Grote, donkere sterrenstelsels bestaan waarschijnlijk toch niet

Beeld van de Hubble Ruimtelescoop van het ultradiffuse sterrenstelsel Dragonfly44 (DF44). Credit: T. Saifollahi and NASA/HST.

Astronomen hebben na een nieuwe analyse van bestaande Hubble-data vastgesteld dat het uiterst lichtzwakke sterrenstelsel Dragonfly44 veel minder sterrenhopen in de omringende halo van donkere materie heeft dan in 2016 is gemeld. Omdat het aantal bolhopen een goede indicator is voor de hoeveelheid donkere materie, is dit zogeheten ultradiffuse stelsel eerder een gewoon dwergsterrenstelsel, met de bijbehorende hoeveelheid donkere materie, dan een stelsel van Melkweg-achtige omvang dat vrijwel geheel uit donkere materie zou bestaan.

Het onderzoeksresultaat, onder leiding van de Groningse promovendus Teymoor Saifollahi, is geaccepteerd voor publicatie in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society.

In 2015 vonden astronomen van Yale University in de VS onder leiding van de Nederlandse astronoom Pieter van Dokkum vele zeer lichtzwakke sterrenstelsels in de Comacluster, een groep van duizenden sterrenstelsels op een afstand van 300 miljoen lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Haar van Berenice. Het vreemde aan de stelsels was dat ze soms groter leken dan de Melkweg, maar 100 tot 1000 keer zo weinig licht bevatten.

Nadat de massa van de grootste stelsels was gemeten, bleken ze een hoeveelheid donkere materie te hebben die normaal is in dwergstelsels. Alleen het grootste stelsel, Dragonfly44 (DF44), bleef een uitzondering. Dezelfde groep van Yale University gebruikte in 2016 en 2017 verschillende methoden om de donkere materie in DF44 te bepalen en vond een hoeveelheid die gelijk is aan die van de Melkweg. Daarmee zou DF44 voor 99,99% uit de raadselachtige donkere materie bestaan, en voor slechts een honderdste procent uit zichtbare sterren. Ze trokken die conclusie op basis van het aantal bolvormige sterrenhopen rond het stelsel, dat bepalend is voor de grootte van de halo van donkere materie.

Het team onder leiding van Teymoor Saifollahi telde in een nieuwe, nauwkeuriger analyse het aantal bolhopen rond DF44 en kwam op een veel lager aantal uit. Het aantal dat Saifollahi en collega’s telde impliceert een lagere massa en een tien keer kleinere hoeveelheid donkere materie in DF44, vergelijkbaar met de hoeveelheid in dwergsterrenstelsels.

Saifollahi: “Dragonfly44 was al die jaren een buitenbeentje dat niet verklaard kon worden met bestaande modellen voor stervorming. Ook kon het niet worden geproduceerd in kosmologische simulaties. Nu weten we dat het resultaat niet klopte en dat DF44 een gewoon dwergstelsel is. Waarschijnlijk zijn alle ultradiffuse sterrenstelsels zo.” Bron: Astronomie.nl.

Rossi X-Ray röntgendata ‘verraadt’ aanwezigheid stellaire zwarte gaten

Een internationaal astrofysisch team afkomstig van het Indiase Tata Institute of Fundamental Research i.s.m. het Duitse Max Planck Instituut en het Russische ruimtevaartinstituut  te Moskou, IKI, heeft een methode bedacht om stellaire zwarte gaten goed te kunnen onderscheiden van neutronensterren. De onderzoekers gebruikten hiervoor gearchiveerde röntgendata van de astronomiesatelliet Rossi X-Ray Timing Explorer*. Al met al een lastige opgave, zwarte gaten en neutronensterren vertonen veel overeenkomsten, beide zijn extreem compacte objecten, hun aantrekkingskracht is enorm en in massa en grootte zijn ze enigszins vergelijkbaar. Een zwart gat heeft echter, i.t.t. neutronensterren, geen hard oppervlak, maar is wel in het bezit van een onzichtbare ‘waarnemingshorizon’, na passage van deze horizon kan zelfs licht niet meer ontsnappen. En toch, aan de hand van de data van de Rossi-satelliet identificeerden deze astrofysici het effect van het ontbreken van zo een hard oppervlak op de waargenomen röntgen-emissiedata, die zwarte gaten onderscheidt van neutronensterren en zo vonden zij een zeer sterk signatuur van stellaire zwarte gaten.

Lees verder

Donkere materie kan in de centra van dwergstelsels opgewarmd worden

Links een simulatie van stervorming in een dwergstelsel, weergegeven met behulp van de dichtheid van waterstofgas. Rechts de waarneming van een echt dwergstelsel, IC 1613. Donkere materie blijkt de in- en uitstroom van materie te merken en daar ook op te reageren. Credit: J. Read et al.

Door onderzoek te doen aan dwergsterenstelsels heeft een internationaal team van sterrenkundigen van drie instituten (University of Surrey, Carnegie Mellon University en ETH Zürich) ontdekt dat het lijkt alsof donkere materie kan worden ‘opgewarmd’ – iets waar twee jaar geleden ook al aanwijzingen voor zijn gevonden. Ze bestudeerden 16 dwergstelsels, kleine, lichtzwakke sterrenstelsels die meestal in de buurt van grote sterrenstelsels te vinden zijn. Daarbij keken ze met name naar de sterformatie in de dwergstelsels, waarbij verschillende snelheden van sterformatie werden waargenomen. Dat blijkt van invloed te zijn op de hoeveelheid donkere materie in de stelsels. Donkere materie is weliswaar niet direct te zien, omdat het niet reageert met gewone materie via de sterke of electromagnetische wisselwerking, maar door z’n zwaartekrachteffecten is het wel indirect te zien.

Het Draco dwergstelsel (heel vaag te zien), één van de onderzochte dwergstelsels. Credit: J. Read et al.

Uit het onderzoek, dat geleid werd door Justin Read, komt naar voren dat als de dwergstelsels in hun kern een hoge snelheid van sterformatie hebben dat zorgt voor ‘opwarming’ van de donkere materie. Dat gaat als volgt: de jonge sterren, die door de sterformatie ontstaan zijn, zorgen er met hun sterke sterrenwind voor dat gas en stof uit de centra van de stelsels worden weggeblazen. Dat doet de massa van gewone materie daar verminderen. De donkere materie in die centra voelt die vermindering door de afgenomen zwaartekracht van gewone materie en dat zorgt er voor dat de energie van de donkere materie toeneemt en deze uit het centrum wegtrekt – dát is de opwarming van donkere materie. Hier het vakartikel over de waarnemingen aan de 16 dwergstelsels, verschenen in the Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Medium.com.

