Recente meting Hubble constante noopt tot herzien kosmologische Λ-CDM model

Impressie van een schijf met watermoleculen bij een superzwaar zwart gat. Credit: Sophia Dagnello, NRAO/AUI/NSF

Het gangbare kosmologische model van het universum, het Λ-CDM model, staat al jaren ter discussie en dat is met name te zien aan de Hubble-spanning, het debat rondom de waarde van de Hubble constante, de maat voor de expansiesnelheid van het heelal. Uitkomsten die recent zijn gedaan aan vier sterrenstelsels door het zogeheten Megamaser Cosmology Project wijzen er nu op dat het Λ-CDM model echt aan herziening toe is. Bij dat project is gebruik gemaakt van een heleboel radiotelescopen, te weten de Very Long Baseline Array (VLBA), Karl G. Jansky Very Large Array (VLA), Robert C. Byrd Green Bank Telescope (GBT), alle drie in de VS en de Effelsberg telescoop in Duitsland. Met die schotels kijken ze vooral naar sterrenstelsels waar zich in de kernen superzware zwarte gaten bevinden, die omgeven zijn door dichte, snel roterende schijven, waar watermoleculen in zitten. Als we vanaf de aarde tegen de zijkant van zo’n schijf aankijken (als ‘ie ‘edge-on’ is) dan kunnen er heldere plekken van radiostraling zijn, de zogeheten masers, dat is de radio-variant van de optische lasers. Met die masers kunnen sterrenkundigen de hoekmaat van de schijf meten én de daadwerkelijke grootte van de schijf en dat levert weer de afstand op tot zo’n sterrenstelsel. Dom Pesce en z’n team keken op die manier naar vier sterrenstelsels en die bevinden zich volgens de metingen op afstanden tussen 168 miljoen en 431 miljoen lichtjaar.

Credit: D. W. Pesce et al.

Gecombineerd met de uitkomsten van twee andere sterrenstelsels, die eerder al zo waren waargenomen, komen ze daarmee op een Hubble constante van 73,9 kilometer per second per megaparsec, dat wil zeggen dat volgens deze waarde een sterrenstelsel dat één megaparsec (=3,2 miljoen lichtjaar) van ons vandaan staat met een snelheid van 73,9 km/s van ons vandaan vliegt, op 2 Mpc afstand 2×73,9, enzovoorts – zie de afbeelding hierboven). Deze waarde van de Hubble constante komt goed overeen met andere bepalingen, die gedaan zijn met o.a. type Ia supernovae en zwaartekrachtslenzen van quasars, die ook ergens rond 73 á 74 km/s/Mpc uitkwamen, een waarde die ze de lokale waarde noemen. Van belang is hierbij op te merken dat die waardebepaling met masers een onafhankelijke is, die op geen enkele manier afhankelijk is van andere methodes om afstanden te bepalen, zoals de type Ia supernova-methode wel is, die leunt op de parallax-methode. De Hubble constante van 73,9 km/s/Mpc van MCP wijkt af van de waarde die bepaald is door metingen aan de kosmologische microgolf-achtergrondstraling, de straling die resteert van de hete oerknal, waarmee 13,8 miljard jaar geleden het heelal onstond. Die straling is o.a. onderzocht met de Planck ruimtetelescoop en die vond een waarde van 67,4 km/s/Mpc, de waarde van het vroege heelal genoemd. De onderzoekers stellen daarom: “We corroborate prior indications that the local value of H0 exceeds the early-universe value, with a confidence level varying from 95% to 99% for different treatments of the peculiar velocities.” Met andere woorden: het verschil tussen de lokale waarde en de waarde van het vroege heelal is zo groot, dat kan geen toeval meer zijn.

Credit: NASA/ESA/STSci

Er moet dus iets aan de hand zijn en daarom denkt men dat het Lambda-CDM model moet worden herzien. Dat model gaat uit van twee componenten die de evolutie van het heelal bepalen, Λ (Lambda), dat is de donkere energie, die in dit model verondersteld wordt constant te zijn, á la Einstein’s Kosmologische constante, en CDM, cold dark matter, donkere materie die bestaat uit zware, langzaam bewegende deeltjes, die niet reageren met gewone deeltjes.

Het Λ-CDM model. Credit: Design Alex Mittelmann, Coldcreation

Bij zo’n mogelijke herziening wordt vooral gekeken naar Λ, die wellicht helemaal niet constant is, maar in de loop der tijden toch heel geleidelijk verandert. Of dat er andere deeltjes in het spel zijn, die nog niet bekend zijn, zoals een vierde smaak neutrino’s, de zogeheten steriele neutrino’s. Recent is er een nieuw voorstel gedaan, die ook met neutrino’s te maken heeft: het zou kunnen zijn dat in het vroege heelal de neutrino’s een vorm van zelf-interactie kenden, waardoor de zogeheten ‘vrije stroom’ van neutrino’s vanuit gebieden met hoge dichtheden in dat vroege heelal belemmerd werd. Daarover valt meer te lezen in dit vakartikel.  En hier het vakartikel met de uitkomsten van het onderzoek aan de masers in vier sterrenstelsels door MCP, verschenen in the Astrophysical Journal Letters. Bron: NRAO + Physics.

Over rollende en splijtende rotsen

Een voorbeeld van een rollende rots in de Nicholson krater op de maan. Deze rots is 13m groot en hij rolde ongeveer een kilometer ver. Credit: NASA/GSFC/ASU


Ik zag van de week twee berichten voorbij komen, die allebei gingen over rotsen, rollende én splijtende rotsen – let’s rock & roll:
  • Ten eerste was daar het bericht over rollende rotsen op de maan. Onderzoekers van het Max-Planck-Institut für Sonnensystemforschung en de ETH Zürich hebben een kaart gemaakt waarop maar liefst 136.610 rollende rotsen op de maan zijn weergegeven. Dat hebben ze gedaan op basis van meer dan twee miljoen foto’s die van het maanoppervlak zijn gemaakt met NASA’s Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO). De meeste van de rotsen zijn tussen de zeven en tien meter groot, de kleinste rotsen zijn 2,5 meter groot. Tot nu toe ging men ervan uit dat die rollende maanrotsen, ook wel ‘bergstortingen’ genoemd, voornamelijk worden veroorzaakt door ‘maanbevingen’. De meeste sporen van de rolende rotsen zijn in de buurt van kraterwanden te vinden en dat wijst erop dat inslagen van planetoïden een grote rol spelen bij hun ontstaan. Volgens de onderzoekers, die onder leiding stonden van Valentin Bickel, veroorzaken de inslagen een netwerk van barsten in het onderliggende gesteente. Daarbij raakt het oppervlak ter plaatse verzwakt en dat kan leiden tot zo’n bergstorting. Men schat in dat 80% van de bergstortingen veroorzaakt wordt door de ingeslagen planetoïden. Bron: MPS.
  • Dan was daar het bericht over de rotsen op Bennu, de kleine planetoïde waar NASA’s OSIRIS-REx ruimteverkenner omheen draait, die daar op 20 oktober a.s. monsters vanaf het oppervlak gaat verzamelen. Wat blijkt nu: de rotsen op Bennu kunnen scheuren en wel door invloed van zonlicht. Men spreekt van thermische fracturen en de foto’s die van dichtbij door OSIRIS-REx van de rotsen op Bennu zijn gemaakt tonen er talloze voorbeelden van. Het komt door de temperatuursvariaties, die op Bennu kunnen variëren tussen +127 en -73 °C, afhankelijk van de stand van Bennu ten opzichte van de zon. De planetoïde kent welliswaar geen atmosfeer, maar de temperatuursvariaties zorgen er wel voor dat de rotsen uitzetten als ze warm worden en krimpen als ze afkoelen. En dat zorgt voor die splijtende rotsen op Bennu, waarvan je hieronder enkele voorbeelden ziet.

    Credits: NASA/Goddard/University of Arizona

    Bron: NASA.

Een nieuwe verklaring voor de ANITA-anomalieën: weerkaatsing van kosmische straling

Kaart van Antarctica, maar daarop aangegeven in rood de plaatsen waar ANITA de twee anomalieën zag. In paars/blauw is de snelheid van het oppervlakteijs aangegeven. Credit: Ian Shoemaker.

Over de twee ANITA-anomalieën heb ik vaker geschreven, tot vervelens toe wellicht (zie o.a. deze en deze blog). Dat verhaal nog even in een notendop: in 2006 en 2014 detecteerde men met het ANITA-experiment 37 km hoog in de lucht boven de Zuidpool een zeer energetisch tau-neutrino, die uit de richting van de aarde kwam. Per seconde vliegen er zo’n 65 miljard neutrino’s per vierkante centimeter door je lichaam, maar die zijn van de zon afkomstig, die vliegen met alle gemak dwars door de aarde en daar merk je helemaal niets van. De neutrino’s die ANITA detecteert zijn van een andere orde, die zijn zeer energierijk, zo energierijk zelfs dat het hen niet lukt door de aarde te vliegen [1]Voor ‘ultra-high-energy’ (UHE) kosmische neutrino’s is dat een probleem, omdat hun energie boven de elektrozwakke schaal ligt (rond 240 GeV), de grens waarboven de elektrozwakke symmetrie zich … Continue reading. En toch zag ANITA twee tau-neutrino’s in 2006 en 2014 van beneden komen, dus vanuit de aarde – hieronder de karakteristieken van de twee gebeurtenissen.

Credit: Derek B. Fox, Steinn Sigurdsson, +4 authors Stéphane Coutu

Dat leverde direct de meest bizarre theorieën op, zoals dat van parallelle universums. Maar nu is er recent een theorie gekomen die een stuk down-to-earth is, haha wat zeg ik, down-from-earth kan ik beter zeggen. Want de natuurkundige Ian Shoemaker (Virginia Tech College of Science) en zijn collega’s – waaronder Peter Kuipers Munneke, hé die kennen we – komen met een nieuwe verklaring voor de twee met ANITA waargenomen anomalieën. Volgens hen kwamen er helemaal geen neutrino’s van onderaf, maar waren het oorspronkelijk deeltjes van de kosmische ‘straling’, die van bovenaf kwamen. Die term straling is een tikkeltje verwarrend, want het gaat merendeels om deeltjes zoals elektronen en protonen, maar ook om de kernen van helium en zwaardere elementen én uit neutrino’s en hoog-energetische fotonen. Eén zo’n deeltje van de kosmische straling dook bij de gebeurtenissen in 2006 en 2014 (en niet in 2016 en 2018, zoals in de bron staat) van bovenaf het ijs in en vervolgens werd ’t door een dichte ijslaag onder de oppervlakte van Antarctica weerkaatst. Het gaat om een laag die firn heet, een grofkorrelige substantie bestaande uit sneeuw en ijs. In zo’n laag firn kom je verschillende dichtheden door elkaar tegen en dat zorgt ervoor dat kosmische straling die daar met hoge snelheid doorheen vliegt botst met de protonen en elektronen van het ijs en dat ze gaan verstrooien.

Onderzoek aan firn bij een gletsjer. Credit: via Wikipedia.

Je krijgt dan een uitbarsting van radiostraling, die wetenschappers met hun instrumenten kunnen zien. Het probleem is dat deze signalen de eigenschappen van de radiopuls van een neutrino hebben. Door die verschillende dichtheden van firn kan het gebeuren dat je een weerkaatsing krijgt zonder dat er een fase-omkering optreedt. Daardoor denkt ANITA dat ‘ie de radiopuls ziet van een energierijk neutrino van onderaf, terwijl het in werkelijkheid een weerkaatst deeltje van de kosmische straling is, die oorspronkelijk van bovenaf kwam. Hier het vakartikel van Shoemaker, Kuipers Munneke en de anderen, verschenen in Annals of Glaciology. Bron: Phys.org.

References[+]

References
1 Voor ‘ultra-high-energy’ (UHE) kosmische neutrino’s is dat een probleem, omdat hun energie boven de elektrozwakke schaal ligt (rond 240 GeV), de grens waarboven de elektrozwakke symmetrie zich herstelt en de neutrino’s wél reageren met gewone leptonen, waar de aarde vol mee zit – iets wat ze onder die grens niet doen.

De hartslag van zwart gat RE J1034+396 is nog steeds hoorbaar

Credit: Dr Chichuan Jin, of the National Astronomical Observatories, Chinese Academy of Sciences and NASA/Goddard Space Flight Center Conceptual Image Lab.

