Ruimtetoerisme tijdperk leidt tot verhitte discussies over duurzame ruimtevaart en effecten op het klimaat

Het tijdperk van ruimtetoerisme lijkt met de recente vluchten van Virgin Galactic en Blue Origin inmiddels definitief aangebroken te zijn. Velen, ook ikzelf, kijken vol verwachting toe hoe deze ruimteschepen zich, hetzij stoer en soepel, soms wat sputterend of wankel, maar altijd ronduit indrukwekkend het luchtruim kiezen om in rap tempo hoger sferen tegemoet te gaan. Zoals deze week bijvoorbeeld nog gebeurde met de New Shepard met ‘Captain Kirk’ aan boord. Het onbekende betreden en ontdekken is mijns inziens mooi, het pionieren, exploreren en ontdekken zit verankerd in ons DNA. Inmiddels ligt het ruimtetoerisme nogal onder vuur, figuurlijk dan. Milieugroeperingen en individuele burgers begaan met milieu en klimaat doen hun zegje over deze nieuwe vorm van toerisme, die nu nog alleen toegankelijk is voor de ultrarijken, maar mogelijk in de niet al te verre toekomst meer en meer voor de gewone man bereikbaar wordt. Dat is zeker ook de bedoeling, deze bedrijven willen, nee, moeten zeer veel geld verdienen. Ook bekende personen laten zich inmiddels uit over ruimtetoerisme. Op dit moment is het Prins William van Engeland die de media op zich gericht ziet voor wat betreft kritiek op de vluchten van Jeff Bezos met zijn raket New Shepard en de impact op het milieu. De prins stelde dat er voorrang gegeven moet worden aan problemen hier op aarde.  En ook Virgin Galactic lag eerder dit jaar met zijn energie-slurpende SpaceShipTwo onder vuur in publieke milieu/klimaat-discussies, er volgde recent een stroom aan kritiek. Met de bemoeienis van invloedrijke personen wordt de discussie over ruimtetoerisme (en ruimtevaart in zijn algemeen) nog eens flink aangezwengeld. Want hoe verhoudt ruimtetoerisme zich met de huidige problematiek inzake milieuvervuiling, klimaatverandering, en koolstofvoetadrukken?  Een kort overzicht.

Credits: Blue Origin

Dit jaar was de concurrentie tussen Jeff Bezos en Richard Branson en hun ruimtevaartbedrijven en eerste toeristenvluchten dominant. SpaceX stapte dit jaar in met de Crew Dragon ‘Inspiration4’- missie, maar richt zich ook op o.a. het brengen van astronauten naar het ISS en commerciële maanreizen. Deze zullen de komende jaren plaatsvinden. Musk heeft dus grote plannen voor toerisme, zie o.a. hier. Echter, eerstgenoemde twee miljardairs stonden volop in de picture met hun korte, commerciële ruimtevluchten, en hebben ieder reeds ook persoonlijk een toeristische vlucht meegemaakt. Branson had de primeur, en liet vier toeristen (inclusief hemzelf) en twee piloten aan boord van SpaceShipTwo op 11 juli j.l. genieten. Jeff Bezos volgde rap, op 20 juli j.l. en ging mee met deze NS 16-missie. BO voerde inmiddels twee ruimtevluchten uit met ieder vier toeristen aan boord. Zoals we gezien hebben deze week, met de NS-18, was de media-aandacht groot voor de vluchten. De vluchten waren een succes en deze bedrijven hopen, met in hun kielzog nog enkele andere spelers, zie o.a. World View, de ruimte te kunnen ‘democratiseren’, zoals dat zo fraai heet. Los van het feit dat zo een dure vlucht vooralsnog voor slechts een handjevol mensen bereikbaar is – die desalniettemin ook jaren zullen moeten wachten voor een plekje – neemt met name de discussie over de ecologische impact t.g.v. deze activiteiten recent een astronomische vlucht. De bevolking wereldwijd wordt rijp gemaakt aan het idee gewend te raken, middels talloze klimaatregelingen, minder vlees te eten, meer spullen te recyclen, minder stroom te gebruiken, en als klap op de vuurpijl, iets waar velen enorm plezier aan beleven, hun (vakantie)-reizen te beperken, met name auto- en vliegreizen. En dat is dan nog slechts een deel van de veranderingen waarmee vrijwel iedereen wereldwijd te maken zal krijgen bij de energietransitie en alle milieu/klimaatregelingen die zullen volgen.

Credit: SpaceX

Ruimtetoerisme presenteert zich als een activiteit die momenteel nog nauwelijks toegankelijk is voor ‘de gewone man’ en bovendien zeer vervuilend. Het bereiken van de ruimte kost enorme veel energie, stoot veel kooldioxide uit en dit betekent een grote ecologische voetafdruk. Er worden veel soorten brandstof gebruikt en sommige zijn giftig en komen vrij tijdens de vluchten of het productieproces ervan. Het goede nieuws is dat de meeste nieuwe lanceringssystemen vloeibare brandstof gebruiken, wat in die zin minder problematisch is dan vaste stof-brandstoffen. De raketten zelf hebben vaak verschillende bestemmingsbanen rond onze planeet. VA en BO zijn suborbitale vluchten, d.w.z. ze gaan niet in een baan om de aarde, maar ze bereiken resp. een hoogte van 80 en 100 km, ervaren een korte tijd geen zwaartekracht en keren dan terug naar aarde. Zo’n type vlucht kost veel minder energie dan in een baan om de aarde gaan. Om deze reden zijn de kosten lager en is de ecologische voetafdruk kleiner. Momenteel worden er elk jaar ongeveer 100 raketten gelanceerd. Hun gecombineerde ecologische voetafdruk blijft minder dan de 100.000 vliegtuigen die dagelijks wereldwijd vliegen. Maar het ruimtetoerisme maakt een zeer sterke groei door. De impact op het milieu zou dus zeker relevant kunnen worden.