Dood door ‘spaghettificatie’: ESO-telescopen leggen laatste ogenblikken vast van ster die door een zwart gat wordt verzwolgen

Artist’s impression van een ster die uit elkaar wordt getrokken door een superzwaar zwart gat. Credit: ESO/M. Kornmesser.

Met behulp van telescopen van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO) en andere organisaties hebben astronomen de zeldzame uitbarsting van licht waargenomen van een ster die door een superzwaar zwart gat aan flarden wordt getrokken. Het verschijnsel, dat een tidal disruption event wordt genoemd, was met een afstand van iets meer dan 215 miljoen lichtjaar het meest nabije in zijn soort en werd ongekend gedetailleerd waargenomen. De onderzoeksresultaten zijn vandaag in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society gepubliceerd.

‘Het idee van een zwart gat dat een nabije ster ‘opzuigt’ klinkt als sciencefiction. Maar dat is precies wat er bij een tidal disruption event gebeurt’, zegt Matt Nicholl, docent en wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Birmingham, VK, en hoofdauteur van het onderzoeksverslag. Deze tidal disruption events, waarbij een ster wordt gespaghettificeerd terwijl hij door een zwart gat wordt opgeslokt, zijn zeldzaam en laten zich niet altijd gemakkelijk bestuderen. Het onderzoeksteam heeft de Very Large Telescope (VLT) en de New Technology Telescope (NTT) van ESO op een uitbarsting van licht gericht die vorig jaar in de buurt van een superzwaar zwart gat optrad, om nauwkeurig te onderzoeken wat er gebeurt wanneer een ster door zo’n ‘monsterobject’ wordt verzwolgen.

Locatie van AT2019qiz in het sterrenbeeld Eridanus. Credit: ESO, IAU and Sky & Telescope.

Astronomen weten wat er in theorie zou moeten gebeuren. ‘Wanneer een onfortuinlijke ster zich te dicht in de buurt van een superzwaar zwart gat in het centrum van een sterrenstelsel waagt, wordt deze door de extreme zwaartekrachtsaantrekking van het zwarte gat tot dunne slierten materie uiteengetrokken’, aldus mede-auteur Thomas Wevers, ESO Fellow in Santiago, Chili, die ten tijde van het onderzoek verbonden was aan het Astronomisch Instituut van de Universiteit van Cambridge, VK. Wanneer zulke slierten van stellaire materie tijdens dit spaghettificatieproces in het zwarte gat vallen, komt een heldere uitbarsting van energie vrij, die astronomen kunnen detecteren.

Hoewel zo’n uitbarsting van licht krachtig en helder is, kostte het astronomen tot nu toe moeite om deze waar te nemen, omdat het verschijnsel vaak door een gordijn van stof en puin aan het zicht onttrokken wordt. Pas nu is het astronomen gelukt om meer over dit ‘gordijn’ te weten te komen.

De hemel rond AT2019qiz. Credit: ESO/Digitized Sky Survey 2. Acknowledgement: Davide De Martin

‘We hebben ontdekt dat wanneer een zwart gat een ster verzwelgt, deze met een krachtige stoot materiaal kan wegblazen dat ons zicht belemmert’, legt Samantha Oates, eveneens van de Universiteit van Birmingham, uit. Dit gebeurt omdat de energie die vrijkomt wanneer het zwarte gat stellair materiaal verorbert ervoor zorgt dat een deel van het ‘puin’ van de ster naar buiten wordt geblazen.

De ontdekking was mogelijk omdat het nu onderzochte tidal disruption event, AT2019qiz, kort nadat de ster aan flarden werd getrokken werd opgemerkt. ‘Omdat we er vroeg bij waren, konden we daadwerkelijk zien hoe het gordijn van stof en puin werd opgetrokken toen het zwarte gat materiaal met snelheden tot 10.000 kilometer per seconde uitstootte’, zegt Kate Alexander, NASA Einstein Fellow aan Northwestern University in de VS. ‘Dit unieke kijkje achter het gordijn stelde ons voor het eerst in staat om de oorsprong van het verduisterende materiaal aan te kunnen wijzen en rechtstreeks te kunnen volgen hoe dit het zwarte gat overspoelde.’

AT2019qiz speelde zich af in een spiraalstelsel in het sterrenbeeld Eridanus, en werd gedurende zes maanden door het team gevolgd. Daarbij zagen de astronomen de uitbarsting in helderheid toenemen en vervolgens weer uitdoven. ‘Diverse hemelsurveys registreerden straling van het tidal disruption event kort nadat de ster aan flarden was getrokken’, zegt Wevers. ‘Wij hebben toen direct een scala aan telescopen op aarde en in de ruimte op het verschijnsel gericht, om vast te kunnen stellen hoe dit licht werd geproduceerd.’

In de daaropvolgende maanden werden diverse waarnemingen van de gebeurtenis gedaan, onder meer met X-shooter en EFOSC2, twee krachtige instrumenten van de ESO-telescopen VLT en NTT, die in het noorden van Chili staan opgesteld. De snelle en uitgebreide waarnemingen op ultraviolette, optische, röntgen- en radio-golflengten lieten voor het eerst zien dat er een direct verband bestaat tussen het materiaal dat van de ster wegstroomt en de heldere flits die optreedt wanneer deze door het zwarte gat wordt verzwolgen. ‘De waarnemingen lieten zien dat de ster ongeveer net zoveel massa had als onze eigen zon, en dat ongeveer de helft daarvan door het monsterachtige zwarte gat, dat meer dan een miljoen keer massarijker is, werd opgeslokt’, zegt Nicholl, die tevens gastonderzoeker is aan de Universiteit van Edinburgh.

Dit onderzoek vergroot ons begrip van superzware zwarte gaten en van de wijze waarop materie zich in het hen omringende extreme zwaartekrachtsveld gedraagt. Het team denkt dat AT2019qiz zelfs als ‘Steen van Rosetta’ kan fungeren voor de interpretatie van toekomstige waarnemingen van tidal disruption events. ESO’s Extremely Large Telescope (ELT), die volgens plan later dit decennium in bedrijf moet komen, zal onderzoekers in staat stellen om nog zwakkere en zich sneller voltrekkende tidal disruption events te detecteren, en nog meer raadsels omtrent de fysica van zwarte gaten helpen oplossen. Bron: ESO.

