Artist’s impression Bruine Dwerg. Astronomen hebben bewijs gevonden voor een wolkenbandpatroon op de bruine dwerg Luhman 16A. De wolkenbanden zijn gevonden met behulp van polarimetrie. Dat is een techniek waarmee gepolariseerd licht wordt gemeten van een astrofysisch object. Het is de eerste keer dat polarimetrie wordt gebruikt om wolkenpatronen op een bruine dwerg te meten. Het rode object in de achtergrond is Luhman 16B, de partner van Luhman 16A. Samen vormen zij het meest nabije paar bruine dwergen, op een afstand van 6,5 lichtjaar van de aarde. Credit: Caltech/R. Hurt (IPAC).
Een internationaal team van astronomen heeft wolkenbanden ontdekt boven het oppervlak van een bruine dwerg. De banden lijken op die aan het oppervlak van de planeet Jupiter. Ze zijn gevonden met behulp van polarimetrie, een techniek die bijvoorbeeld ook wordt gebruikt in aardobservatie. Het resultaat van het onderzoeksteam, met onder anderen de Leidse astronomen Frans Snik, Rob van Holstein en Jos de Boer, is geaccepteerd voor publicatie in The Astrophysical Journal. De waarnemingen zijn uitgevoerd met ESO’s Very Large Telescope (VLT) in het noorden van Chili.
De Leidse sterrenkundigen zijn er samen met het internationale team onder leiding van Maxwell Millar-Blanchaer (Caltech, VS) voor het eerst in geslaagd om met behulp van polarimetrie een Jupiter-achtige bandenstructuur aan te tonen in de atmosfeer van een bruine dwerg. De bruine dwerg die de astronomen hebben bestudeerd is Luhman 16A, die samen met Luhman 16B een dubbele bruine dwerg vormt, op een afstand van slechts 6,5 lichtjaar van de aarde. Het zijn de meest nabije bruine dwergen die bekend zijn.
Het systeem is in 2013 ontdekt door NASA’s WISE-telescoop. Elk van de twee bruine dwergen heeft ongeveer 30 keer de massa van Jupiter. Koele bruine dwergen ontstaan op ongeveer dezelfde manier als gewone sterren uit instortende gaswolken, maar ze hebben te weinig massa om te ‘ontsteken’ en te gaan schijnen als sterren.
Middels polarimetrie meten sterrenkundigen – behalve de ruimtelijke verdeling, de hoeveelheid en het spectrum van licht van een astronomisch object – ook de zogenoemde polarisatie: een maat voor de voorkeursrichting van de trilling van licht. Polarisatie kan veroorzaakt worden door allerlei asymmetrische structuren, en geeft belangrijke informatie over objecten, van planeten tot kernen van sterrenstelsels. Onze eigen blauwe lucht is ook sterk gepolariseerd, en door het meten van polarisatie van verstrooid licht kunnen wetenschappers de eigenschappen van atmosferen achterhalen.
Zo hebben Leidse astronomen samen met SRON en de Nederlandse industrie de polarimeters SPEX en iSPEX ontwikkeld om fijnstof in onze lucht te meten. Ze gebruiken polarimetrie ook om de eigenschappen van de atmosferen van bruine dwergen (mislukte sterren), sterren, stofschijven en planeten rond sterren te karakteriseren.
In eerder onderzoek met NASA’s Spitzer Space Telescope werden drie andere bruine dwergen gevonden met indirecte tekenen van wolkenbanden. Onderzoek aan de partner van Luhman 16A, Luhman 16B, suggereerde ook wolkenpatronen. Deze metingen keken allemaal naar de helderheid van de objecten door de tijd heen en konden zo niet een volledig beeld geven van de atmosferische structuur, wat met het meten van het gepolariseerde licht nu wel is gelukt.
In de nieuwe studie werd het NaCo-instrument op de VLT gebruikt om het gepolariseerde licht van de beide Luhman-dwergen te meten. Beide bruine dwergen blijken een beetje lineair gepolariseerd. Dit wordt niet veroorzaakt door reflectie van het licht van de ‘partner’, maar door verstrooiing van hun eigen warmtestraling aan deeltjes in hun atmosfeer.
“Polarimetrie is verreweg de beste techniek die we hebben om wolkenbanden net zoals die van Jupiter te detecteren op bruine dwergen,” zegt Frans Snik van de Sterrewacht Leiden. “Enkel en alleen het feit dat we polarisatie meten geeft al aan dat Luhman 16A en 16B geen saaie bollen zijn.” Hoewel de onderzoekers de bruine dwerg zelf niet in beeld hebben gebracht, konden ze met de metingen van het gepolariseerde licht de aanwezigheid van wolkenbanden afleiden met behulp van geavanceerde atmosferische modellen. Ze kunnen niet met zekerheid zeggen hoeveel wolkenbanden op Luhman 16A draaien, maar op basis van de modellen denken ze dat het er twee zijn.
Nu het voor het eerst is gelukt buiten ons eigen zonnestelsel door middel van polarimetrie eigenschappen van wolken te begrijpen, hopen de onderzoekers hun werkterrein in de toekomst te kunnen uitbreiden naar exoplaneten, planeten rond andere sterren dan de zon.
Polarimetrie is heel gevoelig voor atmosferische eigenschappen, maar ook voor het type oppervlak dat een exoplaneet heeft. “Hopelijk kunnen we de techniek met toekomstige telescopen zoals de Extremely Large Telescope gebruiken om vloeibaar water aan het oppervlak van exoplaneten, en zelfs tekenen van buitenaards leven te vinden,” aldus Snik. Bron: Astronomie.nl.
Een kleine asteroïde, 2020 HS7, is op 28 april j.l. op relatief geringe afstand een geosynchrone communicatiesatelliet gepasseerd. De asteroïde passeerde de satelliet om 21:49 Nl’se tijd (19:49 GMT) op een afstand van 1200 km. De flyby van de asteroïde 2020 HS7 is één van de 50 meest nabije flybys met de aarde ooit geregistreerd. De asteroïde passeerde een geosynchrone (of geostationair) satelliet. Geosynchrone satellieten zitten in een orbitale cirkelbaan boven de evenaar op een hoogte van ruim 35.000 km., waar hun omlooptijd gelijk is aan de rotatie van de aarde, wat betekent dat ze altijd op dezelfde plek blijven.Deze satellieten vormen de ruggengraat van het orbitale telecommunicatiesysteem. Lees verder →
Impressie van een magnetar. Credit: ESO/L. Calçada
Tot nu toe waren alle snelle radioflitsen (Engels: Fast Radiobursts, FRB’s) die zijn waargenomen afkomstig van buiten het Melkwegstelsel, 111 stuks volgens deze catalogus. Maar het zou kunnen dat er recent ook voor het eerst eentje is waargenomen in ons Melkwegstelsel. Op 28 april om 16u:34m:33s Nederlandse tijd zag de Canadese radiotelescoop CHIME (‘Canadian Hydrogen Intensity Mapping Experiment’) een zeer kortstondige uitbarsting van radiostraling. Die kwam vanuit de richting van de een welbekende gammabron, SGR 1935+2154 (SGR staat voor ‘soft gamma repeater’). Dat is vermoedelijk een magnetar, een snel ronddraaiende neutronenster met een zeer krachtig magnetisch veld. SGR 1935+2154 staat 30.000 lichtjaar van ons vandaan in de richting van het sterrenbeeld Vosje (Vulpecula).
Magnetar SGR 1935+2154 was activated. The NICER follow-up observation catched burst forest from this source (Younes et al. 2020 GCN; https://t.co/RcJPKJS0Kn). Amazing light curve : ) pic.twitter.com/aGsI7KIIEl
Op 27 april, dus een dag voor de radiouitbarsting, was al gezien dat SGR 1935+2154 gamma- en röntgenstraling begon uit te stoten, waargenomen door zeven instrumenten, waaronder de Swift en Agile ruimtetelescopen en NICER, dat verbonden is aan het ISS (zie de tweet hierboven over die waarneming). En toen zag CHIME de snelle radioflits een dag later, weliswaar aan de rand van z’n beeldveld – zeg maar in z’n ooghoek – hieronder de waarneming, die twee korte pieken van 5 milliseconde breed vertoont, 30 milliseconde na elkaar .
Credit: Paul Scholz/CHIME.
Met een sterkte van meer dan 1,5 miljoen Jansky per milliseconde was de uitbarsting sterk genoeg om ook vanuit een ander sterrenstelsel waargenomen te kunnen worden. Maar vergeleken met andere snelle radioflitsers was de FRB van SGR 1935+2154 zwak. De uitbarsting was ook gezien met de STARE2 survey. Hieronder een tweet met daarin aangegeven de uitbarsting SGR 1935+2154, die qua sterkte aan de onderkant zit van de groep FRB’s.