Ruim tien jaar nadat ‘ie voor het eerst gehoord werd blijkt RE J1034+396 er nog steeds eentje te hebben: een hartslag. In 2007 werd die voor het eerst ‘gehoord’ bij RE J1034+396, een superzwaar zwart gat in het centrum van een sterrenstelsel dat 600 miljoen jaar van ons vandaan staat. De röntgenstraling van het gebied rondom het zwarte gat bleek ‘quasi-periodic oscillations’ (QPO’s) te bevatten, waarbij ‘ie ongeveer ieder uur een piek had. Na een onderbreking van enkele jaren (door niet waarnemen van het stelsel, doordat de zon blokkeerde) kon de hartslag in 2018 weer beluisterd worden met de Europese XMM-Newton röntgen-ruimtetelescoop, hetzelfde instrument als waarmee de waarneming in 2007 werd gedaan. En opnieuw bleek ‘ie ongeveer een uur te duren. OK, de hartslag van een zwart gat, wat moeten we ons daarbij voorstellen? Zoals alle zwarte gaten doen trekt ook RE J1034+396 materiaal vanuit z’n omgeving aan en dat komt terecht in een snel ronddraaiende accretieschijf.

Het binnenste deel van die accretieschijf – de ‘warme corona’ in de video hierboven – kan periodiek opzwellen en krimpen en het is dat deel dat met z’n fluctuerende röntgenstraling zorgt voor de hartslag van RE J1034+396. In die video zie je overigens ook de ‘corona’ van het zwarte gat, jawel ook zwarte gaten hebben last van corona. 😀 Door het waarnemen aan QPO’s, zoals deze, willen de sterrenkundigen meer te weten komen over de omgeving van een zwart gat net buiten de waarnemingshorizon, de grens van het zwarte gat. Hier het vakartikel over de waarnemingen aan de hartslag van RE J1034+396, verschenen in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Universiteit van Durham.

Sterrenkundigen vinden met de VLA een ‘hete corino’, verborgen achter stof

Links de situatie zoals ALMA ‘m zag, maar één hete corino. Rechts zoals de VLA ‘m zag, twee hete corino’s. Credit: Bill Saxton, NRAO/AUI/NSF

Sterrenkundigen zijn er in geslaagd om met behulp van de Karl G. Jansky Very Large Array (VLA), een serie grote radiotelescopen in de VS, een ‘hete corino’ te ontdekken, die zich schuilhield achter een dikke wolk stof. Hete corino’s werden voor het eerst ontdekt in 2003 en inmiddels zijn er ongeveer een dozijn van bekend. Het zijn jonge protosterren, die omgeven zijn door hete wolken verrijkt met interstellaire complexe organische moleculen (iCOM’s). Dergelijke moleculen kunnen combineren tot prebiotische moleculen en die kunnen op hun beurt weer leiden tot de eerste stappen op weg naar leven – in theorie tenminste. Hete corino’s zijn ongeveer zo groot als ons zonnestelsel en ook al zou je ’t aan de naam niet zeggen, maar naar aardse begrippen zijn ze vrij koud. De meeste hete corino’s zijn te vinden bij dubbelsterren, maar het vreemde is dat in sommigen daarvan één ster wel een hete corino om zich heen had en de ander niet. De vraag was of dat echt zo was of dat er meer aan de hand was. Dat laatste blijkt nu het geval te zijn. Een team van sterrenkundigen onder leiding van Cecilia Ceccarelli (Institute for Planetary Sciences and Astrophysics at the University of Grenoble) heeft gekeken naar de dubbelster NGC 1333 IRAS 4A, duizend lichtjaar hier vandaan, waarvan component 4A2 zich bevindt in een hete corino en component 4A1 niet – tenminste, zo leek het.

Credit: M. Simone, C. Ceccarelli, C. Codella, et. al.