Sterrenkundigen kijken in het oog van een stellaire orkaan

Credit: European Southern Observatory

Terwijl hij in verband met de corona in lockdown zat heeft de Australische student Yinuo Han (Universiteit van Sidney) samen met Peter Tuthill een model opgesteld voor een zeer zeldzaam verschijnsel, de Wolf-Rayet ster Apep, genoemd naar de Egyptische god van de chaos. Pakweg één op de honderd miljoen sterren is zo’n Wolf-Rayet ster (kortweg WR-ster), een zeer zware, heldere ster, die in z’n korte levensduur z’n elementen verbrand en die hard op weg is z’n buitenlagen als supernova weg te blazen en z’n kern te imploderen tot neutronenster of zwart gat. Nóg zeldzamer zijn WR-sterren die deel uitmaken van een binair systeem, die nog een compagnon hebben, óók een WR-ster. Apep is zo’n WR-ster ín een binair systeem, een dubbele WR-ster 8000 lichtjaar van de aarde staand (da’s gelukkig ver weg). Apep heeft een sterke sterrenwind, waarin hij enorme hoeveelheden koolstof de ruimte in blaast. Door z’n gravitationele interactie met de andere ster ontstaat zo een prachtig patroon om de sterren,l dat doet denken aan een orkaan, een stellaire orkaan. Op de foto hierboven zie je Apep met z’n begeleidende ster, als oog van deze stellaire orkaan.

Apep in het sterrenbeeld Norma. Credit: ESO, IAU and Sky & Telescope

Wat Han en z’n mentor Tuthill deden was die stellaire orkaan beschrijven en verklaren. Het blijkt dat de stofstroom van koolfstof die Apep uitspuugt vier keer langzamer gaat dan de sterrenwind van de WR-ster. Het lijkt erop dat Apep hard op weg is om als gammaflitser te eindigen, iets dat voor het Melkwegstelsel een unicum zou zijn als die gedetecteerd zou worden.

De twee WR-sterren van Apep zijn zo’n 10 tot 15 keer zo zwaar als de zon, pakweg 100.000 keer zo helder. De oppervlaktetemperatuur van de zon is 5.500 graden, die van de twee sterren van Apep ongeveer 25.000 graden. De sterren draaien in 125 jaar om hun gemeenschappelijk zwaartepunt. De sterrenwind van Apep is enorm sterk: de snelheid van de winden is 12 miljoen km/uur, zo’n 1% van de lichtsnelheid. Het koolstof wat wordt uitgespuugd gaat daarentegen een stuk langzamer: een kwart van de snelheid van de sterrenwind. Dat heeft vermoedelijk te maken met de snelle rotatie van de WR-sterren, waarbij het koolstof weggeblazen wordt door langzamere winden bij de evenaar van de sterren. Hier het vakartikel van Han et al, verschenen in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Universiteit van Sidney.

Dat Venus zo heet en onleefbaar is komt wellicht door… Jupiter

Voorstelling van de banen van de planeten in het binnenste deel van het zonnestelsel, de eccentriciteit weergevend. Credit: ChongChong He.

Door het broeikaseffect is Venus een hete, onleefbare planeet geworden, nou ja aan het oppervlak tenminste, wellicht dat er in de hogere delen van de atmosfeer wel primitief leven voorkomt, getuige de aanwezigheid van fosfine aldaar. Het blijkt nu dat Venus wellicht een leefbare planeet zou kunnen zijn geweest als Jupiter niet dwars had gelegen. Dat Jupiter met z’n enorme massa – twee en een halve keer die van de andere planeten in het zonnestelsel bij elkaar – de banen van de andere planeten beïnvloedt is bekend. Onderzoek van de astrobioloog Stephen Kane (University of California, Riverside) laat zien dat de baan van Venus in het vroege zonnestelsel elliptisch was, terwijl het tegenwoordig bijna cirkelvormig is. De eccentriciteit is het getal waarmee sterrenkundigen laten zien hoe de vorm van de baan van een planeet is, een eccentriciteit van 0 is perfect cirkelvormig, 1 is een perfecte ellips, waarbij de planeet na één rondje al wegvliegt. Venus z’n eccentriciteit is nu 0,006, het meest cirkelvormig van alle planeten in het zonnestelsel. Simulaties die Kane heeft gedaan laten zien dat Venus miljarden jaren geleden een eccentriciteit van 0,3 had en dat de planeet toen veel leefbaarder moet zijn geweest. Maar Jupiter stond toen ook dichterbij de zon dan tegenwoordig. Toen die gasreus naar buiten ging migreren, zoals in het Grand Tack model wordt beschreven, veranderde dat de baan van Venus drastisch en onderging deze ook allerlei klimaatveranderingen, die ‘m niet meer leefbaar maakten. Zoals gezegd is recent fosfine ontdekt in de hogere delen van de atmosfeer van Venus. Kane zegt dat het mogelijk is dat het leven dat het fosine geproduceerd heeft “de laatste overlevende soort op een planeet is die een dramatische verandering in zijn omgeving heeft doorgemaakt”. Om dat het geval te laten zijn hadden de  microben hun aanwezigheid in de zwavelzuurwolken boven Venus ongeveer een miljard jaar moeten behouden sinds Venus voor het laatst vloeibaar oppervlaktewater had, aldus Kane – een moeilijk voorstelbaar, maar niet onmogelijk scenario. Hier het vakartikel van Kane, verschenen in the Planetary Science Journal. Bron: UCR.

Zwaartekrachtgolven vervormen door zwaartekrachtlenzen en ze hebben wellicht een tweede ‘piep’

Animatie van zwaartekrachtgolven. Credit: ESA–C.Carreau

Sinds de eerste detectie van zwaartekrachtgolven in 2015 zijn deze rimpels in de ruimte een bekend fenomeen geworden. Met de LIGO- en Virgo-detectoren in de VS resp. Italië worden met regelmaat zwaartekrachtgolven gedetecteerd, die meestal veroorzaakt zijn door botsingen en samensmeltingen van twee zwarte gaten. Recent zijn twee onderzoeken verschenen, die interessant zijn om kennis van te nemen.