Transient phase space plot now with the SGR 1935+2154 lower limit from STARE2. I think the interpretation writes itself. pic.twitter.com/8ScrlcyqLW
— An Dr. Evan Ó Catháin????? (@evanocathain) April 29, 2020
Op 3 mei j.l. werd vervolgens nog een korte en sterk gepolariseerde radiouitbarsting waargenomen van SGR 1935+2154 met FAST, de 500 meter radiotelecoop in China, de grootste enkelvoudige radiotelescoop ter wereld, die onlangs in gebruik is genomen – hieronder zie je die uitbarsting in beeld.
Credit: C.F. Zhang et al.
Of de uitbarsting van SGR 1935+2154 ook echt een snelle radioflitser is moet nog worden bevestigd. Zoals gezegd was ‘ie – voor Melkwegbegrippen weliswaar krachtig – voor FRB’s in andere sterrenstelsels een zwakke broeder. Onderzoek moet uitwijzen of het er echt eentje was en of ‘ie ook door een magnetar is uitgezonden. De theorie zegt dat magnetars FRB’s kunnen produceren als door de interactie van hun magnetische veld en zwaartekrachtsveld een soort van sterbeving plaatsvindt en er een stoot radiogolven wordt uitgezonden. Tot nu toe waren alle FRB’s te ver weg om daar precies achter te komen, dus als SGR 1935+2154 echt een snelle radioflits heeft uitgezonden is dat een unieke situatie, die de sterrenkundigen te gelegenheid biedt er eentje van dichtbij te onderzoeken. Bron: Sciencealert.
Een onderzoeksteam o.l.v. Lucio Mayer, hoogleraar computationele astrofysica aan de Universiteit van Zürich heeft een computersimulatiemodel ontwikkeld waarin twee processen van planeetvorming, planeetontwikkeling en magnetische veldvorming, gecombineerd worden. Voorheen moesten deze processen in afzonderlijke modellen weergegeven worden.
De Allan Hills (ALH) 84001 meteoriet. Credit: Koike et al. (2020) Nature Communications.
Japanse onderzoekers hebben in een meteoriet die van Mars afkomstig is organische moleculen ontdekt die vier miljard jaar oud zijn. Over Marsmeteorieten die sporen van mogelijk voormalig leven bevatten hebben we hier meerdere malen over geschreven en dit is de laatste loot aan die boom. Het gaat om de beroemde Allan Hills (ALH) 84001 meteoriet, die in 1984 in het ijs van Antartica werd ontdekt en die afkomstig is van Mars. De meteoriet bevat oranjekleurige carbonaatmineralen, die 4 miljard jaar geleden zouden zijn bezonken uit zout vloeibaar water op het Marsoppervlak (zie de foto hierboven, met de oranjekleurige bolletjes). Eerdere onderzoeken aan de aanwezigheid van organische moleculen in die mineralen leden aan aardse verontreinigingen van het Zuidpoolijs. Om die kans op aardse verontreiniging dit keer uit te schakelen heeft het ELSI-JAXA team een nieuwe methode toegepast, waarbij zeer dunne plakjes uit de meteoriet konden worden gehaald, die zuiver ‘Martiaans’ waren en die o.a. met de Nitrogen K-edge micro X-ray Absorption Near Edge Structure (?-XANES) spectroscoop konden worden geanalyseerd. Daarbij ontdekte men stikstofhoudende organische moleculen in de carbonaatmineralen, voor ’t eerst dat stikstof werd aangetroffen in de meteoriet – hieronder de uitslag van de metingen.
Credit: Koike et al. (2020) Nature Communications
Het Japanse onderzoeksteam denkt dat de gevonden organische moleculen echt van Mars afkomstig zijn en geen aardse verontreiniging zijn. Men kon ook afleiden dat de hoeveelheid nitraat, dat uit stikstof gevormd kan worden, gering was. Dat betekent dat de omstandigheden op Mars vier miljard jaar geleden weinig oxiderend waren, minder oxiderend dan tegenwoordig. Ook was Mars toen veel natter.
Schematische weergave van de omstandigheden op Mars vier miljard jaar geleden en nu. De oude stikstofhoudende organische moleculen werden ingevangen en lange tijd bewaard in de mineralen. Credit: Koike et al. (2020) Nature Communications
De vraag die nu voorligt en die nog niet beantwoord is luidt waar de organische moleculen vandaan komen. Het zou kunnen zijn dat ze van buiten Mars afkomstig zijn, van kometen of meteorieten, en het zou ook kunnen dat ze op Mars zelf ontstaan zijn. Hier het vakartikel, dat verschenen is in Nature. Bron: Phys.org.
