Rem op draaiing centrale balk Melkweg bevestiging van donkere materie

Voorstelling van ons Melkwegstelsel. Credit: Pablo Carlos Budassi/Wikimedia Commons

Ons Melkwegstelsel is een balkspiraalstelsel, een spiraalstelsel niet met een bolvormige centrale verdikking, maar met een lange ‘balk’ in het centrum, een SB stelsel in Hubble’s kwalificatiesysteem. Recent onderzoek door twee sterrenkundigen van de Universiteit College London (UCL) en Universiteit van Oxford laat zien dat die centrale balk sinds het ontstaan van de Melkweg met een kwart langzamer is gaan roteren. Die afname van de rotatiesnelheid werd meer dan dertig jaar geleden al voorspeld (Tremaine & Weinberg, 1984), maar het is nu pas dat die rem ook daadwerkelijk gemeten is. In de gegevens verzameld met de Europese Gaia satelliet keken de sterrenkundigen naar de informatie over de Hercules stroom, een lange sliert van sterren, die in resonantie is met de centrale balk, dat wil zeggen die door de zwaartekracht in hetzelfde tempo om het Melkwegcentrum draait als de centrale balk. Die resonantie is vergelijkbaar met bijvoorbeeld de Trojanen, een groep planetoïden in de baan van Jupiter, die dezelfde snelheid aanhouden als de planeet. Als de snelheid van de centrale balk afneemt zullen de sterren in de Hercules stroom verder van de Melkweg af bewegen, om zodoende dezelfde snelheid te behouden t.o.v. het centrum. En dat is precies wat Rimpei Chiba en Ralph Schönrich konden zien in de Gaia data, dat de sterren in de Hercules stroom steeds verder van het centrum af raken. Dat konden ze meten door te kijken naar de hoeveelheid metalen in de sterren, dat zijn de elementen zwaarder dan helium. Sterren in het centrum van de Melkweg bevatten pakweg tien keer zoveel metalen als sterren in de schijf of de halo van de Melkweg.

Voorstelling van donkere materie in de halo om de Melkweg. Credit: Wikipedia.

De sterren van de Hercules stroom moeten vroeger dus dichterbij het centrum hebben gezeten en dat laat zien dat ze er vanaf bewegen. Op basis hiervan hebben Chiba en Schönrich berekend dat de centrale balk sinds het ontstaan van de Melkweg 24% langzamer is gaan draaien. En dat komt door de remmende werking van de zwaartekracht veroorzaakt door de donkere materie in de halo van de Melkweg. Dát is tegelijk een probleem voor de modellen die geen donkere materie kennen, zoals de MOND theorie, die uitgaat van een aangepaste zwaartekrachtwet. Dergelijke theorieën hebben geen donkere materie in de halo van sterrenstelsels en ze voorspellen dan ook geen of een veel lagere vertraging in de rotatiesnelheid van de centrale balk. En dat is dus in strijd met de waarnemingen die nu gedaan zijn. Hier het vakartikel over de waarnemingen aan de rem op de snelheid van de centrale balk, in augustus te verschijnen in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Phys.org.

Boekrecensie van ‘UFO’s: generaals, piloten en regeringsvertegenwoordigers verbreken het stilzwijgen…’

