Een kosmische tango tussen het allerkleinste en het allergrootste. Credit: Dani Zemba, Penn State
Dat er vraagtekens worden gezet bij het huidige LCDM-model van het heelal is al lang bekend, zie de al lang lopende discussie rondom de Hubble-spanning en de recente waarnemingen van de Kilo-Degree Survey. Dat model bevat twee ingrediënten, waarvan de sterrenkundigen wel indirect bewijs hebben voor hun bestaan, maar nog nooit directe detectie ervan hebben gezien: donkere energie (Lambda, Λ) en donkere materie (Cold Dark Matter). De vraagtekens hebben betrekking op de spanning die er is tussen de voorspellingen die op basis van het LCDM-model worden gedaan en de waarnemingen aan de CMB (Cosmic Microwave Background), de kosmische microgolf-achtergrondstraling, waar o.a. de Planck satelliet onderzoek naar heeft gedaan. Onlangs kwamen Abhay Ashtekar (Penn State Institute for Gravitation and the Cosmos) en z’n collega’s met dit vakartikel, waarin ze betogen dat de geschetste problemen opgelost kunnen worden als de hulp wordt ingeschakeld van de zogeheten Loop kwantumzwaartekracht (Engels: LQG, loop quantum gravity). In de CMB zijn minieme temperatuursverschillen te zien, wijzend op verschillende dichtheden in de materie in het heelal, 380.000 jaar na de oerknal, die veroorzaakt zijn door kwantum-fluctuaties in het allervroegste deel van de oerknal, die 13,8 miljard jaar geleden plaatsvond. Volgens het inflatiemodel (een soort van uitbreiding op het LCDM-model) groeiden die kwantum-fluctuaties door de exponentiële groeifase tijdens de inflatie uit tot de waargenomen verschillen in dichtheden en later groeiden de dichtste gebieden in de materie uit tot (super-)clusters van sterrenstelsels – een ‘kosmische tango’ tussen het allerkleinste en allergrootste (zie afbeelding hierboven).
Credit: Alan Stonebraker. P. Singh, Physics 5, 142 (2012); APS/A. Stonebraker
Ashtekar en z’n collega’s zeggen dat ook hun model de waargenomen verdeling van dichtheden in de CMB kan verklaren én dat ze ook de anomalieën die er zijn kunnen verklaren. Het LCG-model gaat er van uit dat de ruimte geen glad continuum is, maar dat het discreet is, opgebouwd uit zeer kleine, ééndimensionale draadjes, kwantumdraadjes (zie afbeelding hieronder).
Volgens het model is er geen singulariteit in de oerknal geweest, maar is er sprake van een ‘big bounce’, een stuiter van een imploderend vorig heelal in het huidige, expanderende heelal (zie afbeelding hierboven). Om hun model te toetsen doen de onderzoekers voorspellingen aan de CMB. Met de huidige instrumenten kunnen die voorspellingen niet geverifieerd worden, maar ze denken dat het met toekomstige missies LiteBird en de Cosmic Origins Explorer wel mogelijk moet zijn. Eh… over de big bounce gesproken: geheel onafhankelijk van Ashtekar en z’n groep kwamen onlangs Anna Ijjas en Paul Steinhardt aan met een artikel, waarin ze een nieuw model voor een cyclisch heelal presenteren. Ook zij gaan uit van een bounce van het heelal, als deze implodeert en een bepaalde kritische dichtheid bereikt. Zie dit artikel voor meer info daarover. Bron: Phys.org.
De planetaire nevel NGC 2392. De NASA noemt deze niet meer de Eskimonevel. Credit: NASA, Andrew Fruchter and the ERO Team [Sylvia Baggett (STScI), Richard Hook (ST-ECF), Zoltan Levay (STScI)]
De NASA heeft laten weten dat ze de bijnamen die kosmische objecten, zoals sterrenstelsels, planeten en gasnevels, soms hebben gaat bekijken en screenen op hun naam. De NASA streeft in haar beleid naar gelijkheid, diversiteit en inclusiviteit. De bijnamen , die vaak al heel oud zijn, kunnen rascistisch klinken, omdat ze bijvoorbeeld uit koloniaal verleden stammen. Als bijnamen in strijd zijn met NASA’s beleid zullen ze niet meer worden gebruikt. Twee bijnamen zijn er al die de NASA in de ban gaat doen: de planetaire nevel NGC 2392 (zie foto hierboven) noemen ze niet meer de Eskimonevel, omdat de term eskimo niet meer gebruikt wordt – de bewoners in de poolgebieden noemen zichzelf de Inuit. Ook de twee sterrenstelsels NGC 4567 en NGC 4568 in de Virgocluster verliezen hun bijnaam, de Siamese tweelingstelsels. Bron: NASA.
In geel het model voor de vorm van de heliosfeer van het zonnestelsel. In rood de magnetische veldlijnen van het Melkwegstelsel. Credits: Opher, et al
Ons zonnestelsel wordt omgeven door een enorme magnetische bubbel, de zogeheten heliosfeer. Jarenlang werd gedacht dat die er uit moest zien als een soort van komeet, waarbij de kern door de zon gevormd wordt en de staart achter de zon aan gaat, in diens lang reis om het centrum van de Melkweg. Maar wat blijkt nu uit onderzoek van Merav Opher (DRIVE Science Center at Boston University) en haar team: dat de vorm van de heliosfeer niet op een komeet lijkt, maar meer op een leeggelopen croissant.
De klassieke vorm van de heliosfeer, die meer op een komeet lijkt.
Het model is gebaseerd op de waarnemingen van de enige twee aardse instrumenten die metingen hebben gedaan aan de rand van de heliosfeer, de beide Voyager ruimteverkenners, en aan waarnemingen met NASA’s IBEX satelliet. Opher maakte daarnaast ook gebruik van gegevens van de Cassini én New Horizons ruimteverkenners. Cassini deed jarenlang onderzoek bij Saturnus. Die had een instrument aan boord dat deeltjes kon detecteren, die vanuit de interstellaire ruimte kwamen en die waren ingevangen door het magnetische veld van Saturnus. En New Horizons was langs Pluto en Arrokoth gevlogen en heeft ionen gemeten, die meevlogen met de zonnewind. Op basis van alle gegevens komen de onderzoekers met een afwijkende vorm van de heliosfeer van het zonnestelsel, eentje die meer lijkt op een leeggelopen croissant. Buiten de heliosfeer bevindt zich het interstellaire medium, met geïoniseerd gas en het magnetische veld van de Melkweg. De heliosfeer werkt als een soort van schild tegen dat medium, waarbij er in tijden dat de zon in z’n elfjarige cyclus minder actief is meer kosmische deeltjes vanuit het medium het zonnestelse4l binnenkomen. Met NASA’s Interstellar Mapping and Acceleration Probe (IMAP), die in 2024 moet worden gelanceerd, willen ze verder onderzoek doen aan de buitenste rand van het zonnestelsel. In maart werd er een artikel over gepubliceerd in Nature. Bron: NASA.
Het is alweer bijna vijftig jaar geleden, op 4 augustus 1972 raasden zeer sterke zonnevlammen richting de aarde die een extreem heftige geomagnetische storm veroorzaakte en wereldwijd voor radioblackouts zorgde. Bij onderzoek van oude maritieme archieven heeft een wetenschapsteam o.l.v Deloris J. Knipp van de Universiteit van Colorado ontdekt dat deze heftige geostorm niet alleen tot vele radioblackouts en aurorae leidde maar ook dat ze de oorzaak is van gigantische explosies in zeemijnenvelden in Zuidoost-Azië. De zonnestorm manifesteerde zich als X-klasse zonnevlammen op 2 augustus 1972, afkomstig uit het McMath 11976 gebied (MR 11976), en voor twee achtereenvolgende dagen resulteerde dit in radioblackouts, beschadigde zonnepanelen, storingen aan electronica bij satellieten enz. en zorgde voor veel overlast. Op 4 augustus raasde één plasmawolk of CME (Eng. coronal mass ejection) vanaf de zon en trof de aardse magnetosfeer in slechts 14,6 uur – een record dat nog steeds staat*. De resulterende geomagnetische storm veroorzaakte zulke heldere aurorae dat ze ver zuidelijk, tot o.a. in Groot-Brittannië waarneembaar waren. Deze geostorm uit 1972 is o.a. ook legendarisch bij NASA. Ze vond namelijk plaats precies tussen twee Apollo-missies in: de bemanning van Apollo 16 was in april naar de aarde teruggekeerd en Apollo 17 bereidde zich voor op een maanlanding in december. Als de timing maar een klein beetje anders was geweest, hadden astronauten zeer waarschijnlijk de kwalijke gevolgen ondervonden van de straling. Lees verder →
Voorstelling van een neutronenster in het restant van SN 1987A. Credit: NRAO/AUI/NSF, B. Saxton
Op 23 februari 1987 zagen sterrenkundigen een supernova in de Grote Magelhaense Wolk verschijnen, een begeleidend dwergstelsel van de Melkweg, 163.000 lichtjaar van ons vandaan. SN 1987A was een type II supernova, een zware ster (Sanduleak -69 202, een blauwe superreus) die z’n buitenlagen wegblies en wiens kern implodeerde tot… ja tot wat eigenlijk? Het vermoeden was dat de kern een neutronenster was geworden, maar 33 jaar lang hebben de sterrenkundigen daar niets van gezien, ondanks vele waarnemingen. Zou ’t misschien een zwart gat zijn geworden, die mogelijkheid was er ook nog. Maar nu lijkt er dan toch eindelijk iets gezien te zijn en wel door de Atacama Large Millimeter / submillimeter Array (ALMA) in Chili. Naarmate de tijd verstrijkt kunnen sterrenkundigen dieper de resten van de supernova induiken, resten die voor een groot deel uit stof bestaan. In het stoffige centrale deel van het restant van SN 1987A heeft men met ALMA een hete ‘blob’ (wolk?) gezien, die helderder is dan de omgeving en die precies zit op de plek waar je de neutronenster zou verwachten. Want dat is wat Mikako Matsuura (Cardiff University) en z’n team denken, dat die hete blob een neutronenster is.
Links de hete blob in SNR 1987A die door ALMA is waargenomen. Credit: ALMA (ESO/NAOJ/NRAO), P. Cigan and R. Indebetouw; NRAO/AUI/NSF, B. Saxton; NASA/ESA
De blob is zo helder dat men zich afvraagt of een neutronenster wel zo helder kan zijn, maar gezien het feit dat dit met een leeftijd van slechts 33 jaar de jongste neutronenster zou zijn die we kennen [1]De één na jongste neutronenster is precies tien keer zo oud, de neutronenster in Cassiopeia A. Yep, die is 333 jaar oud. zou je bij zo’n jonkie een grote helderheid kunnen verwachten. De temperatuur van de blog is zo’n vijf miljoen graden. Precies op de plek waar ooit Sanduleak -69 202 stond staat de hete blob niet, maar daar is een verklaring voor. Want bij de supernova-explosie blijkt het restant met een snelheid van honderden kilometers per seconde te zijn weggeslingerd.
Over de waarnemingen met ALMA aan het restant van SN 1987A zijn deze twee wetenschappelijke artikelen verschenen:
ALMA observation of the “blob”: “High Angular Resolution ALMA Images of Dust and Molecules in the SN 1987A Ejecta”, by P. Cigan et al., The Astrophysical Journal. https://doi.org/10.3847/1538-4357/ab4b46
Nieuwe VLT-opname van de planetaire nevel NGC 2899. Credit: ESO.
Met zijn symmetrische uiterlijk, prachtige kleuren en subtiele patronen doet deze bel van gas, die bekendstaat als NGC 2899, denken aan een vlinder die langs de hemel fladdert. Het object, hier op een nieuwe opname van ESO’s Very Large Telescope (VLT), is nooit eerder zo gedetailleerd in beeld gebracht. Zelfs de zwakke randen van deze zogeheten planetaire nevel, die zich als een waas over de achtergrondsterren uitstrekken, zijn te zien.
Het gasomhulsel van NGC 2899 reikt tot op een afstand van twee lichtjaar van zijn centrum. Het steekt helder af tegen de achtergrond van sterren van de Melkweg en bereikt temperaturen tot wel tienduizend graden. Deze hoge temperaturen zijn het gevolg van de intense straling van de moederster van de nevel, die ervoor zorgt dat het waterstofgas in de nevel zich als een roodachtige gloed om het blauw stralende zuurstofgas vertoont.
NGC 2899 in het sterrenbeeld Vela. Credit: ESO, IAU and Sky & Telescope.
Dit object, op een afstand van 3000 tot 6500 lichtjaar in het zuidelijke sterrenbeeld Vela (Zeilen), heeft twee sterren in zijn centrum. Aangenomen wordt dat deze dubbelster verantwoordelijk is voor zijn bijna symmetrische uiterlijk. Nadat de ene ster het einde van zijn leven had bereikt en zijn buitenste lagen had afgestoten, verstoorde de andere ster de uitstroom van het gas, wat in de hier zichtbare tweelobbige vorm heeft geresulteerd. Slechts ongeveer tien tot twintig procent van de planetaire nevels [1]Anders dan hun naam suggereert, hebben planetaire nevels niets van doen met planeten. De eerste astronomen die deze vaak ronde objecten waarnamen constateerden slechts dat ze qua vorm overeenkomsten … Continue reading vertoont zo’n bipolaire vorm.
Het hemelgebied rond NGC 2899. Credit: ESO/Digitized Sky Survey 2. Acknowledgement: Davide De Martin.
Astronomen hebben deze zeer detailrijke opname van NGC 2899 kunnen maken met het FORS-instrument van UT1 (Antu) – een van de vier 8,2-meter telescopen die tezamen ESO’s Very Large Telescope vormen. FORS staat voor FOcal Reducer and low dispersion Spectrograph. Dit hoge-resolutie instrument was een van de eerste die op de VLT werden geïnstalleerd en is verantwoordelijk voor talrijke prachtige opnamen en ontdekkingen van ESO. FORS heeft bijgedragen aan waarnemingen van licht dat afkomstig was van een bron van zwaartekrachtgolven, heeft de eerst bekende interstellaire planetoïde onderzocht en is ingezet om diepgaand onderzoek te doen naar de fysica achter de vorming van complexe planetaire nevels.
De opname is gemaakt in het kader van het ESO Cosmic Gems-programma, een – een initiatief waarbij interessante, intrigerende of visueel aantrekkelijke objecten voor educatieve of publicitaire doeleinden met ESO-telescopen worden gefotografeerd. Dit programma maakt gebruik van telescooptijd die niet geschikt is voor wetenschappelijke waarnemingen. Alle gegevens die daarbij worden verzameld blijven bewaard en worden via het wetenschappelijke archief van ESO ter beschikking gesteld van astronomen. Bron: ESO.
Anders dan hun naam suggereert, hebben planetaire nevels niets van doen met planeten. De eerste astronomen die deze vaak ronde objecten waarnamen constateerden slechts dat ze qua vorm overeenkomsten met planeten vertoonden. Ze ontstaan wanneer oude sterren met maximaal zes keer zoveel massa als onze zon het einde van hun leven bereiken, instorten en schillen van gas – rijk aan zware elementen – uitstoten. De intense ultraviolette straling van de achtergebleven sterkern brengt deze gasschillen aan het gloeien, totdat hun gas zich na duizenden jaren zodanig over de ruimte heeft verspreid dat de gloed niet meer waarneembaar is. Hierdoor zijn planetaire nevels naar astronomische maatstaven relatief kortstondige verschijnselen.
