Aanwijzingen dat er in de buurt van de Schotse plaats Ullapool een grote inslagkrater moet zijn waren er al in 2008, maar onderzoekers van de universiteiten van Oxford en Aberdeen hebben daar nu ook sterke aanwijzingen voor gevonden. De exacte lokatie was tot nu toe nog een mysterie, maar op grond van afzettingen hebben ze ontdekt dat op een plek 15 tot 20 km uit de kust in het Noordwesten van Schotland een 1 km grote meteoriet moet zijn neergekomen en dat moet ongeveer 1,2 miljard jaar geleden zijn gebeurd. De inslagkrater ligt in The Minch, een smalle zeestraat tussen de Schotse Hooglanden, de noordelijke Binnen-Hebriden en de Buiten-Hebriden.
Credit: BBC.
De onderzoekers stonden onder leiding van Ken Amor (Oxford) en zij konden op basis van het zogeheten klastisch gesteente en de uitlijning van de magnetische deeltjes daarin bepalen wáár de meteoriet moet zijn ingeslagen. Normaal erodeert het inslagmateriaal op aarde snel door de invloed van het weer, maar in Schotland vond de inslag precies in een riftvallei plaats, waar het materiaal snel door sedimenten werd bedekt en daardoor bewaard bleef.
Een voorbeeld van de onderzochte sedimenten. Credit: Ken Amor (Oxford universiteit).
De aarde was 1,2 miljard nog grotendeels oceaan en Schotland lag toen ongeveer in de buurt van de evenaar. De onderzoekers willen nu in The Minch zelf geologisch onderzoek gaan doen om de krater – of wat er dan nog van over is – te onderzoeken. Het vakartikel over het onderzoek is hier te bekijken en is gisteren verschenen in de Journal of the Geological Society. Bron: Eurekalert.
Afgelopen woensdag had ik hier het nieuws over de koele, gasachtige ring die was ontdekt met ALMA rondom het centrale superzware zwart gat Sagittarius A* (kortweg Sgr A) van de Melkweg. Feitelijk gaat het om het koele deel van de accretieschijf, die Sgr A omringt en die reikt tot een afstand van slechts 0,004 parsec, da’s 120 miljard km, een kleine tienduizend keer de waarnemingshorizon van Sgr A*. Bij het bericht had ik bovenstaande foto van het hete gas van die koele ring, die met de ALMA (Atacama Large Millimeter / Submillimetre Array) telescoop in Chili was gemaakt. Feitelijk zijn er twee foto’s gemaakt en die foto hierboven is een combinatie daarvan. Hieronder zie je de twee foto’s die met ALMA zijn gemaakt van de koele ring, daarboven een grafiek die de snelheid van het gas weergeeft, links de snelheid van het gas dat naar ons toe beweegt (met negatieve getallen weergegeven), rechts het gas dat van ons vandaan beweegt (positieve getallen).
Credit: ALMA/ESO
In die gecombineerde foto werd het gas dat naar ons toe komt blauw ingekleurd en dat wat van ons vandaan gaat rood ingekleurd, de plek waar Sgr A* staat is het kruisje. ALMA heeft het gas waargenomen bij een golflengte van 1,3 mm (frekwentie 231,9 GHz) en het gaat om de emissielijn van H30?, dat is een specifieke emissielijn van geïoniseerd waterstof. De temperatuur van het gas is zo’n 10.000 K. Ehhh… 10.000 K, is dat koel gas? Yep, da’s koel. Waterstofgas ioniseert pas boven 8000 K en sterrenkundigen spreken pas van heet gas als ’t boven de miljoen K is, daaronder is ’t koel… brrrrrr. Hieronder zie je een overzicht van wat zich allemaal binnen een gebied van 6,5 lichtjaar (2 parsec) van Sgr A* bevindt, waarbij de koele ring weergegeven is als de ’10^4 K disk’.
Credit: Nature Magazine.
In de figuur zie je onder andere de baan van ster S2, die het dichtste bij Sgr A* komt, van drie eerder waargenomen stromen van geïoniseerd gas rondom Sgr A* (met groene pijlen weergegeven) en de baan die de gaswolk G2 volgde, toen die enkele jaren terug langs Sgr A* vloog. De accretieschijf rondom Sgr A* én diens schaduw bij de waarnemingshorizon zijn eerder waargenomen door de Event Horizon Telescope (EHT), de telescoop waarmee eerder het zwarte gat in het centrum van M87 werd gefotografeerd. De waarnemingen gedaan door ALMA kunnen bijdragen aan een beter inzicht voor de analyse van de gegevens die met de EHT van hetzelfde gebied zijn gemaakt. Wij zijn benieuwd wanneer die bekend worden gemaakt! Bron: Francis Naukas.
Voorstelling van een AGN met krachtige winden van gas. Credit: ESA/ATG medialab
Sterrenkundigen zijn erin geslaagd om bij een superzwaar zwart gat in het centrum van een quasar de door het zwarte gat uitgestoten winden nauwkeurig waar te nemen en de snelheden van het gas te meten. Het gaat om de relatief dichtbij staande quasar genaamd J1509+0434 (afstand 1,5 miljard lichtjaar) en hij is waargenomen met de EMIR infrarood spectrograaf van het Gran Telescopio Canarias (GTC) op La Palma. Het zwarte gat krijgt materie aangevoerd vanuit het omringende sterrenstelsel en dat materiaal komt vervolgens in een accretieschijf terecht. Daar vandaan stroomt een deel dan weer via een zeer krachtige wind van gas in het sterrenstelsel terug, iets wat ze ‘AGN feedback’ noemen – een AGN is een ‘active galactic nuclei’, dat is zo’n quasar eigenlijk. Het gevolg van die wind is dan weer dat het centrale deel van het sterrenstelsel wordt leeggeblazen, dat alle gas daar weer verwijnt en dat de stervorming terugloopt. De sterrenkundigen van het Instituto de Astrofísica de Canarias (IAC), die onder leiding stonden van Cristina Ramos Almeida, hebben met EMIR de winden in infraroodlicht kunnen meten. Ze maakten onderscheid tussen winden van geïoniseerd gas en van moleculair gas en daarbij bleek dat de geïoniseerde winden sneller gaan dan de moleculaire winden. De hoogste snelheid die werd bereikt bleek 1200 km/s te zijn. Ondanks de hogere snelheid van de geïoniseerde winden denken de sterrenkundigen dat het juist de moleculaire winden zijn die het sterrenstelsel leeg blazen. Die winden zouden jaarlijks zo’n 176 zonsmassa aan gas schoonvegen. Dat hopen ze met waarnemingen met de ALMA telescoop te kunnen bevestigen. Hier is het vakartikel over de waarnemingen, op 1 juni verschenen in het tijdschrift Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: IAC.
