Twintig (!!!) nieuwe manen ontdekt bij Saturnus

De prachtige planeet Saturnus. Credits: NASA/JPL-Caltech/Space Science Institute. Deze afbeelding mag onder voorwaarden vrij gebruikt worden.

Wetenschappers hebben twintig nieuwe manen ontdekt bij Saturnus, zo werd gisteren bekend gemaakt door de Internationale Astronomische Unie. Dingdong, dat is me nogal een aantal! Door deze ontdekking heeft Saturnus nu 82 bekende manen en dat zijn er drie meer dan Jupiter. We hebben dus een nieuwe recordhouder! De medaille gaat voorlopig naar de fameuze Ringplaneet, hoewel dat in de toekomst natuurlijk weer kan veranderen 😛

Overigens moet je niet teveel voorstellen bij deze “manen” – het zijn rotsklompen van circa vijf kilometer in doorsnede, die op zeer grote afstand van Saturnus bewegen. Zeventien van de nieuwe manen draaien in een retrograde richting, oftewel in tegengestelde richting ten opzichte van de asrotatie van de planeet. De overige drie manen draaien “gewoon” mee met de asrotatie van Saturnus en bewegen dus in prograde richting. Alle twintig manen hebben een krankzinnig lange omloopbaan, die twee tot drie jaar in beslag kan nemen.

De buitenmanen van Saturnus worden verdeeld in drie groepen, die allemaal in hun eigen draaivlak rondom de planeet bewegen. Twee van de nieuwe prograde manen hebben een inclinatie van 46 graden en behoren daarmee tot de Inuit-groep, die allemaal vernoemd worden naar figuren uit de Inuit (Eskimo) mythologie. Deze manen hebben vermoedelijk ooit deel uitgemaakt van een grotere maan die uiteen is gevallen.

De omloopbanen van de nieuwe manen. Credits: NASA/JPL-Caltech/Space Science Institute. Deze afbeelding mag onder voorwaarden vrij gebruikt worden.

Alle nieuwe retrograde manen behoren daarentegen tot de Noorse groep, die eveneens wordt verondersteld het gevolg te zijn van de vernietiging van een groter object. De manen uit deze groep zijn, heel verrassend, vernoemd naar figuren uit de Noorse mythologie. Goed, we hebben nu alle nieuwe manen gehad. Toch heb ik het idee dat ik iets vergeten ben…

Oh ja, natuurlijk! Hoe zit het met de derde prograde maan? Die heeft een inclinatie van 36 graden, waarmee deze lijkt te behoren tot de Gallische groep. Ik zeg lijkt, omdat de afstand tot Saturnus vele malen groter is dan bij andere leden van deze groep. Het is denkbaar dat hij ooit om onduidelijke redenen naar buiten is getrokken, maar wellicht gaat het om een “lone wolf” die tot geen enkele groep behoort.

Alle nieuwe manen zijn ontdekt met de Subaru-telescoop op Hawaï, een Japanse hemelkijker met een spiegeldiameter van 8,2 meter. De volgende stap is het geven van namen aan de nieuwe leden van de omvangrijke Saturnusfamilie. Ik heb inmiddels uitgelegd aan welke eisen deze moeten voldoen. Weet jij een leuke en geschikte naam? Dan kun je deze tot 6 december 2019 indienen op deze website. Jawohl, we mogen allemaal meedenken. Is dat nou niet aardig?

Meer informatie over de manen van Saturnus kan hier gevonden worden.

Bron: Carnegie Institution for Science

Nobelprijs voor Natuurwetenschappen 2019 gaat naar drie sterrenkundigen

Peebles, Mayor en Queloz. Credit: Nobel Media.

Vandaag is bekend geworden dat de Nobelprijs voor de Natuurwetenschappen 2019 naar drie sterrenkundigen gaat, te weten de Canadese Amerikaan James (‘Jim’) Peebles voor z’n theoretische ontdekkingen over het ontstaan van het heelal en de Zwitsers Michel Mayor en Didier Queloz voor hun ontdekking van de eerste exoplaneet om een andere  ster dan de zon, de Jupiterachtige planeet Pegasus 51b, die ze in 1995 ontdekten. Volgens het Zweedse Nobelcomité heeft het drietal “onze blik op het heelal getransformeerd.” Peebles onderzocht de evolutie van ons heelal na de oerknal. Al in 1964 schreef hij samen met anderen een artikel over de kosmische microgolf-achtergrondstraling, het restant van die hete oerknal. Korte tijd later werd die straling ook daadwerkelijk ontdekt. In 2014 heb ik voor de Astroblogs in Amsterdam een interview met Jim Peebles mogen doen, eentje waar ik nog fijne herinneringen aan beleef. Deze toekenning van vandaag betekent dat ik voor de Astroblogs inmiddels al drie Nobelprijswinnaars heb mogen spreken, Joe Taylor (die als eerste op indirecte wijze het bestaan van zwaartekrachtgolven aantoonde), Brian Schmidt (die dankzij supernovae ontdekte dat het heelal versneld uitdijt) en nu dan dus Jim Peebles.

