De classificatie van sterrenstelsels – Hubble’s stemvork – is aan herziening toe

Credit: Karen Masters, Sloan Digital Sky Survey. Licence type Attribution (CC BY 4.0).

De classificatie van de sterrenstelsels op grond van hun uiterlijke kenmerken (‘morfologie’) werd voor het eerst gedaan door Edwin Hubble in 1927 en het model wat daar uit voortkwam werd op grond van z’n vorm ‘Hubble’s stemvork’ genoemd – je ziet ‘m in volle glorie hierboven. Belangrijkste ingrediënten voor de indeling volgens Hubble: de grootte van de centrale verdikking (Engels: ‘bulge’) van het sterrenstelsel en de mate van hoe strak de spiraalarmen om de kern opgewonden zijn (als er sowieso spiraalarmen zijn). Hubble had op grond van waarnemingen geconcludeerd dat de spiraalarmen van stelsels met grotere centrale verdikkingen strakker opgewonden waren. En dat paste – zo bleek veel later – goed in het model van de zogeheten dichtheidsgolven, dat die spiraalarmen en de geboorte van sterren daarin probeert door middel van statische dichtheidsgolven te verklaren.

Het prachtige spiraalstelsel M101, gefotografeerd met de Hubble Space Telescope. Credit: NASA, ESA, CXC, SSC, and STScI

Echter nieuw onderzoek laat zien dat de werkelijkheid toch weer anders in elkaar zit. Al vele jaren zijn wereldwijd duizenden enthousiaste vrijwilligers bezig om middels de Galaxy Zoo, één van de succesvolle projecten van de Zooniverse (en waar onder andere Hanny’s Voorwerp één van de resultaten van is), en daarmee zijn maar liefst 6000 sterrenstelsels nauwkeurig bekeken en opnieuw geclassificeerd. Wat blijkt: er is helemaal geen verband tussen de grootte van de centrale verdikking en de mate van opgewondenheid van de spiraalarmen. En dat betekent dat er mogelijk helemaal geen statische dichtheidsgolven om de kern heen draaien. Er moeten dus andere modellen gehanteerd worden om de spiraalarmen te verklaren, zoals het model dat zegt dat spiraalarmen echte structuren zijn, waarbij de sterren erin elkaar via de zwaartekracht bijeenhouden en dat ze als één dynamisch geheel rond de centrale verdikking roteren. Werk aan de winkel om dat weer verder uit te zoeken. Hier het vakartikel over het Galaxy Zoo onderzoek aan de 6000 sterrenstelsels, verschenen in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Royal Astronomical Society.

Kijk nou, het Star Trek logo op Mars

Credit: NASA/JPL/University of Arizona

NASA’s Mars Reconnaissance Orbiter (MRO) heeft met z’n HiRISE camera al heel wat vreemde formaties op Mars gezien, maar de duinen die hij onlangs heeft gefotografeerd mogen er ook wezen. Het betreft een formatie die sprekend lijkt op het symbool van Star Trek’s Starfleet – zie ‘m hierboven. Het gaat om een formatie die ontstaan is door een mix van duinen, lava en wind, gelegen in het zuidoosten van de Hellas Planitia regio. Ze lijken op de sikkelduinen, waar ik welgeteld tien jaar geleden ook al eens een blogje aan heb gewijd – lees ’t maar na. En dan komt dat ‘chevron’ symbool, zoals ze dat ook wel noemen, niet één keer voor, nee het komt maar liefst drie keer voor in hetzelfde gebied, zoals je ziet op de foto hieronder.

Uiteraard kon een reactie van één van de commandanten van de Starfleet, William Shatner alias Captain Kirk, niet uitblijven:

Bron: HiRISE.