Met onder andere de ALMA telescopen was gekeken naar IRAS 4A, maar die zag alleen bij 4A2 een hete wolk vol iCOM’s, niet bij 4A1. Maar met de VLA, die bij langere golflengtes kijkt dan ALMA, zag men wel iets bij 4A1: er was emissie van methanol (CH3OH), een soort alcohol, die typisch is voor iCOM’s in hete corino’s (zie de afbeelding hierboven). Dat de VLA deze wel zag en ALMA niet komt door de dichte stofwolken die IRAS 4A1 omhullen en waar alleen de ‘radio-ogen’ van de VLA doorheen kunnen turen. Hier het vakartikel over de waarnemingen aan IRAS 4A, verschenen op 8 juni in de Astrophysical Journal Letters. Bron: NRAO.

Russische fysici ontwikkelen laserscansatellietsysteem om sporen van buitenaards leven te vinden in ons zonnestelsel

Een team van nucleair onderzoekers van de staatsuniversiteit Lomonosov te Moskou, heeft een laserscansysteem ontwikkeld dat gebruikt kan worden in de ruimte om hemelobjecten in ons zonnestelsel op een systematische en doelgerichte manier af te zoeken naar sporen van leven. Het laserscansysteem, dat deel uitmaakt van de Fobos-Grunt 2 missie naar de Marsmaan Phobos, zou effectiever en sneller zijn dan een rover of drone en volgens het team zo flink wat tijd, geld en inspanning besparen.

Lees verder

Boekbespreking: R.I.P. Heelal

Onlangs is R.I.P. Heelal verschenen, het elfde deel in de Pocket Science-reeks van New Scientist. Het boekje (106 blz.) is geschreven door New Scientist-redacteur Ans Hekkenberg, die we op Twitter en Instagram kennen als @GirlForScience en die eerder samen met Volkskrant-journalist George van Hal Het kosmisch rariteitenkabinet schreef. R.I.P. Heelal is een boekje waarin het einde van het universum beschreven wordt, met een vijftal kosmische doemscenario’s van Crunch tot Slurp [1]Er zijn vijf smaken voor het einde van het universum: de Big Freeze, Big Crunch, Big Rip, Big Bounce of een Big Slurp., die op begrijpelijke en ook humorvolle wijze worden uitgelegd. Doemscenario’s op de Astroblogs krijgen altijd aandacht en ooit in een ver verleden (anno 2007) heb ik er zelf ook wel eens een serie blogs en een apart Astroblog aan gewijd – jawel, doem- en horrorverhalen doen het altijd goed bij onze kosmische rampentoeristen. Mocht het restaurant aan het einde van het Universum echt bestaan, dan zit ’t vol met dit soort mensen.

Dát er aan het universum een einde komt is geen vraag, daar zijn de meeste astronomen het over eens. Maar hoe het slot eruit ziet, da’s wel de vraag waar ze eindeloos over debatteren. Valt het gordijn met een spectaculaire knal? Glipt de kosmos stilletjes de duisternis in? Of komt het universum pruttelend en sputterend tot stilstand, als een bevroren screenshot van de werkelijkheid? In R.I.P. Heelal beschrijft Hekkenberg op toegankelijke wijze vijf doemscenario’s die de kosmos mogelijk te wachten staan. Ik heb het boekje met veel plezier gelezen en ook al is het met ruim honderd pagina’s in één avond uit te lezen, dan nog heb ik er veel informatie uit kunnen halen. Wat mij betreft aan aanrader. Ik verschil overigens in één opzicht met Hekkenberg en wel in het tijdstip waarop ons heelal aan z’n einde komt. In het doemscenario dat het meest favoriet is bij de sterrenkundigen, dat van de hittedood of Big Freeze, duurt ’t volgens Hekkenberg pakweg 10^100 jaar – ding dong, een 1 gevolgd door honderd nullen, zoveel jaar dus – voor het zo ver is, als zelfs bij de superzware zwarte gaten het licht uitgaat. In ‘mijn’ doemscenario – nou ja, zeg maar dat van Paul Davies – kom ik uit bij 10^116 jaar Anno Domini, dus een factor zes verder in de tijd dan die Big Freeze. Nou ja, tegen die tijd heeft de mensheid al lang het loodje gelegd, dus dat verschil maakt ook weinig meer uit.

R.I.P. Heelal: € 10.99, Auteur: Ans Hekkenberg, Veen Publishers.

References[+]

References
1 Er zijn vijf smaken voor het einde van het universum: de Big Freeze, Big Crunch, Big Rip, Big Bounce of een Big Slurp.