In deze recensie bespreek ik beknopt het boek van de Amerikaanse onderzoeksjournaliste en schrijfster Leslie Kean (NYT, Boston Globe) dat handelt over UFO-meldingen wereldwijd en het (gebrek aan) onderzoek hierover, waarbij Kean de periode bestrijkt tussen 1976 en 2007. Deze periode is niet willekeurig gekozen maar beslaat grofweg de tijd na afsluiting van het bekende Amerikaanse UFO Blue Book-onderzoek en eindigt voor de start van het AATIP-onderzoek (2007-2012), beide zijn geïnitieerd door de Amerikaanse regering. Kean onderzoekt UFO-documentatie op het moment van schrijven en publicatie van dit boek (1ste druk 2010, Eng; UFO’s: Generals, Pilots and Government Officials Go on the Record) dan al ruim tien jaar en publiceerde er geregeld over. Keans interesse voor het UFO-thema kwam nadat ze in 1999 benaderd werd door een Franse journaliste die had gepubliceerd over het Cometa-onderzoek (1996-1999), een reeks UFO-meldingen onderzocht door het Franse leger. Kean publiceerde een dergelijk artikel over Cometa, Engelstalig, in de Boston Globe in mei 2000. Beide artikelen waren bedoeld om zowel Europa als de VS te waarschuwen UFO-meldingen serieus te nemen en gezamenlijk te onderzoeken met name m.b.t. de nationale veiligheid. Leslie Kean is tevens een van het drietal journalisten die in 2017 het spraakmakende artikel ‘Glowing Auras and ‘Black Money’: the Pentagon’s Mysterious U.F.O. Program’ schreven, gepubliceerd op 16 december in de NYT. Dit betrof UFO-onthullingen en onderzoek van en door het Amerikaanse leger. (Zie op Astroblogs ook deze ‘Recap‘, een selectie artikelen gerelateerd aan het NYT-artikel, samengesteld in aanloop naar het UAP-rapport en documentatie die, in het kader van nieuwe wetgeving, de Covid Relief Bill, mogelijk eind juni zal verschijnen). Door het artikel uit de NYT en de gegenereerde media-aandacht gingen meer politici en vertegenwoordigers van onderzoekscommissies informatie vragen, en uiteindelijk zag het Pentagon zich genoodzaakt een officiële verklaring omtrent de onthullingen te geven. Kean startte reeds voorafgaand aan de verschijning van dit boek een eigen organisatie, genaamd ‘Coalition for Freedom of Information’, afgekort CFi (link geeft nu error) en ze werkte mee aan documentaires. Het werk van Kean is met name een oproep om meer transparantie van de overheid naar het publiek m.b.v. UFO-meldingen, en meer gedegen onderzoek. Tevens doe ik in deze blog een uitstapje naar het Amerikaanse boek ‘Skunk Works‘, geschreven door Ben R. Rich en Leo Janos (Back Bay, 1994) waarin uitgebreid verteld wordt over de ontwikkeling van de stealth bommenwerper F-117A bij Lockheed’s Skunk Works. Dit vliegtuig duikt in Keans boek op en wordt in verband gebracht met de UFO-meldingen.

Foto 15 juni 1990, gepubl. in 2003 J. Henrardi, Belgisch Wallonie, Wikimedia Commons

Voorwoord, Cometa, ‘in ieders belang’
Het voorwoord is van de Amerikaanse politiek adviseur John Podesta jr. (1949-). Podesta was stafchef op het Witte Huis tijdens de regering Clinton, en is tevens enkele jaren adviseur voor voormalig president Obama geweest. Podesta staat te boek als een pleitbezorger voor meer transparantie over UFO-meldingen en documentatie van de kant van de Amerikaanse regering. In 2002 op een nieuwsconferentie georganiseerd door Kean’s organisatie CFi, verklaarde Podesta destijds: “It is time for the government to declassify records that are more than 25 years old and to provide scientists with data that will assist in determining the real nature of this phenomenon.” Kean vertelt in de inleiding van haar boek hoe ze zo neutraal, d.w.z. onbevooroordeeld, de verhalen van de UFO-getuigen wil aanhoren, onderzoek doen, en met name de periode na Blue-Book en voor het AATIP wil onderzoeken, (1976-2007), daar deze periode (schijnbaar) het minst onderzocht is. In het algemeen, zo stelt Kean, kwamen destijds UFO-meldingen overal ter wereld voor, kwamen ‘ze’ zowel in ‘golven’ en als ‘individuele’ objecten, in allerlei vormen, en gaat ze in op de definitie van UFO versus UAP. Kean stelt dat deze termen op hetzelfde neerkomen. Kean startte haar eigen onderzoek nadat ze een Engelstalige versie van het Cometa-rapport overhandigd had gekregen. Het rapport dat door Franse generaals en CNES was samengesteld aan de hand van UFO-meldingen. De bedoeling was dat Kean over Cometa zou publiceren in een grote krant, i.d. de Boston Globe, en haar artikel verscheen in mei 2000. Met dit rapport wilde het Franse leger en het CNES druk op de VS uitvoeren voor meer samenwerking  om UFO’s verder te onderzoeken met name m.b.t. de nationale veiligheid.