‘Keukenzout’ gevonden met Keck op de Jupitermaan Europa

Het geelgekleurde gebied is de Tara regio, gefotografeerd met Galileo. Credit: NASA/JPL/University of Arizona

Eerder was met de Galileo ruimteverkenner al magnesiumsulfaat (ook wel ‘Engels zout’ of ‘Epsom zout’ geheten) gedetecteerd op Europa, maar nu hebben onderzoekers ook natriumchloride ontdekt op die maan van Jupiter. En natriumchloride kennen we allemaal, want het is niets anders dan keukenzout, ook één van de componenten van zeezout. Dat blijkt dus op het oppervlak van Europa voor te komen en wel in de Tara regio, het geelgekleurde gebied dat je in het midden van Europa ziet liggen op de foto hierboven. Met een spectrograaf verbonden aan de telescoop van het W. M. Keck Observatorium op de berg Mauna Kea op Hawaï wilden ze dat door Galileo gedetecteerde magnesiumsulfaat verder onderzoeken, maar de absorptielijnen in het spectrum bleken niet die van magnesiumsulfaat te zijn, maar van een ander zout, van natriumchloride. Met Galileo had men al vastgesteld dat Europa bedekt is door een grote oceaan van zout water, bedekt onder een dikke ijslaag.

In blauw-groen de Tara regio, met de absorptie van natriumchloride. Credit: NASA/JPL/Björn Jónsson/Steve Albers.

Geologisch gesproken was die ijslaag erg jong, dus het zout dat Galileo met z’n ‘nabij-infrarood’ spectrometer had gedetecteerd moest afkomstig zijn uit de onder de ijskorst liggende oceaan. Met de Keck spectrograaf keken ze in eerste instantie ook in het infrarood naar Europa, maar dat leverde niets op. Pas toen ze in het zichtbare gedeelte (450 nm) gingen kijken kwamen er in de Tara regio absorptielijnen tevoorschijn, die veroorzaakt worden door natriumchloride. De aanwezigheid van die zouten wijst erop dat de oceaanbodem van Europa hydrothermisch actief is en dat er vanuit hete bronnen op die bodem zouten naar boven komen. In Science verscheen gisteren een vakartikel over de waarneming aan het keukenzout op Europa. Bron: Caltech.

Afgelopen nacht waren lichtende nachtwolken boven Nederland zichtbaar

Lichtende nachtwolken boven Schagen in Noord-Holland. Credit: Johan Blankwater.

Social media als Facebook, Twitter en Instagram stroomden gisteravond, vannacht en vandaag vol met foto’s van de zeldzame lichtende nachtwolken, die boven Nederland te zien waren. En dat leverde heel wat prachtige foto’s op, waarvan je er enkele hierboven en hieronder kunt zien. Lichtende (of nocti-lucente) nachtwolken zijn een soort wolken die voorkomen op ongeveer 75 tot 85 kilometer hoogte. Na zonsondergang weerkaatsen de ijskristallen in die hoge wolken nog een tijd het zonlicht. De gewone wolken, die we meestal zien, steken daar donker bij af en kleuren na zonsondergang eerst rood en vervolgens donkergrijs. De lichtende nachtwolken blijven dan wit, geel-oranje of lichtblauw en ze hebben een ribbel- of vezelstructuur. De sterren blijven in deze dunne wolken zichtbaar. In mei, juni en juli kan de noordelijke hemel geruime tijd na zonsondergang of voor zonsopkomst een paar uur worden opgelicht door deze wolken met een zilverachtige glans. In deze maanden staat de zon laag onder de noordelijke horizon, waardoor deze wolken als het ware van onderuit door de zon worden verlicht. Hieronder wat tweets met foto’s van de lichtende nachtwolken van afgelopen nacht.

Deze met de scheve toren van de Oude Kerk in Delft:

En deze die bij de molens bij Kinderdijk gemaakt is:

Oh ja, deze kwam ik ook nog tegen. 😀

Bron: Wiki.

Creatie AI surrogaat computermodel voor meer inzicht in distributie donkere materie

Een team van het Lawrence Berkeley National Laboratorium te Californië onder leiding van machine learning ingenieur Mustafa Mustafa, heeft een generatief AI (Artificial Intelligence) surrogaat computer model ontworpen op basis van neurale netwerken voor de kosmologie, dit model is CosmoGAN genoemd, ‘cosmological generative adversial networks (GAN’s) (n.1). Mustafa, eerste auteur van het artikel ‘CosmoGAN: creating high-fidelity weak lensing convergence maps using Generative Adversarial Networks’ (n.2) gepubliceerd op 6 mei j.l. in Computational Astrophysics and Cosmology, bespreekt met zijn team hierin dit nieuwe deep learning netwerk CosmoGAN, welke in staat is om via zwakke zwaartekracht lenswerking (weak gravitational lensing) (n.3)  betrouwbare convergentie kaarten te creëren, en om zo via deze indirecte methode sneller maar ook voordeliger de distributie van donkere materie te kunnen achterhalen. Bij het onderzoek zijn naast het Berkeley Lab ook Google Research en de Universiteit van KwaZulu-Natal betrokken.

Lees verder

Er zit iets héél zwaars en metaalachtig diep onder het Zuidpool-Aitken-bekken op de maan

Een valse-kleurenkaart van de maan, waarop rood de hogere gebieden en blauw de lagere gebieden zijn. Het Zuidpool-Aitken-bekken is bij de diepblauwe cirkels en de stippelijn is de plek van de anomalie. Credit: NASA/Goddard Space Flight Center/University of Arizona.

Een team van planeetdeskundigen heeft ontdekt dat er diep onder het Zuidpool-Aitken-bekken (Engels: ‘South Pole-Aitken (SPA) basin’) op de maan iets verborgen is dat héél zwaar is en dat voor een groot deel uit metalen bestaat. Het team, dat onder leiding staat van Peter B. James (Baylor Universiteit), heeft de gegevens van NASA’s Gravity Recovery and Interior Laboratory (GRAIL) missie geanalyseerd, die in 2012 met z’n twee satellieten (genaamd Eb en Vloed) boven de maan vloog en die onderzoek deed naar het zwaartekrachtsveld van de maan.

Impressie van beide GRAIL-satellieten bij de maan. Credits: NASA

En wat kwam er uit die analyse naar voren: dat er onder dat SPA bekken, dat feitelijk een inslagkrater van maar liefst 2000 km doorsnede is, iets ligt dat zo zwaar en massiefs is dat het zorgt voor een plaatselijke anomalie van het zwaartekrachtsveld. De GRAIL gegevens werden gecombineerd met topografische gegevens verzameld met de
Lunar Orbiter Laser Altimeter (LOLA) van NASA’s Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO), die nog steeds om de maan vliegt, en daaruit blijkt dat er honderden kilometers onder het bekken iets heel grootst moet liggen. Men denkt dat het het overblijfsel is van de planetoïde die het bekken door een geweldige inslag heeft veroorzaakt en dat dat overblijfsel zich nog steeds in het bovenste deel van de mantel van de maan bevindt. De massa van dat overblijfsel – naar schatting zo’n 2,18 × 10^18 kg, da’s de massa van het eiland Hawaï maal vijf – zou het bekken zo’n 800 meter naar beneden trekken door de zwaartekracht. En dat is in die GRAIL-metingen als anomalie zichtbaar. Het zou gaan om het overblijfsel van een ijzer-nikkel planetoïde, die heel veel metalen bevat (zoals de naam je ook al doet vermoeden). Die zou pakweg vier miljard jaar geleden tegen de maan zijn geknald. Mocht de anomalie tóch niet veroorzaakt worden door het overblijfsel van een planetoïde, dan is er nog een alternatieve verklaring, namelijk dat het een grote en dichte concentratie van oxiden is, die ontstaan is door de zogeheten ‘solidification’ (zeg maar stolling) van de vloeibare magma-oceaan van de maan. Bron: Eurekalert.

Zelflerende machines jagen op kosmische explosies en versnellen innovatie

CORTEX, het Centrum voor Onderzoek in Real Time naar het Explosieve Universum, maakt kunstmatige intelligentie beter en sneller om samensmeltende sterren beter te bestuderen en om toepassingen mogelijk te maken in maatschappij en bedrijfsleven. Credit: Daniëlle Futzelaar.

De Nationale Wetenschapsagenda kent vandaag 4,5 miljoen euro toe aan CORTEX, het Centrum voor Onderzoek in Real Time naar het Explosieve Universum. Het centrum is een samenwerkingsverband van twaalf partners uit wetenschap, bedrijfsleven en maatschappij. Het samenwerkingsverband gaat zelflerende machines sneller maken voor onderzoek naar kosmische explosies en voor maatschappelijke toepassingen.

Kunstmatige intelligentie is sinds kort belangrijk in de maatschappij en de wetenschap. Kunstmatige intelligentie wordt bijvoorbeeld gebruikt door virtuele assistenten in mobieltjes, door zoekmachines op internet en door wetenschappers in de speurtocht naar patronen in de natuur en in het heelal. De zelflerende systemen zijn echter nog niet snel genoeg voor bijvoorbeeld zelfsturende auto’s en voor het opsporen van felle explosies van licht en zwaartekrachtsgolven uit het heelal.

CORTEX krijgt 4,5 miljoen euro subsidie van de Nationale Wetenschapsagenda uit het programma Onderzoek op routes door consortia (NWA-ORC). Onderzoeksleider van CORTEX is Joeri van Leeuwen (ASTRON en Universiteit van Amsterdam). Hij zegt: “In CORTEX willen we fundamenteel onderzoek koppelen met de maatschappij. Daarvoor gaan academici samenwerken met toegepaste, publieke en commerciële partners.”

De kern van CORTEX bestaat uit: ASTRON, Nikhef, SURF, Netherlands eScience Center, Universiteit van Amsterdam, Radboud Universiteit Nijmegen, Centrum Wiskunde & Informatica, IBM Nederland, BrainCreators, ABN AMRO, NVIDIA, NOVA en Stichting ILT. Er wordt samengewerkt met Rijksmuseum, Thermo Fisher en de Universiteit Leiden.

Sarah Caudill (Nikhef) wil zelflerende machines inzetten bij onderzoek naar zwarte gaten en neutronensterren. “De storm aan zwaartekrachtsgolven die wordt gevormd wanneer een stel zwarte gaten of neutronensterren samensmelt, piekt maar een paar seconden. En dat misschien maar eens per week. Snelle kunstmatige intelligentie kan helpen deze om deze verre explosies te herkennen, nog terwijl ze afgaan.”

Antonia Rowlinson (Universiteit van Amsterdam en ASTRON) vult aan: “Als we de kosmische explosies onmiddellijk waarnemen met radiotelescopen gaat ons dat veel leren over het heelal. Zelflerende machines kunnen de nagloeiende radio-explosie uit duizenden achtergrondbronnen herkennen. Als we het vervagen van deze kosmische vuurballen volgen, kunnen we bepalen wat voor enorme energie er bij de explosies komt kijken.”

https://www.youtube.com/channel/UCei-SIioxamQAtPwRQl5jsA

Raymond Oonk van SURF noemt het “uniek” aan CORTEX dat het de nieuwste inzichten uit wiskunde en informatica vertaalt naar sneller en beter rekenen voor bedrijfsleven en maatschappij. Maarten Stol van BrainCreators is het daar mee eens: “Zowel voor startups als voor grote bedrijven is het toepassen van kunstmatige intelligentie op grote datastromen essentieel. Alleen in een samenwerking als CORTEX kunnen wetenschappelijke ontdekkingen direct hun weg vinden naar vernieuwing in het bedrijfsleven.” Bron: Astronomie.nl.

Centrale zwart gat in nabij dwergstelsel blijkt veel lichter te zijn dan eerst gedacht

NGC 4395, een dwergstelsel op 15 miljoen lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Jachthonden. Credit: Schulman Telescope/Mount Lemmon Observatory.

Sterrenkundigen zijn erin geslaagd om van NGC 4395, een nabij dwergsterrenstelsel, de massa van het centrale zwarte gat te meten en dat blijkt maar liefst veertig keer minder te zijn dat wat de sterrenkundigen eerst dachten. Een team dat onder leiding stond van Elena Gallo (Universiteit van Michigan) probeerde die massa te bepalen en dat deden ze met een techniek die ze de ‘reverberation mapping‘ noemen, een nog niet zo bekende techniek uit de astrofysica. Daarbij kijken ze naar twee gebieden in de buurt van het zwarte gat, de direct om het zwarte gat heen draaiende accretieschijf én verderop een gebied dat ze de ‘broad-line region’ noemen (BLR in de afbeelding hieronder). Die accretieschijf kennen we wel, dat het de schijf waar het materiaal dat het zwarte gat aanzuigt terecht komt en dan al spiraliserend extreem heet wordt. De straling die de accretieschijf uitzendt gaat weer naar buiten en die komt dan op een gegeven moment in  die broad-line regio uit, waar gas koeler is, maar ook heel dicht kan zijn, diffuser dan de accretieschijf. Als de straling die regio passeert dan ioniseren de atomen en vervolgens recombineren die weer, hetgeen te zien is als een soort van lichtflits.

De techniek der reverberation mapping. Credits: University of Illinois Urbana

Die lichtflitsen vanuit de broad-line regio zijn door Gallo’s team gemeten en daaruit bleek dat de straling van de accretieschijf er 83 ± 14 minuten over doet om de broad-line regio te bereiken. Maar daarmee waren ze er nog niet, want ze moesten ook nog bepalen wat de snelheid van het gas in die broad-line regio zelf is. Daarvoor maakten ze een spectrum van dat gas met behulp van de GMOS spectrometer verbonden aan de GEMINI North telescope op Hawaï om de Doppler verbreding te meten en daarmee de snelheid van het gas. En met die twee parameters, de afstand tussen accretieschijf en broad-line regio én de snelheid van het gas in die regio kon men de massa van het centrale zwarte gat in NGC 4395 bepalen en die bleek 10.000 zonsmassa te zijn. Veel minder dan de sterrenkundigen dachten, veel minder ook dan het zwarte gat in bijvoorbeeld onze eigen melkweg, die ruim vier miljoen zonsmassa telt, en véél minder dan het megasuperzware zwarte gat in M87, die ruim 6,5 miljard zonsmassa zwaar is. Sterrenkundigen kijken ook naar kleinere zwarte gaten, zoals het exemplaar in NGC 4395, om zodoende te kunnen vaststellen hoe je uiteindelijk die megagrote exemplaren krijgt. Hier het vakartikel van Gallo et al, op 10 juni verschenen in Nature. Bron: Universiteit van Michigan.

Nieuwe ‘planetenspeurder’ van Breakthrough Watch en ESO vangt eerste licht op

NEAR-experiment vangt zijn eerste licht op. Credits: A. Ghizzi Panizza/ESO

Breakthrough Watch, het mondiale astronomische programma dat naar aarde-achtige planeten rond nabijgelegen sterren speurt, en de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO), de belangrijkste intergouvernementele astronomische organisatie van Europa, hebben vandaag bekendgemaakt dat een nieuw instrument van de Very Large Telescope (VLT), bedoeld voor de jacht op exoplaneten, zijn eerste licht heeft opgevangen.