Credit: Virgin Galactic

Virgin Galactic is het eerste beursgenoteerde ruimtetoerismebedrijf. De Virgin VSS Unity vliegt op een combinatie van zeer vervuilende brandstoffen. Het SpaceShipTwo gebruikt een soort synthetisch rubber als brandstof en verbrandt dit in lachgas, een krachtig broeikasgas. De brandstof pompt koolstof in de bovenste stratosfeer, op een hoogte van 30-50 km. Daar kunnen deze deeltjes effecten veroorzaken, zoals het weerkaatsen van zonlicht en het veroorzaken van een nucleair wintereffect, tot het versnellen van chemische reacties die de ozonlaag aantasten, een laag die mensen beschermt tegen schadelijke straling. VG wil 400 vluchten per jaar wil uitvoeren. Naar schatting stoot elke vlucht van VG en BO resp. 60 en 90 ton CO2 uit. D.w.z. zo’n 8 en 15 ton per passagier. T.v. wereldwijd stoot ieder persoon jaarlijks ongeveer 4,8 ton CO2 uit, met de kanttekening dat het verschil tussen rijke en arme landen groot is. (VS 15 ton p.p., Spanje 5,4 ton p.p.). De koolstofvoetafdruk van deze suborbitale vluchten is dan ook niet extreem hoog i.v.m. die van andere activiteiten. Echter daar het slechts voor een minderheid toegankelijk is, stoot elke passagier in slechts een paar minuten tijd dezelfde hoeveelheid CO2 uit als gem. 2 of 3 mensen gedurende een jaar. (Nog t.v. één SpaceX-lancering stoot liefst 336 ton CO2 uit, genoeg om 70 keer met uw auto rond de wereld te rijden.) Vergeleken met Virgin’s SpaceShipTwo zijn Blue Origin’s raketten veel schoner, zie o.a. dit artikel en het artikel van Dr. Martin Ross, geofysicus en gespecialiseerd in commerciële ruimtevaartprojecten. Dat komt omdat de New Shepard vloeibare waterstof en vloeibare zuurstof verbrandt, de raket stoot geen koolstof uit, hoewel de productie hiervan dit weer wel doet. Ross stelt o.a.: “Volgens de margeberekeningen veroorzaakt verticale lancering met een herbruikbare NS-raket 100 keer minder ozonverlies.” Maar dit betekent niet dat de reis ‘schoon’ is. Ross: “Er is elektriciteit nodig om vloeibare zuurstof en vloeibare waterstof te maken. Je zou kunnen berekenen hoeveel elektriciteit werd gebruikt om het drijfgas te maken, en voegt eraan toe “Het hangt ervan af hoe ver terug in de toeleveringsketen je kijkt.”

Toch komen momenteel raketlanceringen als geheel niet vaak genoeg voor om significante vervuiling te veroorzaken. “De uitstoot van kooldioxide is totaal verwaarloosbaar in vergelijking met andere menselijke activiteiten of zelfs commerciële luchtvaart”, aldus NASA’s hoofd klimaatadviseur Gavin Schmidt. Maar sommige wetenschappers zijn bezorgd over het potentieel voor schade op de langere termijn, aangezien de industrie klaar is voor grote groei, met name de gevolgen voor de ozonlaag in de nog steeds slecht begrepen bovenste atmosfeer. Virgin Galactic, recent onder vuur door in de media, werd verweten dat Branson, als oprichter van VG, voor een paar minuten ‘fun’ in zo’n fossiele brandstofverslindend ruimteschip stapt, hoewel Branson pareerde dat zijn CO2-uitstoot ongeveer gelijk is aan een businessclass-ticket van Londen naar New York. Het bedrijf neemt nu stappen voor compensatie van koolstofemissie van de testvluchten en zal trachten de koolstofvoetafdruk van zijn toeleveringsketen te verkleinen. Maar terwijl trans-Atlantische vluchten honderden mensen vervoeren, komt de uitstoot van Virgin uit op ongeveer 4,5 ton per passagier in een vlucht van zes passagiers, volgens een analyse gepubliceerd door de Franse astrofysicus Roland Lehoucq e.a. in The Global Times/The Conversation. Dat is ongeveer gelijk aan autorijden in een middenklasse auto rond de aarde, en meer dan twee keer het individuele jaarlijkse koolstofbudget dat wordt aanbevolen om de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs te halen.