Repeterende snelle radioflits ontdekt met de iconische Lovell radiotelescoop van Jodrell Bank

Impressie van FRB 121102 (in blauw) die ergens anders omheen draait. Credit: Kristi Mickaliger

Door gedurende vier jaar de radiobron FRB 121102 in de gaten te houden met de iconische Lovell radiotelescoop van  het Jodrell Bank observatorium in Engeland hebben sterrenkundigen ontdekt dat het een repeterende snelle radioflitser is. Die snelle radioflitsers (Engels: Fast radiobursts, FRB’s) werden in 2007 voor het eerst ontdekt en het overgrote deel ervan is eenmalig: een zeer korte flits van radiostraling, waarbij enorm veel energie vrijkomt – wat de zon in 80 jaar aan energie produceert, dat komt bij zo’n snelle radioflits in een milliseconde vrij. Tot nu toe waren er twee andere FRB’s bekend die repeterend waren, FRB 180916, die een periode van 16,35 dagen kent, en FRB 180814, waarvan ze  zes opeenvolgende uitbarstingen hebben gedetecteerd. Van FRB 121102 was al eerder bekend dat ‘ie repeterend was en ook waar ‘ie vandaan kwam (een sterrenstelsel op drie miljard lichtjaar afstand), maar de periode was niet bekend.

De Lovell radiotelescoop van Jodrell Bank in Engeland. Credit: Mike Peel; Jodrell Bank Centre for Astrophysics, University of Manchester.

Maar met de Lovell radiotelescoop konden ze afgelopen vier jaar 32 uitbarstingen detecteren van deze snelle radioflits en daardoor was men in staat te bepalen dat die uitbarstingen een cyclisch patroon volgen: de uitbarstingen vinden plaats in een periode die 90 dagen duurt, gevolgd door een stille periode van 67 dagen, daarna weer een periode van 90 dagen met uitbarstingen, enzovoorts. Bij elkaar dus een cyclus van 157 dagen. Door die cyclus vermoeden dat er bij FRB 121102 sprake is van een dubbelster, waarbij de veroorzaker ergens anders omheen draait, een zware ster, neutronenster of zwart gat. Eerder werd gesuggereerd dat repeterende snelle radioflitsen veroorzaakt zouden kunnen worden door de precessie van magnetars, zeer snel roterende neutronensterren met een extreem krachtig magnetisch veld, wiens magnetische as rondtolt als een tol. Maar een lange periode van 157 dagen valt slecht te rijmen met die suggestie. Wat dan wel de oorzaak is van de periodiciteit moet nog uitgezocht worden. Hier het vakartikel van Kaustubh Rajwade (University of Manchester) en z’n team, verschenen in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Universiteit van Manchester.

Nu is ook Proxima c bevestigd en wel met Hubble

Impressie van het Proxima Centauri systeem met rechts Proxima c, links van de ster Proxima b (niet op schaal). Credit: Lorenzo Santinelli

Proxima Centauri, de rode dwergster die met een afstand van 4,24 lichtjaar na de zon het dichtst bij de aarde staat, blijft de gemoederen bezig houden. Er werd in 2016 een exoplaneet bij Proxima Centauri ontdekt, Proxima b, een rotsachtige planeet die 1,3 keer de massa van de aarde heeft. Onlangs werd diens bestaan bevestigd en wel met de ESPRESSO spectrograaf van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO). En nu dan Proxima c, de tweede planeet die om Proxima Centauri draait. Die was eerder dit jaar ontdekt door een team van sterrenkundigen onder leiding van Mario Damasso (Italy’s National Institute for Astrophysics (INAF)). Dat team had gekeken naar de ‘radiële snelheid’ van de ster, de snelheid naar ons toe en van ons af. Een hypothetische planeet bij een ster trekt door z’n massa iets aan die ster en dat zorgt ervoor dat de ster een beetje schommelt, heen en weer wiebelt. Met die methode (die anders is dan de meestal gebruikte transitiemethode om exoplaneten te ontdekken) was eerder Proxima b ontdekt en nu dus ook Proxima c.