Je hebt supernovae in divers soorten, exploderende sterren die in korte tijd honderden miljoenen tot meer dan een miljard keer de lichtkracht van de zon kunnen bereiken. Maar je hebt altijd baas boven baas en daarom zijn er ook de zogeheten superheldere supernovae, in het Engels superluminous supernovae (SLSNe), die wel honderd keer zo lichtsterk kunnen zijn als gewone supernovae. Van deze superklasse van exploderende sterren ving ik pas twee interessante berichten op:
Ten eerste dat een team van sterrenkundigen erin geslaagd is om een driedimensionale simulatie van SLSNe te maken. Men vermoedt dat deze supernovae veroorzaakt worden door een exploderende magnetar, een snel roterende neutronenster met een uitzonderlijk sterk magnetisch veld. Ken Chen (Academia Sinica Institute of Astronomy and Astrophysics, Taiwan) en z’n team hebben dat gedaan en de resultaten ervan gepubliceerd in the Astrophysical Journal. Uitkomst van de 3D-simulaties: er vormt zich op twee schalen een zogeheten hydrodynamische instabiliteit in de exploderende ster. De ene instabiliteit bevindt zich in de hete bubbel die wordt geactiveerd door de magnetar, de andere vindt plaats wanneer de naar buiten gerichtte schokgolf van de jonge supernova tegen het gas in de omgeving botst, gas dat door de ster eerder al was uitgestoten. Ook blijkt de gevormde magnetar in staat om silicium en calcium tot snelheden van wel 12.000 km/s weg te stoten, hetgeen brede emissielijnen van deze elementen oplevert, die ook waargenomen zijn bij SLSNe. Zelfs ‘zwakke’ magnetars blijken volgens de 3D-simulaties in staat om ijzer, dat diep vanuit de supernova komt, uit te werpen tot snelheden van wel 5000 tot 7000 km/s. Hierboven en hieronder zie je fragmenten uit de 3-D simulatie.
Uit de kern van de imploderende ster bevindt zich een magnetar. Die stoot twee grote jets uit, die zo’n 10.000 km groot zijn. Credit: Ken Chen
Ten tweede dat een ander team waarnemingen aan 20 SLSNe heeft gebruikt om daarmee een zogeheten Hubble-diagram te maken, een diagram dat min of meer de expansiesnelheid van het heelal laat zien. Tot nu toe werden daar vooral type Ia supernovae voor gebruikt, exploderende witte dwergen. Maar volgens C. Inserra et al zijn ook de lichtsterkere SLSNe goed bruikbaar daarvoor. Conclusies willen ze nog niet trekken op basis van het kleine aantal dat ze gebruikt hebben, maar in een vervolgonderzoek willen ze gebruikmaken van 847 SLSNe en dan moet er meer te zeggen zijn over de expansiesnelheid van het heelal. Hier hun vakartikel. Conclusie daaruit: “This paper represents the proof-of-concept for superluminous supernova cosmology, and demonstrates they can provide an independent test of cosmology in the high-redshift ($z>1$) universe.” Hieronder een grafiek met de resultaten van het onderzoek aan de 20 SLSNe.
Hoi Frida, wat leuk je elke keer toch maar weer tegen te komen alhier op de astrowebsite der astrowebsites!!! En nou hoor ik Wim al denken..”hé, waarom ken er bij die leipe Eendenfreak niet op z’n minste een magere “Hoi Wim” vanaf??”, “Wat heeft Frida wat ik niet heb??”..Welnu, mijn beste Wim…had je op de hogere kleuter academie toch maar beter motten opletten bij de biologielessen!! Hopsakeetje, bij gebrek aan voetbal ga ik er dan maar effe lekker zelf met het gestrekte totaal niet sportieve been er keihard in..maarre… aangezien ik, zoals gevoeglijk bekend moge wezen, best wel een hele grote softe huilebalk ben…bij deze alsnog een, wel degelijk van harte gemeende, “Hoi Wim”..hihi!!
Afijn,… “ And now for something completely different”om maar eens gouwe ouwe Monty Python de citeren…..want…eh…ben de afgelopen paar jaren alweer zo in de ban van het deep sky fotografie-gebeuren dat ik haast zou vergeten dat er ook nog zoiets bestaat als een tak van astrofotografie van een categorie hemelobjecten een flink stukkie dichter bij huis dan al die wonderschone “fuzzy blobs”, te weten Maan en Planeetfotografie.
Heb tijdens mijn nu alweer 50 jarige “loopbaan” als praktisch amateur astronoom altijd een wat moeizame verstandhouding gehad met de “leden van ons zonnestelsel” Het waarnemen van de Maan maar vooral toch “die saaie soepballen” zijnde de planeten vond ik altijd een bijzonder teleurstellende bezigheid TOT de introductie van de nederige webcam in deze tak van sport.