  • Het eerste onderzoek is van Riccardo Buscicchio et al. “Constraining the lensing of binary black holes from their stochastic background.” Physical Review Letters 125.14 (2020): 141102. Van licht weten we dat dit af kan buigen in de buurt van massa. Licht bijvoorbeeld van ver weg staande quasars buigt af én versterkt als het tussen de aarde en de cluster liggende clusters van sterrenstelsels passeert. Dat levert zwaartekrachtlenzen op. Niet alleen licht buigt af door de gekromde ruimte rondom zo’n cluster, óók zwaartekrachtgolven kunnen afbuigen. En dat is wat Riccardo Buscicchio en z’n team deden: kijken of ze in de gegevens van de tot nu toe waargenomen zwaartekrachtgolven kunnen zien of deze wellicht ook verbogen zijn door een tussenliggend sterrenstelsel of cluster van sterrenstelsel. Resultaat van het onderzoek is dat ze een dergelijk effect niet hebben kunnen vinden (al dachten ze vorig jaar wel even zo’n zwaartekrachtlens van een zwaartekrachtgolf te hebben gezien).
  • Het tweede onderzoek gaat over de welbekende ‘chirp‘ (piep) van botsende zwarte gaten. Als ze de zwaartekrachtgolven omzetten in geluid is het laatste wat je hoort de hoogfrequente piep, het moment aangevend dat de twee zwarte gaten samensmelten tot één zwart gat. Onderzoek van het ARC Center of Excellence for Gravitational Wave Discovery (OzGrav) laat zien dat er mogelijk niet één piep is, maar dat er nog een tweede piep volgt. Een team dat onder leiding stond van Juan Calderón Bustillo (OzGrav) heeft computersimulaties van botsingen van zwarte gaten uitgevoerd en daaruit komt naar voren dat de signalen van de zwaartekrachtgolven veel rijker en complexer zijn dan eerst werd aangenomen. Als zo’n botsing van bovenaf wordt waargenomen volgt er maar één piep, maar als we ‘m vanaf de zijkant zien (zoals in onderstaande schets) dan blijkt er een tweede piep te volgen, mogelijk zelfs meerdere piepen, die steeds zwakker worden.

    Credit: C. Evans, J. Calderón Bustillo

    Zo’n tweede piep is nog niet waargenomen met LIGO en Virgo, maar dat komt omdat de tweede piep zwakker is en het al heel lastig is de ‘hoofdpiep’ te detecteren. Verder blijkt uit de simulaties dat als de twee zwarte gaten een sterk afwijkende massa hebben het samengevoegde zwarte gat eventjes de vorm heeft van een kastanje, met een kleine uitstulping (Engels: ‘cusp’, zie afbeelding hieronder).

    De walnoot vorm van een zwart gat, dat gevormd is uit twee ongelijke zwarte gaten. Geel is het gebied met de sterkte productie van zwaartekrachtgolven. Credit: C. Evans, J. Calderón Bustillo

    Hier het vakartikel over de verschillende piepen van de zwaartekrachtgolven, verschenen in Nature.

Bron: voor het eerste bericht Universe Today en voor het tweede bericht Phys.org.

De Helixnevel, NGC 7293……angstgegner pur sang!!

de Helixnevel in het sterrenbeeld Aquarius (Waterman)

Zoals het Nederlands voetbalelftal unseren degelijke oosterburen als “angstgegner pur sang” heeft/had (??) zo is dit specifieke object echt mijn persoonlijke astrofotografische “femme fatale”, want kolere zeg, welk een joekel van een hoeveelheid werk en frustratie  is er in  gaan zitten om uiteindelijk nevenstaande, toch best niet onredelijk ogende, hemelkiekje eruit te wurgen.

Drie avonden a raison de vier uur aan “buitenspeel-tijd”, drie verschillende gebruikte telescopen en nog eens een dikke 20 uur aan laptop-tijd….plus een hele riante dosis aan “anti frusto-pillen” (geintje, meneer sonnebergh!!) heb ik er doorheen gejast om dit plaatje te verkrijgen…..enne….dan heb ik het niet eens over de twee pogingen die ik de twee voorafgaande jaren heb ondernomen om een enigszins te hoegen kiekje van “het kreng” tot de mijne te mogen noemen.

De oorsprong van dit”astofotografisch melodrama” is in feite terug te vinden in het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw. Bij de helaas niet meer bestaande stichting “De Koepel”… (het toenmalige overkoepelende orgaan van alle amateur sterrenkunde clubs/volkssterrenwachten en toen ook nog uitgever van het gelukkig nog wel bestaande fraaie sterrenkundeblad ZENIT!!)…..destijds gevestigd in de Utrechtse sterrenwacht de Sonnenborgh”,  kon je toen namelijk een heel setje gestoord mooie posters kopen van enkele van de fraaiste, aan de noordelijke sterrenhemel te vinden,  deep sky objecten.

Deze gruizig makende “astro pin ups” (Absoluut geen fraaie dames aan de puberslaapkamermuur bij  deze, toen al en nu nog steeds,   fanatieke astro-nerd!!) werden gemaakt met behulp van de fameuze 5 meter Hale telescoop op Mount Palomar.  Ik heb er toendertijd uiteraard meerdere van mogen aanschaffen en daarvan hangen er  nu nog twee “survivors” (de Andromedanevel en het Zevengesternte) in mijn werkruimte…..Nee, niet meer in mijn slaapkamer, die is tot op heden nog steeds “behangen” met een x-aantal fraaie posters van….STARTREK. Yep…..niet echt het het standaard slaapkamerbehang voor een volwassen m(J)an van nu alweer 59  nare koude gepekelde corona-winters….of waren het nu toch frisse vrolijke pretlentes…..maar nog steeds met de bescheiden en nog steeds  ietwat bedenkelijke goedkeuring van de zeer gewaardeerde wederhelft….maar goed, dit terzijde.

Een mount Palomar-poster die het NIET heeft overleefd was er dus eentje van de bloedstollende mooie rooie Helixnevel….enne….net zoals met het zevengesternte en de Adromedenevel heb ik mij toendertijd knalhard voorgenomen al deze wonderschone deep sky objecten ooit eens te gaan zien en te gaan fotograferen. Met twee van deze objecten, te weten de Andromedanevel en het zevengesternte,  is dat al gelukt…en eigenlijk best wel met relatief weinig mooite……maarre…dat kenne we van numero troi,  die “astronomische femme fatale” in de vorm van die wulps mooie rooie Helixnevel, dan weer bepaaldelijk NIET zeggen…..dazzz ech wel een heul zware “verovering” gebleken!!

Ok….wat is die Helixnevel eigenlijk voor een “ding”??  Welnu….als je haar opzoekt in “de literatuur” en in een gemiddelde  deep sky catalogus,  dan zou je op het eerste gezicht geneigd kunnen zijn om te zeggen “makkie” und “katze in das bakkie”….want de Helixnevel is namelijk de meest dichtbij zijnde planetaire nevel die we kennen.  Deze zonachtige tot Witte dwerg geevolueerde ster, gehuld in haar 12 miljoen jaar oude doodskleed (de planetaire nevel die overigens helemaal niets van doen heeft met planeten) met een diameter van net geen 3 lichtjaar komen al tegen op een bijkans “om de hoek-afstandje” van slechts 650 lichtjaar vanaf Moeder Aard.