Peebles krijgt de helft van het bedrag dat staat voor de Nobelprijs, Mayor en Queloz krijgen ieder een kwart. De Zwitsers ontdekten in 1995 als eerste een exoplaneet, Pegasus 51b die zich verried doordat de planeet door z’n zwaartekracht ervoor zorgde dat de ster iets heen en weer schommelde, hetgeen men kon meten dankzij Dopplerverschuiving van het licht van de ster. Na Pegasus 51b werden meer dan vierduizend exoplaneten ontdekt, waarvan de meeste ontdekt werden met de Amerikaanse Kepler ruimtetelescoop (die inmiddels gestopt is met werken). Bron: Nobelprijs.

AstroTweets van de Week

Credit foto achtergrond: HUDF/Hubble/NASA/ESA

Normaal heb ik de AstroTweets van de Week op zondag. Maar gisteren kwam ’t er even niet van, dus met een dag verlet nu een leuk rijtje met Astrotweets. Zoals deze eerste tweet, waarop we een deel van het Andromedastelsel (M31) zien. En daarop staan pakweg….500 miljoen sterren. Tel maar na.

Woehaha, een foto uit de oude doosch, een Russische Bison bommewerper met op z’n rug een enorme boostertank van de Buran, de Russische tegenhanger van de Space Shuttle.

Zó verschillend kan de temperatuur op Mars zijn laag bij de grond en op anderhalve meter hoogte.

Een tweet die mooi laat zien hoe snel licht beweegt.

Zo krijg je een indruk van de Starship van SpaceX. Wat een ding.

‘Recente’ uitbarsting van Sgr A* was tot ver buiten het Melkwegstelsel voelbaar

Credit: ARC Centre of Excellence for All Sky Astrophysics in 3D (ASTRO 3D))

Een team van sterrenkundigen uit de VS en Australië onder leiding van Joss Bland-Hawthorn (All Sky Astrophysics in 3 Dimensions – ASTRO 3D) heeft ontdekt dat zo’n 3,5 miljoen jaar geleden een enorme uitbarsting moet hebben plaatsgevonden in het centrum van ons melkwegstelsel. Dat lijkt lang geleden (en op menselijke schaal is het dat ook), maar voor sterrenkundigen is dat zeer recent. Vanuit de omgeving van Sagittarius A* (kortweg Sgr A*), het superzware zwarte gat in het centrum van de Melkweg, moeten toen naar twee kanten toe parallel aan de rotatieas van het zwarte gat, twee kegelvormige uitbarstingen hebben plaatsgevonden, twee zogeheten ‘Seyfertvlammen’. Maar liefst 200.000 lichtjaar van de Melkweg vandaan kwam één van die energierijke vlammen in botsing met de ‘Magelhaense Stroom’, da’s een lange stroom van gas, die vanuit de Grote en Kleine Magelhaense Wolken (twee begeleidende dwergstelsels van de Melkweg) naar de Melkweg toe lopen. De uitbarsting moet ongeveer 300.000 jaar hebben geduurd en dat was ‘voelbaar’ voor het gas in de Magelhaense Stroom.

Impressie van de uitbarsting van Sgr A*, die de Magelhaense Stroom treft. Credit: James Josephides /ASTRO 3D.

Bland-Hawthorn en z’n team gebruikten gegevens die met de Hubble ruimtetelescoop waren verzameld van de Magelhaense Stroom en daarin konden ze zien dat de stroom sporen vertoond van ionisatie, een gevolg van die blootstelling aan de Seyfertvlam vanuit het centrum van de Melkweg. Het team heeft nog alternatieve verklaringen onderzocht voor de uitbarsting, zoals een grote geboortegolf van sterren, maar de enige verklaring die plausibel lijkt is een uitbarsting van het 4,2 miljoen zonsmassa zware Sgr A*. Die is dus kennelijk niet altijd zo rustig geweest als nu.