Een jaar of 15/20 geleden kwamen een paar zeer goocheme amateur astronomen op het idee om een webcam te ontdoen van zijn “pieplensje” en die vervolgens te koppelen aan een iets minder pieplensje in de vorm van een telescoop. Het oorspronkelijke meest succesvolle webcammetje was het beroemde “eitje” van Philips welke met een schrander koppelstukje zo in het primaire brandpunt van je telescoop kon worden geplaatst…enne…ook al zag zo’n “eitje”, origineel bedoeld als “skype-camera” voor videoconference doeleinden, er niet echt “high tech” uit… het gevalletje had wel een echte CCD chip in zijn binnenste verstopt. Ok….het was bepaaldelijk geen joekel van een CCD chip edoch slechts een heul klein “piepchippy”….maarre….het maken van Maan en planeetopnames met zo’n spotgoedkoop “eitje” bleek een oneindig malen plezantere en bevredigender bezigheid dan het maken van maan maar vooral toch opnames van planeten op de ouderwetschen“natte manier”.! Het “waarnemen” met zo’n webcam/eitje gaf een wereld van verschil in wat je opeens (wel) kon “zien” ten opzichte wat je kon zien met old school waarneem methodes als met het oog danwel met een natte camera.
Ik ben ietsjes later ingestapt en ik heb een jaar of 15 geleden een nazaat van het “eitje” aangeschaft…de rechthoekige zilverkleurige echter niet minder beroemde en succesvolle Philips To U pro. Ik heb me daar toch een dikke 5 jaar best wel zeer kostelijk mee vermaakt maar daar kwam met de aanschaf van mijn Canon 1000D digitale spiegelreflexcamera, ter vervanging van mijn “natte” ZENIT B analoge spiegelreflexcamera, abrupt een eind aan mijn “soepballen-periode”! Tot ik een weekje of drie/vier geleden “onder een grote berg stof” mijn oude vertrouwde philips To U pro webcammetje weer tegen het vege lijf liep…..enne…. nou weet ik heus wel dat “planetcam-techniek” sinds het eerste prille experimentele webcamgebeuren een zeer grote vlucht heeft genomen met de komst van steeds maar weer nog geavanceerdere speciaal voor maan en planeetfotografie gemaakte digitale planeetcamera’s….en derhalve koester ik mij dus absoluut geen illusies als het gaat om het met de To U pro aangaan van de concurrentiestrijd met dit soort van High tech astrospeelgoed, Maar ach….dit leuke en handige gevalletje gekoppeld aan mijn 20 jaar oude klassieke windows 98, HP XE2 laptoppie. is nog steeds in staat tot het schieten van hele fatsoenlijke Maan en planetenplaatjezzzz!!!
Webcammen is een trouwens echt een totaal andere tak van astrofotosport dan “fuzzy blob fotografie”. Zaken zoals o.a. lange belichtingstijden….zo precies als maar mogelijk poolas uitlijnen…het moeten werken onder een kraakheldere sterrenhemel…zijn hier totaal niet van toepassing voor het verkrijgen van kekke strakke plaatjes. Wat wel handig/noodzakelijk is dat je gebruik maakt van de zwaarste montering je maar kunt tillen (als je een noodgedwongen mobiele astrofotograaf bent) dan wel de zwaarste montering die je budget aan kan. Bij het vastleggen van details op kleine planeetschijfjes zijn trillingen een zeer ongewenste gast!! Hoewel je in principe met iedere telescoop zowel fuzzy blobs als planeten kunt fotograferen zijn sommige instrumenten net effe iets geschikter voor een specifiek type object dan andere. Korte, dikke snelle Newtons voorzien ¼ lambda standaard optiek….zoiets als bijvoorbeeld een 20cm F4 zonder comacorrector….hebben het moeilijker dan bij voorbeeld zoiets als een 15cm F8 apo-refractor of bijvoorbeeld Schmidt en Maksutov cassegrains met openingsverhoudingen van F10-F20 of…en laten we die ook vooral toch NIET uitvlakken….een zogenaamde planetaire Newton. Die laatste, een commercieel (helaas) toch wel onnodig zeldzaam instrument, is een Newtontelescoop met een openingsverhouding van minimaal F8 of hoger (F10…F12…), voorzien van minimaal 1/8 lambda-kwaliteitsoptiek of liefst nog beter….oh ja en een vangspiegel die zo klein mogelijk is.