De plaats waar de drie Fine Guidance Sensors zich in de Hubble ruimtetelescoop bevinden. Credits: NASA/STScI

De bevestiging van diens bestaan komt van Fritz Benedict (McDonald Observatory, University of Texas in Austin, VS), die gebruik heeft gemaakt van gegevens verzameld met de Fine Guidance Sensors (FGS) van de Hubble ruimtetelescoop. Eigenlijk hebben die sensoren het doel om Hubble ergens nauwkeurig naar toe te richten, maar ze kunnen ook worden gebruikt om de posities en bewegingen van sterren te meten, iets dat astrometrie wordt genoemd.

Fritz Benedict. Credit: McDonald Observatory.

En dat heeft Benedict (hierboven te zien) gedaan bij Proxima Centauri. Hij deed dat in de jaren negentig al met de FSG gegevens, samen met z’n collega Barbara MacArthur, maar toen keken ze alleen naar mogelijke planeten bij Proxima Centauri die in minder dan duizend dagen om de ster draaien. Proxima c draait echter in 1907 dagen om Proxima Centauri, volgens Damasso’s team, en z’n afstand tot de ster is 1,5 Astronomische Eenheid, anderhalf keer de afstand aarde-zon. Proxima c zat dus niet in de scope van Benedict en MacArthur bijna dertig jaar terug. Maar toen de (inmiddels gepensioneerde) Benedict hoorde van de ontdekking van Proxima c en van diens baaneigenschappen, dook hij samen met MacArthur opnieuw in de FGS-gegevens van Hubble. En voila: hij zag daarin signalen van een planeet bij Proxima Centauri, die in… 1907 dagen om de ster draait. Exact dezelfde omlooptijd dus als Damasso zag. Toen Benedict vervolgens ook nog gebruik maakte van de optische gegevens die van Proxima c waren verzameld met het SPHERE instrument door  INAF’s Raffaele Gratton, waar ik eind april over blogde (zie afbeelding hieronder), kon Benedict ook de massa van Proxima c bepalen: ongeveer zeven keer zo groot als die van de aarde. Mochten de foto’s van Gratton et al daadwerkelijk Proxima c tonen, dan is dat al een bevestiging van het bestaan van Proxima c en dan leveren de FGS-gegevens van Hubble een herbevestiging ervan. 😀 Hier het vakartikel van Benedict over de (her-)bevestiging van Proxima c.

Credit: Gratton et al.

Eh…. nog even naar de bevestiging van Proxima b door de ESPRESSO spectrograaf: daar kwam nog iets anders uit naar voren dat interessant is, namelijk het mogelijke bestaan van nog een andere planeet. Nee, die planeet is dan niet Proxima c, maar zou een derde planeet zijn die om de ster draait, Proxima d dus. Die zou een massa moeten hebben van minimaal een derde van die van de aarde en met een omlooptijd van vijf dagen zou ‘ie binnen de baan van Proxima b liggen. Blijft spannend bij Proxima Centauri! Bron: McDonald Observatorium + Centauri Dreams.

‘First Contact’: de race naar buitenaards leven

Bestaat er zoiets als een ‘race’ naar het eerste contact met buitenaards leven, een soort ‘Search for ExtraTerrestrial Intelligence’ of kortweg ‘SETI-race’? Recent ging de grote Chinese radiotelescoop FAST in gebruik en wat nu als China binnenkort aankondigt dat ze als eerste een ‘ping’ van buitenaards leven opgevangen hebben? Hoe zou zo een claim geverifieerd moeten worden en wat zouden de consequenties zijn? In interviews uitgevoerd door Space.com laten verschillende wetenschappers van SETI-instanties alsmede de schrijvers van de boeken ‘Contact with Alien Civilizations; Our Hopes and Fears about Encountering Extraterrestrials’ (Copernicus, 2007), Michael Michoud en Steven Dick, auteur van ‘Astrobiology, Discovery, and Societal Impact’ (Cambridge UniPress, 2018) uitgebreid hun licht schijnen over deze ultieme jacht-der-jachten de ‘jacht op buitenaards leven’. Hieronder volgt een samenvatting van de interviewreeks alsmede een doorverwijzing naar enkele interssante sites betreffende de zoekmethoden (infographic), en een wetenschappelijk artikel van de eerste FAST (Five-hundred-meter Aperture Spherical radio Telescope) resultaten.*

Lees verder