Haar “op papier-helderheid” (magnitude 7.6) is prima in orde en omdat zij zo dichtbij staat is haar omvang aan de nachthemel ook nog eens van een “formaatje joekel” met bijna een halve volle maandiameter(!!),  oh wonderschone vuige verleidster die zij is. Ofwel…..pas de probleme, zou je zo zeggen….maar ja….het “gedonder in de glazen” met deze kosmische schoonheid begint voor ons relatief hoog noordelijke breedtegraad aardklootbewoners met het dubieuze feit dat dit object vanuit les Pays Bas bezien echt wel hopeloos laag boven de (lichtvervuilde) hollandse zuidelijke horizon  in het sterrenbeeld Aquarius verscholen staat. Vanuit mijn waarneemplek  met een heel redelijk vrij uitzicht op een zuidelijke horizon stijgt  ie echt maar net boven een heus niet zo hoog rijtje fraaie Biesbosboompjes uit.

Mijn “tijdslot”….(zucht…en dan denk je 650 lichtjaar ver weg van heel dat “corona-carnaval” op Moeder Aard verlost te zijn van…eh…..”corona-beperkingen”…)….om dit object bij de astrofotografische kladden te kunnen vatten ligt ergens tussen half september en half Oktober….en zelfs dan moet ik nog goed uitkijken en wachten als ie net achter een verloren Biesbosboomtoppie langs wenst te kruipen. Yeppo….timing is dus zeker “een dingetje”!!!

Wat ook niet meewerkt is de combinatie van helderheid, diameter aan de hemel en lichtvervuiling laag aan de hemel. Nu is het zelfs onder een ECHT kraakheldere hemel altijd vet handig als het te fotograferen object zo ongeveer in het zenit (recht boven uwen harses!!) staat, want zelfs zo’n pikzwarte sterrenhemel is dicht bij de horizon altijd net effe een flink stukkie minder pikzwart.
Echter…om de Helixnevel recht boven mijner Dordtschen boevenkop te krijgen moet er voor een kort maar krachtig avondje sterretjes gluren wel erg hard gereden worden met het nedrige 2cv’tje,  om die luttele paar 1000 kilometer zuidwaarts in een hoegbare tijd te overbruggen. Nu zijn mijn beide brave wonder-2cv’tjes tot heel veel in staat….maarre…dit wonder is zelfs voor mijn geliefde dappere dametjes toch net effe iets te hoog gegrepen.  Wil je dit object dus makkelijk te grazen nemen dan is een (astro)vakantie naar minimaal het diepe zuiden van la douce France een hele goede zet! Nu ben ik zoiezo niet zo’n “dappere reiziger” en in deze maffe tijden al helemaal niet…en dus heb ik het gewoon maar te doen, of ik dat nou wil of niet,  met de (on)genoegens van de diepzuidelijke hollandse sterrenhemel. Afijn…en zie hier minpuntje numero deux

.
Wat ook niet echt meewerkt is het feit dat dit object op papier bezien dus best wel “lekker helder” is….maar ook “lekker groot” en het is juist die combinatie die het vangen van dit illustere object  tot een zeer lastig klusje maakt. De helderheden die “in de boekjes staan” moet je zien als de helderheid die het objct zou hebben als je hem/haar ineen zou krimpen tot een sterpuntje. Een hele hoge helderheid in combi met een grote afmeting van het object  betekent dat de oppervlaktehelderheid en dus de waarneembaarheid in veel gevallen behoorlijk kan tegenvallen en zo ook met de Helixnevel.

Ik heb in mijn royaal 50jarige  “astro-loopbaan” meerdere artikelen gelezen waar deze nevel als goed zichtbaar in zoiets bescheidens als een 15cm kijker of zelfs een 7×50 verrekijker beschreven staat.  Nah….ik heb dit specifieke “vuige hemelgebakkie” verscheidene keren visueel proberen te vangen met mijn 40cm Dobson-monster…maarre…zilch, nada, noppes, …totally nothing…… Lichtvervuiling plus lage stand boven de horizon= de ultieme fuzzy blob pret killer…….. Misschien zou het vanuit Nederland kunnen lukken  vanaf het dark sky reserve op Terschelling, maar ja…..vanuit dat fraaidonkere oord staat “het kreng”…grrrr…nog lager boven de zuidelijke horizon. Nou ja….het is wat het is en je probeert, zoals met alles in het leven, er het beste van te maken.

Het fotograferen van hemelobjecten onderscheidt zich in feite door twee heel verschillende “werkprocessen”….Het eerste is het proces van het zogenaamde “veldwerk” in de vorm van het verzamelen van “data”….zijnde het zo efficient mogelijk vergaren van zoveel mogelijk “object-fotonen” in combinatie met liefst zo weinig mogelijk “stoor en ruis-fotonen” enne…dat valt met dit object onder mijner lichtovergoten Randstad Biesboshemel met een niet narrowband DSLR bepaaldelijk niet mee. Een subje van 6 minuten geeft het nevenstaande ogenschijnlijk afschuwelijke bak 13 resultaat.

het vers uit de DSLR ruwe (RAW-format) 6 minuten subje!

Het tweede werkproces is met behulp van (een hele kudde aan) beeldbewerkings software alle, in jouw moeizaam geschoten kl…piep…en-subjes aanwezige, “object-fotonen” proberen te scheiden van die hopeloze vloedgolf aan “stoor en ruis-fotonen”. En weet U…..ik ben nu best wel een aardig tijdje bezig met deze (on)zalige bezigheid…enne…ik ben zolangzamerhand toch heus wel iets gewend….maarre….nog steeds zakt mij bij het aanschouwen van zo’n eerste, zum kotschen maagdelijk wit,  kl…piep…en-subje de astrofotografische moed echt heel diep in de maatje 46 bordeelsluipers, hoor!!! Ik weet….zou moeten weten…dat alles aan gewenste object-fotonen echt in zo’n waardeloos ogend subje verstopt zitten,  maar deze keer heb ik mij toch maar liefst twee keer bij de twijfelneus laten nemen.

Ik ben dus maar liefst drie nachten met drie verschillende instrumenten in de weer geweest voordat ik pas echt..eh.. “het licht zag”!!
Eerst met de 1000mm F10 Mak en 8 subjes van 10 minuten (=80 minuten tandhakken!!) om die subjes vervolgens bij thuiskomst vertwijfeld en gefrustreerd toch maar in bak 13 te mikken. Nacht nummertje twee ben ik met de kleinere maar snellere 500mm F8 Mak (8 subjes x 8 minuten) op jacht geweest en ook toen heb ik uiteindelijk mijzelve wijs gemaakt dat het verkregen ruwe resultaat zelfs met de meest draconische digitale wondersoftware niet tot mijn heuse eigenste mount Palomar-poster zou kunnen leiden.