Tekening van temperatuurinversie in ultrahete Jupiters. Credit: Eleanor Spring
Astronomen hebben statistisch bewijs gevonden voor temperatuurinversie in de dampkring van ultrahete gasreuzen die om andere sterren draaien dan onze zon. Uit data van de Spitzer Ruimtelescoop blijkt dat die temperatuur in de heetste van deze klasse van exoplaneten toeneemt met de hoogte. De resultaten van het onderzoek onder leiding van Claire Baxter en Jean-Michel Désert (beiden Universiteit van Amsterdam) zijn online gepubliceerd in het vakblad Astronomy & Astrophysics.
Het team met astronomen uit Nederland, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk vond in de data-archieven van Spitzer dat planeten boven de 1400 graden Celsius andere emissie-eigenschappen vertoonden dan de koelere gasplaneten.
Hete Jupiters zijn reusachtige gasplaneten met zeer grote atmosferen. Ze zijn in massa vergelijkbaar met onze planeet Jupiter, maar ze zijn veel heter doordat ze op kleinere afstand rond hun moederster draaien. De temperatuur van de atmosfeer verandert met de hoogte. Op het moment dat de temperatuur stijgt met de hoogte in plaats van daalt, is er sprake van temperatuurinversie.
De Amsterdamse promovenda Claire Baxter: “De planeten laten boven de 1400 graden temperatuurinversie zien, die sterker lijkt te worden naarmate de straling van de ster hoger is. Dat is volgens universitair hoofddocent Jean-Michel Désert enigszins vergelijkbaar met wat rond onze eigen aarde gebeurt: “In de dampkring van de aarde vindt temperatuurinversie plaats als gevolg van de aanwezigheid van ozon.”
Het team gebruikte in de studie de waarnemingen van de dagzijde van 78 hete gasreuzen, die gedaan zijn met de Infrared Array Camera van Spitzer. Ze ontdekten dat zodra de temperatuur de waarde van 1400 graden Celsius bereikte, er een signaal van temperatuurinversie was te zien. Daarmee hebben ze statistisch bewijs verzameld dat eerdere theoretische voorspellingen van temperatuurinversie in ultrahete Jupiters ondersteunt.
Désert besluit: “De afgelopen twee decennia hebben we gekeken naar de atmosferen van individuele exoplaneten, We hebben nu zoveel exoplaneten gevonden (meer dan 4000) dat we statistiek kunnen gaan bedrijven die gemeenschappelijke eigenschappen van planeetsystemen in kaart zal brengen.” Bron: Astronomie.nl.
Waargenomen activiteit bij de noordpool van de zon. Credit: Aalto University
Zoals bekend heeft de zon een elfjarige cyclus van zonnevlekkenactiviteit. In tijden van het miniumum in de cyclus, waar de zon nu langzaam weer uit gaat, zijn er bijna geen zonnevlekken en is z’n activiteit erg laag. Tenminste, zo lijkt het. Want het drietal onderzoekers Juha Kallunki, Merja Tornikoski en Irene Björklund (Metsähovi Radio Observatory) heeft ontdekt dat de zon in het visuele deel in het minimum weliswaar rustig is, maar dat dat niet het geval is in het radio- en ultraviolette gedeelte van het spectrum. Het blijkt dat er ook tijdens het minimum erg actieve gebieden zijn, die veel radio- en UV-straling uitzenden en wel vanuit de gebieden in de buurt van de polen van de zon. Dit is zowel waargenomen met de Metsähovi radiotelescoop als door satellieten.
Coronale gaten bij de polen. Credit: Aalto University
Soms komt de straling uit coronale gaten, plekken in de corona van de zon – dat is z’n buitenste, ijle atmosfeer – die wat koeler zijn dan de omgeving en die daarom donker afsteken. Vanuit die gaten kan plasma naar buiten schieten, wat bij de aarde aangekomen onder andere kan zorgen voor poollicht. De radio- en UV-straling bij de polen blijkt ook verband te houden met sterke magnetische velden daar. De laatste vier cycli van de zon laten zien dat de algemene tendens van activiteit steeds zwakker wordt. De Finse onderzoekers proberen te achterhalen of ze in het minimum van de zon oorzaken zien voor die afnemende activiteit. Hier het vakartikel van het drietal. Bron: Aalto Universiteit.
Emissienevel M16….Adelaarnevel plus toch nog (ondanks corona) een “gratis” vliegtuigspoor.
En de woestfanatieke veld-astrofotograaf zeide (in het vorige blogje) “Er zij meer” en….Jawel…..”er was meer”!!!
Zogezegd….heb een weekje of wat geleden een vet rondje aan “coma astrofotograferen” gedaan….drie nachten achter elkaar….en zie hier de “buit” van nacht nummero deux!
De “buit” van deze avond bestaat uit twee representanten c.q. uitersten in de levenscyclus der sterren. De ene, messier 16 ook wel bekend onder de naam de “Eagle (Adelaar) nebula”, de andere, Messier 27, door het dagelijks sterrenleven gaand onder de naam “Dumbell (Halter)nebula”.
Messier 16 (diameter 70 lichtjaar/afstand 8000 lichtjaar) is een emissienevel c.q. stervormingsgebied van hetzelfde soort als bijvoorbeeld de beroemde grote Orionnevel (M42) en tevens ook de nevel waarin de wereldfameuze zogenaamde “pillars of creation”zich bevinden. Dit specifieke (kleine) stukkie Adelaarsnevel verwierf wereldfaam vanwege die ene ozo bekende foto genomen met de Hubble space telescoop.
Messier 16 is dus een emissienevel waarin waterstofgas en donkere sigarettenrook-achtige stofwolken (bestaand uit o.a. hele fijne koolstof, zuurstof en stikstofdeeltjes) meestal door een nabije supernova en diens schokgolf tot stervorming wordt “gedwongen”. Het is dus een relatief jong object waar ,as we speak, een zogenaamde open sterrenhoop aan het ontstaan is.
De, naar kosmische begrippen, bescheiden leeftijd van dit object is te zien aan het nog aanwezig zijn van piepjonge hete blauwe “zware jongens-sterren”. Deze “zware jongens” rossen hun brandstof in een gestoord tempo er doorheen, vergeleken met de veel zwakkere (en derhalve ook veel lastiger waar te nemen) uiteraard ook op hetzelfde moment “geboren” lichtgewicht sterren van het formaat zoals o.a. onze Zon, om vervolgens kort na hun turbulente geboorte met veel spektakel weer het hoekje om te gaan.
Deze jonge hele blauw “zware jongenssterren” stralen veel ultra violet hoog energetisch licht uit en deze “ADHD-fotonen” zorgen voor een tijdelijke ionisatie van het alom aanwezige “geboorte waterstofgas” en bij het terugvallen van die tijdelijk losgeslagen elektronen naar hun “moeder-atomen” gaat de waterstofgasnevel, gelijk een TL-buis, (zichtbaar) licht uitzenden, voornamelijk in de rode waterstof emissielijn van 6563 Angstrom..
Gespecialiseerde (gekoelde) CCD-astrocamera’s en “voor het nog betere astrofotowerk” gemodificeerde digitale spiegelreflexcamera’s (DSLR’s) zijn dol op deze rode fotonen en daarom worden dit soort nevels ook altijd zo mooi in een diep paarsrode kleur afgebeeld op de desbetreffende astro-glossy-pixies…en…derhalve dus ook op mijn nevenstaande hemelplaatje.
Het “verneu…eratieve” met dit soort nevels (de grote glorieuze Orion nevel is daar helaas zo ongeveer het meest dubieuze voorbeeld van) is dat hun fotografische dieprode kleurenpracht verwachtingen schept die zelfs met een dikke telescoop (zoiets als als een 40cm dobson-monster)….visueel….met het blote oog achter het oculair…. echter totaal NIET waargemaakt kunnen worden. Dit omdat de lichtgevoeligheid van het menselijk oog helaas van een hele andere (mindere) orde is dan dat van een digitale detector…maar ook en vooral omdat de kleurgevoeligheid van het menselijk oog des nachts het compleet laat afweten vergeleken met weer diezelfde oppermachtige digitale detectoren.