Een nieuwe clean room webcam bij het Jet Propulsion Laboratorium in Pasadena, Californië, stelt belangstellenden in staat om vanaf de eerste rij mee te kijken hoe technici een nieuwe Mars rover bouwen. Het gaat in casu om de Mars 2020 rover, die als alles volgens schema verloopt volgend jaar naar de Rode Planeet gelanceerd zal worden op een Atlas V raket. De Mars rover, zal, als hij alle barre omstandigheden van de lancering en het vacuüm van de ruimte heeft doorstaan, landen op Mars op 18 februari 2021 in de Jezero krater. Bij de landing zal de sonde geholpen worden door een soort luchtkraan die de 1040 kilogram wegende robotsonde voorzichtig op het oppervlak moet zetten. Daar zal hij beginnen aan de zoektocht naar sporen van leven ‘biomarkers’ op en in het oppervlak. Voor al deze omstandigheden is men bij NASA druk bezig oplossingen te bedenken en in te bouwen opdat de rover optimaal op Mars aankomt en daar zijn werk kan gaan doen. Lees verder →
Recentelijk heeft NASA bekend gemaakt dat er vanaf 2020 ook jaarlijks twee plaatsen op het ISS beschikbaar worden gesteld voor ’toeristen’. Zij kunnen voor een prijskaartje van 31.000 USD per nacht, met een maximum van 30 dagen, een plaats kopen in het ISS. Een plek op een raket die ze erheen brengt moeten ze zelf regelen. NASA verwijst hen daarvoor door naar Boeing en SpaceX. Voordat de toeristen ernaar toe gaan krijgen ze eerst een astronauten training. De bedoeling is dat er geld verdiend gaat worden wat vervolgens ten goede gaat komen aan de maanmissies verderop in het komend decennium. Lees verder →
Stofschijven rondom sterren, ook wel circumstellaire schijven genoemd, zijn al tientallen keren ontdekt, rondom jonge sterren, volwassen sterren, bruine dwergen (mislukte sterren) en witte dwergen (de laatste stadia van sterren). Voorbeelden ervan hebben we al vaak voorbij zien komen op de Astroblogs, zoals Beta Pictoris en PDS 70. Dat laatste systeem kwam vorige week nog in het nieuws, want in die stofschijf heeft men twee puinruimende exoplaneten ontdekt, PDS 70b en c. Hierboven zie je die twee jonge exoplaneten, de ster PDS 70 hebben ze afgedekt om de veel minder lichtsterke planeten te laten zien en die staat op de plek van het sterretje. PDS 70b zie je linksonder op de foto en die is 4 tot 17 keer zo zwaar als Jupiter, PDS 70c (rechtsboven) is 1 tot 10 keer zo zwaar.
Artistieke weergave van de ster PDS 70 met de twee groeiende protoplaneten, PDS 70b en c. Credit: STScI.
Van die twee is PDS 70b interessant, want er is een mogelijkheid dat sterrenkundigen daar om die planeet een stofschijf hebben gevonden, een circumplanetaire stofschijf. Als dat inderdaad het geval is dan zou dat de eerste ontdekte circumplanetaire stofschijf ooit zijn. En zoals circumstellaire stofschijven de geboorteplaats zijn van planeten, zo zijn circumplanetaire stofschijven de geboorteplaats van… exomanen. Een team sterrenkundigen onder leiding van Valentin Christiaens (Monash University in Australië) heeft de planeet bestudeerd met behulp van de VLT in Chili en daarbij maakten ze gebruik van het SINFONI (Spectrograph for INtegral Field Observations in the Near Infrared) instrument dat aan de VLT verbonden is. Dat leverde deze foto op, waarin je ter vergelijking ook de omvang van het zonnestelsel ziet.
Credit: V. Christiaens et al./ ESO.
PDS 70b staat op ongeveer 3,2 miljard km van z’n ster, vergelijkbaar met de baan van Uranus om de zon. Er is op de foto een soort van spiraalarm te zien en dat zou er volgens de sterrenkundigen op kúnnen wijzen dat deze spiraalarm een CPD (circumplanetary disk) rondom de planeet voedt. Er is ook de mogelijkheid dat de planeet een atmosfeer heeft die aan het opzwellen is. Of dat er een combinatie van die twee is. Vervolgonderzoek moet duidelijk maken wat hier precies aan de hand is. Hier het vakartikel over de waarnemingen aan PDS 70b. Bron: Centauri Dreams.
Voor het eerst is een stroom van magnetische velden en relativistische elektronen geïdentificeerd langs een filament die de clusters van sterrenstelsels Abell 0399 en Abell 0401 met elkaar verbindt. Dankzij de gegevens die door de Low Frequency Array (LOFAR) radiotelescoop zijn verzameld, was het voor het eerst mogelijk om dit fenomeen op radiogolflengte te ontdekken en te meten. De studie werd vandaag gepubliceerd in Science.
Samengestelde afbeelding van de twee sterrenstelselclusters Abell 0399 en Abell 0401. Het systeem bevindt zich op ongeveer 1 miljard lichtjaar van de aarde terwijl de twee sterrenstelsels ongeveer 10 miljoen lichtjaar van elkaar afstaan. De kernen van de twee sterrenstelsels zijn doordrongen van een plasma van hoge temperatuur dat in de röntgenstralen uitzendt (rode tonen). Bovendien vertonen waarnemingen in de microgolven een zwak filament van materie dat de twee clusters verbindt (gele tonen). Het laagfrequente beeld in de radiogolven (blauwe tonen) onthult verschillende heldere afzonderlijke bronnen die zijn gekoppeld aan individuele sterrenstelsels en twee diffuse radiocellen naar de centra van de twee clusters van sterrenstelsels. Een opvallende richel van radio-emissie is zichtbaar langs het filament tussen Abell 0399 en Abell 0401 en onthult de aanwezigheid van een enorm magnetisch veld dat wordt verlicht door een populatie van hoogenergetische elektronen. Credits: DSS (optisch), XMM-Newton (X-stralen), PLANCK-satelliet (y-parameter), F. Govoni et al. 2019, Wetenschap (radio). Afbeelding door M. Murgia, INAF.
In het universum wordt materie gedistribueerd langs een zogenaamd ‘kosmisch web’ bestaande uit draderige, filamentaire structuren, waarvan op de kruising zich enorme concentraties van duizenden sterrenstelsels vormen, bekend als ‘clusters’. Clusters van sterrenstelsels kunnen worden beschouwd als de grootste door zwaartekracht gebonden structuren in het universum. Tot nu toe was een magnetisch veld in de filamenten die de clusters verbinden nooit eerder waargenomen. Waarnemingen met radiotelescopen hebben eerder wel een ‘halo’ van radiostraling geobserveerd in de centrale gebieden van sommige clusters, wat het bestaan van een magnetisch veld bevestigde.
Ondanks dat ze immens zijn, zijn filamenten van het kosmische web extreem ijl en moeilijk te detecteren. “De unieke gevoeligheid voor het detecteren van uitgebreide emissie onderzocht door LOFAR is de sleutel om voor de eerste keer deze ‘kosmische aurora’ in intergalactische filamenten te onthullen.” zegt Emanuela Orrù van ASTRON, het Nederlands Instituut voor Radioastronomie.
“Inzicht in de aard van deze radio-emissie en de impact ervan op de evolutie van de grote structuren in het heelal is een open uitdaging voor astrofysici. We zijn erg blij dat dankzij LOFAR we de aanwezigheid van magnetische velden met intensiteiten zo laag als honderden nanoGauss op kosmologische schaal kunnen afleiden.” zegt Marco Iacobelli van ASTRON.
De internationale LOFAR-telescoop bestaat uit een Europees netwerk van radioantennes die met elkaar verbonden zijn door een snel glasvezelnetwerk dat zich uitstrekt over zeven landen. LOFAR is ontworpen, gebouwd en wordt nu beheerd door ASTRON (Nederlands instituut voor radioastronomie), met Exloo (Drenthe) als kernlocatie. LOFAR werkt door de signalen van meer dan 100.000 afzonderlijke dipoolantennes met elkaar te combineren. Krachtige computers verwerken de radiosignalen op zodanig wijze dat het lijkt of hij een 1900 kilometer grote ‘schotel’ vormt. Op lage frequentie is LOFAR ongeëvenaard als het op gevoeligheid en resolutie (d.w.z. het vermogen om detailrijke beelden te maken) aankomt.
Deze studie werd gecoördineerd door Federica Govoni van het National Institute for Astrophysics (INAF) uit Cagliari. Onder de deelnemers in Nederland waren Emanuela Orrù en Marco Iacobelli van ASTRON, Huub Röttgering en Reinout van Weeren van de Universiteit Leiden, Michael Wise van het Nederlands Instituut voor Ruimte-onderzoek (SRON) en onderzoekers van verschillende Europese instituten (in Italië, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Zweden, Engeland). Bron: ASTRON.
Sinds de Space shuttle in 2011 met pensioen ging heeft NASA altijd plaatsen op de Russische Sojoez ruimtecapsule moeten inkopen voor de vluchten naar het ISS. NASA hoopte vurig dat in 2019 aan deze procedure een eind zou komen Echter met het nieuwe vluchtschema dat recent is vrijgegeven heeft NASA erkent dat ze de astronaut stoelplaatsen op de Sojoez voor komend jaar nog hard nodig hebben en zo blijft NASA voor de volgende lanceer ronde van ISS vluchten nog afhankelijk van Rusland. De vertraging die de commerciële lanceringen van SpaceX (o.a. de Demo-1 explosie op 20 april j.l.) en Boeing hebben opgelopen zijn hier debet aan. Het is zelfs zo dat het nieuwe vluchtschema nog helemaal geen vluchten met commerciële lanceringen laat zien. Lees verder →
Groottevergelijking HAT-P-6 b met de planeet Jupiter. Credit: https://en.wikipedia.org/wiki/HAT-P-6b#/media/File:Exoplanet_Comparison_HAT-P-6_b.png. CC BY-SA 3.0.
De Internationale Astronomische Unie (IAU) bestaat dit jaar 100 jaar en organiseert de mondiale competitie ‘IAU100 NameExoWorlds’. Elk land krijgt een exoplaneet toegewezen en mag die samen met het publiek een naam geven. Meer dan 70 landen zijn al bezig met een nationale campagne om het publiek te laten stemmen. Het doel van de campagne is mensen te laten nadenken over onze plaats in het heelal en over de hypothetische vraag hoe een buitenaardse beschaving naar onze aarde zou kijken.
Astronomen hebben de afgelopen decennia duizenden planeten en planeetstelsels ontdekt rond nabije sterren. Sommige planeten zijn klein en rotsachtig zoals onze aarde; andere lijken meer op gasreuzen als Jupiter. Om de meeste sterren cirkelen planeten. Alleen al het enorme aantal sterren in het heelal en de overvloedigheid van prebiotische materialen, maakt het bestaan van leven elders in het heelal waarschijnlijk.
NameExoWorlds: Credit: IAU/L. Calçada.
De IAU is verantwoordelijk voor de officiële naamgeving van hemellichamen. De IAU viert dit jaar 100 jaar internationale samenwerking, en wil dit aspect van de sterrenkunde benadrukken met de wereldwijde campagne. Tijdens de competitie van 2015 werden al 19 exoplaneten vernoemd. Dit jaar krijgt élk land de kans een naam te geven aan een planeetstelsel, bestaande uit een exoplaneet en een ster.
Elk land heeft een ster toegewezen gekregen die zichtbaar is vanuit dat land en helder genoeg is om met een kleine telescoop te bekijken. Dat is gebeurd na een zorgvuldige selectie van een groot aantal bekende exoplaneten en hun moedersterren. Al deze planeten zijn gasreuzen, vergelijkbaar met Jupiter en Saturnus [1]De NameExoWorlds-campagne heeft voor de vernoeming planeetstelsels geselecteerd die bestaan uit een planeet rond een ster die met een kleine telescoop vanuit het betreffende land kan worden … Continue reading.
Nederland heeft de ster HAT-P-6 en de exoplaneet HAT-P-6 b toegewezen gekregen. Het stelsel ligt op ongeveer 650 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Andromeda. De hele lijst met planeten staat op: http://www.nameexoworlds.iau.org/list-of-stars.