En dus…..in het kader van drie maal is scheepsrecht……uiteindelijk toch maar weer met “The really big guns” naar het Helixnevel-front getogen…enne…met de kreet “The really big guns” bedoel ik uiteraard mijn oude vertrouwde alleskunnende High spec 20cm F6 Newton. Deze super-Newton is en blijft toch echt mijn optische parade-paardje!! Tja…..maar ook met deze telescoop kreeg ik wederom de frusto-rilbibbers bij het bekijken van (bovenstaande) eerste …piep….subje van 6 minuten.

Hoewel ik toch van de eerste “digitale generatie” ben…. opgegroeid in mijn snotsneus-periode tijdens de introductie van de eerste programmeerbare rekenmachientjes….. (Weet U nog, oudje….Texas instruments Ti 57…Hewlett Packard HP 41C…plus hier en daar nog een paar verdwaalde Casio-kneusjes..hihi)….. blijft het voor een “astrobejaarde” zoals uw nedrig scribent alhier nog steeds een wonderbaarlijke ervaring wat je… “met wat geklooi met software”” allemaal niet voormekaar kunt krijgen….want in dat lelijke witte ruwe bak13 subje zit toch verstopt/verpakt alles wat tot het uiteindelijke kleur en contrastrijke eindresultaat heeft geleid…wonderlijk…wonderlijk….wonderlijk!!!!.

Edoch dat ging zeker deze keer bepaaldelijk niet zonder slag of stoot. Ik hoor van collega astrofotografen welleens  van die soms echt gestoord “vreselijke getallen” als belichtingstijden van  wel  40 uur of meer per “kiekje” en daarna nog eens het dubbele of meer aan tijd achter de computer voor het beeldbewerkings-proces om die 40 uur aan data tot dat ene glorieuze eindplaatje te verwerken. Ok…voor een hit and run vrije veld astrofotograaf zijn belichtingstijden van 40 uur uiteraard nicht im frage….maar nu, met dank aan de wat meer lichamelijke rust gevende automatisering in de vorm van de autoguider, voelen belichtingssessies tot wel twee uur zeker niet meer zo ondoenlijk barbaars aan.

Derhalve vond ik het nu dan toch het juiste moment om ook maar eens wat proberen te verbeteren aan de andere kant van mijn totale astrofotografische werkproces te weten het thuiswerk beeldbewerkingsgebeuren….enne….omdat de Helixnevel, voor mij in elk geval,   dus best wel zo’n moeilijk kreng bleek te zijn,  het ideale object om….eh…”to boldly go where  no digi-m(J)an has gone before”…om er maar eens een fijne Startrek-draai aan te geven.

Vroegah maakte ik gebruik van, in volgorde van opkomst, Deep Sky Stacker- om tot een gestacked,  gekleurd en (zwaar) contrast-verhoogd TIFF’je te komen/vervolgens Canon digital photo professional voor nog wat extra kleur en contrastcorrectie-werk EN om daarna gebruik te maken van de optie om het (mega MB) TIFF-file te converteren naar een wat kleiner en behapbaarder JPEG’je. Mijn finale digitale stap doe/deed ik dan met een hele oude versie van photoshop (6.0) om van dat grote JPEG’je een nog kleiner “astroblogsvriendelijk” JPEG’je te maken plus nog een “afdruk-JPEG’je” voor in mijn “astronomisch bejaarden tehuis fotomapje”.

Dit, met het beeldbewerkingszwaartepunt op Deep Sky Stacker liggend, digitaal afwerktraject heeft mij de afgelopen ruim 100 astrokiekjes relatief makkelijk en  effectief vlotwerkend  prima gediend….MAAR….als er  dan toch iets op het echt zeer aangenaam werkend free ware programma Deep Sky Stacker aan te merken valt, dan is dat het feit dat DSS, als het gaat om kleurbewerking,  toch wel zo z’n  beperkingen heeft.

Ofwel….al in de literatuur rondneuzend kwam ik toch wel behoorlijk vaak de tip tegen om DSS alleen maar te gebruiken voor waar het echt steengoed in is….en dat is STACKEN. Als het stacken met DSS gedaan is sla je dit vervolgens op als een zogenaamd “embedded”TIFF’je,  om de rest van de kleur en contrast nabewerking te doen in meer gespecialiseerde beeldbewerings”zachtwaar” zoals b.v.. photoshop.

Het eindprodukt van stacken met DSS, een kaal “embedded TIFF’je” met, nog onzichtbaar, alles er in wat je “later” nodig hebt!!

Edoch….photoshop…alleskunnend, ingewikkeld en pittig geprijsd,  heeft tegenwoordig veel, al dan niet astro-gespecialiseerde, al dan niet gratis zijnde,  zeer capabele digitale”conculega’s” erbij gekregen. Mijn stokoude photoshopversie…6.0…wil geen TIFFjes slikken en voor die paar astroplaatjes per jaar ga ik ech nie een duur abonnement nemen op de nieuwste versie hiervan  en op dit moment zie ik het kopen van  best wel dure moeilijke  gespecialiseerde astro-beeldbewerkingssoftware (Pixinsight, astropixelprocessor…e.d.)  ook (nog) niet zo zitten….maar zogezegd er is tegenwoordig gelukkig meer dan genoeg aan prima  free ware te vinden op het internet waarmee het gewenste stapje hogerop de digitale ladder ook gemaakt kan worden.

In mijn geval is, na het nodige snor en neuzelkwerk op het internet, de keuze gevallen op het free ware programma GIMP 2.10.20. Een zeer uitgebreide state of the art “photoshop-kloon” als ik mij deze vergelijking mag permiteren. Met GIMP 2.10.20 is het kleur en contrastbewerkingsproces, ik wil nog niet zeggen “een makkie” en…trust me….het bovenstaande resultaat is dus heus NIET bereikt zonder een paar hier en daar uitgebraakte krachttermen….MAAR…..dit gezegd hebbende is GIMP aangenaam intuitief genoeg om die “krachttermcoefficient”….”onder de 1 te krijgen en te houden”.!!!

Ik ben na een dikke 16 uur leren en expimenteren best wel zeer tevreden met de helderheid, het contastverloop en de kleurschakering van de Helixnevel plus de uiteindelijk verkregen donkerte van de hemelachtergrond. Er zit in de hemelachtergrond wel nog net effe iets teveel aan vervelende rood-gradient maar dat moet dan maar even.