In het algemeen gesteld zijn er voor planeetfotografie telescopen nodig met hoge kwaliteitsoptiek en lange brandpuntsafstanden. Dat laatste is dan natuurlijk van belang omdat planeten zich aan de waarnemer vertonen als piepkleine schijfjes. In/op dat ene piepkleine schijfje zitten dus, als je een perfecte telescoop gebruikt, alle details “verstopt” die jouw perfecte telescoop kan laten zien. De fijnheid, de kwaliteit van die details hangt naast de mate van perfectie van de telescoopoptiek ook nog mede af van de diameter van het telescoopobjectief (spiegel dan wel lens) en van de mate van luchtonrust van de atmosfeer waardoor de lichtstralen zich hebben moeten voortbewegen om uiteindelijk door jouw telescoop tot een planeetbeeldje te worden verwerkt. Hoe groter je perfecte spiegel/ lens en hoe rustiger de atmosfeer, des te fijner zijn de details op het gevormde planeetschijfje….en zie dus wat dit laatste betreft, effe op een zijspoor gesprongen, de bestaansreden van de net….hieper de piep hoera….30 jaar geworden Hubble ruimtetelescoop…..dikke kijker en geen atmosfeer….succes verzekerd, nou ja….eh….mits je natuurlijk geen 2.4 meter hoofdspiegel aan boord hebt van badkamer lach (of was het nou toch…huil??)-spiegelkwaliteit!!
OK….stel dus dat één en ander aan alle optische en atmosferische perfectievoorwaarden voldoet, benne we er dan?? Nah…nee….want je zit dan nog met het feit dat al dat planetaire schoons verstopt zit in/op dat piepkleine planeetschijfje…..enne als dat planeetschijfje nou bijvoorbeeld kleiner is dan de een pixel van jouw “detector” dan zie je in feite alleen maar één een beetje vaag gekleurd pixelpuntje op je zuurgemaakte opname. Om dit probleem op te lossen kan je twee dingen doen….de eerste is door een detector in het beeldveld te plaatsen met veel kleinere pixels zodat, effe kort door de bocht, het kleinst zichtbare detail op één zo’n pixeltje past of je zorgt er voor dat je je planeetschijfje zodanig veel groter maakt dat je hetzelfde effect bereikt met je huidige detector.
Ofwel….en heel belangrijk…de “verstandhouding” tussen de kleinst weergegeven detailafmetingen afgebeeld door jouw optische systeem onder jouw plaatselijke waarneemhemel en de afmeting van de individuele pixel van de door jou gebruikte detector moet zo goed mogelijk op orde zijn wil je het maximale uit je planeet (maan) opname halen. Op dit vlak zijn telescopen die van huis uit gebouwd zijn met een lange (1.5 meter of langer) brandpuntsafstand altijd in het voordeel, maar ook/zelfs bij die moet er toch vaak teruggegrepen worden naar zo ongeveer de oudste optische dienaar in het accessoire-arsenaal van den (amateur)astronoom en dat is die goeie ouwe vaak verguisde zogenaamde Barlowlens. Met deze negatieve (de lens is dan aan beide kanten hol) kan je kunstmatig de brandpuntsafstand van je telescoop verdubbelen, verdrievoudigen en zelfs vervijfvoudigen!! De reden waarom de Barlowlens nog weleens zo verguisd wordt is vanwege het feit dat Barlowlenzen van een optisch dubieuze (plastic) kwaliteit vaak te vinden zijn bij bij van die goedkope ranzige speelgoedzaaktelescopen en dan worden aangeprezen in relatie tot het verkrijgen van idioot hoge maar compleet onwerkbare vergrotingen. Natuurlijk is een Barlowlens geschikt hiervoor maar niet van die achterlijke goedkope plastic gebakkies….Echte barlows kosten echt geld!!!.
In het geval van mijnHigh spec 20cm Orion Optics F6 “fuzzy blobs eater” Newton is de 1.20 meter brandpuntsafstand van dit instrument bij lange na niet lang genoeg voor optimale planeet c.q. gedetailleerde maanfotografie…en dus gebruik ik al sinds het uitsterven van de Dino’s een goede 3x barlow. Met die 3x barlow komt de brandpuntsafstand op 3.60 meter en in combinatie met de To U pro (trouwens ook daterend uit de tijd van de Dino’s!!) en de 1/8lambda Newton optiek rollen er zelfs anno 2020 nog steeds hele plezierige maan en planeetplaatjes uit deze set up. Oh…enne…om dit digitaal klassieke opzetje helemaal “dino-proof” te maken dien ik nog te vermelden dat de lap top waaraan ik al dit klassiek digitale schoons verbonden heb ook nog eens een echt oudje is en wel een uit 1997 stammende HP Xe2, die nog draait onder Windows 98!