Is er sprake van ‘space shaming’? De impact van suborbitale lanceringen zoals die van Virgin en Blue Origin verbleken in vergelijking met de impact van raketten die een baan om de aarde bereiken. Wanneer SpaceX met de Crew Dragon vier burgers de ruimte in stuurt, gebruikt het de Falcon 9, waarvan berekeningen aantonen dat het het equivalent van 395 trans-Atlantische vluchten aan CO2-uitstoot oplevert. Deze vlucht ‘Inspiration4’ vond recent plaats in september, zie hier. De wereld is zich nu veel meer bewust van klimaat- en milieueffecten dan toen deze bedrijven begin deze eeuw werden opgericht. De bedrijven zullen beter gaan kijken naar hoe vervuiling tot een minimum te beperken door middel van schonere technologieën om het probleem het hoofd te bieden. De koolstofvoetafdruk van deze suborbitale vluchten is voorlopig dan ook niet extreem hoog in vergelijking met die van andere activiteiten. Omdat het slechts voor een minderheid toegankelijk is, stoot elke passagier in slechts een paar minuten tijd dezelfde hoeveelheid koolstofdioxide uit als gemiddeld 2 of 3 mensen gedurende een heel jaar. Meer lezen over deze materie, zie het boek Sustainable Space Tourism van Annette Toivonen. Bronnen: Eco-business, Tourism-review, Phys.org

Noorwegen wil als eerste Europees land satellieten lanceren van eigen bodem

Noorwegen wil in 2022 een satelliet lanceren vanaf eigen bodem. Het land heeft het Andøya Space Center geselecteerd als lanceerbasis, dat nu omgebouwd wordt tot ‘Andøya Spaceport’. De premier van het land, Erna Solberg liet afgelopen vrijdag 8 oktober  in een verklaring weten het project te steunen. Via de nationale omroep NRK zei Solberg: “We geven nu groen licht voor de oprichting van de lanceerbasis op Andøya. Het Andøya Spaceport zal in totaal 365 miljoen NOK (ong. 36 miljoen Euro) ontvangen”. Het Andøya Space Center is gelegen in de regio Nordland, in, niet verrassend, het noordelijk deel van het land. De CEO van het Norwegian Space Centre, Christian Hauglie-Hanssen, meent dat Noorwegen er klaar voor is om satellietlanceringen te gaan verzorgen. Hanssen stelde:Het levert voor de Noorse ruimtevaart industrie nieuwe banen op en meer omzet. Op internationale schaal is Noorwegen geen grote ruimtenatie. De Noorse ruimtevaartindustrie bestaat uit zo’n 40 grote en kleine bedrijven, die hun diensten over de hele wereld verkopen. De industrie omvat alles, van het lanceren van onderdelen en apparatuur tot satellieten, tot geld verdienen met satellietgegevens. De totale omzet ligt rond de 8 miljard NOK (ong. 800 miljoen Euro) per jaar. Verdere ontwikkeling van Andøya zal naar verwachting de positie van Noorwegen als leverancier van satellietdiensten verbeteren.” Tevens, benadrukte Hauglie-Hanssen aan NRK, dat het belangrijk is dat is dat Europa zijn eigen lanceercapaciteit heeft.

Andøya Spaceport, Nordland, Noorwegen Credits; ESA

De toenemende vraag naar satellieten en dus ook satellietlanceringen wereldwijd genereert op zijn beurt een behoefte aan meer ruimtehavens (Eng. spaceports). De Noorse ruimtevaartdeskundige Knut R. Fossum, hoofd onderzoek bij het Center for Interdisciplinair Research in Space vertelde aan NRK: “Er wordt voorspeld dat dure, grote satellieten concurrentie zullen ondervinden van kleinere en goedkopere. Er is veel te winnen, dit wordt vereenvoudigd met kleinere satellieten, vooral voor degenen die in polaire banen gaan.” Zie bv hier de plannen van OneWeb. Het Andøya Space Center is sinds de jaren zestig in gebruik voor het lanceren van weerballonnen en kleine onderzoeksraketten, en telt momenteel zo’n 80 medewerkers. Verdere ontwikkeling van Andøya zal naar verwachting de positie van Noorwegen als leverancier van ruimtevaartdiensten verbeteren. Volgens Roger Birkeland van de Noorse Universiteit voor Wetenschap en Technologie kan Andøya’s infrastructuur het mogelijk maken om internationaal concurrerend en zeer belangrijk te worden. De soepele coördinatie tussen de autoriteiten, de industrieën en het klantensegment als grote troefkaart alsmede Andøya’s positie in een dunbevolkt gebied met weinig verkeer zijn volgens deskundigen grote voordelen ten opzichte van concurrenten zoals bijvoorbeeld Portugal. De eerste satellietlancering vanuit Andøya zal naar verwachting plaatsvinden in het derde kwartaal van 2022, hetzelfde jaar dat ook Schotland en Zweden ernaar streven hun satellieten te lanceren. Zweden heeft plannen geuit een satelliet te lanceren vanuit het Esrange Space Center. Bronnen: NRK, Norwegian Space Agency

Kunnen astronomen de klimaatverandering beperken?

Credit: Tumisu/Pixabay.

Kunnen astronomen de klimaatverandering beperken? Daarover spraken Leids astronoom Leonard Burtscher en zijn collega’s op de jaarlijkse bijeenkomst van de European Astronomical Society. Voor het tweede jaar op rij was deze online. En volgens Burtscher moet dat vooral zo blijven. Tijdens een speciale sessie zette hij uiteen wat astronomen nog meer kunnen doen om het klimaatprobleem tegen te gaan. Een samenvatting is nu gepubliceerd in Nature Astronomy.