Hanny’s Voorwerp. Credit: Galaxy Zoo Project, ING

Mmmm, ionisatie in een gaswolk als gevolg van een actief superzwaar zwart gat. Dat doet mij denken aan het verhaal van Hanny’s Voorwerp (zie de foto hierboven), waar ook sprake is van een oplichtende gaswolk als gevolg van ionisatie, veroorzaakt door een actief zwart gat in een naburig sterrenstelsel, een zwart gat dat daarna weer in slaap sukkelde. Sterke gelijkenis met de Magelhaense Stroom en de ionisatie door de Seyfertvlam. Bron: Eurekalert.

Piek in platinavondst ondersteunt de Jongere Dryas asteroïde inslag hypothese

Zuid-Afrikaans onderzoek onder leiding van Francis J. Thackeray van de Universiteit van Witwatersrand heeft nieuw bewijs opgeleverd, in de vorm van een piek in het platinaniveau, voor de Dryas Impact Hypothesis (YDIH). Ongeveer 12.000 jaar geleden werd een groot deel van de aarde ondergedompeld in een mini-ijstijd, wat leidde tot het uitsterven van vele megafauna-soorten (groep grote zoogdieren in een bepaald gebied). Deze periode staat bekend als de Jonge(re) Dryas-stadiaal (12.700-11.560 jaar BP*). Tijdens deze periode werd het klimaat nog één keer flink kouder (Eng. the Big Freeze), en duurde zo een 1150 jaar. Wat precies deze mini-ijstijd veroorzaakte staat nog ter discussie maar één hypothese draait om een asteroïde of komeeteffect. Nu hebben Zuid-Afrikaanse onderzoekers nieuw bewijs gevonden om deze hypothese te ondersteunen, in de vorm van een onverklaarbare piek van platina in een oude turfafzetting.

Lees verder

De heliumflits is nog nooit waargenomen, maar met B-subdwergen lijkt het mogelijk

Een voorbeeld van een B-subdwerg. Credit: ESO.

De heliumflits is een bekend astronomisch verschijnsel, iets wat de zon over naar schatting 6,2 miljard jaar ook gaat meemaken – lees Olaf van Kooten z’n Evolutie van Sterren hierover. Maar bekend of niet, realiteit is wel dat men nog nooit een heliumflits heeft waargenomen. Het is dus een hypothetisch verschijnsel, maar wel eentje met een stevige theoretische basis. De zon draait op de fusie van waterstof in helium in z’n kern. Als de waterstof in de kern over vijf miljard jaar op is zal de temperatuur daar stijgen. Als de kerntemperatuur oploopt tot 200 miljoen K zal ‘ie helium  omzetten tot koolstof en zuurstof door middel van het triple-alfaproces. Bij sterren lichter dan 2,3 zonnemassa’s gaat dit heel plotseling; dit geeft de Heliumflits (Engels: Helium Core Flash) als bijproduct, waarbij er in zeer korte tijd – slechts enkele minuten – net zoveel energie vrijkomt als alle sterren in het Melkwegstelsel bij elkaar in dezelfde periode genereren. Wowie, dat laatste klinkt heftig en is ook heel heftig. Maar waarom is het dan nog nooit waargenomen, zo’n heliumflits klinkt toch supernova-achtig?

Ook sterren maken bevingen mee, die bestudeerd worden door de asteroseismologie. Credit: Earl Bellinger / ESA.

De ‘schuld’ ervan ligt bij de kern en de buitenlagen van de rode reus. De meeste energie wordt namelijk door de kern zelf geabsorbeerd, die eerst in een stadium van ‘gedegenereerde’ materie (met name electronen) verkeerde en die door de heliumflits uit die staat wordt gehaald en een thermische expansie meemaakt. Het restant van de energie dat niet geabsorbeerd wordt dat wordt gedempt door het waterstof in de buitenlagen van de rode reus. Buiten de ster is daarom niets te merken van de cataclysmische heliumflits.

