NGC 5466 en Lacerta Mgen, twee pareltjes

NGC 5466, een bolvormige sterrenhoop in het sterrenbeeld Ossenhoeder

Tja…..tja….tja….wat moet ik nu in hemelsnaam met dit blogje?? Even heel zwaar in tweespalt aangaande twee zeer onverwachte astronomische pareltjes welke deze week mijn Biesbospad hebben gekruist. In principe is astroblogs niet echt de juiste website voor een zogenaamde “product-review” en dus is een lovend verhaal met de titel “Lacerta Mgen zou Lacerta M Gem moeten heten” eigenlijk hier niet echt op z’n plaats….MAARRE….nu ik het desbetreffende onderwerp toch heb aangetikt kan ik het toch echt niet nalaten om luid en uitbundig (nog een keertje) de loftrompet te laten schallen als het gaat om de kwaliteit en het gebruikersgemak van dit kekke stukkie “astrospeelgoed”!! De aanschaf en ingebruikname van die Lacerta Mgen gaat echt wel gepaard met het, met aangenaam grof geweld, omver meppen van een paar astrofotografische zeer heilige huisjes en tevens ook met een vette revolutie als het gaat om mijn astrofotografische “Biesbosbeleving”!!

Een van die heilige huisjes welke derhalve bij deze astrofotosessie royaal en met verve omver is gemept betreft mijn brave heilige 76mm F 9.2 volgnewton, want…..snik…die is helaas niet meer.  Geen ramp, hoor….mijn kleine spiegelende astrofotografie-assistent heeft nu haar eigen parallactische montering gekregen en zal mij binnenkort weer gaan vergezellen op mijn astrofotografie-expedities als klein pretkijkertje tijdens het wachten als de grote 20cm Newton bezig is met subjes schieten!!

In de goede ouwe tijd was er een soort van bijkans heilige stelregel die “verordonneerde” dat, wilde je mooi-gevolgde strakronde sterpuntjes verkrijgen, de gebruikte volgkijker minimaal een brandpuntsafstand moest hebben van twee maal die van de hoofdkijker, de kijker waar de camera aan vast zat geknoopt. Ofwel in mijn specifieke geval zou dat neerkomen op een volgkijker/volgnewton een brandpuntsafstand van minimaal twee meter (2 x maal 1.20 maakt 2.40 m). Natuurlijk is dat mechanisch een onmogelijke opgave maar dat kan je optisch oplossen door het gebruik van een goede Barlowlens waarmee je “kunstmatig” de brandpuntsafstand van je volgkijker kunt verdubbelen of nog meer.

Mijn 76mm volgnewtonnetje met een brandpuntsafstand van 700 mm zou dan “volgens het goede ouwe tijd boekje” met een 3x Barlow een kunstmatige brandpuntsafstand van 2.10 m verkrijgen……ENNE….daar bleek echt totaal niet mee te werken. Het vinden van een bruikbare heldere volgster was door dat piepkleine beeldveld nagenoeg onmogelijk…en dus…moest er “astronomisch gepolderd” worden en wel in de vorm van het toepassen van een minder sterke Barlowlens om kans op het vinden van bruikbare helder genoeg zijnde volgsterren nog enigszins haalbaar te maken,  iets wat dan wel weer ten koste ging van het behalen van de gewenste volgnauwkeurigheid.

In de dagelijkse astrofotografische praktijk van de afgelopen 10 jaar was dat gedoe van het vinden van een bruikbare volgster heel vaak echt een waar drama. Stond het te fotograferen object eindelijk mooi gepositioneerd in het beeldveld was er natuurlijk nergens ook maar iets van een heldere volgster te vinden en was het kiezen geblazen tussen het gebruiken van een loeierzwakke volgster op de rand van detecteerbaarheid met alle bijbehorende volgfouten van dien..OF…danmaar het noodgedwongen verplaatsen van het object naar een minder etisch verantwoorde plek in het beeldveld om alsnog iets van een bruikbare volgster “bij de kloten te kunnen vatten”.