MAAR….ondanks het gebruik van al deze “ouwe meuk” is de astrofotografische pret bij het zo nu en dan op de korrel nemen van Maan en soepballen er zeker niet minder om, ook al vanwege het fijne feit dat ik voor deze bezigheid nu eens NIET mijn hele instrumentarium naar de Biesbos en terug hoef te slepen….Nope…of ik stel, na toestemming te hebben gevraagd aan mijn “groene wederhelft, het hele zooitje op op ons dakterrasje tussen haar plantjes…of…ik mik het het hele zooitje gewoon buiten op de stoep. Dat laatste is als het gaat om het vast weten te houden van de concentratie van vanwege de vanzelfsprekende afleidende aandacht van het langslopende publiek altijd wel…eh..”een dingetje”!!
Voor het maken van deze opname heb ik mijzelve deze keer nedergestreken op het groenovergoten dakterras van de onvolprezen wederhelft. Zogezegd met de EQ6, de 20cmF6 Newton, 3x barlowlens, Philips ToUpro plus bijbehorende fabriekssoftware en de HP Xe2. Die fabriekssoftware van de ToUpro is natuurlijk “ouderwetschen flutzooi” vergeleken bij die specialistische planeetfototgrafie-programma’s die heden ten dage in combinatie met dito gespecialiseerde camera’s worden gebruikt….maar toch….werkt één en ander intuitief en goed genoeg om tot, waarlijk al zeg ik het zelf, zeer aardige plaatjes te komen.
Om tot dit eindresultaat te verkrijgen heb ik de To U pro ingesteld op de gebruikelijke 20 frames per seconde en een zo laag mogelijke gain (om ruis te beperken) enne…voor de rest is het vooral een kwestie van zoveel mogelijk frames/subjes schieten. Voor dit plaatje van de krater Morates (diameter 115 km…diepte 3 km…een flink gat dus!!), gelegen in het zuidelijk hoogland van de Maan, heb ik uiteindelijk iets van 1700 frames door Registax heen gejast en daarna met photoshop 6.0 nog een beetje opgepoetst!!
Tot zover mijn Maanverhaal en hoe nu verder?? Ach…ik heb ondertussen alweer twee zeer geslaagde kraakheldere “fuzzy blob expeditie’s” achter de kiezen met dank, hoe wrang dit ook moge klinken, aan dat “fijne schone luchten ”corona-virus….maarre…..dit gezegd hebbende zou ik zolangzamerhand met alle liefde van de wereld al die fraaie heldere sterrennachten ook wel weer willen inleveren voor zoiets “nomaal menselijks”als een “anderhalve meter vrije nationale knuffeldag”!!! Gegroet en houd moed!!
De wereldberoemde natuurkundige Edward Witten, die vooral bekend is van z’n theorieën omtrent snaren, heeft onlangs op Arxiv.org een opmerkelijk artikel geplaatst. Daarin zegt hij dat planeet Negen mogelijk een zwart gat is. Het bestaan van die (vooralsnog hypothetische) planeet werd begin 2016 geopperd door Konstantin Batygin en Mike Brown op grond van de banen van Transneptunische objecten in de buitenste delen van het zonnestelsel. Er wordt sindsdien met man en macht gezocht naar planeet Negen, die volgens berekeningen ergens in de buurt van Orion zou moeten staan (zie kaartje), speurtochten die nog niets hebben opgeleverd.
Het pad waar planeet Negen zich ergens zou moeten bevinden. Credit: Tomruen/Wikipedia.
De planeet zou volgens berekeningen een massa tussen 5 en 10 aardmassa moeten hebben en op een afstand van zo’n 500 AE staan, vijfhonderd keer de afstand aarde-zo’n (150 miljoen km). Witten denkt dat het wellicht helemaal geen planeet is, maar een oer-zwart gat, een zogeheten primordiaal zwart gat, dat tijdens de oerknal werd gevormd. Witten is niet de eerste die met die suggestie aankomt, maar hij heeft wel een manier bedacht om zo’n zwart gat te traceren.