Kerrnfusie in drie stadia van sterren, links de zon, midden een rode reus vóór de heliumflits, rechts erna. Credit: RicHard-59 – Own work, based on this., CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=30534795

Of toch wel? Sterrenkundigen denken dat er toch iets merkbaar moet zijn, namelijk sterbevingen. Er is een tak van de sterrenkunde die dergelijke bevingen bestudeert, de asteroseismologie. Een groep Argentijnse, Amerikaanse en Deense asteroseismologen denkt nu dat ze kans maken om bij de zogeheten B-subdwergen de heliumflits waar te nemen. Eh…. B-subdwergen, we hadden het toch over rode reuzen? Ja dat klopt, maar de B-subdwergen zijn daar verwant aan. Want er zijn rode reuzen die door een vooralsnog onbekende oorzaak alle buitenlagen vol waterstof zijn kwijtgeraakt. Wat overblijft is een kern, die fusie van helium tot koolstof en helium + koolstof tot zuurstof kent, omgeven door een ‘mantel’ van helium en een dunne schil van waterstof (zie de afbeelding hieronder). En die kern is niet rood, nee hij is blauw-wit. Dat zijn de B-subdwergen.

Credit: Wikipedia.

De zon is aan de buitenkant 5700 K warm, rode reuzen zijn 3000 K warm. Die B-subdwergen zijn gloeiend heet, hun temperatuur aan de buitenkant is 20.000 tot 40.000 K. Omdat ze geen uitgebreide buitenlagen hebben van waterstof kan een eventuele heliumflits niet gedempt worden door die buitenlagen. En daarom denken Jørgen Christensen-Dalsgaard (Aarhus University) en z’n collega’s dat ze bij dit type sterren kans maken om de heliumflits waar te nemen. Die sterbevingen zouden zich moeten uiten als zeer minieme veranderingen in de lichtsterkte van de ster, in de orde van grootte van duizendsten van z’n gewone lichtsterkte.  De beste kandidaat die ze op het oog hebben in de B-subdwerg Feige 46 en met NASA’s TESS satelliet willen ze die februari 2020 uitgebreid gaan bestuderen, TESS is in staat die minieme variaties te zien. Hier het artikel dat ze erover publiceerden in Nature Astronomy Letters. Bron: Aarhus University.

Zwaartekrachtgolfdetectoren LIGO en Virgo krijgen versterking van KAGRA

Impressie van de KAGRA gravitational-wave detector in Japan. Credit: ICRR, Univ. of Tokyo.

Afgelopen vrijdag 4 oktober is een verdrag gesloten dat de weg vrijmaakt om de Japanse Kamioka Gravitational-Wave Detector (KAGRA) samen te laten werken met de LIGO en Virgo detectoren om zwaartekrachtgolven te detecteren. KAGRA is een ondergrondse detector in Japan en in de lente is de bouw ervan gereedgekomen. De verwachting is dat KAGRA in december daadwerkelijk kan starten met waarnemen en dat ‘ie dan inspringt in waarneemperiode O3 van LIGO en Virgo, die op 1 april dit jaar startte en die al tientallen detecties van zwaartekrachtgolven heeft opgeleverd, de meesten van botsende zwarte gaten. Met KAGRA zijn er feitelijk vier operationele zwaartekrachtgolfdetectoren, twee in de VS van LIGO, eentje in Italië en dan de laatste in Japan (zie de afbeelding hieronder).

LIGO Hanford (linksboven), LIGO Livingston (rechtsonder), Virgo (linksonder) en KAGRA (rechtsboven). Credit: ICRR, Univ. of Tokyo/LIGO Lab/Caltech/MIT/Virgo Collaboration.

KAGRA is de eerste ondergrondse detector, waardoor wind en seismische  activiteit minder invloed hebben op de waarnemingen. Door de toevoeging van nog een zwaartekrachtgolfdetector kunnen de sterrenkundigen de positie van de bron van de zwaartekrachtgolven aan de hemel nog beter traceren. Dat maakt het dan mogelijk om ook andere signalen van de bron te onderzoeken, zoals elektromagnetische straling. De bedoeling is dat in 2025 ook LIGO India wordt toegevoegd aan de set detectoren. Bron: LIGO.

Nou weten we waarom neutrino IC170922A van blazar TXS 0506+056 zo energierijk was

Een impressie van een blazar. Credit: DESY, Science Communication Lab

Vorig jaar juli werd bekendgemaakt dat sterrenkundigen erin geslaagd waren om vanuit één bron aan de hemel, de ‘blazar’ genaamd TXS 0506+056, zowel energierijke fotonen als neutrino’s waar te nemen, een knap staaltje van multi-messenger sterrenkunde. De waarneming werd gedaan op 22 september 2017 en hij werd gedaan door de Fermi satelliet, die de fotonen van de gammastraling ervan zag, als de IceCube detector op de Zuidpool, die één zeer energierijk neutrino ervan zag (als ‘event IC170922A‘). De neutrino die door IceCube werd waargenomen had een enorme hoeveelheid energie, 290 biljoen eV (290 TeV), da’s 45 keer meer dan de hoogste energie die gehaald wordt in de Large Hadron Collider, ‘s werelds grootste deeltjesversneller. Lees deze, deze en deze Astroblogs daarover, zodat je weer helemaal bij bent.