‘We kunnen moeilijk tegen het publiek en de politiek zeggen: “Er is geen Planeet B”, maar vervolgens wel op het vliegtuig springen voor de volgende internationale conferentie,’ aldus de auteurs. Samen met nog een aantal astronomen richtten zij in 2019 Astronomers for Planet Earth (A4E) op. Deze organisatie wil het vakgebied verduurzamen en helpt astronomen over de klimaatcrisis te communiceren. Dat doen ze bijvoorbeeld met behulp van workshops, conferenties en campagnes.

Begin bij jezelf, maar waar?

Om concrete stappen te kunnen zetten, berekende A4E de CO2-voetafdruk van verschillende astronomische entiteiten, zoals observatoria, instituten en conferenties. ‘Zo konden we de grootste boosdoeners eruit pikken,’ vertelt Burtscher. ‘Dat zijn elektriciteit, (intercontinentale) vluchten, nieuwe aankopen zoals computers, het verwarmen en koelen van gebouwen en bouwmaterialen.’ Verder zijn er regionale verschillen – het ene land wekt energie duurzamer op dan het ander – en verschillen per instituut – niet alle instituten zijn bijvoorbeeld goed bereikbaar per trein. Ook interessant: senior astronomen hebben een grotere voetafdruk dan beginnende astronomen. Dat komt omdat zij bijvoorbeeld vaker naar conferenties gaan.

De koolstofvoetafdruk van astronomisch onderzoek zoals bepaald voor het International Centre for Radio Astronomy Research (ICRAR) in Perth, Australië14 (linksboven), voor het Max Planck Institute for Astronomy (MPIA) in Heidelberg, Duitsland15 (rechtsboven), voor de jaarlijkse bijeenkomst van de European Astronomical Society (EAS) 2019 in Lyon, Frankrijk5 (linksonder), en voor de European Southern Observatory (ESO)13 (rechtsonder).

Dit kunnen astronomen zelf doen

Aan de hand van deze inventarisatie komt A4E met twee belangrijke manieren om uitstoot te verminderen:

  1. Overstappen op duurzame energie
  2. Minder vliegen

Burtscher: ‘We moeten af van elektriciteit die draait op fossiele brandstoffen. Zo kunnen instituten en universiteiten bijvoorbeeld hun eigen zonnepanelen aanschaffen. Daarnaast kunnen ze overstappen op een groene energieleverancier, om tekorten aan te vullen met stroom opgewekt uit wind en water.’

En daarnaast dus: minder vaak in het vliegtuig stappen. ‘Vluchten naar bijvoorbeeld conferenties zijn verantwoordelijk voor 25 tot 50 procent van de uitstoot van instituten,’ zegt Burtscher. Maar als je naar de andere kant van de wereld moet, pak je niet zo makkelijk de trein. ‘De laatste anderhalf jaar hebben we echter bewezen dat we elkaar ook kunnen ontmoeten zonder te vliegen,’ zeggen de auteurs. ‘Het is niet alleen beter voor het milieu, maar ook inclusiever, toegankelijker, eerlijker en veiliger.’ Toch begrijpen de auteurs ook dat ontmoetingen met internationale collega’s een groot pluspunt zijn van het vak. ‘We zullen een cultuurshift moeten maken. We moeten over van ‘face-to-face tenzij niet mogelijk’ naar ‘online tenzij echt noodzakelijk’. A4E wil proberen deze beweging te versnellen.

Overtuig ook het brede publiek

‘We moeten ons grote bereik gebruiken om mensen te waarschuwen voor de schade die we onze aarde toebrengen.’

Maar A4E wil nog een stapje verder gaan. ‘Hoe mooi zou het zijn als we de ernst en noodzaak van de klimaatcrisis ook duidelijk konden maken aan het publiek, de politiek en beleidsmakers?’, schrijven ze in Nature Astronomy. ‘Juist omdat het publiek zo geïnteresseerd is in het heelal, hebben we een groter bereik dan welk wetenschappelijk vakgebied dan ook. We zijn daarom verplicht dat bereik voor het goede te gebruiken. We moeten het publiek waarschuwen voor de schade die we onze aarde aandoen. We zijn geen klimaatwetenschappers, maar juist dat maakt ons standpunt neutraal, het publiek vertrouwt ons. Daarom moeten we onze stem gebruiken om op te roepen tot actie en klimaatwetenschappers te steunen.’

Terug naar een beter normaal

Volgens de auteurs moeten we de veranderingen die ons zijn opgedrongen door de corona-pandemie gebruiken om een nieuw en beter normaal te definiëren. ‘Een normaal dat ecologisch duurzaam, inclusief en eerlijk is.’ Daarbij is het belangrijk dat onderzoekers op alle carrièreniveaus en uit alle landen gelijke kansen krijgen en het eens worden op elk niveau: institutioneel, nationaal en internationaal. ‘We moeten de virtuele tools omarmen waarmee we online kunnen samenwerken, pleiten voor een rechtvaardige overgang naar duurzame energie en weigeren terug te keren naar onze verspillende praktijken uit het verleden. Wij zijn de discipline die het scherpst inziet dat er geen Planeet B bestaat: onze daden moeten met deze waarheid stroken.’