Voorstelling van een Breakthrough Starshot satelliet in actie. Credit: Breakthrough Initiatives
Volgens hem zouden kleine satellieten, zoals voorgesteld met het Breakthrough Starshot project, het zwaartekrachtsveld van het zwarte gat moeten kunnen ‘voelen’. Een vloot met honderden of duizenden van die laser-gestuurde satellietjes (zie afbeelding hierboven) zouden in theorie een snelheid van een duizendste van de lichtsnelheid (300 km/s) kunnen halen en pakweg tien jaar na de lancering zouden ze in de buurt van het zwarte gat kunnen komen en diens bestaan kunnen bevestigen. Dat moeten ze doen door zeer nauwkeurig de tijd te meten, tot op 10 microseconde nauwkeurig. Afwijkingen in de tijd ten opzichte van voorspelde tijd zou dan moeten laten zien waar het zwarte gat precies is – áls het er is. Bron: Arxiver
Komeet Borisov, gefotografeerd met Hubble. Credits: NASA, ESA and J. DePasquale (STScI)
Onderzoek aan komeet 2I/Borisov – na 1I/’Oumuamua het tweede interstellaire object, afkomstig van buiten het zonnestelsel – heeft laten zien dat ‘ie echt wel anders is dan de kometen die in het zonnestelsel zelf ontstaan zijn. Komeet Borisov werd op 30 augustus vorig jaar ontdekt door amateurastronoom Gennady Borisov. Onderzoek aan de baan van de komeet, die hyperbolisch blijkt te zijn, liet zien dat ‘ie afkomstig moest zijn van buiten het zonnestelsel. Op 8 december bereikte ‘ie het perihelium, de dichtstbijzijnde afstand tot de zon op pakweg 300 miljoen km. in december en januari is de komeet onderzocht met Hubble en ALMA (Atacama Large Millimeter/submillimeter Array) in Chili en daaruit kwam naar voren dat ‘ie meer koolmonoxide bevat dan ‘gewone’ kometen wanneer ze op dezelfde afstand van de zon komen. Er zijn wel objecten in ons zonnestelsel met net zoveel koolmonoxide, maar die vind je alleen bij hele lage temperaturen (-250 graden), voorbij de baan van Neptunus. Dat doet vermoeden dat komeet Borisov is gevormd rond een koudere ster, zoals een rode dwerg, het meest voorkomende type ster in onze Melkweg. Het zou ook kunnen dat komeet Borisov een koolmonoxide-rijk fragment is van een kleine planeet.
De kern van 2I/Borisov in waterstofcyanide en koolmonoxide, in beeld gebracht door ALMA. Het is vrij gewoon deze stoffen in kometen te vinden, alleen niet in deze mate. ALMA (ESO/NAOJ/NRAO), M. Cordiner & S. Milam; NRAO/AUI/NSF, S. Dagnello)
Verder is komeet Borisov onlangs bestudeerd met NASA’s Neil Gehrels Swift Observatorium, vroeger was dat de Swift satelliet, en die keek met name naar de hoeveelheid water die de komeetkern uitstoot. Zodra kometen de zon tot 370 miljoen km naderen gaat water verdampen. Door de invloed van zonnestraling breken de watermoleculen af en één van de componenten die dan ontstaan is hydroxyl, een molecuul van een waterstofatoom en zuurstofatoom. En die kan weer UV licht uitzenden, hetgeen met Swift kan worden gemeten. Tussen september en februari is dat gedaan en tijdens het perihelium bleek de kern zo’n 30 liter water per seconde te verliezen, pakweg een badkuip in tien seconden. Gedurende de hele passage van komeet Borisov door het zonnestelsel verloor ‘ie naar schatting zo’n 230 miljoen lieter water, dat zijn 92 Olympische zwembaden vol. Op basis van de waarnemingen schat men de grootte van de komeetkern in op 0,74 km. Minstens 55% van het oppervlakte van de kern moet tijdens het perihelium actief materiaal hebben ‘geloosd’. Bij kometen van het zonnestelsel is dat veel minder, hooguit 5% van hun oppervlak is dan actief.
Voor wie de scheervlucht langs de aarde van asteroïde (52768) 1998OR2 nog eens rustig terug wil kijken heb ik twee video’s over de asteroïde onder dit blogje geplaatst. De eerste bevat radarbeeldopnamen van 18 april j.l. afkomstig van het Arecibo observatorium te Puerto Rico en de tweede video is afkomstig van Gian Masi, hij heeft in het kader van het Virtual Telescope Project opnamen gemaakt op 29 april j.l. vanuit Rome. De meest nabije nadering van de aarde van (52768) 1998 OR2 was op 29 april om 11:56 NL’se tijd. De ruimterots scheerde toen op een afstand van 6,29 miljoen km langs de aarde. Een hemelobject dat dichter dan 7,5 miljoen km de aarde nadert en een absolute helderheidsmagnitude van 22 of meer heeft staat officieel gemeld als potentieel gevaarlijk object (afgekort PHO). Hiervan bestaat het merendeel uit asteroïden, 98%, en een klein deel zijn kometen. Bronnen: Arecibo / VideoFromSpace / Gian Masi