Indeling, de Belgische UFO-golf
Het boek is opgezet in drie grote delen (‘objecten van onbekende oorsprong’, uit plichtsbesef’, en ‘een oproep tot handelen’), en telt, exclusief een index van personen en de aanvullende noten en verwijzingen naar alle literatuur en websites, 310 bladzijden. Het boek bevat redelijk wat foto’s (allen zwart/wit) en illustraties van UFO’s gemaakt door ooggetuigen. Het boek gaat uit van de volgende standpunten: Kean is zelf overtuigd van het bestaan van UFO’s, ze wil beschrijven hoe ze worden onderzocht, ze vraagt zich af waarom het thema zoveel hoon opwekt en wil tevens een oproep doen voor meer (internationale) samenwerking c.q. onderzoek op dit gebied. Het eerste deel ‘objecten van onbekende oorsprong’ bevat tien hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken betreffen louter de UFO-golf in België, volgens Kean een van de best gedocumenteerde UFO-series ooit. Voormalig generaal bij de Belgische luchtmacht en NATO-strateeg Wilfried De Brouwer vertelt in dit deel over de twee jaar durende UFO-golf, welke begon eind 1989. Destijds werd De Brouwer door de Belgische Minister van BuZa gevraagd zich om deze UFO-meldingen te bekommeren. In totaal was er sprake van 2000 ooggetuigenverslagen van ‘meest driehoekige’, ‘snelbewegende, uiterst stille en met zeer felle lampen uitgeruste’ vliegende objecten, en de meeste werden ‘s nachts waargenomen. Ze leken te zweven (soms laag boven de grond 30-40 m), acceleren, enz. boven het gebied rond Luik (en later ook Brussel), op enkele kilometers vanaf de Duitse grens. Van 500 meldingen kon de oorsprong en aard niet verklaard worden.

Skunk Works, Lockheed’s F-117A, NARCAP
Kean gaat in op het feit dat er in 1975 in het uiterste geheim in Californië bij Lockheed’s Skunk Works (project Have Blue, projectleider Ben Rich), gestart wordt met de ontwikkeling van de F-117A Nighthawk, de eerste Amerikaanse lichte precisiebommenwerper met stealtheigenschappen. Het toestel is het summum in stealth technologie en driehoekig van vorm. Het is juist in deze periode, 1982-1992, dat deze vliegtuigen van de band rollen en er worden er enkele tientallen in het buitenland gestationeerd, ook in Europa. Het boek ‘Skunk Works’ van Rich gaat grotendeels over de ontwikkeling van de F-117A. Zou het mogelijk zijn dat bijvoorbeeld in België enkele van de 2000 UFO-meldingen te maken had met de aanwezigheid van Nighthawks? Rond die periode, in de jaren ’90, zo speculeert Kean, is de VS verwikkeld in enkele heftige oorlogen, o.a. in de Golfoorlog (1991, Desert Storm), en in voormalig Joegoslavië (Operation Allied Force). Zouden deze strijdtonelen een verband houden met de UFO-meldingen? Echter, generaal de Brouwer zelf twijfelt niet, en houdt deze mogelijkheid (een F-117A, of de Marke-B2 aanzien voor een UFO) voor uitgesloten. De Brouwer stelt dat een land steevast wordt geïnformeerd over missies met prototypen van geavanceerde vliegtuigen. In 1992 sluit de Belgische minister van BuZa het UFO-onderzoek af. Enkele hoofdstukken van het boek behandelen individuele gevallen, waarbij Kean met name ingaat op de UFO-encounters van resp. twee jachtvliegers van de Iranese luchtmacht in 1976 (Parwis Dschafari) en in 1980 van een Chileense luchtmachtpiloot (Oscar St. María Huertas). Kean kwam er later achter dat, ook al had de VS geen eigen officieel UFO-onderzoek meer lopen, de VS wel degelijk in beide encounters zeer veel interesse had daar beide jachtvliegers de UFO onder vuur genomen hadden. Verder besteed Kean de nodige aandacht aan de O’Hare-encounter (7 november 2006, O’Hare vliegveld Chicago), met name daar de berichtgeving hierover minimaal was. De afwikkeling van het O’Hare UFO-incident toont, volgens Kean, de ‘verdoezelstrategie’ van luchtvaart- en overheidsdiensten inzake UFO-meldingen. De FAA deed het later af als een ‘hole punch cloud‘. Verder schrijft ze, om de sprong te maken van de veiligheid in het luchtruim naar UFO-onderzoek, over de oprichting van NARCAP (National Aviation Reporting Center on Anomalous Phenomena). Dr. Richard Haines, destijds medewerker van NASA, en betrokken geweest bij grote ruimtevaartprojecten als Apollo en Skylab, maakte zich zorgen over de UFO-meldingen m.b.t. de veiligheid van het luchtruim. Met enkele collega’s uit de lucht- en ruimtevaart richtte Haines in 2000 een database op (resultaat 3400 UAP-meldingen) en stelt zijn team Haines een rapport samen waarin 100 meldingen van piloten uitgebreid behandeld worden. Veel van deze personen wiens incidenten, hetzij beschreven door Kean in haar boek, hetzij door een eigen verslag in het boek geplaatst, zijn in 2007 op een UAP-conferentie, mede georganiseerd door Leslie Kean, samengekomen en hebben elkaar ontmoet en informatie uitgewiseld over de UAP-incidenten.