Kort samengevat……een heel gedoe allemaal en wat heb ik mezelf toch eigenlijk  aangedaan met dat zolang krampachtig vast te willen houden aan dat handmatige volgen?? Maar goed…..dat is dan wellicht iets voor de geschiedkundig ingestoken “witjassen” om later nog eens lekker over te brainstormen!!

Ik had het dus over het omver meppen van heilige huisjes en met de aanschaf van dit stand alone volgsysteem ben ik dus in ene grote klap verworden van een hyperaktieve hands on astrofotograaf tot een zogenaamde “A V D E-astrofotograaf”..enne…”A V D E” staat dan voor ” achterwiel van de Eend” want tijdens het opnameproces is dat de plek waar ik dan een beetje achteloos nonchalant tegenaan zit te leunen, volkomen gebiologeerd en in opperste verwondering starende naar die razendsnel aan en uit knipperende rode ledlampjes die het automatisch knopjes drukken weergeven waar de Lacerta op dat moment zo druk en onmenselijk feilloos mee bezig is!!

Het tweede heilige huisje wat nu dus het loodje heeft moeten leggen is de noodzaak van het menen gebruik te moeten maken van “een dikke volgkijker”, met mijn welgemeende dank aan zeer gewaardeerd astroblogs en astrofoto-collega Jan Heuser. Hij vertelde mij namelijk alweer een tijdje geleden dat hij met zijn autoguider volgsysteem gebruik maakte van een…50mm zoeker!! Eh…..een 50mm k…tzoekerje met een brandpuntsafstand van slechts 18cm…en da’s dan voldoende om een hoofd/foto-kijker met een brandpuntsafstand van een meter of meer in het gareel te houden??? Sorry hoor, …..dat kon er bij mij echt niet in…en vandaar mijn oorspronkelijke beslissing om die grote zware volgnewton alsnog gewoon te willen behouden. Maar ja…..het verschil in omvang en mee te sleuren gewicht tussen zo’n dikke volgnewton en zo’n piepklein 50mm zoekertje is nogal niet wat…..knaag…knaag…pieker de pieker…en dus dan toch uiteindelijk maar “maatregelen genomen”.

Et voila,  dit…..bezien vanuit het oogpunt van vereiste (hoge)volgkwaliteit… moeilijke (test)object in de vorm van een zeer losse bolvormige sterrenhoop zijnde NGC 5466 in het sterrenbeeld Ossenhoeder, in al zijn retestrakronde sterretjes glorie…en al dit moois is verkregen door 50 minuten (10 subjes van 5 minuten) te belichten terwijl mijn 20cm F6 (1.20 meter brandpunt) zonder ook meer enige moeite strak in het gareel werd gehouden door de Mgen/M Gem (!!) vastgeknoopt aan mijn oude lichtgewicht 50mm zoekertje…wonderlijk…wonderlijk…wonderlijk!!

Ofwel…..ik ben niet snel onder de indruk te krijgen van nieuwe al dan niet digitale gadgets…maarre….voor dit “Mgen-gebakkie plus 50mm zoeker” maak ik toch echt even een hele dikke vette uitzondering, hoor!!!

Afijn…tot zover het eerste hemelse pareltje van dit epistel en dan nu het tweede..want..eh….het doelwit mijner meest recente driftige astrofotolusten mag er mijns inziens onverwacht eigenlijk ook best wel heel erg wezen.

NGC 5466 is een “rijk besterde” bolvormige sterrenhoop met een wel zeer losse structuur,  te vinden in het sterrenbeeld Ossenhoeder (Bootes) op een afstandje van zo’n 50 000 lichtjaar,  zo ongeveer pal naast die andere blockbuster bolvormige sterrenhoop in de regio,  zijnde Messier 3…enne…net zoals dat het geval is met M92 in het sterrenbeeld Hercules die volledig overschaduwd wordt door het zeer nabij staande mega-object “the big and glorious globular cluster M 13”,  zit ook NGC 5466 hier in het “astronomische verdomhoekje”. Yep….M3 is groter en behoorlijk veel helderder dan NGC 5466 en ook visueel is M3 een veel toegankelijker object…maarre… zeg nou zelf….deze best wel grote rijke groep ver weg staande staande fijn spookachtig zachtkens gloeiende hemelpareltjes is toch een waar feest voor onze nedrige mensen-oogjes!?!