Het instrument – de Near Earths in the AlphaCen Region of kortweg NEAR – is ontworpen om planeten op te sporen in de ‘leefbare zones’ van de twee dichtstbijzijnde zonachtige sterren, die deel uitmaken van het Alfa Centauri-stelsel. De leefbare zone is het gebied rond een ster waar water in vloeibare vorm kan bestaan. NEAR is de afgelopen drie jaar ontwikkeld en gebouwd in samenwerking met de Universiteit van Uppsala in Zweden, de Universiteit van Luik in België, het California Institute of Technology in de VS en Kampf Telescope Optics in München, Duitsland.

NEAR gekoppeld aan de VLT. Credits: ESO/ NEAR Collaboration

Op 23 mei zijn astronomen van ESO begonnen aan de eerste tiendaagse reeks VLT-waarnemingen die moeten uitwijzen of zich in dit stersysteem inderdaad een of meer planeten bevinden. De waarnemingen zullen morgen, 11 juni, worden afgesloten. Met het nieuwe instrument kunnen planeten worden gedetecteerd die minimaal tweemaal zo groot zijn als de aarde. Dat gebeurt in het infraroodbereik waar eventuele planeten hun warmtestraling uitzenden en stelt astronomen dus in staat om vast te stellen of de planeet een temperatuur heeft die vloeibaar water toelaat.

Met een afstand van 4,37 lichtjaar (ongeveer 38 biljoen kilometer) is het Alfa Centauri-stelsel de meest nabije buur van ons zonnestelsel. Het bestaat uit twee zonachtige sterren, Alfa Centauri A en B, en een rode dwergster, Proxima Centauri. Onze huidige kennis van de planetenstelsels van Alfa Centauri is beperkt. In 2016 ontdekte een team gebruikmakend van ESO-instrumenten een aarde-achtige planeet die in een baan om Proxima Centauri draait. Maar of ook Alfa Centauri A en B planeten kunnen hebben staat niet vast: het is onduidelijk hoe stabiel de omloopbanen van aarde-achtige planeten in zo’n dubbelster zijn. Alleen waarnemingen van deze eventuele planeten kunnen daar zekerheid over geven.

Grand VISIR. Credit: ESO/ NEAR Collaboration

Het fotograferen van zulke planeten is een grote technische uitdaging, omdat het sterlicht dat zij weerkaatsen doorgaans miljarden keren zwakker is dan het licht dat rechtstreeks van hun moedersterren afkomstig is. Het waarnemen van een kleine planeet nabij een ster op enkele lichtjaren afstand kan worden vergeleken met het lokaliseren van een mot die om een straatlantaarn fladdert die tientallen kilometers van je vandaan staat. Om dit probleem op te lossen zijn Breakthrough Watch en ESO in 2016 een samenwerking aangegaan om een speciaal instrument te bouwen: een zogeheten thermische infraroodcoronagraaf. Deze is ontworpen om het grootste deel van het licht van de ster tegen te houden en geoptimaliseerd om het infrarode licht van het warme oppervlak van een om de ster cirkelende planeet op te vangen, in plaats van de geringe hoeveelheid sterlicht die deze weerkaatst. De coronagraaf veroorzaakt als het ware een kunstmatige verduistering van de ster waar de telescoop op gericht is. Dat maakt het mogelijk om veel zwakkere objecten in diens omgeving te detecteren, net zoals objecten in de buurt van de zon (die in het felle zonlicht ‘verdrinken’) zichtbaar worden tijdens een totale zonsverduistering.

De coronagraaf is geïnstalleerd op een van de vier 8-meter-telescopen van de VLT en is in feite een uitbreiding van een bestaand instrument, VISIR, dat daardoor beter geschikt is geworden voor de detectie van infraroodstraling die kenmerkend is voor potentieel leefbare exoplaneten. Vanaf nu kan VISIR zoeken naar warmtesignaturen die vergelijkbaar zijn met die van de aarde, die energie absorbeert van de zon en deze deels weer uitzendt in de vorm van thermische infraroodstraling. NEAR modificeert het bestaande VISIR-instrument op drie manieren, waarbij verschillende geavanceerde technieken worden gecombineerd. Om te beginnen maakt hij het instrument geschikt voor coronagrafie, wat betekent dat het licht van een ster drastisch kan worden gereduceerd, zodat de signaturen van eventuele aarde-achtige planeten zichtbaar worden. Ten tweede gebruikt hij adaptieve optiek om de secundaire spiegel van de telescoop zodanig te vervormen dat de onscherpte die door de aardatmosfeer wordt veroorzaakt wordt gecompenseerd. En tot slot maakt hij gebruik van nieuwe ‘chopping-strategieën’ die beeldruis helpen tegengaan en het instrument bovendien in staat stellen om snel – om de 100 milliseconden – tussen twee doelsterren om te schakelen. Hierdoor kan de beschikbare telescooptijd efficiënter worden benut.

Artistieke weergave van de planeet die rond Proxima Centauri draait. Credits: ESO/M. Kornmesser

‘We zijn verheugd om samen te werken met ESO bij het ontwerpen, bouwen, installeren en nu gebruiken van dit innovatieve instrument. Als er aarde-achtige planeten rond Alfa Centauri A en B zijn, is dat groot nieuws voor iedereen op onze planeet’, aldus Pete Worden, uitvoerend bestuurder van de Breakthrough Initiatives.

‘ESO stelt haar expertise, bestaande infrastructuur en waarneemtijd op de Very Large Telescope graag ter beschikking voor het NEAR-project’, zegt ESO-projectmanager Robin Arsenault.

‘Dit is een uitgelezen kans, omdat het NEAR-experiment, afgezien van zijn eigen wetenschappelijke doelen, ook een voorloper is van toekomstige instrumenten voor de planetenjacht met de komende Extremely Large Telescope’, zegt Markus Kasper, die namens ESO wetenschappelijk leiding geeft aan NEAR.

Work in Progress.

‘NEAR is het eerste en (momenteel) enige project dat een leeftbare exoplaneet direct in beeld kan brengen. Dit is een belangrijke mijlpaal. Laten we hopen dat er een grote leefbare planeet om Alfa Centauri A of B draait’, aldus Olivier Guyon, hoofdwetenschapper voor Breakthrough Watch. ‘Mensen zijn van nature ontdekkingsreizigers’, besluit Yuri Milner, oprichter van de Breakthrough Initiatives. ‘Het wordt tijd dat we ontdekken wat er aan de andere kant van het dal ligt. Met deze telescoop kunnen we naar de overkant kijken.’ Bron: ESO.

Astronomen buigen zich over de keuze voor de volgende generatie ruimtetelescopen

HabEx, LUVOIR, Lynx, en Origins zo luiden de klinkende namen van de volgende generatie grote ruimtetelescopen afkomstig uit de Verenigde Staten. Welke van de vier de hoogste prioriteit zal krijgen zal bekend worden als de volgende ‘Decadal Survey’, een tienjaarlijkse rapportage over de belangrijkste toekomstige astronomie missies zal verschijnen. Al enkele jaren van te voren buigt een groep vooraanstaande astronomen zich over de grote vraag hoe deze volgende generatie telescopen eruit zal moeten gaan zien alsook de missies die erbij horen. Deze astronomen worden geselecteerd door de Nationale Academie van Wetenschappen en hebben voor de komende uitgave van het rapport vier flagship telescoopmissies onder de loep genomen, welke hierboven genoemd zijn. Elk van hen afzonderlijk zal zo geavanceerd zijn dat er, volgens de astronomen, sprake is van een ware transformatie zowel in telescoop als in missie. Verder nemen de astronomen ook nog tien kleinere ruimtesonde missies onder de loep. Ook deze worden vastgelegd in het tienjaarlijkse rapport.

Lees verder