Publicatie

Burtscher, L., Dalgleish, H., Barret, D. et al. Forging a sustainable future for astronomy. Nat Astron 5, 857–860 (2021).

Bron: Leiden Observatory.

Aardkern blijkt asymetrisch te groeien maar kantelen zal ze niet

Recent geofysisch onderzoek heeft aangetoond dat de ene helft van de aardkern, een vaste metalen bol, sneller groeit dan de andere helft. De asymetrische groei zal volgens de geofysici niet leiden tot het kantelen van de Aarde. De aardkern is het bolvormige, binnenste deel van de Aarde, dat zich uitstrekt van de onderkant van de aardmantel tot aan het middelpunt van de Aarde, welke zich op ruim 6300 km diepte bevindt. De aardkern is, sinds zijn ontstaan zo’n 4,5 miljard jaar geleden, in de loop van de tijd begonnen te kristalliseren toen de temperatuur in het centrum van de planeet daalde ‘onder het smeltpunt van ijzer bij extreme druk’, een groei van ongeveer 1 mm in de straal per jaar. Nieuw onderzoek o.l.v. seismoloog Daniel A. Frost, stelt dat deze toename in omvang mogelijk asymmetrisch is en dat het oostelijke deel van de binnenkern, onder Azië, sneller groeit dan het westelijke deel van de kern dat onder Amerika ligt. De asymetrische groei komt doordat de planeet sneller warmte uit sommige delen van de binnenkern (inner core) zuigt. Maar daar de vaste binnenkern onderhevig is aan zwaartekracht die de nieuwe groei gelijkmatig verdeelt door een proces van inwendige stroming, handhaaft zich de bolvorm van de binnenkern.

Aarde opbouw Credits; NASA/SSI

Metalen kern koelt af en stolt tot homogene bol
Directe observatie van de kern, zo enorm diep, is onmogelijk. Het gecombineerd werk van seismologen, geodynamici en materiaalfysici moet meer inzicht geven in de processen aldaar. Deze studie duidt op asymetrische kerngroei, en heeft weer nieuw inzicht gegeven in de vorming van de Aarde en haar magnetisch veld. De aardkern is 4,5 miljard jaar oud, in de eerste 200 miljoen jaar trok de zwaartekracht het zwaardere ijzer naar het centrum van de planeet en liet de rotsachtige silicaatmineralen achter om mantel en korst te vormen. Bij de vorming werd veel warmte vastgelegd in de planeet en het verlies van deze warmte en de opwarming door aanhoudend radioactief verval hebben sindsdien de evolutie van onze planeet gestimuleerd. Warmteverlies in het aardse centrum drijft de krachtige stroming in de buitenste kern van vloeibaar ijzer aan, die het magnetische veld van de aarde creëert. Afkoeling in het diepe binnenste van de aarde drijft de platentektoniek aan, die het planeetoppervlak vormt. Toen de aarde in de loop van de tijd afkoelde, daalde de temperatuur in het midden van de planeet uiteindelijk onder het smeltpunt van ijzer bij extreme druk, en de binnenste kern begon te kristalliseren. De binnenkern groeit nu elk jaar met een straal van ong. 1 mm, wat neerkomt op het stollen van 8000 ton gesmolten ijzer per seconde. Over miljarden jaren leidt dit tot een compleet vaste kern, waardoor de aarde zonder zijn beschermende magnetische veld achterblijft. Er zou uit deze stolling een homogene vaste bol gecreëerd moeten worden, maar dit is niet zo. Zo’n 30 jaar geleden realiseerde wetenschappers zich dat de snelheid van seismische golven die door de binnenkern reizen onverwachts varieerde. Dit suggereerde dat er ‘iets asymmetrisch’ aan de hand was. Met name de oostelijke helften (Azië, de Indische Oceaan en de westelijke Pacific) en westelijke helften (Amerika, Atlantische Oceaan en de oostelijke Pacific) van de binnenkern vertoonden variaties in seismische golfsnelheid.

M.b.v. nieuwe seismische data, geodynamische modellering en schattingen van hoe ijzerlegeringen zich onder hoge druk gedragen, ontdekte het team dat de oostelijke binnenkern onder de Bandazee van Indonesië sneller groeit dan de westelijke kant onder Brazilië. De oorzaak is dat de planeet sneller warmte uit sommige delen van de binnenkern zuigt dan uit andere delen. Daar echter de vaste binnenkern onderhevig is aan zwaartekracht die de nieuwe aangroei gelijkmatig verdeelt door een proces van inwendige stroming, wordt de bolvorm van de kern gehandhaafd. Dit houdt in dat er geen kantelingsgevaar is, hoewel deze ongelijke groei wel wordt geregistreerd in de seismische golfsnelheden in de binnenkern van de planeet. De onderzoekers stelden ook vast dat de binnenkern (inner core) – in het centrum van de hele kern die veel eerder gevormd is – tussen de 500 miljoen en 1500 miljoen jaar oud is, relatief jong dus. Een kanttekening bij deze studie is wel dat enkele fysieke aannames van de auteurs waar moeten zijn voor deze uitkomst. Hun model werkt bv alleen als de binnenkern bestaat uit één specifieke kristallijne fase van ijzer, waarover enige onzekerheid bestaat. Maar het is niet ongewoon dat planeten helften hebben die van elkaar verschillen. De korst aan de verre zijde van de maan is chemisch verschillend van de korst aan de andere kant. En op Mercurius en Jupiter is niet het oppervlak ongelijk, maar het magnetisch veld, dat geen spiegelbeeld vormt tussen noord en zuid.

