Ster Kepler-160 en z’n exoplaneet KOI-456.04 lijken het meest op de Zon en Aarde

Credit: MPS / René Heller

Een team van sterrenkundigen van het Max Planck Institute for Solar System Research (MPS) in Göttingen heeft bij de ster Kepler-160 een exoplaneet ontdekt die minder dan twee keer de massa van de aarde heeft en die zich in de leefbare zone van de ster bevindt, de plek waar water in vloeibare vorm kan voorkomen en waar in theorie leven mogelijk is. Dat ze zo’n planeet ontdekken is geen groot nieuws, daar haal je tegenwoordig de voorpagina niet meer mee. Wel groot nieuws is de combinatie van ster en planeet. Want tot nu toe waren al die leefbare aardachtige planeten te vinden bij rode dwergsterren, kleinere sterren dan de zon, die een grillig karakter hebben, met soms felle uitbarstingen van ultraviolette straling. Maar Kepler-160 is een heel andere ster… hij lijkt op de zon. En daarmee hebben we voor het eerst een ster én planeet ontdekt die sterk lijken op de Zon en de Aarde. De ster Kepler-160 en z’n exoplaneet KOI-456.04 zouden een kopie van de Zon en de Aarde kunnen zijn. En dat maakt ze dus héél bijzonder.

Vergelijking van aarde, KOI-456.04 en twee andere types exoplaneten, die door Kepler zijn gevonden. Credit: MPS / René Heller

De ster Kepler-160, gelegen in het sterrenbeeld Lier, heeft een straal die 1,1 keer die van de zon is en z’n temperatuur is 5400 graden, 300 graden lager dan die van de zon. Eerder waren bij Kepler-160 al twee andere planeten ontdekt, Kepler-160b en c. Die staan beiden dichtbij de ster en ze zijn een stuk groter dan de aarde. Hun temperatuur is zo hoog dat je er broodjes kan bakken – ongeschikt voor leven dus. René Heller en z’n team van MPS hebben nu in de gegevens van Kepler aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een derde én vierde planeet bij Kepler-160, dat zijn Kepler-160d en KOI-456.04. De laatste heeft een straal van 1,9 keer die van de aarde en hij draait in 378 dagen om de ster. De planeet krijgt zo’n 93% straling van z’n ster als van wat de aarde van de zon ontvangt. Hij ligt in de leefbare zone, waar water in vloeibare vorm kan voorkomen. Als KOI-456.04 ook een atmosfeer heeft en als z’n broeikaseffect mild is (á la dat van de aarde en niet zoals op Venus) dan is de gemiddelde temperatuur op de planeet er +5 graden, zo’n tien graden lager dan de gemiddelde temperatuur op aarde. De kans dat KOI-456.04 echt een planeet is wordt door Heller’s team op 85% geschat. Mocht ’t echt een planeet zijn dan moet die kans 99% zijn en daar is verder onderzoek voor nodig. Als het zo ver is dan zal KOI-456.04 Kepler-160e gaan heten. Hier het vakartikel over de ontdekking van de bijzondere exoplaneet, deze maand te verschijnen in Astronomy & Astrophysics. Bron: MPS.

Circulatiestromingen in de oceaan bevatten mogelijk belangrijke aanwijzingen voor leven op exoplaneten

Welke van de tot nu toe ontdekte duizenden exoplaneten zal leven, zoals wij dat kennen, herbergen? Waarnemingen betreffende de grootte, massa en samenstelling van de atmosfeer van exoplaneten worden over lichtjaren afstand gedaan o.a. door de TESS en Cheops telescopen, en het blijft een complexe opgave voor wetenschappers om op basis hiervan voorspellingen te doen voor wat betreft exoplanetair leven. Toch proberen wetenschappers wereldwijd stappen te zetten in deze zoektocht. Een team van planetair onderzoekers van de Universiteit van Chicago o.l.v. Jade Checlair presenteerde recent een nieuw model dat voorspellingen doet over hoe circulatiepatronen van oceanen het leven op een planeet kunnen beïnvloeden. Er is nog niet zoveel onderzoek geweest naar exoplaneet-oceanen en co-auteur Dorian Abbot zei hierover: “Deze studie startte het proces van beoordeling van de impact die oceaancirculatie heeft op de voedingsstoffenkringloop, biologische productiviteit en, mogelijk, de detecteerbaarheid van leven op exoplaneten.” De bevindingen van dit onderzoek, gepubliceerd in The Astrophysical Journal Letters*, waren verrassend, ze suggereren dat het zoeken naar een soort ’tweelingaarde’, een exoplaneet met zoveel mogelijk ‘aardachtige’ kenmerken misschien wel niet de meest voor de hand liggende plek is om naar buitenaards leven te zoeken.

Lees verder

Nieuwe testen laten een constante donkere energie én een vlak heelal zien

Links een klein deel van de onderzochte sterrenstelsels, in deze rechthoek zijn  er 120.000 te zien. Midden en rechts de 3D-kaarten die ervan gemaakt zijn, de heldere gebieden zijn de gebieden met veel sterrenstelsels, donker met weinig sterrenstelsels. Credit: Jeremy Tinker and the SDSS-III collaboration

Sterrenkundigen van de Universiteit van Porthsmouth in Engeland hebben met behulp van nieuwe methodes aanwijzingen gevonden dat de donkere energie, die zorgt voor de versnelde expansie van het heelal, constant is én dat het heelal vlak is, dat wil zeggen dat de krommming van de ruimte van het heelal als geheel nul is. Bij die nieuwe methodes wordt gekeken naar een combinatie van kosmische leegtes – gebieden in het heelal waar relatief weinig sterrenstelsels voorkomen – en de zwakke ‘afdrukken’ van geluidsgolven in het vroege heelal – de zogeheten ‘baryonische acoustische oscillaties’ (BAO’s) – die gezien kunnen worden in de verdeling van sterrenstelsels. Het team van sterrenkundigen, dat onder leiding stond van Seshadri Nadathur, maakte gebruik van de gegevens van miljoenen quasars en sterrenstelsels, die afgelopen jaren verzameld zijn met behulp van de Sloan Digital Sky Survey (SDSS). Met die gegevens wisten ze een driedimensionale kaart van het heelal te maken, waarvan een deel hierboven in de afbeelding te zien is.

In oranje de resultaten van de metingen aan de energiedichtheid van materie en donkere energie. Credit: Seshadri Nadathur

Uitkomst van alle metingen is dat de donkere energie constant lijkt te zijn en niet, zoals de laatste tijd vaker wordt gehoord, dat ‘ie in de loop der tijden langzaam kan evolueren. Ook blijkt dat het heelal vlak lijkt te zijn en niet, zoals de laatste tijd vaker wordt gehoord, dat ‘ie een zeker kromming lijkt te vertonen. De onderzoeksgroep heeft ook gekeken naar de waarde van de Hubble constante H0. Kijk je naar relatief nabije kosmische leegtes en BAO’s dan komt men uit op een H0 van 69±1,2 km s?¹Mpc?¹. Nemen ze echter ook de absorptielijnen van ver verwijderde quasars mee dan komen ze uit op een waarde van H0 van 72,3±1,9 km s?¹Mpc?¹, beide uitkomsten zijn in lijn met de uiterste waarden van de Hubble-spanning, de al jaren durende discussie over de Hubble constante, die de snelheid waarmee het heelal uitdijt weergeeft. Hier het vakartikel van de sterrenkundigen, gepubliceerd in the Physical Review Letters. Bron: Universiteit van Porthsmouth.

Meten aan Overijsselse akkers met satellietbeelden

Satellietbeeld van Overijsselse akkers. Credit: Universiteit van Twente,

Onderzoekers van faculteit ITC van de Universiteit Twente hebben aan de hand van satellietbeelden de grondbedekking van vanggewassen op Overijsselse akkers bekeken. Voor hun onderzoek analyseerden de onderzoekers satellietbeelden uit 2017 en 2018. Ze publiceerden hun resultaten in het tijdschrift International Journal of Applied Earth Observation and Geoinformation.

Het planten van een vanggewas tussen de belangrijkste teeltseizoenen is een maatregel met meerdere potentiële voordelen voor een duurzame voedselproductie. Het vanggewas voorkomt dat een groot deel van het nitraat uit bemesting in het grondwater terecht komt. Volgens de huidige regelgeving moeten Nederlandse boeren na verbouw van maïs uiterlijk 1 oktober hun vanggewas gezaaid hebben.

Schatten van zaaidata

Beelden van de zogenaamde Sentinel-2 satellieten maakten het mogelijk om van individuele akkers de zaaidata te schatten. “Volledig begroeide akkers kaatsen veel nabij-infrarood en weinig zichtbaar licht terug. Door deze terugkaatsing in de tijd uit te zetten, kunnen we veranderingen zien en zaaidata schatten. Een net gezaaide akker zonder planten kaatst namelijk relatief weinig infrarood licht terug”, zegt ITC onderzoeker dr.ir. Anton Vrieling.

Credit: Universiteit van Twente,

Bedekking in december

Met de schattingen konden de onderzoekers kijken wat de invloed van zaaidata op de uiteindelijke bedekking in december was. Aan de hand van de zaaidata en de bedekking in december bepaalden de onderzoekers welke temperatuursom – de som van alle daggemiddelde temperaturen boven vier graden – nodig was voor een optimale veldbedekking gedurende de winter. Gemiddeld over de afgelopen dertig jaar werd de benodigde temperatuursom op tijd behaald als er op 19 september gezaaid werd. “Afhankelijk van het weer is de maïs dan nog niet volledig afgerijpt, wat zou betekenen dat boeren het vanggewas gedurende de maïsgroei moeten onderzaaien om het op tijd op de akkers te hebben”, zegt Vrieling.

Meer informatie

Het onderzoek begon als studieproject voor studenten van de faculteit ITC, maar groeide onder ITC-onderzoekers dr. Xinyan Fan, dr.ir. Anton Vrieling en prof.dr. Andy Nelson in samenwerking met Bert Muller van Agro Accént uit tot een volwaardig onderzoek. Het artikel getiteld, Winter cover crops in Dutch maize fields: Variability in quality and its drivers assessed from multi-temporal Sentinel-2 imagery, is gepubliceerd in het tijdschrift International Journal of Applied Earth Observation and Geoinformation. Het is open access en online te lezen. Bron: Universiteit van Twente.

ELT-instrument METIS bereikt ontwerp-mijlpaal

Artistieke weergave van het METIS-instrument dat na voltooiing zal worden ingezet bij de Extremely Large Telescope (ELT). METIS, de afkorting van Mid-infrared ELT Imager and Spectrograph, zal de reusachtige hoofdspiegel van de telescoop volledig benutten om een breed scala van wetenschappelijke onderwerpen te onderzoeken – van objecten in ons zonnestelsel tot verre actieve sterrenstelsels. Credit: ESO/METIS Consortium/L. Calçada

Het METIS-instrument dat onder leiding van de Nederlandse Onderzoekschool voor Astronomie (NOVA) wordt gebouwd voor ESO’s toekomstige Extremely Large Telescope (ELT) in Noord-Chili heeft een belangrijke mijlpaal bereikt. Het voorlopig ontwerp is goedgekeurd.

METIS, de afkorting van Mid-infrared ELT Imager and Spectrograph, zal de reusachtige hoofdspiegel van de ELT volledig benutten om een breed scala van wetenschappelijke onderwerpen te onderzoeken – van objecten in ons zonnestelsel tot verre actieve sterrenstelsels. METIS is uitermate geschikt om de levensloop van sterren te onderzoeken, van babysterren en hun planeetvormende schijven tot oudere sterren die het einde van hun bestaan naderen.

De krachtige camera en spectrograaf METIS onderging zijn Preliminary Design Review in het hoofdkwartier van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO) in Garching, Duitsland.

De ELT zal op het moment dat hij halverwege dit decennium bedrijfsklaar is, de grootste optische tot mid-infrarood-telescoop op aarde zijn. Met zijn 39 meter grote hoofdspiegel en geavanceerde adaptieve optische systeem zal hij een zes keer hogere resolutie hebben dan de James Webb Space Telescope. Dankzij de adaptieve optiek van de ELT zal METIS de structuur en samenstelling van kosmische objecten met revolutionaire precisie kunnen vaststellen.

Voor Nederland is de ontwikkeling van METIS van groot belang. De wetenschappelijk directeur van NOVA, Ewine van Dishoeck: “We zijn ontzettend trots op het wereldwijde METIS-team dat onder leiding van NOVA zo’n cutting-edge instrument heeft ontworpen. Met METIS staan Nederlandse astronomen vooraan in de zoektocht naar mogelijk leven op onze buurplaneten. Ook zal METIS veel nieuwe inzichten leveren in de manier waarop nieuwe planeten worden gebouwd. Maar we gaan ook vast verrassingen vinden, ontdekkingen die we niet hadden verwacht. Dat maakt de wetenschap zo spannend!”

Onderzoek aan exoplaneten is een van de meest dynamische en spannende onderzoeksterreinen van de astronomie, voor zowel wetenschappers als het publiek. METIS zal in staat zijn om de temperatuur, het weer en seizoensveranderingen in de atmosferen van tal van reuzenplaneten bij andere sterren te bestuderen. Bovendien heeft METIS het vermogen om aarde-achtige exoplaneten bij de meest nabije sterren rechtstreeks te detecteren en, in gunstige gevallen, ook hun atmosferische samenstelling te onderzoeken.

De Nederlandse hightechindustrie speelt een belangrijke rol bij de bouw van METIS. Zo is het Maastrichtse bedrijf Janssen Precision Engineering al enige jaren betrokken bij de ontwikkeling van een geavanceerde kalibratiespiegel voor het instrument. Deze spiegel kan met hoge snelheid en uiterste precisie schakelen tussen het waar te nemen beeld en een kalibratieachtergrond.

Nu het instrument is geslaagd voor zijn Preliminary Design Review, zal het METIS-consortium zijn ontwerp verder uitwerken, voordat de bouw van het instrument daadwerkelijk gaat beginnen. Bron: Astronomie.nl.

Mars had mogelijk ooit ringen en zal die in de toekomst weer krijgen

Het maantje Deimos. Credit: https://solarsystem.nasa.gov/moons/mars-moons/deimos/in-depth/

Op basis van berekeningen aan de baan van de kleine maan Deimos van Mars hebben wetenschappers van het SETI Instituut en de Purdue Universiteit ontdekt dat Mars miljarden jaren geleden wellicht dunne ringen heeft gehad. Mars heeft twee kleine manen, Phobos en Deimos, die in 1877 werden ontdekt. Over de herkomst van de twee maantjes van Mars was lang de gedachte dat het twee ingevangen planetoïden zijn. Maar dan is het vreemd dat ze beiden een baan hebben die ruwweg in het evenaarsvlak van Mars liggen, met de baan van Deimos iets afwijkend, zo’n twee graden verschil. Enkele jaren geleden werd door David Minton en Andrew Hesselbrock (Purdue University) ontdekt dat Phobos, het maantje dat het dichtste bij Mars ligt, in hoogte verliest en steeds dichter bij Mars komt. Dat betekent dat Phobos op een gegeven moment door de getijdewerking zal uiteenvallen tot kleine brokstukken en dat die broksstukken dan een ring zullen vormen om Mars. Uit dat puin in de ring zou dan vervolgens weer een nieuwe, kleinere maan kunnen ontstaan. En dat zou dan volgens Minton en Hesselbrock een cyclisch gebeuren zijn, dat al miljarden jaren aan de gang is: telkens breekt een maan in stukken en vormt een ring van puin, waaruit dan weer een kleinere maan ontstaat.

Een impressie van ringen om Mars. Credit: Purdue University

Een team onder leiding van Matija Cuk (SETI Institute) heeft daar nu verder naar gekeken en ontdekt dat er een verband is tussen die cyclische maantjes en de baan van Deimos. Nieuw gevormde maantjes zouden namelijk eerst een grotere afstand tot Mars krijgen. En dat zou dan weer in een baanresonantie met Deimos komen, waarbij de omlooptijd van Deimos dan precies drie keer die van de andere maan is. En daar heeft Deimos dan z’n iets afwijkende baan met een ’tilt’ van twee graden aan te danken. De cyclische maanvorming begon ongeveer drie miljard jaar geleden met de ‘grootouder’ van Phobos, die ongeveer twintig keer zo groot moet zijn geweest als Phobos. Toen die door Mars aan gruzelementen werd getrokken kreeg Mars voor de eerste keer ringen, waaruit een kind werd ‘geboren’.  En daar is Phobos weer een kind van, die is dus van de derde generatie. Phobos is dus mogelijk veel jonger dan Deimos, zo’n 200 miljoen jaar voor Phobos, tegenover een ouderdom van miljarden jaren voor Deimos. De Japanse ruimtevaartorganisatie JAXA wil in de toekomst een lander naar Phobos sturen en die moet daar ter plekke onderzoek gaan doen naar de herkomst en samenstelling van de kleine maan.  Hier het vakartikel van Cuk et al., te verschijnen in Astrophysical Journal Letters. Bron: SETI.

De allereerste sterren(-stelsels) ontstonden eerder dan gedacht, zo laat Hubble zien

Een impressie van sterrenstelsels in het vroege heelal. Credit:
ESA/Hubble, M. Kornmesser.

Onderzoek met behulp van de Hubble ruimtetelescoop van de ESA en NASA laat zien dat de allereerste sterren en sterrenstelsels vroeger moeten zijn ontstaan dan men eerst dacht. Een Europees team van sterrenkundigen onder leiding van Rachana Bhatawdekar (Universiteit van Nottingham) heeft met Hubble onderzoek gedaan aan de cluster van sterrenstelsels MACSJ0416 en aan een ‘parallel veld’ van dit cluster en daaruit komt naar voren dat er zo’n 500 miljoen jaar na de oerknal nog geen Populatie III sterren voorkwamen. Dat zijn de hypothetische sterren, die als eerste in het vroege heelal moeten zijn ontstaan en die alleen maar bestaan uit waterstof, helium en lithium, de lichtste elementen die bij de oerknal, die 13,8 miljard jaar geleden plaatsvond, zijn ontstaan. Pas toen die Populatie III sterren gingen ‘branden’ en in hun kernen de lichte elementen gingen fuseren ontstonden zwaardere elementen, zoals zuurstof, stikstof, koolstof en ijzer, die terechtkwamen in de gaswolken, waar latere sterren uit zouden ontstaan. Die latere sterpopulaties I en II zijn wel bekend en gevonden, de zon is bijvoorbeeld een Populatie I ster.

MACS J0416. Credit: NASA, ESA, and M. Montes (University of New South Wales, Sydney, Australia)

Bhatawdekar’s team keek met Hubble naar het cluster MACSJ0416, dat 4,3 miljard lichtjaar van de aarde verwijderd is en dat bij elkaar zo’n 160 biljoen (!) keer zo zwaar als de zon is. Het is één van de zes clusters die met Hubble zijn bestudeerd in het kader van het zogeheten Hubble Frontier Field programma. Dankzij z’n enorme massa verbuigt MACSJ0416 de ruimte om ‘m heen en dat zorgt er voor dat het licht van erachter liggende sterrenstelsels afbuigt én versterkt wordt. En het zijn die zeer ver verwijderde sterrenstelsels – in de foto hierboven te zien als de vele boogjes in en rond het cluster – die door het team van Bhatawdekar zijn onderzocht. Met nieuwe technieken waren ze in staat om het gehele tussenliggende cluster MACSJ0416 weg te poetsen en alleen de daarachter liggende sterrenstelsels te zien. Een impressie van die sterrenstelsels zie je in de afbeelding bovenaan. Wat bleek: die sterrenstelsels waren klein en met weinig massa, maar wel talrijk. En de sterren waaruit ze bestaan waren sterren met metalen (elementen zwaarder dan helium), dus geen Populatie III sterren.

Men denkt dat het deze kleine sterrenstelsels waren die verantwoordelijk waren voor de zogeheten reïonisatie van het heelal. Daarbij zorgde de sterke ultraviolette straling van de sterren in die stelsels voor ionisatie van het neutrale ondoorzichtige waterstofgas, waarbij de elektronen en de atoomkernen van elkaar losgeslagen werden. Die reïonisatie zorgde er voor dat er een einde kwam aan de ‘donkere eeuwen’ van het heelal, een periode van duisternis die begonnen was vanaf het moment van het ‘laatste oppervlak van de verstrooiing‘, 380.000 jaar na de oerknal. Bron: Hubble.

Bestaan van exotische quark-materie “zo goed als zeker”

De quark-kern binnen een neutronenster. Credits: Jyrki Hokkanen, CSC – IT Center for Science.

Een onderzoeksteam uit Finland heeft sterke aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van exotische “quark-materie” in het inwendige van de grootste neutronensterren. Ze zijn tot deze conclusie gekomen door recente ontwikkelingen binnen de deeltjesfysica te combineren met de detectie van zwaartekrachtgolven die geproduceerd zijn door botsende neutronensterren.

Alle “normale” materie om ons heen (inclusief wijzelf) is opgebouwd uit atomen, die zelf weer zijn opgebouwd uit een dichte atoomkern (met hierin protonen en neutronen) die omringd wordt door een “wolk” van negatief geladen elektronen. Binnen een neutronenster wordt deze vorm van materie onder zijn eigen gewicht in elkaar gedrukt, waarbij de elektronen samensmelten met de atoomkernen. Hierbij ontstaat een enorme bal van neutronen, vandaar de term neutronenster. Deze hebben de dichtheid van een atoomkern: feitelijk zijn neutronensterren dus gigantische atoomkernen ter grootte van een stad!

Het was tot voor kort onbekend in hoeverre dit “neutronium” in de kern van sommige neutronensterren nog verder zou kunnen instorten. Het gevolg hiervan zou een nog exotischer vorm van materie zijn, namelijk het zogenaamde quarkmaterie. De vraag of sommige neutronensterren een quark-kern hebben is één van de belangrijkste elementen binnen het onderzoek naar neutronensterren sinds het idee van het quarkmaterie zo’n 40 jaar geleden voor het eerst werd geopperd.

Helaas blijkt dat zelfs grootschalige super-computersimulaties niet in staat zijn om te achterhalen of het quarkmaterie zou kunnen bestaan. Vandaar dat de Finse onderzoekers het over een andere boeg hebben gegooid. Door deeltjesfysica te combineren met astrofyisca, zou men de eigenschappen van materie in het inwendige van neutronensterren kunnen achterhalen. Uit deze berekeningen is gebleken dat de kernen van de zwaarste neutronensterren eigenschappen hebben die dichter bij quarkmaterie liggen dan bij neutronium.

Botsende neutronensterren. Hierbij zal meestal een zwart gat het gevolg zijn en dit soort gebeurtenissen produceren een specifiek soort zwaartekrachtgolven. Credit: University of Warwick/Mark Garlick.

Maar hebben ze hiermee ook daadwerkelijk het bestaan van quarkmaterie bewezen? Niet helemaal, er bestaat een kleine kans dat alle neutronensterren puur uit neutronium bestaan. Maar in dat geval zou deze vorm van dichte materie nog vreemdere eigenschappen hebben dan we al dachten. Zo zou de snelheid van het geluid binnen zo’n neutronenster bijna de lichtsnelheid bereiken!

Twee belangrijke ontdekkingen zijn van groot belang geweest bij de conclusie van het Finse onderzoek, namelijk de detectie van zwaartekrachtgolven die geproduceerd worden door botsende neutronensterren én de ontdekking van supermassieve neutronensterren met een massa van bijna twee zonnemassa’s. Uit het bestuderen van de zwaartekrachtgolven is gebleken dat de bovenlimiet van de diameter van de neutronensterren zo’n 26 kilometer moet zijn geweest.

Verder heeft men neutronensterren gevonden van ongeveer 2 zonnemassa’s en dat is bijzonder, want de overgrote meerderheid van de neutronensterren hebben een massa van 1 tot 1,7 zonnemassa’s. Door deze twee ontdekkingen met elkaar te combineren zijn de onderzoekers tot de conclusie gekomen dat het bestaan van quarkmaterie heel waarschijnlijk is.

Natuurlijk bestaan hier nog onzekerheden over, maar aangezien het bestuderen van zwaartekrachtgolven nog in de kinderschoenen staat zullen toekomstige onderzoeken deze onzekerheid ongetwijfeld kunnen wegnemen. De Gouden Eeuw van de Zwaartekrachtgolven is nog maar net begonnen en dit nieuwe tijdperk binnen de sterrenkunde zal ongetwijfeld leiden tot soortgelijke grote doorbraken binnen zowel de deeltjes- als de astrofysica.

Het volledige onderzoeksartikel kan hier ingezien worden.

Bron: Universiteit van Helsinki

Komende nacht worden weer 60 Starlink satellieten van SpaceX gelanceerd

Credit: SpaceX.

Vannacht om 03.25 uur Nederlandse tijd worden vanaf lanceerplatform 40 op Kennedy Space Center in Florida weer zestig Starlink-satellieten gelanceerd, missie V1.0 L7, zoals ze ’t noemen, inclusief de 0-testmissie is dat de achtste missie. De satellieten zullen net als voorgaande keren met een Falcon 9 raket de ruimte in worden gebracht. Bij de voorgaande lanceringen, die mei 2019 begonnen, zijn er al 422 Starlink satellieten gelanceerd, elk 260 kg zwaar, die wereldwijd voor breedband-internet moeten gaan zorgen (en dat moeten er uiteindelijk 12.000 (!) worden). Tot nu toe zorgen ze vooral voor tumult onder sterrenkundigen en opwinding onder de ‘kijkers’ – de laatsten kijken altijd uit naar de ’treintjes’ die kort na de lancering goed zichtbaar zijn. (Amateur-) Sterrenkundigen zijn niet te spreken van de Starlinks, omdat ze voor lichtvervuiling zorgen, ondanks beloftes van SpaceX-baas Elon Musk dat hij serieus nadenkt over vermindering van de lichtvervuiling van de satellieten, onder andere door gebruik van bepaalde licht absorberende verfsoorten. Eén van de zestig sdatellieten vannacht zal ook aangepast zijn om de vermindering van de lichtvervuiling te testen, zoals te lezen in deze tweet.

De kans op het doorgaan van de lancering wegens het weer vannacht is op dit moment 60%. Mocht de lancering doorgaan dan zal ik morgen melden of en hoe laat het nieuwe treintje van Starlinks overkomt.

Onze voorouders 3,5 miljoen jaar geleden zagen wellicht het Melkwegcentrum gloeien

Een impressie van de gloed die onze wandelende voorouders in Afrika mogelijk zagen, zo’n 3,5 miljoen jaar geleden. Credits: NASA, ESA, G. Cecil (UNC, Chapel Hill) and J. DePasquale (STScI)

Zo’n 3,5 miljoen jaar geleden liepen onze voorouders ergens in de savannen van Afrika. Het zou best kunnen dat als ze keken naar wat wij nu het sterrenbeeld Boogschutter noemen dat ze aan de hemel dan een mysterieuze gloed zagen, een gloed die mogelijk een miljoen jaar zichtbaar moet zijn geweest. Aldus sterrenkundigen die onderzoek hebben gedaan met behulp van de Hubble ruimtetelescoop aan de Magelhaense Stroom, een lange brug van gas tussen de Grote en Kleine Magelhaense Wolk, twee begeleidende dwergstelsels van het Melkwegstelsel. Uit dat onderzoek van Andrew Fox (Space Telescope Science Institute (STScI) in Baltimore) en z’n team kwam naar voren dat 3,5 miljoen jaar geleden een enorme wolk van waterstof van bij elkaar zo’n 100.000 zonsmassa terecht kwam in de accretieschijf van Sagittarius A*, het superzware zwarte gat in het centrum van de Melkweg. Dat leidde tot een enorme uitbarsting van intense ultraviolette straling en die ging twee kanten uit, de ene naar boven en de ander naar onder het vlak van de Melkweg. De zuidelijke stoot straling botste tegen het waterstof in die Magelhaense Stroom en dat ging daardoor gloeien, doordat de elektronen uit de waterstofatomen werden gestoten en er ionen van waterstof overbleven.

Credits: NASA, ESA and L. Hustak (STScI)

Het resultaat was dat een deel van die ‘stroom’ als een soort kosmische kerstboom ging gloeien en de rondwandelende australopithecus (of hoe ze ook mogen heten) zeer lange tijd aan de hemel een vreemde, mysterieuze gloed moet hebben gezien. Boeiende gedachte nietwaar? Net zo boeiend is natuurlijk de vraag hoe ze hier achter zijn gekomen. Welnu, dat deed he team van Fox door te kijken naar het licht van 21 quasars dat dwars door die Magelhaense Stroom schijnt en van het licht van 10 andere quasars dat dwars door de ‘Leidende Arm’ schijnt, da’s een andere gasstroom, die verbonden is aan de Magelhaense Wolken (zie de afbeelding hierboven). Daaruit kwam naar voren dat er in de Magelhaense Stroom ionen zitten, die alleen ontstaan kunnen zijn doordat ze langdurig bloot hebben gestaan aan een intense stoot UV-straling – zeg maar waardoor ook de groenige gaswolk van Hanny’s Voorwerp tot gloeien is gebracht. In de Leidende Arm werden die ionen niet aangetroffen, maar dat is ook verklaarbaar: die gasbrug bevindt zich niet recht onder Sgr A* in het vlak van de Melkweg, zoals met de Magelhaense Stroom wel het geval is.

Impressie van de Fermi bellen. Credit: NASA’s Goddard Space Flight Center.

Overigens kwam er naast die stoot UV-straling ook een grote bel van heet plasma de ruimte in, ook weer eentje boven en eentje onder de Melkweg. Die twee bellen zijn in 2010 door NASA’s Fermi gamma-ruimtetelescoop ontdekt, de Fermibellen zoals ze heten. Hier het vakartikel van Fox et al over de waarnemingen aan de Magelhaense Brug en Leidende Arm, gisteren gepresenteerd op de 236e digitale bijeenkomst van de AAS. Bron: NASA.