‘YaEDU’ een nucleaire raketmotor voor Ruslands toekomstig ruimtevliegtuig à la SpaceShipTwo

Een nucleaire raketmotor kan een revolutionaire omwenteling betekenen in verre ruimtereizen binnen het zonnestelsel. Al ruim tien jaar zijn Russische ruimtevaart ingenieurs bezig een nucleair aandrijvingssysteem genaamd ‘YaEdU’ te ontwikkelen voor de ruimtevaart. YaEDU (Nuclear Propulsion and Power Engine System) bestaat uit een kleine snelle neutronenreactor (FNR), een elektriciteitsgenerator gevoed door de reactor warmte en stuwmotoren die voorzien worden van stroom door de generator.  De nucleaire kernreactor heeft een elektrisch vermogen van 1 MW en wordt gebouwd door het Russische Keldysh Space Center i.s.m. Rosatom. Volgens het Russisch persbureau RIA Novosti is eind vorig jaar een cruciaal component (drop emitter radiator) succesvol getest voor YaEDU en hiermee weer een stap gezet in de ontwikkeling van het systeem waarop Roskosmos al vooruit denkt aan toepassingen in onder andere een toekomstig ruimtevliegtuig à la SpaceShipTwo en een nucleaire raket ‘TEM’ (Transport and Energy unit/NPPS).

Lees verder

Krimpende maan produceert mogelijk nog steeds maanbevingen – vooral tijdens apogeum

Een van de breuklijnen op de maan. Credits: NASA/GSFC/Arizona State University/Smithsonian

Dat de maan krimpt doordat ‘ie langzaam maar zeker afkoelt was al langer bekend – de afgelopen paar honderd miljoen jaar is ‘ie zo’n 50 meter in diameter kleiner geworden – maar dat de maan vandaag de dag nog steeds tektonisch actief is en er maanbevingen plaatsvinden is nu pas bekend geworden. Een team van planeetdeskundigen onder leiding van Thomas Watters (Smithsonian’s National Air and Space Museum in Washington) heeft de gegevens van de seismometers die door de Apollo 11, 12, 14, 15 en 16 missies op de maan zijn geplaatst geanalyseerd en daaruit blijkt dat er tussen 1969 en 1977 maar liefst 28 ‘ondiepe maanbevingen’ plaatsvonden, die een sterkte hadden van 2 tot 5 op de schaal van Richter. Van die 28 maanbevingen vonden er acht plaats in de buurt van  jonge scheuren of breuklijnen (Engels: faults), dat zijn een soort steile kliffen van enkele meters diepte en kilometers lengte, die ontstaan door de horizontale krimp van de maankorst. Zoals een druif rimpels krijgt als ‘ie kleiner wordt tot een krent, zo krijgt de maan breuklijnen als ‘ie kleiner wordt. Met de Lunar Reconnaissance orbiter (LRO) van de NASA heeft men wel 3500 van die breuklijnen gevonden. Van die acht bevingen waren er zes die plaatsvonden op het moment dat de maan in z’n apogeum stond, het punt in zijn baan dat ‘ie het verst van de aarde verwijderd is, da’s een punt waarop de getijdewerking het sterkst is en verschuivingen langs de breuklijnen het vaakst plaatsvinden. Met de LRO wil men gaan kijken of er tussen 2009 – het jaar dat de orbiter begon met het fotograferen van de breuklijnen – en nu verschillen te zien zijn, wijzend op recente maanbevingen. Over één van die breuklijnen, de Lee Lincoln scarp, gelegen in de buurt van waar de Apollo 17 landde, gaat de video hieronder.