Nieuw-Zeeland, Omarama, ‘whole punch cloud’ wikimedia commons

UFO-onderzoek in de VS versus onderzoek in Frankrijk, het VK, Zuid-Amerika e.a.
In het tweede deel van het boek, getiteld ‘uit plichtsbesef’ behandelt Leslie Kean het opstarten van het UFO-onderzoek in de jaren ’40 door de Amerikaanse regering na vele meldingen van onbekende objecten in het luchtruim. Kean beschrijft de houding van het leger, en hoe deze zich ontwikkeld. Rapporteerde men vooreerst feitelijk en onbevooroordeeld de meldingen, later moest alles zoveel mogelijk verklaard worden, hoe vergezocht sommige verklaringen ook waren. De bal m.b.t. officieel onderzoek in de VS begon te rollen met de beroemde memo van USAF generaal Nathan Twining ‘Flying Saucers’, uit 1947, gericht aan het Pentagon. Het project ‘Blue Book’ werd opgestart. Alle inlichtingendiensten werden erbij betrokken en de DCI (Director of Central Intelligence) werd de spil in het grote UFO-informatieweb. De regering zag de noodzaak tot gedegen onderzoek, de nationale veiligheid was daarbij het leidende motief. De koude oorlog was immers in volle gang. Wetenschappers uit diverse disciplines werden bij het onderzoek betrokken en de belangrijkste onder hen was de astronoom J. Allen Hynek jr. (1910-1986). Kean benadrukt hoe dit onderzoek, met als afsluiting het in 1969 verschenen Condon-rapport, steevast meer en meer geleid werd vanuit de motieven ‘opheldering’ en ‘diskreditering’, alles moest opgehelderd worden. Als voorbeeld geef Kean de propaganda-woede rondom UFO’s; alle films, boeken enz. met UFO’s moesten een verklaring paraat hebben. De dynamiek rondom UFO’s kwam met het Condon-rapport tot stilstand. Daarop vergelijkt Kean de houding van de Amerikaanse leger en inlichtingendiensten met het UFO-onderzoek in Frankrijk, het VK en enkele landen in Zuid-Amerika. Kean benadrukt dat de houding van bijvoorbeeld een land als Frankrijk totaal anders is, open en onderzoeksgericht, en de organisatie die zich ermee bezighoudt GEIPAN, is onderdeel van het CNES. GEIPAN betrekt al in een vroeg stadium wetenschappers bij de onderzoeken, zijn niet terughoudend in het delen van data, en misschien wel het belangrijkste, ze sturen jachtvliegers naar de plekken van de UFO-encounters voor onderzoek ter plaatse. Kean bespreekt uitgebreidt het Cometa-onderzoek dat liep van 1996 tot 1999, projectleider van Cometa was destijds Jean-Jacques Velasco. Verder gaat Kean in op wat wel het Engelse ‘Roswell-incident’ wordt genoemd. In december 1980 trof luchtmachtpersoneel nabij hun basis (dubbelbasisWoodbridge/Bentwaters) in het Rendlesham Forest vreemde, helverlichte vliegende objecten aan. In Kean’s boek doen zowel voormalig USAF-medwerkers James Penniston alswel onderzoeksleider Charles L. Halt hun relaas. Kean toont het logboek van Penniston met aantekeningen van driehoekige objecten waarop symbolen zijn aangebracht. Ze konden het object aanraken, voelden zwakstroom in hun armen en vergeleken het met de pupil van een menselijk oog. De getuigen maakten melding bij het US Office of Investigation maar de ervaringen werden afgedaan o.a. als ‘hallucinaties’ o.i.d.

In het derde deel van het boek ‘een oproep tot handelen’ bespreekt Kean uitgebreid het stilzwijgen en de heimelijke houding inzake UAP-meldingen van de kant van de Amerikaanse regering, met in haar kielzog de betrokken organisaties, NASA, FAA, en de inlichtingendiensten. Hiermee, aldus Kean, wordt juist de schijn gewekt als zouden ‘zij’ iets heel bijzonders voor ‘ons’, het publiek, geheim houden. Ook stelt Kean dat zij mogelijk bewijs heeft gevonden, aan de hand van een Engels document, dat de VS middels de USAP (Unacknowledged Secret Area Program) wel degelijk, continu UFO-onderzoek door alle decenna, sinds de afsluiting van Blue Book heeft gedaan. Er zou een soort commissie ‘stiekum’ bestaan, met personen uit allerlei ambtelijke gremia die op de hoogte werd gehouden van de ontwikkelingen op UAP-gebied. Uit angst, wantrouwen of misschien juist uit veiligheidsoverwegingen zou dit onderzoek geheim zijn geweest en gebleven. Deze ‘verdoezelcampagne’ kan er, aldus Kean, zelfs mogelijk op duiden dat USAP zelf exotische technologiën en nieuwe fysica m.b.t. de ontdekte UAP’s aan het doorgronden is. Pas, en Kean vergelijkt het met ‘holenmensen die erachter moeten komen hoe een TV-toestel werkt’ nadat er duidelijk geen gevaar bestaat voor de mensheid zou openbaring volgen. Echter, en zo geeft zij ook zelf toe, blijft het bij speculatie, maar, zo concludeert ze, het is wel juist aan deze houding te danken dat het publiek tenslotte na al die decennia zelf op zoek gaat naar verklaringen, en eigenhandig gaan onderzoeken en documenteren. Als aanloop naar het komend UAP-rapport is het zeker interessant nog eens te lezen in dit boek over de periode tussen Blue Book en AATIP in. En verder, staan wij dan nu echt aan de vooravond dat de Amerikaanse regering openheid van zaken gaat geven. we zullen nog even geduld moeten hebben…Bronnen: L. Kean, CNES, NARCAP, NYM, e.v.a.

De Amerikaanse Space Force ontwikkelt en lanceert in recordtijd TacRL-2 satellietmissie

Vanaf Vandenberg Space Force Base (Californië) is op 13 juni j.l. met succes een geheime Space Force-satelliet gelanceerd met een Pegasus XL-raket vanaf een Northrup Grumman draagvliegtuig. De gehele missie, TacRL-2, satellietontwikkeling en lancering, is binnen een jaar tot stand gekomen en past binnen het ‘tactisch responsief lanceringsprogramma’ van de Space Force (USSF) dat bedoeld is om tijdlijnen voor het plannen van ruimtemissies drastisch te verkleinen, om zo flexibelere lanceerdiensten (ook wel ‘responsieve lanceringen’ genoemd) te kunnen bieden. De ‘TacRL-2’ of ‘Tactically Responsive Launch-2’ is een technologische demonstratiesatelliet voor dit programma, en het hoofd van de USSF generaal John Raymond stelde op 10 juni j.l. tijdens een webcast-event van de Council on Foreign Relations, dat de lanceerprovider, i.d. Northrup Grumman, 21 dagen de tijd heeft gekregen om zich klaar te maken voor de vlucht. De satelliet moet kunstmatige objecten gaan detecteren in een baan om de aarde.

Logo USSF Credits; USSF

De USSF, onderdeel van de Amerikaanse strijdkracht en verantwoordelijk voor oorlogsvoering in de ruimte, werd opgericht op 20 december 2019. Begin 2020 werd bekendgemaakt dat o.a. Patrick Air Force Base, het Cape Canaveral Air Force Station alsook het Vandenberg Airforce Base hernoemd zouden worden. De bases heten nu resp. Patrick Space Force Base, Cape Canaveral Space Force Station en Vandenberg Space Force Base. Vanaf deze laatstgenoemde basis vertrok de de TacRL-2 missie op zondagmorgen j.l. rond 10:00 NL’se tijd; een Lockheed-1011 draagvliegtuig met daarop de Pegasus XL-raket toog richting de Stille Oceaan alwaar de lancering plaatsvond op 12 km hoogte.  De luchtmacht verklaarde in 2019 voor  wat betreft raketsystemen met een ‘tactisch responsieve lanceercapaciteit’, te gaan voor de Pegasus XL van Northrup Grumman Space Systems (voorheen Orbital ATK). Het lanceerteam ‘V’ genoemd, lanceerde met succes nu met deze Pegasus succesvol de satelliet in deze ‘airdrop’ lancering, maar zowel de Space Force als Northrop Grumman Space Systems toonden geen live webcast van de lancering.

Lockheed Tristar met ‘airdrop’ lancering van Pegasus-raket (2006), Credits; NASA

Sinds de aanbesteding aan NG in 2019 moet het bedrijf, desgevraagd, volgens de eisen binnen vier maanden een lanceervoertuig gereed kunnen hebben en vervolgens dit toestel stand-by zetten, waarna lancering binnen 21 dagen volgt. De satellietmissie TactRL-2 is ontwikkeld door Space Safari, een nieuwe afdeling die volgens de Space Force ‘reageert op urgente ruimtemissies met hoge prioriteit’. Space Safari is de andere naam van het ‘645th Aeronautical Systems Group, (afgeleid van Big Safari, een centrale bewakingsgroep van de USAF tijdens de Koude Oorlog). Hoofd John Raymond, sprak ook over het mandaat van de Space Safari groep op 10 juni j.l. en stelde: “Een jaar geleden daagde ik (JR) onze acquisitieorganisatie uit om een ??vaardigheid in tactische tijdlijnen te ontwikkelen, deze te integreren in een lanceervoertuig en te lanceren,  en eens te kijken hoe snel we dit kunnen.” En nu is deze missie in minder dan een jaar tijd uitgevoerd. Contractinformatie toont dat het Space and Missile Systems Center (LAAFB) aan Northrop Grumman de TacRL-2-taakopdracht in juli 2020 heeft toegekend. In februari j.l. bracht de Space Force nieuwe aanbestedingsverzoeken uit voor de opvolgers van TacRL-2, de TacRL-3 en -4 voor resp. april 2022 en februari 2023. Bron: SpaceNews/USSF/SpaceFlightNow

Je verwacht ‘t niet: zwarte gaten helpen bij de geboorte van sterren

Impressie van gas in en om een zwaar sterrenstelsel uit de TNG50 simulatie. Credit: TNG Collaboration/Dylan Nelson