Het menselijk oog is, omdat onze lokale ster de Zon het meest intens in deze golflengtes straalt, het gevoeligst in het geel-groene gedeelte van het spectrum en als je dus dit soort nevels visueel te grazen neemt zie je hoogstens een vale grijsgroenige kleurzweem….ook leuk en absoluut niets verkeerds mee…maar wel even heel erg anders dan op al die mooie edoch verkeerde verwachtingen scheppende glamourfoto´s….U bent bij deze (wederom!!) gewaarscuwd!!
Mooie dooie Halternevel, Messier 27 in Vulpecula
Het andere plaatje behelst het eindpunt in de levenscyclus van een ster….in dit specifieke geval het levenseinde van een lichte ster, een ster zoals onze Zon bijvoorbeeld….want dat is Messier 27 beter bekend onder naam “De Halternevel” in het sterrenbeeld Vulpecula (Vosje).
Uitgaande van de fraaie dubbelster, Albireo, aan de kop van het sterrenbeeld Zwaan is het een kwestie van het onderste lijntje heldere sterren van het naburige sterrenbeeld de Lier (waartussen die andere “mooie dooie” Messier 57, de Ringnevel te vinden is) verlengen via voornoemde dubbelster Albireo richting sterrenbeeld Vosje….enne…voila, zie daar de hele mooie grote (een flink suk groter dan de Ringnevel!!) en ook nog eens behoorlijk heldere Halternevel….een object welke zowel fotografisch als visueel een waar feest voor de zintuigen is.
Het hoofdbestanddeel van het door deze nevel uitgestraalde licht zit ergens in het groene gedeelte van het spectrum en wel in het licht dat door dubbelgeioniseerd zuurstof wordt uitgezonden.
Dat kleurtje groen is, in tegenstelling tot de visueel kleurloze (rode)Adelaarsnevel, in dit geval visueel dan wel weer best leuk genoeg zichtbaar.
Echter door fotografische digitale roodgevoelige ogen bezien blijft de dominante kleurtoon overigens ook bij deze “mooie dooie” nog steeds gewoon veel meer naar het rood neigen.
Messier 27 is dus een Zon-achtige ster aan het einde van haar levenscyclus. Omdat de waterstof in het centrum van de ster op begint te geraken en kernfusie-reactor in dat centrum stil dreigt te vallen, begint de sterkern samen te trekken onder invloed van de natuurkracht aller natuurkrachten….zijnde gravitatie…. Daardoor wordt de sterkern heter en heter en kan zij haar aanstormende definitieve overlijden nog even een tijdje uitstellen door over te gaan op helium-kernfusie. Door die hetere sterkern gaan de buitenste lagen van de ster uitzetten en deze ontsnappen uiteindelijk in etappes aan de gravitatie van compacte hete sterkern.
Zo’n opgeraakte sterkern van een lichte ster noemen we een witte dwerg en het geheel van die paar de wereldruimte in expanderende gasschillen noemen we dan weer een planetaire nevel. De planetaire nevelfase in het leven van (lichte) sterren duurt trouwens vergeleken met de totale levensduur van een lichte ster…(gemiddeld zo’n 10 miljard jaar)…niet echt bijster lang. In de literatuur ben ik leeftijden voor Messier 27 tegengekomen die varieerden van 4000van tot 40 000 jaar, afhankelijk van de al dan niet nauwkeurig gemeten expansiesnelheden van de verschillende gasschillen. De gasschillen bij dit specifieke object bezien we trouwens van de zijkant en vandaar die typische dubbellobbige haltervorm, dit in schril contract met de naburige Ringnevel waar we toevallig precies van bovenaf het object mogen aanschouwen. Oh ja…enne….tot slot nog even voor de volledigheid, alleen lichte sterren produceren planetaire nevels.
Nou ja….hoe het ook zij…..jong en oud…rood en groen….groot en klein….Beide objecten M16 en M27 zijn voorwaar aangenaam fotogeniek.
