4 juli 2022

Nog even over het uitsterven van de dinosauriërs

Credit: Geralt/Pixabay.

Ik kom niet vaak berichten tegen over het uitsterven van de dinosauriërs, maar deze week zag ik er opeens twee langskomen.

  • Ten eerste zag ik in het recentelijk verschenen artikel genaamd ‘Is the Hubble crisis connected with the extinction of dinosaurs?‘ van de hand van Leandros Perivolaropoulos (University of Ioannina) een interessante link, namelijk die tussen het uitsterven van de dinosauriërs (of is het nou dinosaurussen?) en de Hubble-spanning, de discussie over de snelheid van uitdijing van het heelal – tjonge, je moet maar op dat verband zien te komen. Kern van het betoog van Perivolaropoulos is dat Newton’s gravitatieconstante G, de constante die aangeeft hoe de zwaartekracht tussen twee voorwerpen, hun massa’s en hun afstand zich verhouden tot elkaar, niet constant is. Ergens in de periode 150 tot 50 miljoen jaar geleden moet G 10% sterker zijn geweest, iets dat volgens de auteur gestaafd wordt in gegevens over de massa-snelheid van sterrenstelsels volgens de Tully Fisher relatie en in calibratiegegevens van Cepheiden (veranderlijke sterren) en type Ia supernovae. Met die tijdelijke versterking van G slaat Perivolaropoulos twee vliegen in één klap: de Hubble-spanning met z’n twee uiteenlopende waarden voor de uitdijingssnelheid van het heelal kan ermee worden opgelost én de hogere G leidt tot de toename van het aantal langperiodieke kometen uit de Oortwolk dat afreist naar het binnenste deel van het zonnestelsel met een factor 3. Dat laatste heeft 66 miljoen jaar geleden geleidt tot de inslag van een grote komeet bij Chicxulub, waardoor alle dinosauriërs (op de vogels na) uitstierven. Bron: Arxiver.
  • Tweede bericht, óók erg opmerkelijk, is dat ze er achter zijn gekomen dat die komeet (of was ’t nou een meteoriet?) insloeg in mei of juni. Jawel, een enorme ruimterots die 66 miljoen jaar geleden insloeg en waarvan ze nu weten dat die ergens in die maanden insloeg, net voor de zomer op ons halfrond. Eerdere studies wezen al uit dat begin juni de maand was waarin het grote onheil plaatsvond en nu komt daar een nieuwe studie bij, in december gepubliceerd, die mei-juni aanwijst als de periode des onheils en daarmee die eerdere studies bevestigt. Het is allemaal gebaseerd op onderzoek dat paleontologen hebben gedaan bij Tanis, een gebied in de Hell Creek Formation in de Amerikaanse staat Noord-Dakota. In sedimenten in Tanis zijn sporen te zien van de Krijt-Paleogeengrens, de overgang die verrijkt is met het zeldzame element iridium, dé smoking gun van de komeetinslag. Wat Robert DePalma en z’n team bij Tanis deden was kijken naar de zeer goed bewaard gebleven fossiele botten van vissen, die ten tijde van de inslag in Noord-Dakota voorkwamen. Ze keken met name naar de botten van de steur, waarvan bekend is dat de structuur daarvan in de zomer anders is als in de winter.

    De steur. Credit: B. Kimmel, Wikipedia.

    In de wervelkolom van een zevenjarige steur ontdekte men dat de laatste groeischijf van de steur ergens in de overgang van de lente naar de zomer plaatsvond, pakweg ergens in mei-juni dus. Onafhankelijk van dit onderzoek heeft de Palaeobotanist Jack Wolfe in Wyoming fossielen van waterplanten bestudeerd, in het bijzonder lelies van de soort Nuphar en Nelumbo en Wolfe heeft gezien dat de lelies begin juni plotseling zijn gestopt in hun aanmaak van zomerbladeren, bloemen en fruit. Bron: Phys.org.

Speak Your Mind

*

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: