Congress

Vóórdat Pence met z’n doel kwam was de NASA van plan om voor 2020 $ 21 miljard te vragen, maar gezien de noodzaak om de versnelling van het doel te financieren zal er uiterlijk 15 april een extra aanvraag voor budget komen. Hoeveel dat zal bedragen is niet bekend. Om te komen tot dat doel van Amerikanen op de maan in 2024 zal er niet alleen versneld moet worden gewerkt aan de combi van SLS en Orion, maar zal er ook een Lunar Gateway moeten komen, een station dat rond de maan vliegt en van waaruit bemande landingen op de maan mogelijk zijn. Een impressie daarvan zie je in de afbeelding hieronder, waarin je links de Orion het station ziet naderen.

Credit: NASA

Maar da’s dan meteen het volgende probleem – ehhh… noem het de volgende uitdaging voor de NASA – want die Lunar Gateway én het landingstoestel bestaan nog alleen maar op papier, de aanbesteding voor wie deze mogen gaan bouwen moet nog plaatsvinden. Het is dan ook niet voor niets dat Phil Plait, de Bad Astronomer, heeft gezegd dat het plan van Pence een politieke stunt is, die gedoemd is te mislukken, tenzij er heel veel geld bij komt. Nou, komende weken maar kijken of het Witte Huis én het Congres het pleidooi om extra geld gaan honoreren. Bron: Gizmodo + Bad Astronomy.

Arp 299, galactische werelden in botsing

Arp 299/ NGC 3096 a&b in het sterrenbeeld Ursa Major

Nou ja….bijna botsing dan, eigenlijk meer een “near miss” want dat is het geval met dit object/deze objecten,  nummertje 299 uit de illustere “Atlas of peculiar galaxies”,  zijnde een grote fotografische papieren vergaarbak van een “x-aantal” grote, kleine, afwijkende, maffe, freaky exemplaren uit de wondere wereld der heelal-eilanden, of melkwegstelsels zo U wilt.

Enne…..ik geloof dat ik maar eens lekker een nieuwe astrofotografische “guilty pleasure-verslaving” tot de mijne ga maken in de vorm van het schieten van nog meer (meestal best wel moeilijke) plaatjes van objecten uit deze “atlas of peculiar galaxies”,  welke ooit langgeleden ergens in de jaren zestig  samengesteld is door de amerikaanse astronoom Halton C. Arp……enne… “Not because it is easy but because it is hard”,  zoals een zekere JFK dat ooit zo mooi verwoordde tijdens zijn beroemde Apollo-maanlandings-speech begin jaren zestig!!  Deze fotografische atlas,  gemaakt met behulp van de 200 inch Hale telescoop op Palomar mountain,  bevat in totaal 338 opnames van 70 minuten elk van melkwegstelsels die wat uiterlijk betreft afwijken van de doorsnee “huis, tuin en keuken-(spiraal en elliptische) melkwegstelsels”.

Omdat er destijds nog niet zoveel bekend was aangaande de natuurkundige processen die verantwoordelijk zijn voor al deze afwijkingen van de “standaardvorm” is er bij de keuze van de 338 objecten eigenlijk alleen maar afgegaan op afwijkende uiterlijke kenmerken.  Zaken zoals  “supermassive black holes”, Active Galactic Nuclei, starburst galaxies..etc..etc…  en de bij deze verschillende astrofysische processen bijbehorende verschijningsvormen waren begin jaren zestig nog niet echt ingeburgerd in de wereld van de toendertijdse sterrenkunde.

Hoe anders is dat nu met dank aan de mega sprongen die er de afgelopen 50 jaar in de sterrenkunde zijn gemaakt,  zowel op theoretisch gebied als op het terrein van de techniek van het waarnemen. Volgende week gaan Arie en ik naar Brussel om aldaar de persconferentie bij te wonen waarbij naar alle waarschijnlijkheid na iets van, bij wijze van spreken,  “zeven maanden belichten en anderhalf jaar subjes stacken” met behulp van a mega large very long baseline synthesis radiotelescope (de Event Horizon Telescope)  de “moeder aller astro-opnames” in de vorm van een “kiekje” van het superzware gat in het centrum van ons eigen melkwegstelsel zal worden getoond!!

Tja…..in dat heavy zwarte gaten-licht bekeken voel ik me natuurlijk maar een heel piepklein wit Biesbosdwergje met mijn 20cm pruts-Newtonnetje en die luttele 30 minuten belichten plus nog eens een uurtje of wat  digitaal stoeien en knoeien.  Maar ach…..toch wel een heel gelukkig piepklein wit Biesbosdwergje, hoor….want..eh…hoewel de meeste objecten uit de “The atlas of peculiar galaxies” dus bepaaldelijk niet tot het meest makkelijk te verteren astrofotografisch voer behoren en al helemaal niet voor de beperkte (belichtingstijd) middelen die ik tot mijn beschikking heb, is er zelfs op mijn bescheiden opname best wel duidelijk te zien dat er weldegelijk “iets heftigs gaande is” tussen NGC 3690 A en NGC 3690 B (tesaam vormend Arp 299).

Dat “heftige” houdt dan in dat iets van 700 miljoen jaar geleden deze twee  fullblown balkspiraalstelsels, beiden voorzien van een actief superzwaar zwart gat in hun beider galactische centra, elkaar op zeer korte afstand zijn gepasseerd met alle heftige vervormende gravitationele getijdenwerkingen van dien,  waardoor beide merkwegstelsels in heel korte tijd verworden zijn tot zogenaamde “starburst galaxies”.

Starburst galaxies zijn melkwegstelsels waarbij er door de heftige gravitationele interactie tussen beide melkwegstelsels een vloedgolf aan stervorming op gang is gekomen.  Een bij dit soort van “close encounters of the galactic kind” vaak voorkomend  verschijnsel,  zie bijvoorbeeld ook bij Messier 82 die samen met Messier 81 en NGC 3077 een interacterend groepje vormt..EN…laten we ook ons eigen melkwegstelsel niet uitvlakken, want die gaat binnenkort (nou ja…over een jaartje of 3 miljard!!) samen met Messier 31 (de grote Andromeda-nevel)  een…eh…”gezellig spelletje Arp spelen”!!!

Maar goed, dit terzijde…. Met dank aan dit  mega stervormingsproces is Arp 299 tevens ook nog eens bijkans “hofleverancier” van supernovae geworden met nu in totaal alweer 8 supernovae. Tijdens zo’n starburst-proces worden sterren in vele soorten en smaken gevormd en zo ook een heleboel van die waterstof slurpende “zware jongens” (sterren met een massa van boven de  zeg maar een zonsmassa of vier)  met het sterrenlevensmotto “live fast, die young, die supernova”!!  En alsof dit nog niet genoeg is (zie Astroblogs 16 juni 2018) heeft één van de twee leden van Arp 299 ook nog eens onlangs gezellig “een broodje ster weggeschrokt”!!!……Ja..ja…je zou daar maar op een lokaal planeetje op die dikke 150 miljoen lichtjaar afstand  met je telescoopje naar deze lokale  nacht-pracht-spektakel-hemel mogen gluren..wow!!!

Ok…..”het hele geval” is op mijn plaatje maar bar klein en spectaculaire hubble space telescope-achtige details zijn er natuurlijk ook niet op te zien , maarre… als ik mijn opname dan weer heel onbescheiden vergelijk met bijvoorbeeld de originele 200 inch Hale opname…..nah….dan vind ik em best wel te hoegen!!! In elk geval zodanig te hoegen dat ik zeker nog een paar van die “kekke Arpjes” uit de lucht wil gaan plukken. Afijn,  U zijt allen van harte gegroet!!!

De universele versnellingsfactor van donkere materie-alternatief MOND lijkt niet te bestaan

De vlakke rotatiecurve van het sterrenstelsel M33. Credit: Stefania.deluca

Onder andere op grond van de galactische rotatiecurves (zie de afbeelding hierboven als voorbeeld) denken sterrenkundigen al heel lang dat er meer materie moet zijn dan we met telescopen en andere instrumenten kunnen zien. Van alle materie in het heelal zou pakweg 85% bestaan uit onzichtbare, donkere materie, de rest is gewone materie (waaruit sterren en planeten, nevels, kometen, planetoïden en wij bestaan). Er zijn meer redenen waarom donkere materie zou bestaan, maar die galactische rotatiecurves, waarvoor Vera Rubin in het begin van de jaren zeventig baanbrekend werk heeft verricht, is wel een echte pijler. Maar ja, wat nou als die galactische rotatiecurves niet verklaard worden door donkere materie, maar door iets anders? Kloppen de zwaartekrachtswetten van Newton wel, op grond waarvan die theoretische curves berekend worden? Enter MOND, de Modified Newtonian dynamics die in 1982 voor het eerst werd voorgesteld door Mordehai Milgrom.

Credit: Davi C. Rodrigues et al (Federal University of Espírito Santo)

Het model van donkere materie zegt dat de verhoogde snelheid van materie in de buitenste delen van sterrenstelsels – waar volgens Newton’s wetten een afname van de snelheid te zien zou moeten zijn – komt door de aanwezigheid van een halo van donkere materie. Nee zegt MOND, die verhoogde snelheid komt niet door donkere materie, maar doordat de wetten van Newton onvolledig zijn. Wat er mist is een universele versnellingsfactor, een fundamentele factor die ao wordt genoemd en die voor een extra versnelling van materie in de buitenste delen van sterrenstelsels zou zorgen. Met die factor zouden de galactische rotatiecurves verklaard kunnen worden zónder donkere materie nodig te hebben. Maar dan is de volgende vraag natuurlijk: is er wel zo’n universele versnellingsfactor? Enter Davi C. Rodrigues en z’n team (Federal University of Espírito Santo in Brazilië). Zij onderzochten 193 rotatiecurves van sterrenstelsels om te kijken of zo’n universele versnellingsfactor bestaat. Daarvoor berekenden ze eerst de theoretische rotatiecurves op grond van de klassieke Newtoniaanse wetten van die 193 sterrenstelsels en daarna vergeleken ze die met de waargenomen curves. Het verschil tussen die twee zou de universele versnellingsfactor ao moeten zijn. Maar wat kwam er uit het onderzoek naar voren: dat er niet één universele versnellingsfactor is, maar dat alle stelsels een eigen factor hebben (zie de grafiek hierboven). Die factor zou verband houden met de eigenschappen van het sterrenstelsel zelf, een universele factor is er niet. Ergo: dé pijler onder MOND is weggevallen, het alternatief voor donkere materie lijkt een gevoelige klap te hebben gehad. OK, de MOND-aanhangers geven zich niet over, want ze zeggen dat Rodrigues et al geen rekening hebben gehouden met de inclinatie, de hoek waarop we het vlak van de spiraalstelsels zien. Wordt vast en zeker vervolgd. Hier voor de liefhebbers het artikel over de waarneming aan de 193 sterrenstelsels, verschenen in Nature. Bron: Astrobites.

Mars Express bevestigd de methaanpiek die Curiosity in 2013 op Mars waarnam

Voorstelling van de Mars Express. credit: ESA/ATG medialab; Mars: ESA/DLR/FU Berlin, CC BY-SA 3.0 IGO

Het is alweer een poosje geleden, maar op zaterdag 15 juni 2013 – ik deed toen net de boodschappen voor de hele week – detecteerde de Marsrover Curiosity in de Gale krater op Mars een kortstondige uitstoot van methaan (CH4) – sla deze Astroblog er nog maar eens op na. Deze week bleek dat met ESA’s Mars Express, een ruimteverkenner die sinds 2004 al weer rondjes om de Rode Planeet draait, een bevestiging is gedaan van die specifieke waarneming. Een team van wetenschappers heeft alle data er nog eens op nageslagen en daaruit kwam naar voren dat de met de Planetary Fourier Spectrometer (PFS), een instrument aan boord van de Mars Express, op 16 juni 2013, dus een dag na Curiosity’s waarneming, óók een korte uitstoot van methaan is gemeten. Wist Curiosity met z’n Tunable Laser Spectrometer – Sample Analysis at Mars instrument (TLS-SAM) een methaangehalte van 6 parts per billion (ppb – 6 deeltjes op één miljard andere deeltjes) te meten, die PFS wist een concentratie van 15 ppb te meten en wel in hetzelfde gebied als waar Curiosity zich bevindt (zie de afbeelding hieronder).

credit: ESA/ATG medialab; Mars: ESA/DLR/FU Berlin, CC BY-SA 3.0 IGO

Op basis van die gemeten hoeveelheid denken de wetenschappers dat er in een gebied met een oppervlak van 49.000 km² die dag ongeveer 46 ton methaan is uitgestoten. Grote vraag is dan natuurlijk wat de bron is van dat methaan. Ook op de aarde is er uitstoot van methaan en we weten dat daar twee oorzaken voor kunnen zijn: een biologische oorsprong én een geologische oorsprong. In dit geval denkt men met een geologische oorzaak te maken te hebben: er is daar op Mars een gebied met tektonische breuklijnen dat bedekt wordt door een ondiepe laag ijs (permafrost). Methaan dat – in de vorm van zogeheten clathraten – opgeslagen is in de bodem, zou vrij kunnen komen door geologische processen of eventueel door meteorietinslagen. Zie ook de afbeelding hieronder daarover.

Hoe methaan kan worden geproduceerd en afgebroken op Mars. credit: ESA/ATG medialab; Mars: ESA/DLR/FU Berlin, CC BY-SA 3.0 IGO

Over de bevestiging van de detectie van de methaanuitstoot werd dit artikel in Nature Geoscience gepubliceerd:
Independent confirmation of a methane spike on Mars and a source region east of Gale Crater”. Bron: ESA.