Beide objecten zijn op dezelfde plezant heldere zomeravond geschoten met de Canon1000D-500mm F8 Maksutov telelens/lacerta Mgen combi welke rotsvast langs het firmament werden geleid door de mighty zwarte EQ6 montering. Voor M16 heb ik standaardrecept van 6 x 5 minuten toegepast en voor M27, puur en alleen omdat ik de tel was kwijtgeraakt…8 x 5 minuten.
Oh ja….enne….een welgemeend hiep hiep hoeraaaaaa….na een week van droevige noodgedwongen abstinatie kunnen wij in alle uitbundige blijheid constateren dat het hopman Arie dan toch gelukt is om de astrowebsites der astrowebsites weer on line te krijgen!!!
Artistieke impressie van de dunne stroom sterren die afkomstig is van de Phoenix-sterrenhoop, die zich rond de Melkweg vouwt (links). Rechts een artistieke impressie van de rode reuzensterren die de onderzoekers gebruikten om de chemische samenstelling van de uiteengescheurde bolhoop te meten. Credit: James Josephides, Swinburne Astronomy
Een internationaal team van astronomen heeft de restanten ontdekt van een oude collectie sterren die meer dan twee miljard jaar geleden uit elkaar is getrokken door de Melkweg. De archeologische vondst van de versnipperde bolvormige sterrenhoop is bijzonder omdat de sterren veel minder zware elementen bevatten dan andere bolhopen. Het resultaat suggereert dat de originele structuur van de verzameling sterren heel anders was dan die van de huidige sterrenhopen.
Aan het onderzoek, onder leiding van promovendus Zhen Wan van de Universiteit van Sydney, Australië, werkte ook de Groningse astronoom Eduardo Balbinot mee, die de zogeheten Phoenix-stream vier jaar geleden ontdekte. De resultaten werden 30 juli gepubliceerd in Nature.
In onze Melkweg bevinden zich zo’n 150 miljarden jaren oude bolvormige sterrenhopen, elk met circa een miljoen sterren, die draaien in de ijle stellaire halo van ons sterrenstelsel.
De onderzoekers gebruikten de Anglo-Australian Telescope in New South Wales, Australië, om de snelheden te meten van de sterrenstroom in het zuidelijke sterrenbeeld Phoenix. Zo ontdekten ze dat de sterren de overblijfselen zijn van een bolhoop die zo’n twee miljard jaar geleden door de zwaartekracht van de Melkweg uit elkaar is getrokken.
Voorstelling van de Phoenix-stroom bij de Melkweg. Credit: Robert Gendler/SPL
Eerste auteur Wan: “Hoewel de bolhoop al miljarden jaren geleden is verwoest kunnen we uit de samenstelling van de sterren afleiden dat hij in het vroege heelal is ontstaan.”
Tot nu toe gingen astronomen ervan uit dat sterren in sterrenhopen altijd een bepaald niveau van zwaardere elementen hebben, die zijn gevormd in eerdere generaties sterren. Maar dat gaat niet op voor de sterrenhoop in de Phoenix-stroom. De niveaus zitten ver onder dit minimumniveau dat eigenlijk nodig is om een sterrenhoop te kunnen vormen.
Een mogelijk verklaring is dat de Phoenix-stroom de laatste in zijn soort is, het restant van een populatie van bolhopen die in totaal andere omstandigheden is geboren dan de huidige sterrenhopen.
Coauteur Balbinot: “Toen ik de Phoenix-stroom ontdekte in de data van de Dark Energy Survey (DES), was het al een raadselachtig object. Ik ben daarom erg blij dat dit is opgevolgd en dat we nu iets van het raadsel hebben opgelost. Al is er nog veel theoretisch werk te doen omdat het onderzoek ook zoveel nieuwe vragen heeft opgeworpen.”
De onderzoekers gaan nu op zoek naar andere oude overblijfselen van deze bijzondere categorie bolvormige sterrenhopen. Bron: Astronomie.nl.