Het imago van zwarte gaten is dat ze allesverslinders zijn, objecten die met hun extreme zwaartekracht alles oppeuzelen wat in hun nabijheid komt. En door hun enorme uitstoot van hete straling en gas zouden ze het hun omringende sterrenstelsel ook nog eens ontdoen van koud waterstofgas – het noodzakelijke ingrediënt voor de geboorte van nieuwe sterren. Maar wat blijkt nu uit onderzoek? Dat zwarte gaten ook kunnen zorgen voor stervorming – dezelfde bron van stellaire dood en verderf in ‘quenched galaxies‘ (‘quenching’ staat voor uitdoving) kan ook helpen bij de stervorming. Annalisa Pillepich (Max Planck Institute for Astronomy) en haar team hebben simulaties uitgevoerd op de computer op basis van de beroemde IllustrisTNG simulaties van het heelal. Bij de simulatie van Pillepich keken ze met name naar zogeheten ‘kwalstelsels’, kleine sterrenstelsel die door de ram pressure van grote naburige sterrenstelsel hun gas zijn kwijtgeraakt, gas dat vervolgens achter hun aan slingert, zoals de tentakels achter een kwal slingeren [1]Een onderwerp dat nu ook door vrijwillige amateurs in het kader van de Zooniverse wordt bestudeerd.. Die boeggolf is ontstaan door een actief superzwaar zwart gat in dat grote stelsel, die naar twee tegengestelde kanten uit een straalstroom de ruimte in spuwt. Gas wordt daardoor in de vorm van grote bellen weggeblazen, in het geval van spiraalstelsels één bel boven en één bel onder de schijf. Op de illustratie bovenaan zie je die twee bellen als de geeloranje cirkels. En toen kwam de vraag die Pillepich bezig hield: stel dat een klein satellietstelsel door die bellen van gas vliegt, wat gebeurt er dan? De verwachting was dat satellietstelsels door de passage door de bel ook van hun gas zouden worden ontdaan, waarna ze als kwalstelsels verder zouden vliegen en de productie van nieuwe sterren door quenching zou stoppen.

Acht voorbeelden van kwalstelsels, zoals die zijn opgedoken in de computersimulatie IllustrisTNG. Credit: IllustrisTNG collaboration.

Samen met Ignacio Martín-Navarro keek Pillepich naar de data van 30.000 groepen van sterrenstelsels, verzameld in het kader van de Sloan Digital Sky Survey (SDSS). Gemiddeld werd ieder van de sterrenstelsels in die groepen omgeven door vier satellietstelsels. Wat kwam uit de nieuwe simulatie naar voren die Martin-Navarro en Pillepich deden? Dat het verschil uitmaakt waar het satellietstelsel door de gasbellen vloog, of dat in het vlak van de schijf van het centrale sterrenstelsel was, waar de dichtheid van de gasbellen dichter was, of boven of onder het vlak, waar de dichtheid lager was. Bij passages boven en onder het vlak was de hoeveelheid quenching namelijk vijf procent minder dan wanneer de satellietstelsels door de dichtere bellen in het vlak vlogen. In de gebieden met minder tegenwind, minder ramdruk, wordt er minder gas uit de satellietstelsels geduwd, dus blijft er meer gas over om stervorming te krijgen. Voor satellietstelsels die al verschillende keren om hetzelfde centrale sterrenstelsels hebben gedraaid, waarbij ze bellen doorkruisen, maar ook de gebieden met een hogere dichtheid ertussen, zal het effect niet merkbaar zijn. Dergelijke sterrenstelsels zullen hun gas al lang geleden hebben verloren. Maar voor satellietstelsels die zich vrij recent bij de groep of cluster hebben aangesloten, zal de lokatie een verschil maken: als die satellieten als eerste in een bubbel landen en ze niet in de dichtste gebieden in het vlak van het centrale stelsel gaan, is de kans kleiner dat ze hun gas verliezen dan als ze buiten een bubbel landen. En daarmee maken (weliswaar indirect) ‘de kosmische massamonsters de weg vrij voor de vorming van nieuwe zonnen in satellietstelsels‘, zoals de kop luidt van het perbericht van het Max Planck instituut. Hier het vakartikel over de berekeningen aan de simulaties van satellietstelsels, op 10 juni verschenen in Nature. Bron: Eurekalert.

References[+]

References
1 Een onderwerp dat nu ook door vrijwillige amateurs in het kader van de Zooniverse wordt bestudeerd.