Structuur Aarde Credits; University of Austin, TX/NASA

Mysterieuze nieuwe aardlaag ontdekt
Recent werd er nog een bijzonderheid aangaande de aardkern onthuld. Geofysici van de Australian National University ontdekten dat de
binnenkern van de aarde twee afzonderlijke lagen kan hebben – i.t.t. wat algemeen werd aangenomen. De aarde bezit vier hoofdlagen; korst, mantel, de buitenste en de binnenste kern. De fysici die hun onderzoek publiceerden in het Journal of Geophysical Research, ontdekten m.b.v. een zoekalgoritme, die duizenden modellen van de massieve kern van de aarde analyseerde en vergeleek met bestaande data over seismische golven, dat de binnenkern nog een verborgen laag zou herbergen. Volgens PhD-onderzoekster Joanne Stephenson werd dit idee decennia eerder geopperd maar nooit uitgezocht. Stephenson stelt dat deze ‘binnenste binnenkern’ van de aarde er mogelijk op duidt dat er zich een onbekende gebeurtenis in de geschiedenis van de aarde heeft voorgedaan: “We hebben bewijs gevonden dat kan duiden op een verandering in de structuur van ijzer, wat misschien twee afzonderlijke afkoelingsgebeurtenissen in de geschiedenis van de aarde suggereert.” Bronnen: TheNextWeb/The Conversation/NASA/ANU/University of Austin, Texas

Krachtige meteoor explodeert en licht de hemel boven Oslo op

Gisternacht rond 1:00 NL’se tijd werden er in Noorwegen in de omgeving van de hoofdstad Oslo enkele krachtige lichtflitsen en harde knallen waargenomen ten gevolge van een meteoor. Een meteoor is een ruimterots die bij binnenkomst in onze aardse dampkring opbrand en sterk oplicht. De meteorieten zijn de stukken van de meteoor die niet opbranden en op aarde terechtkomen. Volgens het Noorse Meteoor Netwerk was de vuurbal van de meteoor te zien gedurende vijf seconden na binnenkomst zo rond 1:00 uur ’s nachts lokale tijd. Er waren inmiddels veel opnamen gemaakt, zie hier. Het netwerk schat dat de meteoor bij binnenkomst een snelheid had van 16,3 km/s, rond de 58.680 kilometer per uur. De politie ontving veel meldingen van verontruste burgers maar geen melding van verwondingen of schade. Volgens de eerste aanwijzingen moet de meteoor zijn neergekomen in een bosrijk gebied op zo’n 60 kilometer ten westen van Oslo. Beeldanalyse doet experts vermoeden dat de meteoor tenminste tien kilo zwaar was. Dat is op zich niet groot, maar wat wel uitzonderlijk is, is dat die door zoveel mensen is gezien en gehoord. De grootste meteorietinslag deze eeuw was boven Rusland, Tsjeljabinsk. Er was enorm veel schade aan gebouwen en er vielen honderden gewonden. Er werd destijds onderzocht, of de meteoor mogelijk te maken had met de passage van de asteroïde 2012 DA14 op de desbetreffende dag, maar dit bleek niet zo te zijn. Toeval of niet, afgelopen zaterdag 24 juli, passeerde er wel een asteroïde met een flinke diameter, 220 m, op een afstand van 4,7 miljoen kilometer van de aarde. De 2008 GO20, zoals zijn naam luidt, is door NASA geclassificeerd als Near-Earth Object. De asteroïde ‘2008 GO20’ raasde met een snelheid van ongeveer 28.800 km/uur richting de aarde. Bronnen: BBC, Mike Berg/Twitter, LiveScience, NASA

Overstromingen in West-Europa vanuit de ruimte in beeld gebracht

Credit: contains modified Copernicus Sentinel data (2021), processed by ESA, CC BY-SA 3.0 IGO

De hevige overstromingen die plaats hebben gevonden en die nog steeds plaatsvinden in Nederland, België en Duitsland, zijn ook vanuit de ruimte zichtbaar. Met de Europese Copernicus Sentinel-1 aardobservatiesatelliet zijn op 3 én 15 juli de rivieren in West-Europa met radar waargenomen en op bovenstaande afbeelding zie je in rood de verschillen: dat zijn de overstroomde gebieden, met name bij de Maas en Rijn. Dankzij die radar kan Sentinel-1 dwars door het wolkendek heen kijken en de toestand op het land zien. De gegevens van Sentinel worden doorgegeven aan de hulpdiensten. Bron: ESA.

Krachtigste zonnevlam in vier jaar tijd geregistreerd met radioblackout rond de Atlantische Oceaan

De grootste zonnevlam in vier jaar tijd heeft zich gemanifesteerd op drie juli j.l. De zonnevlam barstte los vanaf een zonnevlek genaamd AR2838 en is geclassificeerd als een X1-klasse vlam door het US Space Weather Prediction Center (SWPC). Dit betekent dat de zonnevlam het helderste en grootste type in zijn soort was – groot genoeg om een korte radiostoring op aarde te veroorzaken. Deze uitbarsting van röntgenstraling reisde zaterdagmiddag met de snelheid van het licht naar de aarde, botste, na zo een acht minuten, tegen de bovenlaag van de aardse atmosfeer en veroorzaakte een radioblackout boven de Atlantische Oceaan en de kustgebieden. De blackoutkaart hier laat zien waar radio-operators rond 15:30 UTC (17:30 NL’se tijd) de blackout hebben opgemerkt, zie bv hier in het Noorse Lofoten.  Zonnevlammen worden gecategoriseerd in A, B, C, M of X. A’s zijn de kleinste en de X-klasse vertegenwoordigen de grootste en helderste klasse van zonnevlammen.

Zonnevlek met vlam AR2838 Credits; NaSA/SDO

Op NASA’s Spaceweather stelde astronoom Tony Phillips dat de zonnevlam vrij plotseling opkwam: “Yesterday it did not even exist, highlighting the unpredictability of solar activity.” Een zonnevlam is een intense uitbarsting van straling is die voortkomt uit het vrijkomen van magnetische energie geassocieerd met zonnevlekken. Zonnevlekken zijn tijdelijk aanwezig donkere plekken op de zon, die ten opzichte van hun omgeving minder heet zijn, in afmeting variërend van enkele tot duizenden kilometers. De zon kent perioden met veel en weinig zonnevlekken, die elkaar afwisselen, de zogeheten zonnecycli. Gedurende de perioden met de meeste zonnevlekken spreken we van een zonnevlekkenmaximum en de perioden met geen of nauwelijks zonnevlekken staan bekend als zonnevlekkenminima. Zonnevlammen zijn de grootste explosieve gebeurtenissen in het zonnestelsel, ze kunnen enkele minuten tot enkele uren aanhouden. De zonnevlam van 3 juli was de eerste X-klasse vlam die de zon produceerde sinds zich in december 2019 een nieuwe zonnecyclus aanving. Tijdens de zonnecyclus ’24’ produceerde de zon 49 X-flares. En daarom verwachten wetenschappers nog tientallen X-flares als de zon tegen het jaar 2025 het zonnemaximum nadert. In het verleden hebben sterke zonnevlammen en coronale massa-ejecties (CME’s) wijdverbreide stroomstoringen en communicatiestoringen op aarde en de satellieten in de ruimte veroorzaakt. Zijn we voorbereid op komende zonnestormen? Lees hier meer over op Ethan Siegels recente blog over CME’s in ‘Ask Ethan’. Deze zonnevlek ‘AR2838’ verdween ook weer snel, op 3 juli bewoog de zonnevlek zich naar het noordwestelijke deel van de zon en zal zich de komende twee weken naar de andere kant van de ster verplaatsen. Bronnen: NASA/SDO, NOAA, Spaceweather PC, Forbes, Space.com.

Eerste Nederlandse militaire nanosatelliet gelanceerd door Virgin Orbit

Virgin Orbit heeft gisteravond een nanosatelliet van de Nederlandse luchtmacht gelanceerd. Het betreft de experimentele BRIK-II-nanosatelliet. De lancering vond plaats met een LauncherOne-raket, en werd uitgevoerd vanaf een Boeing 747, genaamd ‘Cosmic Girl’. De satelliet is een zogenaamde CubeSat die de afmeting van een pak melk heeft. De Nederlandse luchtmacht werkte voor de ontwikkeling van de satelliet samen met het Delftse bedrijf ISISPACE, de Technische Universiteiten van Delft en Oslo, en het Koninklijke Nederlandse Luchtvaartcentrum. Naast de Nederlandse BRIK-II gingen er ook nog drie satellieten mee van het Amerikaanse ministerie van Defensie, zie deze aankondiging op Virgin Orbit. De BRIK-II geldt voor de Nederlandse Luchtmacht vooral als een experiment.

BRIK II credits; defensie

De BRIK-II kan radio- en gps-signalen en verstoringen in de atmosfeer detecteren. Daarnaast helpt de nanosatelliet ook met het verzamelen van informatie over het gebruik van radioverkeer in een missiegebied en heeft de BRIK-II een systeem voor het versturen van berichten over een ultra-hoge frequentie. Mobiele radiostations kunnen daardoor via een veilige verbinding berichten met elkaar en de BRIK-II uitwisselen. Zo moet het nog sneller informatie over het slagveld vergaren. De ideeën voor de Nederlandse ruimtemissie bestaan al een lange tijd. In 2017 kondigde de Landmacht aan om een eigen satelliet de ruimte in te sturen. De bedoeling was dat deze al in 2019 gelanceerd zou worden, maar dat gebeurt nu dus twee jaar later. Het budget voor de gehele missie inclusief lancering via Virgin Orbit is zo’n 2,5 miljoen. De satelliet moet zo’n drie jaar operationeel zijn. Elk jaar langer ziet Defensie als een meevaller.