Een zeer controversieel en een immer terugkerend punt van simpelweg niet aflatende discussie in de wereld van de astrofotografische beeldbewerking is het probleem van  “GEZEUR MET KLEUR”!!
Het origineel verkregen DSS-Tiff’je is namelijk maagdelijk wit en het is aan “de zak achter de digi-bak “…(c’est moi!!) om daar met behulp van, in mijn geval, GIMP de  juiste kleurtjes aan toe te voegen.

Maar ja……WAT ZIJN IN HEMELSNAAM TOCH DE JUISTE KLEUREN VAN HEMELOBJECTEN???????

Ik bedoel ik heb ooit eens in een grijs verleden meegedaan aan een Marsfoto-aktie voor een astrowebsite in Arkansas (USA)….enne…ik heb toen echt nog nooit zoveel verschillende soms echt schaamteloos maffe “Marskleurtjes” voorbij zien komen om maar aan te geven dat dat gedoe met kleur een zeer subjectieve bezigheid is. Er zijn mensen die bijvoorbeeld zweren bij het zogenaamde “Hubble pallet kleurenregime” als het gaat om het weergeven van Deep sky Objecten…maarre….ik persoonlijk krijg daar toch ech minimaal zware kokneigingen van ofwel ik vind dat dus helemaal niks!! Ik ben toch meer een puur natuur m(J)anneke met een voorkeur voor ingehoudenheid als het gaat om kleurgebruik in de edele sport der astrofotografie. Maar goed…over (kleuren)(wan)smaak valt niet te twisten en ieder zijn heug en ieder zijn meug en meer van dat soort “wijsheden”!
EN DUS… kunnen/moeten we hierbij heel duidelijk vaststellen  dat het eindresultaat van een (astrofotografisch)beeldbewerkingsproces vooral toch gezien moet worden als een optelsom van zeer persoonlijke visueel esthetische voorkeurs-beslissingen….. “SMAAK en AFSPRAAK”!!
enne….ik vond…ik vind het tevreden (LEREN!!) zijn met het beeldscherm-eindresultaat van al die beslissingen plus bijbehorende verrichte digitale handelingen echt het moeilijkste deel van het hele proces welke heeft geleid tot bovenstaande kiekje van de Helixnevel.

WANNEER..OH..WANNEER…..eh…IS HET GOED….genoeg..???

Toch nog maar een heel klein beetje extra “pixelprutsen” en dan weer helemaal opnieuw (moeten) beginnen…..aaarrgggghhhh..pillen!!!!. Het leren ontdekken van de grens tussen een mooi natuurlijk overkomend bewerkt plaatje en……………eh………laat ik het maar onschrijven met de kreet…overbewerkte “BOTOX-OPNAME”, dat is echt wel “een dingetje” waar niet alleen beginners in deze sport tegenaan lopen maar zelfs ook nog de “zware jongens en meisjes”…..en iets waar dus simpelweg gewoon geen richtlijnen voor te geven zijn.

In mijn geval bijvoorbeeld zat vooral de herinnering aan die oude Mount Palomar poster mij in het begin behoorlijk in de weg.  Die mount Palomar Helixnevel was, in mijn subjectieve herinnering, namelijk fel knalrood gekleurd,  maar toen ik enige handigheid met die mooie krachtige “levels-functie” van GIMP begon te krijgen kreeg ik een heel anders gekleurd Helixneveltje op mijn beeldscherm te zien……veel meer een combi van magenta voor de ring en  lichtblauw voor het donkerder gedeelte binnen de ring…ook mooi maarre…grrrrrr…piep..krachtterm….grrrrr…NIET zoals ik mij dat in eerste instantie, met mijn oude Palomar-poster in gedachte, voor ogen had.

Hoe mooi het ook was om voor mijn verbaasde ogen, slechts door het tactisch verschuiven van een paar “beeldscherm-sliders” een volledig wit kiekje met hier en daar een nog witter sterstipje,  zonder ook maar enig spoor van die Helixnevel,   te zien transformeren in een kleur en contrastrijk kiekje met “in your face” die prachtige Helixnevel, eer ik eindelijk in het geestelijk reine was gekomen met dat,  door slechts subjectieve  vooroordelen gedreven,  “psycho-kleurobstakel”  had ik al menig digitaal worstel uurtje achter mijn kiezen!!!! Zoals eerder gezegd……leren tevreden te zijn, al is het maar voor even,  is/vind ik het moeilijkste aan deze tak van sport!!

Na het GIMP-levels-kunstje  met het nu kleurrijke TIFF’je door naar Canon digital photo professional die een (vind ik) hele fijne verscherpingsfunctie heeft en waarmee ik met z’n curves-functie ook nog wat meer aan kleine kleurverbeteringen kan aanbrengen. Als laatste gebruik ik dit programma om van het mega TIFF-file een wat behapbaarder Jpeg’je te maken.
Dit Jpeg’je ros ik vervolgens nog even door een demo-versie van NEAT IMAGE….en dit is sofware speciaal gericht op het beteugelen van kleurruis, zodat je in principe een achtergrond krijgt die echt zwart is zonder allemaal van die lelijke multicolour pixelpuntjes. Voor de finale fase haal ik dan weer mijn oude “stenen tijdperk photoshop”  van stal voor het verwerken van de grote Jpeg tot voor Astroblogs en de fotoprinter  behapbare  Jpeg-brokken……”en klaar is Klara”!!

Afijn..met dank aan “angstgegener Helixnevel”…. ben ik toch uiteindelijk op een nieuwbakken beeldbewerkings-werkflow-punt aangekomen waarmee ik, weer een stapje hoger op de ladder van kennis en vaardigheden, voorlopig wel weer even een tijdje mee vooruit kan. Mijn oorspronkelijke “workflow” van drie programma’s is er nu eentje geworden van vijf.

Wat ik vooral van mijn “Helixnevel-knokpartij” geleerd heb is dat er heel veel software te koop en te krijg is…enne…dat….om maar effe met het spreekwoordelijke gestrekte been de open deur der logica  in te trappen….al deze sofware hun goede en slechte kanten hebben. Het is nu aan “de zak achter de digibak” de kunst om verschillende goede onderdelen van al die verschillende programma’tjes eruit te vissen en die vervolgens bij elkaar te harken tot een zo effectief mogelijke “‘workflow”.  WAT je bij elkaar harkt is voor iedere individuele astrofotograaf uiteraard verschillend…..