Zo werd het EHE-neutrino geproduceerd, door twee botsende jets. Credit: IceCube Collaboration, MOJAVE, S. Britzen, & M. Zaja?ek

De vraag was voor meer dan een jaar: hoe kwam dat ‘EHE-neutrino’ (Extremely high energy neutrino) aan zo’n enorme energie? Een internationaal team van sterrenkundigen onder leiding van Silke Britzen (Max Planck Institute for Radio Astronomy in Bonn) heeft dat nu vermoedelijk ontdekt. Het blijkt dat IceCube-170922A het resultaat is van botsingen van twee jets of straalstromen vlakbij het superzware zwarte gat in het centrum van TXS 0506+056, een sterrenstelsel iets ten westen van de ster Bellatrix in het sterrenbeeld Orion op 3,7 miljard lichtjaar afstand. Uit de archieven van waarnemingen kon men zien dat de blazar eerder ook al actief was en dat ‘ie tussen september 2014 en maart 2015 ook al neutrino’s uitspuwde. Van andere blazars is ook bekend dat die energierijk materiaal in de vorm van jets uitspuwen, bundels van zeer heet plasma, maar bij geen ervan heeft men neutrino’s waargenomen.

De door IceCube waargenomen event IceCube-170922A. Credit: Icecube/NSF.

Waarom dan wel vanuit TXS 0506+056 en dan gelijk zo’n energierijke? Het lijkt er op dat twee van die jets, eentje van een eerdere uitbarsting van materiaal, met elkaar in botsing zijn gekomen (jet 1 en 2 in de afbeelding hierboven) en dat daardoor IC170922A is ontstaan. Mogelijk dat er in het centrum van TXS 0506+056 niet één superzwaar zwart gat is, maar dat er nog eentje huist en dat hun jets elkaar gekruist hebben. Hier het vakartikel over de waarnemingen aan de blazar en z’n EHE-neutrino, op 2 oktober gepubliceerd in Astronomy & Astrophysics. Bron: Max Planck Instituut.

Heet gas van het kosmische web van filamenten bij protocluster in vroege heelal waargenomen

Impressie van filamenten van het kosmische web, afkomstig uit de C-EAGLE simulatie. Credit: Joshua Borrow using C-EAGLE.

Een internationaal team van sterrenkundigen is erin geslaagd voor het eerst heet gas van het kosmische web van filamenten bij een protocluster in het vroege heelal waar te nemen. Het gaat om de zware protocluster SSA22, gelegen op 12 miljard lichtjaar afstand in de richting van het sterrenbeeld Waterman (Aquarius). Dat protocluster – voorloper in het vroege heelal van de hedendaagse clusters van sterrenstelsels – is bestudeerd met de Multi Unit Spectroscopic Explorer (MUSE) van ESO Very Large Telescope (VLT) in Chili en de Suprime-Cam van de Subaru Telescoop op Hawaï. Ook is gebruik gemaakt van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA), ook in Chili. Met deze batterij een grote instrumenten was het team, dat onder leiding stond van Hideki Umehata (RIKEN Cluster for Pioneering Research and the University of Tokyo) in staat om lange slierten van heet gas van wel drie miljoen lichtjaar lengte waar te nemen, de zogeheten Lyman-Alpha straling van ijl neutraal waterstofgas dat tussen de sterrenstelsels van SSA22 stroomt. Die sterrenstelsels zef hebben een hoge mate van stervorming, waarbij hun centrale actieve superzware zwart gat een belangrijke stimulerende rol speelt.

Het hete gas van de filamenten in beeld gebracht door Subaru (L) en ALMA (R). Credit: RIKEN.

Sterrenkundigen denken dat ons heelal een soort van ‘geraamte’ heeft van zeer grote filamenten van gewone én donkere materie, die de basis vormen van de grote structuren in het heelal, de clusters en superclusters van sterrenstelsels. Het is niet voor het eerst dat dat ‘kosmische web’, zoals het wordt genoemd, is waargenomen, maar eerder betrof het losse, kortere delen van dat web (zie de video hieronder voor een indruk van dat kosmische web).

Nu is dat het gloeiendhete gas tússen de sterrenstelsels van het protocluster in de volle lengte. Men denkt dat het gas door de zwaartekracht naar de sterrenstelsels toevalt en daar de stervorming en de activiteit van het superzware zwarte gat voedt. Hier is het vakartikel over de waarnemingen, op 3 oktober verschenen in Science. Bron: Subaru.

Einstein Telescoop voor zwaartekrachtgolven in Limburg is stap dichterbij

Artist Impression Einstein Telescope, door Marco Kraan (Nikhef).

Om te onderzoeken of de bodem in Zuid-Limburg voldoende stabiel is om een Einstein Telescoop te kunnen huisvesten, zijn metingen verricht. Volgens dit eerste onderzoek lijkt de Limburgse grond ‘stil genoeg’ om de Einstein Telescoop te huisvesten. Verder onderzoek van de bodem is noodzakelijk om de geschiktheid definitief vast te stellen.

Einstein Telescoop

Vanwege de bijzondere bodemsamenstelling en de aanwezigheid van een aantal top onderzoeksinstituten en de hightech industrie is de grensregio van Zuid-Limburg één van de mogelijke locaties voor de Einstein Telescoop in Europa. Het instituut Nikhef werkt met instituten uit 6 andere landen aan het realiseren van een Europese Einstein Telescoop. De ambitie van Nikhef is daarnaast om samen met België en Duitsland te komen tot de kandidatuur van Nederland, in Zuid-Limburg. 13 september 2018 hebben de wetenschappelijke instituten uit de Euregio (waaronder ook alle Vlaamse en Waalse universiteiten) met Nikhef daartoe een samenwerkingsovereenkomst ondertekend. Inmiddels neemt de Universiteit Maastricht hierin een leidende rol met de inrichting van een wetenschappelijke groep en de ETpathfinder, de testfaciliteit voor de Einstein Telescoop, in Maastricht.

Impressie van GW 170817, de botsing van twee neutronensterren, waarbij ook zwaartekrachtgolven werden geproduceerd, opgevangen door LIGO en Virgo. Credits: NASA’s Goddard Space Flight Center/CI Lab

Eerste Onderzoekresultaten

De meetopstelling omvatte een sensor aan de oppervlakte en één op 250 meter diepte. Op basis van de eerste metingen zou, volgens de huidige inzichten, de Einstein Telescoop gerealiseerd kunnen worden in de Euregio Meuse-Rhine met de vereiste gevoeligheid in het gewenste frequentiebereik, mits de gemeten seismische ruis in Terziet representatief is voor de regio en mits de zogenaamde active gravitational gradient noise (GGN) cancellation toegepast kan worden. Om deze voorbehouden te elimineren, is thans een uitgebreid geologisch en seismisch onderzoek van de regio in voorbereiding (E-TEST, looptijd 2020-2022) en doet Nikhef bij het observatorium VIRGO in Italië uitgebreid onderzoek naar deze active GGN cancellation (afronding eind 2021). Daarmee zal tegen het eind van 2022 de geschiktheid van de site voor de Einstein Telescoop definitiever vastgesteld kunnen worden.

Het onderzoek sterkt onze verwachtingen. De Einstein Telescoop vestigen in de grensregio van Zuid-Limburg betekent een grote impuls qua werkgelegenheid en fundamenteel wetenschappelijk onderzoek voor Nederland, België en Duitsland. Einstein Telescoop zal als een magneet fungeren voor topwetenschappers en studenten. Ik ben dan ook verheugd over deze eerste onderzoeksresultaten, waarbij ik mij realiseer dat nog vervolgstudies nodig zijn.” Gedeputeerde Joost van den Akker (Economie, Onderwijs en Sport).

Nationale afweging

De afweging over de kandidatuur is voor Nederland op nationaal niveau belegd. 18 december 2018 en 14 mei 2019 heeft Ingrid van Engelshoven, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Tweede Kamer geïnformeerd over de stappen die het Kabinet zet in het project de Einstein Telescoop en de mogelijke vestiging in de grensregio van Zuid-Limburg. Dit moet uiteindelijk landen in een Kabinetsbesluit. Voordat dit besluit genomen kan worden, moet volgens de Minister een gedegen afweging gemaakt worden op grond van de wetenschappelijke relevantie van deze onderzoeksfaciliteit, de fysieke geschiktheid van de bodem en een goede business case die gemaakt zal moeten worden met de buurlanden.

Meer informatie

Voor gedetailleerde informatie over het onderzoek verwijzen wij naar de notitie ‘Seismic characterization of the Euregion Meuse-Rhine in view of Einstein Telescope’. Bron: Provincie Limburg.