16 juni 2021

Nieuwe methode suggereert dat heelal sneller uitdijt dan gedacht

Afbeeldingen van de twee zwaartekrachtlenzen die in de studie zijn gebruikt. Links B1608+656, die bestaat uit twee sterrenstelsels, rechts RXJ1131. Vier verschillende ‘projecties’ van een quasar die achter de lens staat zijn aangegeven met A t/m D, de twee sterrenstelsel zijn gelabeld met G1 en G2. Rechts opnieuw vier projecties van een quasar (A-D) en een sterrenstelsel (G) met een satellietstelsel (S). Credit: Max Planck Institute for Astrophysics

Een internationaal team van astronomen heeft een nieuwe, hogere waarde gemeten voor de snelheid waarmee het heelal uitdijt. Ze gebruikten twee zware sterrenstelsels als ‘zwaartekrachtlenzen’ om het licht van verafgelegen objecten te analyseren. Het onderzoek is geleid door het Max Planck Institute for Astrophysics (MPA) in Garching, Duitsland. Sterrenkundige Léon Koopmans van de Rijksuniversiteit Groningen maakt deel uit van het team. Het resultaat verschijnt morgen (13 september) in het tijdschrift Science.

De afstand tussen sterrenstelsels neemt toe sinds de oerknal van 13,8 miljard jaar geleden, doordat de ruimte uitdijt. En hoe verder een sterrenstelsel is verwijderd, hoe groter de snelheid waarmee het van ons af beweegt. De Hubble-constante is de verhouding tussen de snelheid en de afstand. Voor sterrenkundigen is die Hubble-constante een essentiële eenheid om nauwkeurig afstanden in het universum te bepalen. Die afstanden zijn weer belangrijk om in te schatten hoe helder of groot objecten zijn en dat helpt sterrenkundigen te begrijpen hoe het heelal zich heeft ontwikkeld.

Maar er is een probleem: verschillende manieren om de waarde van de Hubble-constante te meten geven niet precies dezelfde uitkomst, de welbekende Hubble-spanning. De Hubble-constante wordt weergegeven in kilometer per seconde per megaparsec (3,3 miljoen lichtjaar). De meest nauwkeurige bepaling is gemaakt door analyse van de kosmische achtergrondstraling. Dat gebeurde door de WMAP-missie, die een waarde van 71 km/s per megaparsec gaf, en met de Planck-missie, die uitkwam op ongeveer 67. Het verschil is klein, maar maakt onderzoek aan details van de oorsprong en ontwikkeling van het heelal lastig. Andere technieken, gebaseerd op metingen aan supernova’s, leveren doorgaans iets hogere waarden op.

In het Science-artikel wordt een nieuwe methode gepresenteerd om de Hubble-constante te meten. De onderzoekers keken hoe de zwaartekracht van twee verschillende sterrenstelsels het licht van objecten die erachter liggen afbuigt. De stelsels werken als een zwaartekrachtlens. Via slimme rekenmethoden wisten zij de diameter van deze ‘lenzen’ te achterhalen. Met deze diameter konden zij de afstand tot de beide lenzen nauwkeurig berekenen. Uiteindelijk leverde dit een nieuwe, hogere waarde op voor de Hubble-constante.

De astronomen vonden een waarde van 82 +/- 8 km/s per megaparsec, wat erop wijs dat het heelal sneller uitdijt dan werd aangenomen. De onzekerheid in de schatting is toe te schrijven aan statistische onzekerheid, omdat maar twee zwaartekrachtlenzen zijn gebruikt. De onderzoekers zijn al bezig om hun techniek los te laten op meer lenzen, waardoor de onzekerheid zal afnemen.

Het resultaat lijkt te bevestigen dat er een systematisch verschil is tussen de waarde van de Hubble-constante die is afgeleid uit indirecte bronnen, zoals de kosmische achtergrondstraling die kort na de oerknal werd uitgezonden, en methoden gebaseerd op metingen aan objecten als supernova’s of in dit geval een zwaartekrachtlens, die veel jonger zijn. “Dit wijst erop dat we de natuurkunde van het vroege heelal nog niet goed begrijpen,” zegt coauteur Léon Koopmans (RUG), “en dat het standaardmodel van de kosmologie wellicht moet worden herzien.” Bron: Astronomie.nl

Comments

  1. Ik zou aan Léon Koopmans (RUG), het volgende willen vragen omdat RXJ1131 heel bijzonde lijkt vanwege de a-symmetrie tussen ABC en D.:
    Stel nu dat de donkere materie in en rondom galaxies een belangrijk deel van de roodverschuivingen veroorzaken op de achterliggende bronnendie wij meten.
    Dan moet er een duidelijk verschil in rood verschuiving te zien zijn tussen de bronnen (ABC) en (D) in het stelsel RXJ1131.
    De bron met letter D staat veel dichter op het stelsel en moet dus meer beinvloed worden door die donkere materie
    ( meer roodverschoven) dan de drie andere bronnen ABC.
    Geachte Leon Koopmans de vraag is dus:
    Is een dergelijk verschil patroon ook gemeten?

    • Olaf van Kooten zegt

      Je zal dat toch echt aan de beste man zelf moeten vragen – de kans is klein dat hij een regelmatige bezoeker van AstroBlogs is 😛

    • Cees Klaris zegt

      Er staat duidelijk in de tekst dat A/B/C/D slechts projecties zijn van één (1x) enkele quazar die achter de lens staat. Wat je ziet zijn de vier punten van een Einstein-cross die ontstaan door het effect van de zwaartekrachtlens. Die punten verdelen zich over een ring en ze berekenen de afstand tot het object achter de lens aan de hand van deze optische vervorming. Hoe ze dat doen staat ook in de tekst.

      Dat gezegd, 82 km/s/Mpc is helemaal niet slecht voor een nieuwkomer. De paper is volgens de info/metrics al meer dan een jaar oud maar ze hadden blijkbaar tijd nodig om zeker van te zijn dat het publicatie waardig is. We zijn goed op weg naar het beoogde 5-sigma, heh!

  2. Heb ik reeds gedaan,

  3. Dit lijkt mijn stelling enigszins te ondersteunen.

  4. Dus hoe verder weg, hoe meer snelheid. Dat klinkt goed…………

Laat een antwoord achter aan leo vuyk Antwoord annuleren

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: