Fossiele schelpen laten zien dat de dag 70 miljoen jaar geleden een half uur korter was

Voorbeeld van een fossiel van een Hippuritada uit het Al-Hajar gebergte in de Verenigde Arabische Emiraten. Credit: Wikipedia, Wilson44691 – Own work, Public Domain.

Toen er nog dinosauriërs rondliepen op aarde draaide de aarde niet 365 keer per jaar rond z’n as, maar 372 keer (de duur van een jaar – één omloop om de zon – was toen hetzelfde). Aldus een onderzoek aan fossiele schelpen, die stammen uit het Laat-Krijt, het geologische tijdperk ongeveer 70 miljoen jaar geleden. Een dag duurde toen geen 24 uur, maar 23,5 uur.

Het onderzoeksteam, dat onder leiding stond van Niels de Winter (Vrije Universiteit Brussel) richtte zich op fossielen van hippuritida’s, een niet meer voorkomende orde van weekdieren. Die dieren konden heel snel groeien en iedere dag kon hun schelp met een ring erbij groeien. Met behulp van lasers werden de fossielen nader bestudeerd en daaruit kon men voor aardse een dag 70 miljoen jaar geleden maar liefst vijf ijkmomenten vaststellen. Op basis daarvan kon men de duur van een dag destijds bepalen, een half uur korter dan vandaag de dag. Ook kon men door chemische analyse van de fossiele schelpen zien dat het oceaanwater toen heel warm was, 40 graden maar liefst in de zomer en 30 graden in de winter – waarbij wel opgemerkt dat het een fossiel van een hippuritida betreft die in ondiepe wateren in de tropen moet hebben geleefd en die ca. negen jaar oud werd. Nu ligt dat in de buurt van Oman.

Dat de dag vroeger korter was dan tegenwoordig is voor sterrenkundigen niet nieuw. Door de zwaartekrachtsinvloed van de maan ontstaan de getijden en de wrijving die daar het gevolg van is zorgt ervoor dat de rotatie langzaam afneemt. Bron: Phys.Org.

Westerbork telescoop legt eerste kosmische radioflitsen vast

De Westerbork Synthese Radio Telescoop (WSRT), credit ASTRON.

In Westerbork is in 2019 de upgrade van één van de snelste en meeste gevoelige radiotelescopen ter wereld voltooid. Het team van Nederlandse en internationale onderzoekers heeft hiermee ontdekt dat er grote onderlinge verschillen zitten in het gedrag van de zogenaamde snelle radioflitsers. Zulke flitsers, ook wel Fast Radio Bursts (FRBs) genaamd, zenden enorme hoeveelheden energie uit, die het heelal doorkruisen. Maar waar al dat felle radiolicht door wordt uitgezonden, is onbekend. De Westerbork resultaten laten zien dat deze puzzel voorlopig niet is opgelost. Het eerste wetenschappelijke resultaat van deze nieuwe radiohogesnelheidscamera’s verschijnt vandaag in het vakblad Astronomy & Astrophysics.

De ontdekkingen zijn gedaan door Leon Oostrum, promovendus bij het Nederlands instituut voor radioastronomie (ASTRON) en aan de Universiteit van Amsterdam. “Deze eerste resultaten laten al meteen zien dat de snelle radioflitsen nog vele mysteries bevatten”, zegt Oostrum.

Impressie van de straling van een radioflitser die bij de aarde arriveert. Credit: CSIRO/Dr Andrew Howells.

Om te leren wat deze radioflitsers zijn, is met Westerbork gekeken naar de twee eerst ontdekte radiobronnen die regelmatig korte pulsen uitzenden, genaamd R1 en R2. Van R1 werden 30 flitsen gezien, maar R2 bleef onzichtbaar, ondanks 300 uur aan waarnemingen. R2 gedraagt zich, onverwacht, al meteen heel anders dan R1. Het zou kunnen dat R2 onzichtbaar is voor Westerbork omdat de flitsen te zwak zijn, of niet de “kleur” radiolicht hebben die Westerbork kan waarnemen. Een andere optie is dat R2 tijdelijk of permanent helemaal geen flitsen meer uitzendt. Het is nog onbegrepen wat precies de reden is dat R2 niet zichtbaar was.

De flitsen van R1 zijn de eerste radioflitsen die Westerbork heeft vastgelegd. De telescopen gaan nu ook op zoek naar nieuwe flitsers. Hoe meer radioflitsen de onderzoekers ontdekken, hoe meer duidelijk zal worden over hoe deze radioflitsen ontstaan.

Onderzoeksleider Joeri van Leeuwen (ASTRON) zegt: “Door de bestaande radioschotel van Westerbork te hergebruiken, hebben we een enorm gevoelige telescoop. Die hebben we uitgerust met een hypermodern ontvangersysteem, Apertif genaamd, en een gigantische supercomputer. Daarmee maken we 20.000 beelden per seconde van het heelal.”

Met deze complete revisie is de Westerbork radiotelescoop, eigendom van ASTRON, weer één van de beste radiotelescopen van de wereld. Omdat het beeld wordt opgebouwd door de signalen van 12 schotels te combineren, kan een zeer gedetailleerd beeld van de hemel worden gemaakt. Door de nieuwe Apertif techniek kunnen deze scherpe beelden gemaakt worden van een groot stuk van de hemel in één keer. Waar andere vergelijkbare telescopen met sluitertijden werken van 1 seconde, kan de Apertif supercomputer films maken met meerdere beelden per 1/1000e seconde.

Oostrum: “Die combinatie is uniek in de wereld, en essentieel om te onderzoeken hoe de mysterieuze snelle radioflitsen werken”. Bron: ASTRON.

NASA zet ontwerp wedstrijd op voor sensor Venus rover

Het Venus oppervlak is met zijn enorm hoge temperatuur en hoge druk een helse omgeving. Zelfs de meest geharde Venus rovers bleken in het verleden maar een paar uur in deze barre omstandigheden te overleven. In de hoop de levensduur van een potentiële Venus rover uit te breiden tot maanden in plaats van uren, heeft NASA recent bekend gemaakt voor de toekomstige Venus rover, de AREE (Automaton Rover for Extreme Environments), uit te rusten met automatische systemen. Dit (grotendeels) ter vervanging van electronica welke snel faalt bij hogere temperaturen van 120 ° C . NASA heeft recent voor een component aan de rover het publiek om hulp gevraagd.

Lees verder

Twijfels of type Ia supernovae wel als afstandsindicator kunnen worden gebruikt

Credit: NASA/JPL-Caltech

Al tientallen jaren worden type Ia supernovae door sterrenkundige gebruikt als ‘standaardkaars’, als indicator om hun afstand te schatten. Meet je van een supernova in een ander sterrenstelsel z’n helderheid tijdens de piek – men noemt dat de schijnbare helderheid – en weet je ook z’n absolute helderheid, da’s de de helderheid die de supernova zou hebben als ‘ie zich op exact 10 parsec afstand zou bevinden, dan kan je z’n afstand tot de aarde berekenen. En van type Ia supernovae kennen we de absolute helderheid, want alle type Ia SN ‘progenitors’, de witte dwergsterren die een thermonucleaire explosie ondergaan, doen dat zodra ze de Limiet van Chandrasekhar bereiken, een massa van pakweg 1,4 zonsmassa. Ehh…. nou ja, die veronderstelling dat we de absolute helderheid van type Ia SN kennen wordt nu in twijfel getrokken. Onderzoek van een team van sterrenkundigen onder leiding van Maria Bergemann (Max Planck Institute for Astronomy in Heidelberg) laat namelijk zien dat type Ia SN ook andere absolute helderheden kunnen hebben.

Credit: NASA, ESA and A. Feild (STScI).

Bergemann en haar groep hebben gekeken naar 42 sterren in de Melkweg en daarvan hebben ze bestudeerd hoe de verhouding van mangaan en ijzer er in hun atmosfeer uit ziet. Mangaan wordt niet in gewone sterren geproduceerd, maar in supernovae. Verschillende types supernovae leveren verschillende verhoudingen van ijzer en mangaan op, elementen die terechtkomen in de gas- en stofwolken, waaruit later weer sterren worden geboren. Uit de waarnemingen blijkt dat de specifieke verhouding van ijzer en mangaan, geproduceerd door type Ia supernovae constant is. Ook buiten de Melkweg, in sterrenstelsels in de Lokale Groep, blijkt de verhouding constant te zijn.

Van type Ia supernovae is de algemene gedachte dat het witte dwergen betreft die een nabije rode reuzenster hebben en die daarvan materie onttrekken door hun zwaartekracht. Als ze door die overdracht op een gegeven moment de limiet van Chandrasekhar hebben, dan exploderen ze, zoals ze zien in de afbeelding hierboven. Uit het werk van Bergemann et al blijkt dat ook andere mechanismen om een type Ia SN te produceren de waargenomen ijzer-mangaan verhouding kunnen hebben veroorzaakt. Dit type supernova kan namelijk ook onstaan doordat er twee witte dwergen tegen elkaar botsen en dan exploderen of door een zogeheten ‘dubbele detonatie’, waarbij er in de kern van koolstof en zuurstof van de witte dwerg een tweede explosie optreedt – zie de afbeelding hieronder.

Credit: R. Hurt/Caltech-JPL, Composition: MPIA graphics department.

Bij die alternatieve mechanismen voor een type Ia SN hoeft de Limiet van Chandrasekhar helemaal niet gehaald te worden en dat betekent dat de absolute helderheid helemaal niet gelijk hoeft te zijn. Bergemann en haar groep denken dat maar liefst driekwart van alle type Ia supernovae niet geproduceerd zijn door witte dwergen met een rode reus in de buurt, maar door één van de alternatieve mechanismen. En daarmee is de betrouwbaarheid van type Ia supernovae als standaard kaars in twijfel getrokken. Er is al jaren een debat gaande over de expansie van het heelal – de zogeheten Hubble-spanning – en in dat debat nemen de afstandsbepalingen met behulp van type Ia SN een belangrijke rol in. Type Ia SN vormen een onderdeel van de kosmische afstandsladder, die gebruikt wordt om de expansie van het heelal te meten door te kijken naar afstandsindicatoren in het huidige heelal, zoals Cepheïden en type Ia supernovae. Van Cepheïden werd onlangs al opgemerkt dat ze niet zo heel betrouwbaar zijn als indicator en nu wordt dat dus ook geroepen van type Ia SN.

Impressie van de kosmische afstandsladder. Credit: NASA/JPL-Caltech.

Met de uitgave van de derde uitgave van gegevens van de Europese Gaia missie (DR3) hoopt men meer te weten te komen over de ijzer/mangaan verhouding in sterren en daarmee van de ware aard van de progenitors van type Ia SN. Hier het vakartikel van Bergemann et al, te verschijnen in Astronomy & Astrophysics. Bron: Centauri Dreams.

Curiosity heeft organische moleculen op Mars ontdekt – thiofeen

Marsrover Curiosity. Credit: NASA

De Marsrover Curiosity, die al sinds augustus 2012 in de Gale krater op Mars rondtuft, heeft organische moleculen ontdekt! Het gaat om thiofeen, een verbinding die bestaat uit een aromatische ring van vier koolstofatomen en een zwavelatoom. Op aarde komt thiofeen ook voor en wel in steenkool, ruwe aardolie en in… witte truffels – rode draad van alle drie: het heeft te maken met leven (truffels zijn een zwam, steenkool en aardolie zijn een product van vroeger dierlijk leven)! Kortom, deze vondst van Curiosity is belangrijk in de speurtocht naar signalen van (vroeger) microbacterieel leven op Mars. Nou kan dergelijk leven een rol hebben gespeeld in de aanwezigheid van thiofeen, maar het valt niet uit te sluiten dat ook niet-biologische processen thiofeen kunnen opleveren, zoals inslagen van meteoren en door zogeheten thermochemische zwavelreductie, een proces waarbij de temperatuur minstens 120 °C moet bedragen.

Mars, de planeet waar thiofeen gevonden is. Credit: NASA/JPL-Caltech

In het biologische scenario zouden bacteriën ca. drie miljard jaar geleden, toen Mars nog nat en warm was, het thiofeen kunnen hebben geproduceerd door afbraak van zwavel. Juli dit jaar wordt de Europese Rosalind Franklin Marsrover gelanceerd en die zou met z’n Mars Organic Molecule Analyzer (MOMA) meer bewijs hiervoor kunnen leveren. In het tijdschrift Astrobiology verscheen een vakartikel over de ontdekking van thiofeen op Mars. Eerder deze week de vondst van eiwitten in een meteoriet en nu dan van het organische molecuul thiofeen op Mars, een mooie week voor de speurtocht naar buitenaards leven! Bron: Washington State University.

’t Is bevestigd: Betelgeuze is lichtzwakker omdat ‘ie stof heeft uitgestoten

Waarnemingen met ESO’s VLT aan Betelgeuze. Credit: ESO/M. Montargès et al.

Betelgeuze (Alpha Orionis) is al maanden in het nieuws vanwege z’n sterke afname in de lichtkracht sinds oktober. Sinds een poosje is ‘ie weer lichtsterker geworden, hetgeen al was voorspeld. Voor de afname van de lichtsterkte bestonden twee verklaringen, de ene dat er een enorme convectiecel met heet materiaal van binnenuit aan de oppervlakte was verschenen, die vervolgens afkoelde en weer naar beneden zonk, de andere was dat Betelgeuze veel stof aan het uitbraken was, stof dat zich vervolgens condenseerde rondom de ster en het licht deels verduisterde. Die laatste verklaring blijkt nu de juiste te zijn. Twee sterrenkundigen, Emily Levesque en Philip Massey (University of Washington), hebben op 14 februari j.l. een gedetailleerd spectrum van Betelgeuze gemaakt. Hun doel: de temperatuur van het oppervlak van Betelgeuze meten. Da’s minder makkelijk dan gezegd, want je stopt niet even een thermometer in een ster, die 640 lichtjaar van ons vandaan staat. Zo’n spectrum is een manier om dat te doen, maar bij een heldere ster als Betelgeuze valt dat niet mee – jaja, een gedetailleerd spectrum van een lichtzwakke ster is gemakkelijker dan van een heldere ster!

Het oppervlak van Betelgeuze, waargenomen in 2017 met de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array. Wellicht is hierop een convectiecel te zien.  Credit: ALMA/ESO/NAOJ/NRAO/E. O’Gorman/P. Kervella

Toch is dat met behulp van de 4,3-meter Lowell Discovery Telescope gelukt. Levesque en Massey waren in staat het overvloedige licht van Betelgeuze te filteren en er een absorptielijn van moleculen van titanium oxide uit te halen. Uit die lijn waren ze in staat de temperatuur van Betelgeuze’s oppervlak te bepalen: op 14 februari was die gemiddeld 3.325 K. In 2004 – dus ver voor de periode van lichtzwakte – hadden ze dan ook al eens gedaan en toen was de temperatuur maar 50 tot 100 K hoger. Was de lichtzwakte veroorzaakt door een opborrelende convectiecel, dan had de oppervlaktetemperatuur veel lager moeten zijn dan de gemeten 3.325 K. Vandaar dat Levesque en Massey toen zeker wisten dat stof de oorzaak moest zijn van de verduistering van Betelgeuze.  Hieronder hun vakartikel over de waarnemingen aan Betelgeuze:

Emily M. Levesque, Philip Massey. Betelgeuse Just Isn’t That Cool: Effective Temperature Alone Cannot Explain the Recent Dimming of Betelgeuse. arXiv:2002.10463 [astro-ph.SR].

Bron: Eurekalert.

En de naam van NASA’s Mars 2020 rover is… Perseverance

Impressie van NASA’s nieuwe Marsrover, Perseverance. Credit: NASA.

De NASA heeft deze week bekendgemaakt dat de naam van de Mars 2020 rover Perseverance gaat heten, Engels voor ‘Volharding’. De naam is bedacht door de middelbare scholier Alexander Mather van de Lake Braddock Secondary School in Burke, Virginia. Vorig jaar was er door de NASA een wedstrijd uitgeschreven om de naam te bedenken en uit de 28.000 inzendingen werd deze naam gekozen. Sinds de Sojourner in 1997 schrijft de NASA telkens wedstrijden onder Amerikaanse middelbare scholen uit om de naam van Marslanders en -rovers te bedenken.

De bedoeling is dat de Perseverance, die 1043 kg weegt, komende zomer wordt gelanceerd vanaf Kennedy Space Center in Florida en dat ‘ie op 18 februari 2021 om 21.40 uur Nederlandse tijd (hoezo nauwkeurig) zachtjes landt in de Jezero krater op Mars. Daar moet de rover met z’n instrumenten op zoek gaan naar aanwijzingen voor (vroeger) micro bacterieel leven op Mars. Ook zal Perseverance onderzoek doen aan klimaat en geologie van de Rode Planeet, ter voorbereiding op toekomstige bemande vluchten naar Mars. Bron: NASA.

Nieuw ESO-onderzoek taxeert de gevolgen van satellietconstellaties voor astronomische waarnemingen

Hemelgebieden die het meest worden aangetast door satellietconstellaties. Credit: ESO/Y. Beletsky/L. Calçada.

Astronomen hebben onlangs hun zorgen uitgesproken over de effecten van grote satellietconstellaties op het wetenschappelijk onderzoek. Om een betere inschatting te kunnen maken van de gevolgen van deze constellaties voor astronomische waarnemingen, heeft ESO opdracht gegeven voor een onderzoek dat zich vooral richt op waarnemingen op visuele en infrarode golflengten met ESO-telescopen, maar ook andere sterrenwachten erbij betrekt. Het onderzoek, dat geaccepteerd is voor publicatie in Astronomy & Astrophysics, brengt alles bij elkaar achttien representatieve satellietconstellaties in rekening, zoals die door SpaceX, Amazon, OneWeb en anderen worden ontwikkeld. In totaal gaat het om meer dan 26 duizend satellieten [1]Veel van de parameters die de satellietconstellaties kenmerken, waaronder het verwachte aantal satellieten, worden nogal eens bijgesteld. Het onderzoek gaat ervan uit dat er in totaal 26.000 … Continue reading.

Het onderzoek laat zien dat grote telescopen, zoals ESO’s Very Large Telescope (VLT) en ESO’s toekomstige Extremely Large Telescope (ELT), ‘middelmatige hinder’ zullen ondervinden van de constellaties die nu in ontwikkeling zijn. De effecten zijn het grootst bij lange belichtingstijden (van ongeveer 1000 seconden): tijdens ochtend- en avondschemering zou tot wel drie procent van de opnamen onbruikbaar zijn. Bij kortere belichtingstijden geldt dit voor minder dan 0,5 procent van deze waarnemingen. Ook waarnemingen die op andere nachtelijke tijdstippen plaatsvinden zouden minder hinder ondervinden, omdat de satellieten zich dan in de aardschaduw bevinden en dus niet worden aangelicht. Afhankelijk van het soort onderzoek kunnen de gevolgen worden verzacht door de observatieschema’s van de ESO-telescopen aan te passen, al moet daar wel een prijs voor worden betaald [2]Voorbeelden van verzachtende maatregelen zijn: het vermijden van waarnemingen rond de berekende posities van de satellieten, het sluiten van het luik van de telescoop op het moment dat een satelliet … Continue reading. Van de kant van de industrie kunnen de gevolgen op effectieve wijze worden tegengegaan door de satellieten donker te maken.

Schematisch tekening van de waarneembaarheid van satellieten voor een zekere tijd en plaats. Credit: ESO/L. Calçada

Het onderzoek laat ook zien dat de impact van de satellieten het grootst is voor surveys met een groot beeldveld die met grote telescopen worden gedaan. Zo wordt van alle belichtingen met bijvoorbeeld de Vera C. Rubin-sterrenwacht van de Amerikaanse National Science Foundation (geen ESO-faciliteit) – afhankelijk van het jaargetijde, het tijdstip in de nacht en de gesimplificeerde aannames van het onderzoek – tot wel 30 à 50 procent ‘ernstig gehinderd’. De verzachtende maatregelen die bij ESO-telescopen kunnen worden toegepast, hebben geen effect bij deze sterrenwacht, al worden er nog alternatieve strategieën overwogen. Verder onderzoek is nodig om de wetenschappelijke implicaties van dit verlies aan waarnemingsgegevens volledig in kaart te brengen. Groothoek-surveytelescopen zoals de Rubin-sterrenwacht kunnen grote stukken hemel snel in beeld brengen, waardoor ze cruciaal zijn voor het opsporen van kortstondige verschijnselen zoals supernova’s en potentieel gevaarlijke planetoïden. Vanwege hun unieke vermogen om zeer grote datasets te produceren en waarnemingsobjecten voor tal van andere sterrenwachten te ontdekken, beschouwen de astronomische gemeenschappen en financieringsinstellingen in Europa en elders de groothoek-surveytelescopen als topprioriteit voor toekomstige ontwikkelingen in de astronomie.
Professionele en amateur-astronomen hebben ook hun zorgen geuit over hoe grote satellietconstellaties de ongerepte aanblik van de nachthemel zouden aantasten. Het onderzoek laat zien dat voor een sterrenwacht op middelbare geografische breedte ongeveer 1600 satellieten boven de horizon te zien zouden zijn, waarvan de meeste laag aan de hemel – minder dan 30 graden boven de horizon. Daarboven – het deel van de hemel waar de meeste astronomische waarnemingen plaatsvinden – zullen op elk moment ongeveer 250 satellieten te vinden zijn. Hoewel al deze satellieten rond zonsondergang en -opkomst worden aangelicht door de zon, verdwijnen ze in de loop van de avond in de aardschaduw. Het ESO-onderzoek kent een zekere helderheid aan deze satellieten toe. Ervan uitgaande dat de gekozen helderheid juist is, zullen ongeveer honderd satellieten helder genoeg zijn om in de schemering met het blote oog te worden opgemerkt. Ongeveer tien daarvan zouden zich meer dan 30 graden boven de horizon bevinden. Al deze aantallen nemen af naarmate het donkerder wordt en meer satellieten in de aardschaduw belanden. Al met al zouden de nieuwe satellietconstellaties het aantal satellieten dat ’s avonds boven een hoogte van ongeveer 30 graden met het blote oog waarneembaar is ongeveer doen verdubbelen [3]Geschat wordt dat er momenteel 34.000 objecten groter dan 10 centimeter om de aarde draaien. Daartoe behoren ongeveer 5500 satellieten, waarvan er circa 2300 in bedrijf zijn. De rest bestaat uit … Continue reading.
Deze aantallen hebben geen betrekking op de lange ketens van satellieten zoals die kort na lancering te zien zijn. Hoewel deze ketens spectaculair en helder zijn, bestaan ze maar kort en zijn ze alleen kort na zonsondergang of kort voor zonsopkomst te zien, en dan ook nog eens vanuit een zeer beperkt gebied op aarde.

De hemel boven de Extremely Large Telescope. Credit: ESO/M. Zamani

Het ESO-onderzoek maakt gebruik van vereenvoudigingen en aannamen om voorzichtige schattingen te verkrijgen van de effecten, die in werkelijkheid kleiner kunnen zijn dan nu is berekend. Om de werkelijke gevolgen nauwkeuriger te kwantificeren, moeten geavanceerdere modelberekeningen worden gedaan. Hoewel de nadruk ligt op ESO-telescopen, zijn de gevonden resultaten – bij vergelijkbare instrumentatie en onderzoeksdoelen – ook van toepassing op telescopen van anderen.
Satellietconstellaties zullen ook gevolgen hebben voor radio-, millimeter- en submillimeter-sterrenwachten, waaronder de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) en het Atacama Pathfinder Experiment (APEX). Deze gevolgen zullen het onderwerp zijn van vervolgonderzoeken.
Samen met andere sterrenwachten, de Internationale Astronomische Unie (IAU), de American Astronomical Society (AAS), de Britse Royal Astronomical Society (RAS) en andere genootschappen, neemt ESO maatregelen om het bewustzijn van deze kwestie onder de aandacht te brengen van mondiale fora zoals de VN-commissie voor het vreedzaam gebruik van de ruimte (COPUOS) en de Europese commissie voor radio-astronomische frequenties (CRAF). Tegelijkertijd wordt met de diverse ruimtevaartbedrijven naar praktische oplossingen gezocht die de grote investeringen in geavanceerde astronomische faciliteiten op aarde kunnen beschermen. ESO steunt de ontwikkeling van regelgevingskaders die er uiteindelijk toe zullen leiden dat de veelbelovende technologische vooruitgang in lage aardbanen en de omstandigheden die de mensheid in staat stellen om het heelal waar te nemen en te leren begrijpen vreedzaam naast elkaar kunnen blijven bestaan. Bron: ESO.

References[+]

References
1 Veel van de parameters die de satellietconstellaties kenmerken, waaronder het verwachte aantal satellieten, worden nogal eens bijgesteld. Het onderzoek gaat ervan uit dat er in totaal 26.000 satellieten om de aarde zullen draaien, maar dit aantal zou hoger kunnen zijn.
2 Voorbeelden van verzachtende maatregelen zijn: het vermijden van waarnemingen rond de berekende posities van de satellieten, het sluiten van het luik van de telescoop op het moment dat een satelliet het beeldveld doorkruist, en het beperken van de waarnemingen tot het hemelgebied dat in de aardschaduw ligt, waar de satellieten niet door de zon worden verlicht. Deze methoden zijn echter niet voor alle soorten waarnemingen geschikt.
3 Geschat wordt dat er momenteel 34.000 objecten groter dan 10 centimeter om de aarde draaien. Daartoe behoren ongeveer 5500 satellieten, waarvan er circa 2300 in bedrijf zijn. De rest bestaat uit ‘ruimteschroot’, zoals rakettrappen en lanceer-koppelstukken van satellieten. Overal en altijd bevinden ongeveer 2000 van deze objecten zich boven de lokale horizon. In de schemering worden vijf tot tien ervan aangelicht door de zon, waardoor ze met het blote oog te zien zijn.

Oud topambtenaar defensie VS laakt passieve houding inzake UFO onderzoek

Amerikaanse inlichtingendiensten spannen zich niet of nauwelijks in om UFO waarnemingen nader te onderzoeken. Dit stelt Christopher Mellon, voormalig plaatsvervangend onderminister van defensie tijdens de regeringperioden Clinton en Bush sr., in een uitgebreid artikel van zijn hand dat recent is verschenen op de site van American Legion. Mellon schetst hierin de loop van gebeurtenissen die de marine noopte in 2018 met een officiële verklaring te komen omtrent UFO waarnemingen door marine personeel. Mellon interviewde zelf o.a. marine commandant David Fravor en zijn collega, beide waren getuigen van een UAP. Tenslotte roept Mellon op politici, en betrokken overheidsdiensten niet achterover te zitten maar actie te ondernemen en hij oppert enkele voorstellen. Hieronder een samenvatting in het Nederlands van Mellon’s artikel; Lees verder

Eiwit ontdekt in een meteoriet

Model van het 2320 hemolithine eiwit. Boven: in ruimtelijke weergave; Midden: patroon van verbindingen; Onder: de uiteinden met ijzer, zuurstof en lithium. Wit = H; oranje = Li; grijs = C; blauw = N; rood = O en groen = Fe. Waterstofbruggen zijn weergegeven met gestippelde lijnen. Credit: arXiv:2002.11688 [astro-ph.EP]

Onderzoekers hebben bewijs gevonden voor de aanwezigheid van eiwit in een meteoriet. Het gaat om een meteoriet, genaamd Acfer 086, die in 1990 in Algerije werd gevonden en het eiwit (proteïne) dat daarin werd aangetroffen is hemolithine. Eerder werden al organische materialen, suikers en sommige andere moleculen, die worden beschouwd als voorlopers van aminozuren en volledig gevormde aminozuren in zowel meteorieten als kometen gevonden, maar tot nu toe waren er geen eiwitten gevonden in buitenaards objecten. Een team van onderzoekers van Plex Corporation, Bruker Scientific LLC en Harvard Universiteit vond het hemolithine-eiwit, dat klein is en voornamelijk bestaat uit glycine en aminozuren. Het had ook zuurstof-, lithium- en ijzeratomen aan zijn uiteinden – een samenstelling die nog nooit eerder was gezien. Het eiwit is gerelateerd aan een grote verhouding van deuterium/waterstof (D/H), een verhouding die niet aards is en die erop wijst dat het ontstaan is in de oerwolk waaruit het zonnestelsel is ontstaan, mogelijk zelfs nóg ouder, een interstellaire moleculaire wolk.

De Acfer 086 meteoriet. Credit: Wikipedia Commons.

Eiwitten worden beschouwd als essentiële bouwstenen voor de ontwikkeling van leven en door deze ontdekking wordt het idee van de panspermia onderbouwd, welke ervan uit gaat dat (de bouwstenen van) het leven op aarde vanuit de ruimte naar de aarde is gekomen. Eiwitten zijn vrij complex en voor de vorming ervan zijn diverse stappen nodig. Om hemolithine in de gevonden samenstelling op natuurlijke wijze te vormen zou eerst glycine moeten worden gevormd, misschien op het oppervlak van stofkorrels in de ruimte. Vervolgens zou de glycine onder invloed van warmte polymeerketens kunnen hebben gevormd, die uitgroeiden tot volledig gevormde eiwitten. De onderzoekers merken op dat de atoomgroepen op de uiteinden van het eiwit een ijzeroxide vormen, dat in eerder onderzoek bleek fotonen te kunnen absorberen – een manier om water in zuurstof en waterstof te splitsen, waardoor het een energiebron vormt, die nodig is voor de ontwikkeling van het leven. Eerder werd al vermoed dat hemolithine aanwezig is in de Allende meteoriet, maar daar kon geen bewijs voor worden gevonden. Hier het vakartikel over de vondst van het eiwit hemolithine in de Acfer 086 meteoriet.

Bron: Phys.org.