In elk deelnemend land is een nationaal comité opgericht om een nationale verkiezing op te zetten. Dit comité volgt de methode en de richtlijnen die door de IAU100 NameExoWorlds-stuurgroep zijn opgesteld. Het nationaal comité is verantwoordelijk voor publieksparticipatie, communicatie rond het project en het ontwerpen van een stemsysteem.
De nationale competitie vindt plaats in de periode juni-november 2019. De resultaten van de wereldwijde verkiezingen worden bekendgemaakt in december 2019. De gekozen namen worden dan parallel aan de bestaande wetenschappelijke namen gebruikt, met een verwijzing naar de indieners. Bron: Astronomie.nl.
De NameExoWorlds-campagne heeft voor de vernoeming planeetstelsels geselecteerd die bestaan uit een planeet rond een ster die met een kleine telescoop vanuit het betreffende land kan worden waargenomen. In de selectie zitten planeten die al eerder zijn ontdekt en dus goed zijn bestudeerd. Ze zijn bijna allemaal ontdekt voor 2012. De visuele helderheid van de geselecteerde planeten loopt uiteen van magnitude 6 tot 12. De planeten zijn allemaal ontdekt via de radiale-snelheidsmethode (Doppler-spectroscopie) of de transitmethode (waarbij een planeet die voor zijn moederster langs beweegt een piepklein beetje sterlicht blokkeert). Ze zijn allemaal gevonden met telescopen vanaf de grond. Waarschijnlijk zijn alle planeten gasreuzen, vergelijkbaar met Jupiter en Saturnus. Ze hebben geschatte massa’s tussen de 10% en 500% van die van Jupiter. Alle systemen bestaan uit enkele sterren met daaromheen één bekende planeet. Mogelijk tellen de zonnestelsels meerdere sterren en planeten, maar dat is op dit moment niet bekend. Elk land heeft op deze manier een gelijke kans om vergelijkbare hemellichamen een naam te geven.
Dat is ‘m, de Heat Flow and Physical Properties Package, HP³. Credit: NASA/JPL-Caltech
De InSight lander van de NASA, die al sinds december op Mars bivakkeert, heeft een instrument dat officieel de Heat Flow and Physical Properties Package (HP³) heet en dat een soort van boor is, ook wel een ‘mole hammer’ genoemd – een instrument om de temperatuur en het warmte-geleidende vermogen van de ondergrond van Mars te gaan meten En dat ding zit vast, moervast. In februari is dat ding gaan ‘boren’ in de grond – nou ja boren, het is meer een soort van hameren – en dat ging goed tot de 28e februari. Toen zat ‘ie op een diepte van 30 cm en dat was het dan, verder ging ‘ie niet. Maar dat was niet de bedoeling, want het plan was dat tot een diepte van 3 tot 4,5 meter diepte zou worden geboord.
Zo werkt de Mol. Credit: NASA/JPL-Caltech
Zo ver kwam ‘ie dus niet. In eerste instantie werd gedacht dat het kwam door hard gesteente, waar de ‘mol’ op gestuit was, maar technici zijn inmiddels van mening dat het meer de soort grond is waardoor de boor niet verder komt. En het probleem is dat de mol niet weer terug omhoog kan, dus is de vraag hoe ‘ie zo goed mogelijk verder kan boren. NASA’s Jet Propulsion Laboratory (JPL) denkt dat die grond te weinig wrijving geeft om de mol z’n werk te laten doen, aldus dit persbericht. En dus willen ze nu gebruik maken van de robotarm van inSight om die wrijving te stimuleren. Met de robotarm willen ze daartoe op de grond gaan drukken om daarmee de wrijving te verhogen en dan hopen ze dat daarmee de mol weer verder kan hameren en dieper de grond in kan gaan. Dat moet allemaal later deze maand van start gaan. Nou, we wachten het af. Bron: DLR.