Bron: NASA.

Ockels’ Erfenis

Wubbo Ockels (28 maart 1946 –  18 mei 2014), natuurkundige, astronaut en duurzaamheidsstrijder, wordt geportretteerd in een documentaire over zijn leven en werk welke wordt uitgezonden op 18 mei a.s., exact vijf jaar na zijn overlijden. De documentaire, zie trailer hieronder, wordt getoond op NPO2 en is gemaakt door Daan van Alkemade. Lees verder

Mega draaikolk beter in beeld vanuit de ruimte

Een team oceanografen heeft met behulp van satelliet monitoring een beter beeld gekregen van de gigantische draaikolk in de Indische Oceaan bekend als de ‘Great Whirl’. Deze ontstaat en verspreidt zich ieder jaar vanaf de Oost-Afrikaanse kust ter hoogte van Somalië. Dit onderzoek, onder leiding van Bryce Melzer van Stennis Space Center te Mississippi, kan tot een betere neerslag voorspelling leiden wat o.a. ten gunste komt aan de landbouw in gebieden waar de moesson* waait. Maar liefst 23 jaar aan verzamelde satellietdata hebben de onderzoekers gebruikt voor hun studie. Hieruit blijkt dat de draaikolk nog groter en ouder is dan men dacht. Op zijn piek spreidt de gigantische stroom zich wel over een 275.000 km2 uit en houdt zo een 200 dagen per jaar aan. Lees verder

De klimaatopwarming komt in ieder geval niet door de zon

Credit: NASA/SDO.

Dat het klimaat op aarde warmer wordt kan niet meer ontkend worden, alle metingen van de afgelopen honderdveertig  jaar geven een globale stijging van de gemiddelde temperatuur aan. Alleen over de oorzaak van de klimaatopwarming kan je nog discussie hebben en da’s gelet op de klimaatsceptici ook flink gaande. Toch kan één ding zeker worden uitgesloten als oorzaak van de klimaatopwarming: de zon.

Ja, natuurlijk heeft de zon grote invloed op het klimaat op aarde, iets wat feitelijk al miljarden jaren het geval is. Maar op de vraag of de zon ook verantwoordelijk is voor de klimaatopwarming die nu gaande is kan definitief ontkennend worden geantwoord. Wetenschappers hebben daarvoor gekeken naar de sterkte van de zonnestraling, de hoeveelheid energie van de zon die de atmosfeer van de aarde bereikt, uitgedrukt in watt per vierkante meter. Die wordt al sinds 1880 gemeten, sinds 1978 met behulp van sensoren in satellieten. Wat blijkt: zoals uit de grafiek hieronder is te zien is er géén stijgende lijn in de zonnestraling te zien, terwijl de globale temperatuur wel een stijgende lijn vertoont. De twee lijnen lopen duidelijk uiteen, een verband kan er niet zijn.

De rode lijn geeft de gemiddelde temperatuur op aarde aan, de gele lijn de hoeveelheid zonnestraling (de dunne gele lijn geeft de jaarlijkse zonnestraling weer, inclusief de elfjarige cyclus, de dikkere lijn geeft het gemiddelde weer). Credit: NASA.

Indien de zon verantwoordelijk zou zijn voor de klimaatopwarming zou de temperatuur in alle lagen van de atmosfeer moeten stijgen, van het aardoppervlak tot de hoogste delen, de stratosfeer. Maar ook hier blijkt de werkelijkheid anders: aan het oppervlak is een stijging van de temperatuur gaande, in de stratosfeer blijkt een daling van de temperatuur plaats te vinden – een duidelijk teken dat de opwarming veroorzaakt wordt door broeikasgassen in de onderste lagen van de atmosfeer. De zon kan dus niet de bron zijn van de klimaatopwarming. Bron: NASA.