Zoals ik het nu voor ogen heb ga ik Deep Sky Stacker gebruiken voor het stacken ( TIFF-file)….daarna GIMP (levels) voor contrast en kleurbewerking ( TIFF-file), Canon digital photo professional voor extra verscherpen en “verJpeggen van de TIFF-file” (TIFF-file/grote Jpeg),  Neat image om kleurruis nog iets meer de kop in te drukken (grote Jpeg) en als laatste photoshop 6.0 om het finale plaatje astroblogs en afdruk klaar te maken (kleine Jpeg).

Bedankt voor uw aandacht en namens een contente “angstgegner-bedwinger” zijt U allen wederom van harte gegroet, Salut!!!!

(Naschrift…zucht…..en zelfs bij het verbale nabewerkingsproces, het schrijven en gepubliceerd krijgen van dit astrofoto-epos,  vecht de Helixnevel nog vuig en ongenadig terug. Was eindelijk, zeg maar “klaar genoeg met schrijven”…Druk op de engste knop in “Astroblogsland” te weten de knop “publiceren”….EN…..wat gebeurt er???……. helemaal…f…ing niets…..AAAAARRRRRGGHHHHHHHHHHHHHH…Ontdek ik, met de krachttermcoefficient royaal boven de 1,  tot mijn stomme verbazing dat ik(???) dit epistel blijkbaar al een paar dagen geleden op Astroblogs heb geplaatst…..eh…”ikke nie wete van niks nie”.

Effe in lichte paniek Hopman Arie gebeld en zijn nuttige aanwijzingen ter oren genomen om vervolgens natuurlijk net per ongeluk (yeah…right…ech nie…er rust gewoon een dikke vette vloek op dit kreng!!) …weer…een verkeerd knopje aan te raken….et voila…al mijn tekst pleite….auw!!! Althans zo dacht ik….Gelukkig vond ik alweer snel de automatische back up terug…enne…gaan we het gewoon nog eens proberen om dit verhaal veilig op Astroblogs te plaatsen. Wish me luck!!

Oh ja…enne…ik ga de komende paar weekjes eventjes helemaal NIETS meer  fotograferen….effe…gewoon ontspannen met het blote oog achter mijn dikke Dobson en even ….mijn excusses voor deze krachtige kreet maar het zit mij nu echt even heel hoog…..geen digitaal gezeik aan mijn kop!!!)

Sterren en planeten lijken zo’n beetje gelijktijdig te onstaan

De protoster IRS 63 en z’n omringende circumstellaire schijf. Credit: MPE/D. Segura-Cox

Recent onderzoek heeft laten zien dat sterren en planeten zo’n beetje gelijktijdig lijken te ontstaan en dat ze ook samen opgroeien. Ja dùùùhhhh, zeg je misschien, dat is toch niets nieuws? Sterren en planeten ontstaan toch uit zo’n samentrekkende wolk, die tot een schijf afplat en in het centrum heet wordt en waaruit een ster ontstaat en in de rest van de schijf ontstaan planeten? Nee, zo simpel is het niet. Lang dachten sterrenkundigen dat er eerst een ster in het centrum ontstond en dat pas daarna in de omringende schijf van gas en stof planeten ontstonden. Maar nu blijkt dat dus toch weer anders. Met de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) in Chili hebben ze gekeken naar IRS 63, een zeer jonge proto-ster, nog geen 500.000 jaar oud, die omgeven wordt door een grote schijf van gas en stof. IRS 63 staat 470 lichtjaar van ons vandaan in het sterrenbeeld Slangendrager (Ophiuchus) en hij ligt in de grote interstellaire moleculaire wolk L1709 (zie foto hieronder, x is waar IRS 63 zich bevindt).

De interstellaire gas- en stofwolk L1709. MPE/D. Segura-Cox, Herschel data from ESA/Herschel/SPIRE/PACS/D. Arzoumanian

Normaal gesproken zijn proto-sterren minstens een miljoen jaar oud, maar IRS 63 is dus zelfs voor proto-ster maatstaven jong. Hij is iets lichter dan de zon. Naast deze ster in wording hebben ze met ALMA in de omringende ‘circumstellaire’ schijf ook twee ringen waargenomen, waar zich planeten vormen, daartussen twee ‘gaten’ met minder materiaal. Buiten een diameter van 20 Astronomische Eenheid (ongeveer de afstand zon-Uranus) bevindt zich 0,5 Jupitermassa aan stof in de schijf. Gas is er nog veel meer, meer dan honderd keer zo veel als de hoeveelheid stof. Een massa van 0,03 Jupitermassa’s is voldoende om de kern van een gasachtige planeet á la Jupiter te vormen, dat zijn ongeveer tien aardmassa’s.

Vergelijking tussen het systeem van IRS 63 en op dezelfde schaal het zonnestelsel. Credit: MPE/D. Segura-Cox

Hier het vakartikel, verschenen in Nature. Bron: Max Planck Instituut.

NASA vraagt publiek om maankoffer te pakken! #NASAMoonKit

Ik ga naar de maan en neem mee… In het kader van NASA’s Artemismissie startte NASA deze week een nieuwe social media-campagne op waarin deelnemers gevraagd wordt online te delen wat er in hun mini-maankoffer allemaal zou zitten als ze naar de maan zouden afreizen. NASA’s Artemismissie heeft tot doel de eerste vrouw en volgende man, de dertiende, naar het maanoppervlak te brengen in 2024. De campagne loopt onder #NASAMoonKit. Om deze uitdaging naar een hoger niveau te tillen, heeft NASA ook een ‘Expert-modus’ voor de moonkit ingesteld: volg de strikte richtlijnen waaraan astronauten zich moeten houden bij het inpakken van hun ‘persoonlijke voorkeurskits’, d.w.z. elke astronaut die naar het ISS afreist, mag slechts een ruimte van 12,7 bij 20,3 bij 5,1 cm vullen met persoonlijke spullen. ter vergelijk standaard handbagage voor een vliegtuig mag ong. 23 bij 35 bij 56 cm bedragen. Bettina Inclán, NASA’s PR vice-president, noemt het een leuke kans om nu, ten tijde van het Covid-virus en velen zich moeten aanpassen qua werk e.v. om meer te weten te komen over de toekomstige maanonderneming en de omstandigheden waaronder de astronauten moeten werken. Inclán: “In een tijd waarin velen van ons werken, lesgeven of leren vanuit huis, is dis een unieke manier om meer te weten te komen over het Artemis-programma en ons bij NASA aan te sluiten terwijl we ons voorbereiden op de volgende stappen van de mensheid op het maanoppervlak.”
Lees verder