Een overzicht van de bronnen van zwaartekrachtgolven

Credit: C. Henze/NASA Ames Research Center

Het bestaan van zwaartekrachtgolven of gravitatiegolven werd voor het eerst geopperd door Henri Poincaré in een artikel dat op 5 juni 1905 verscheen, Sur la dynamique de l’électron (Comptes Rendus de l’Académie des Sciences 140, 1504-1508). Het was Albert Einstein die in 1916 op basis van z’n Algemene Relativiteitstheorie (die een jaar eerder was verschenen) hun bestaan ook mathematisch aantoonde. Met de detectie op 14 september 2015 door de LIGO detector in de VS van zwaartekrachtgolf GW150914, veroorzaakt door een zwart van 35 zonsmassa’s dat botste tegen een zwart gat van 30 zonsmassa’s, werd het daadwerkelijke bestaan van zwaartekrachtgolven aangetoond. Sindsdien zijn met de LIGO- en vervolgens ook de VIRGO-detectoren al vele zaartekrachtgolven gedetecteerd en die zijn niet alleen veroorzaakt door botsende zwarte gaten. Daarom dit overzicht van de verschillende bronnen van zwaartekrachtgolven, sommigen daarvan daadwerkelijk waargenomen, anderen nog hypothetisch.

Een illustratie met een overzicht van alle bronnen van zwaartekrachtgolven. Op de horizontale as zie je de frekwentie van de golven, op de vertikale as de intensiteit. Zie deze Astroblog voor meer informatie over de frekwentie van zwaartekrachtsgolven. De gebogen lijnen in de illustratie zijn de limieten voor de huidige en toekomstige detectoren, wat ze kunnen waarnemen. De tabel hieronder geeft meer informatie over de verschillende bronnen. Credit: Astronomy: Roen Kelly, after C. Moore, R. Cole, and C. Berry (Institute of Astronomy, Univ. of Cambridge

#BronStatusInformatie
1Botsingen van twee zwarte gaten.OntdektEerst met de LIGO- en daarna ook met de VIRGO-detectoren zijn deze al vele malen ontdekt., gedurende waarneemperiode O1 en O2 tien maal.
2Botsingen van twee neutronensterren.OntdektHet was met de zogeheten kilonova GW170817 dat LIGO en VIRGO zwaartekrachtgolven detecteerden van twee botsende neutronensterren.
3Botsingen van twee witte dwergenNog niet gedetecteerdZo'n botsing levert vermoedelijk een type Ia supernova op en die zou ook zwaartekrachtgolven moeten produceren. Mits dichtbij (in ons eigen Melkwegstelsel) zou dat met LIGO detecteerbaar moeten zijn.
4Botsing van een neutronenster met een zwart gatVermoedelijk ontdektOp 26 april j.l. werd door LIGO en VIRGO tijdens O3 gebeurtenis #S190426c gedetecteerd, vermoedelijk een botsing van een neutronenster en zwart gat 1,2 miljard lichtjaar van ons vandaan.
5Een botsing met een middelmatig groot zwart gatNog niet gedetecteerdNaast 'gewone' stellaire zwarte gaten en superzware zwarte gaten zijn er ook middelmatig grote zwarte gaten, van duizenden tot honderduizenden zonsmassa. Die zouden ook kunnen botsen met een kleiner zwart gat of een neutronenster.
6Hobbelige neutronensterrenNog niet gedetecteerdNeutronensterren bevatten tot max. 1,5 zonsmassa in een bolletje van max. zo'n 20 km in doorsnede. Als ze niet helemaal glad zijn, maar 'bergen' bevatten (van ca. 1 mm hoogte, jawel 1 mm) dan wiebelen ze een beetje en dat levert zwaartekrachtgolven op.
7SupernovaeNog niet gedetecteerdExploderende zware sterren of witte dwergen zouden ook zwaartekrachtgolven kunnen produceren. Wil LIGO die kunnen detecteren moet het wel een supernova in onze eigen Melkweg zijn.
8De oerknal: primordiale zwaartekrachtgolvenNog niet gedetecteerdOok de oerknal zelf genereerde zwaartekrachtgolven. Op 17 maart 2014 dacht men met BICEP2 die golven te hebben gedetecteerd, maar later bleek dat stof uit de Melkweg dat signaal veroorzaakte.
9Superzware zwarte gatenNog niet gedetecteerdDe superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels zouden kunnen botsen met kleinere stellaire of middelmatig grote zwarte gaten, maar ook met andere superzware zwarte gaten.

Bron: onder andere Science News.

Ze gaan proberen donkere materie te detecteren met een… sneeuwbal kamer!

Credit: Jill Wellington/Pixabay.

Een maand geleden werd in een bijeenkomst van de American Physical Society (APS) in Denver (Colordado, VS) een presentatie gegeven door Matthew M. Szydagis (University at Albany, State University at New York) – hier te bekijken. Strekking van de presentatie: laten we proberen om donkere materie, de mysterieuze onzichtbare materie waar 85% van alle materie in het heelal uit bestaat, te detecteren met behulp van supergekoeld water in een zogeheten ‘sneeuwbal kamer’.

De sneeuwbal kamer. Credit: Szydagis et al.

Superkoeling of onderkoeling is het afkoelen van een vloeistof tot beneden haar kristallisatiepunt, de temperatuur waarbij het een vaste toestand krijgt. Dat kan als die vloeistof, bijvoorbeeld water, zeer zuiver is, zonder ‘structurele onregelmatigheden’. Water dat onder 0 graden Celcius wordt gebracht bevriest normaal gesproken en dat komt door kristallisatiekernen, kleine onregelmatigheden, zoals stofdeeltjes. Rondom zo’n ‘nucleation site’, zoals het in het Engels wordt genoemd, bevriest het water. Maar puur, zuiver water zonder die kernen kan vloeibaar blijven bij veel lagere temperaturen en dat heet superkoeling. Als aan een onderkoelde vloeistof plotseling een kristallisatiekern wordt toegevoegd of ze flink wordt bewogen, zal ze zeer snel bevriezen, zoals je ziet in de video hieronder.

OK, maar wat is dan de link met de detectie van donkere materie, wat met alle gaande experimenten over de hele wereld maar niet lukt? Welnu, supergekoeld water kan niet alleen snel bevriezen door macroscopisch grote kristallisatiekernen, het blijkt dat ook neutronen dat kunnen teweegbrengen, de elektrisch neutrale subatomaire deeltjes. En aangezien die in theorie zouden kunnen reageren met deeltjes donkere materie (WIMP’s geheten – weakly interactive massive particles) via een proces dat ‘nuclear recoil’ wordt genoemd zou men met supergekoeld water mogelijk die WIMP’s kunnen detecteren.

Het idee is: als zo’n WIMP reageert met een neutron in één van de atoomkernen in het ijskoude water dan beweegt die even en dat zorgt voor een snelle, spontane bevriezing van het water. Szydagis’ team heeft nu een sneeuwbal kamer gebouwd – de naam is bedacht door de vrouw van Szydagis, de taalkundige Kel Szydagis. Met die detector hopen ze vooral WIMP’s met lage massa te kunnen detecteren. Hier het vakartikel waarin meer over deze bijzondere methode om donkere materie te detecteren wordt verteld. Bron: Astronomy.

In twee uurtjes naar het ISS

Missiespecialisten van het Russische staatsbedrijf RSC Energia hebben een ‘one-orbit’ vluchtprofiel ontwikkeld van in totaal twee uur voor het bereiken van het Internationaal Ruimtestation ISS. Belangrijke voordelen van een dergelijk profiel, waarbij het ruimteschip na lancering slechts één omloop rond de aarde uitvoert alvorens richting de lage aardebaan (LEO) gestuurd te worden naar het ISS, is de reductie van tijd voor de ruimtevaarders en tevens een snelle levering van goederen.
Lees verder

Deelnemers gezocht voor competities slimme satelliettoepassingen

Credit: ESA.

Heb jij een idee voor een slimme satelliettoepassing? Een toepassing gebaseerd op navigatiesatellieten (Galileo) of aardobservatiesatellieten (Copernicus)? Doe dan mee met de Galileo en Copernicus Masters competities. Winnaars krijgen de kans om hún idee, met hulp van NSO en ESA, uit te bouwen tot een succesvol bedrijf.

Competitie leidt tot innovatie. Denk aan de ruimterace in de jaren zestig, met als apotheose een landing op de maan. Of de Ansari X prize, die in 2004 het eerste commerciële ruimtevaartuig ter wereld voortbracht. Daarom zoekt Europa via twee competities naar innovatieve ideeën. Ideeën om ruimtevaarttechnologie die er nu al is in de toekomst op zoveel mogelijk slimme manieren te gebruiken.

Van A naar B en daarna?

Dat satellieten ons de weg wijzen in de auto, op de motor en wandelend door de stad weten we allemaal. Maar de toepassingen van satellietnavigatie reiken veel verder. Kijk bijvoorbeeld naar het Nederlandse bedrijf Johan, dat een eerdere editie van de Galileo Masters competitie won. Johan analyseert sportprestaties met behulp van satellietnavigatietechnologie en helpt zo sportteams om hun prestatie te verbeteren.

Navigatietechnologie kan in heel veel verschillende sectoren een rol van betekenis spelen. In de zorg, door blinde mensen de weg te wijzen. In de vrijetijdsindustrie, met apps voor festivals en vakantiebestemmingen. En in de infrastructuur, als instrument om de dijken van het laaggelegen Nederland te bewaken. Nieuwe toepassingen op basis van het Galileo satellietnavigatiesysteem, daar draait het om bij de Galileo Masters competitie.

Planeet aan de hartbewaking

De Copernicus Masters competitie gaat uit van satellietgegevens verzameld binnen het Europese Copernicus programma. Dag en nacht ligt onze planeet aarde aan de ‘hartbewaking’. We monitoren hoe het gaat met de vegetatie, de oceanen, de ijskappen en de dampkring. Van luchtkwaliteit tot precisielandbouw en van ontwikkelingshulp tot klimaatoplossingen, Copernicus kent vele toepassingen.

‘De mogelijkheden binnen beide competities zijn eindeloos’, zegt Bert Meijvogel van het NSO. ‘We zoeken creatieve, ondernemende mensen die het leuk vinden om het maximale te halen uit de satellietsystemen die we als samenleving hebben ontwikkeld.’ Juist in Nederland zijn de omstandigheden voor deelname ideaal, denkt Meijvogel: ‘Nederland kent een goed klimaat voor startups. Daarbij groeit het bewustzijn in onze samenleving van de toegevoegde waarde die ruimtevaart kan hebben.’

Nederlandse winnaars krijgen kantoorruimte in het Space Business Innovation Centre (SBIC) in Noordwijk. (beeld: ESA, Jannes Linders Rotterdam).

Meer informatie en meedoen

Beide competities kennen verschillende categorieën. Zo zoekt de vakjury naar een startup of the year en is er een regionale competitie voor de beste Nederlandse inzending (ondersteund door het NSO). Er is een challenge speciaal voor universiteiten en zijn er special prizes, uitgeschreven door bedrijven en organisaties, zoals DLR en Airbus, die op zoek zijn naar een innovatie in een bepaalde sector.

Nederlandse winnaars van de competitie dingen mee naar de Europese hoofdprijs, maar worden ook in eigen land beloond. Zo krijgen ze o.a. een geldprijs, kantoorruimte in en ondersteuning van de ruimtevaartincubator Space Business Innovation Centre (SBIC) Noordwijk, bij het opzetten van een eigen bedrijf. Meer informatie over de competities en de voorwaarden om deel te nemen vind je op de sites van de Galileo Masters competitie en Copernicus Masters competitie. Bron: Spaceoffice.