Virgin Orbits; s Cosmic girl Long Beach Airport Credits; Wikimedia Commons

De lancering vond plaats met een LauncherOne-raket. De LauncherOne werd gelanceerd vanaf een Boeing 747. Het voordeel hiervan is dat men bij de lancering minder afhankelijk is van het weer en dat men makkelijker de baan van de raket kan kiezen. Naast dat dit eerste satelliet is voor de Nederlandse Luchtmacht, is er nog iets unieks aan de vlucht. Virgin Orbit en de Nederlandse luchtmacht testen voor het eerst late-load-integration. Daarbij wordt de satelliet pas kort voor de lancering aan de raket gekoppeld. De resultaten willen de Luchtmacht en Virgin Orbit delen met hun partners. BRIK-II is vernoemd naar het eerste Nederlandse militare vliegtuig gestationeerd op Soesterberg. Bronnen: Virgin Orbit, Tweakers, Want, defensie.nl

Boekrecensie van ‘UFO’s: generaals, piloten en regeringsvertegenwoordigers verbreken het stilzwijgen…’

In deze recensie bespreek ik beknopt het boek van de Amerikaanse onderzoeksjournaliste en schrijfster Leslie Kean (NYT, Boston Globe) dat handelt over UFO-meldingen wereldwijd en het (gebrek aan) onderzoek hierover, waarbij Kean de periode bestrijkt tussen 1976 en 2007. Deze periode is niet willekeurig gekozen maar beslaat grofweg de tijd na afsluiting van het bekende Amerikaanse UFO Blue Book-onderzoek en eindigt voor de start van het AATIP-onderzoek (2007-2012), beide zijn geïnitieerd door de Amerikaanse regering. Kean onderzoekt UFO-documentatie op het moment van schrijven en publicatie van dit boek (1ste druk 2010, Eng; UFO’s: Generals, Pilots and Government Officials Go on the Record) dan al ruim tien jaar en publiceerde er geregeld over. Keans interesse voor het UFO-thema kwam nadat ze in 1999 benaderd werd door een Franse journaliste die had gepubliceerd over het Cometa-onderzoek (1996-1999), een reeks UFO-meldingen onderzocht door het Franse leger. Kean publiceerde een dergelijk artikel over Cometa, Engelstalig, in de Boston Globe in mei 2000. Beide artikelen waren bedoeld om zowel Europa als de VS te waarschuwen UFO-meldingen serieus te nemen en gezamenlijk te onderzoeken met name m.b.t. de nationale veiligheid. Leslie Kean is tevens een van het drietal journalisten die in 2017 het spraakmakende artikel ‘Glowing Auras and ‘Black Money’: the Pentagon’s Mysterious U.F.O. Program’ schreven, gepubliceerd op 16 december in de NYT. Dit betrof UFO-onthullingen en onderzoek van en door het Amerikaanse leger. (Zie op Astroblogs ook deze ‘Recap‘, een selectie artikelen gerelateerd aan het NYT-artikel, samengesteld in aanloop naar het UAP-rapport en documentatie die, in het kader van nieuwe wetgeving, de Covid Relief Bill, mogelijk eind juni zal verschijnen). Door het artikel uit de NYT en de gegenereerde media-aandacht gingen meer politici en vertegenwoordigers van onderzoekscommissies informatie vragen, en uiteindelijk zag het Pentagon zich genoodzaakt een officiële verklaring omtrent de onthullingen te geven. Kean startte reeds voorafgaand aan de verschijning van dit boek een eigen organisatie, genaamd ‘Coalition for Freedom of Information’, afgekort CFi (link geeft nu error) en ze werkte mee aan documentaires. Het werk van Kean is met name een oproep om meer transparantie van de overheid naar het publiek m.b.v. UFO-meldingen, en meer gedegen onderzoek. Tevens doe ik in deze blog een uitstapje naar het Amerikaanse boek ‘Skunk Works‘, geschreven door Ben R. Rich en Leo Janos (Back Bay, 1994) waarin uitgebreid verteld wordt over de ontwikkeling van de stealth bommenwerper F-117A bij Lockheed’s Skunk Works. Dit vliegtuig duikt in Keans boek op en wordt in verband gebracht met de UFO-meldingen.

Foto 15 juni 1990, gepubl. in 2003 J. Henrardi, Belgisch Wallonie, Wikimedia Commons

Voorwoord, Cometa, ‘in ieders belang’
Het voorwoord is van de Amerikaanse politiek adviseur John Podesta jr. (1949-). Podesta was stafchef op het Witte Huis tijdens de regering Clinton, en is tevens enkele jaren adviseur voor voormalig president Obama geweest. Podesta staat te boek als een pleitbezorger voor meer transparantie over UFO-meldingen en documentatie van de kant van de Amerikaanse regering. In 2002 op een nieuwsconferentie georganiseerd door Kean’s organisatie CFi, verklaarde Podesta destijds: “It is time for the government to declassify records that are more than 25 years old and to provide scientists with data that will assist in determining the real nature of this phenomenon.” Kean vertelt in de inleiding van haar boek hoe ze zo neutraal, d.w.z. onbevooroordeeld, de verhalen van de UFO-getuigen wil aanhoren, onderzoek doen, en met name de periode na Blue-Book en voor het AATIP wil onderzoeken, (1976-2007), daar deze periode (schijnbaar) het minst onderzocht is. In het algemeen, zo stelt Kean, kwamen destijds UFO-meldingen overal ter wereld voor, kwamen ‘ze’ zowel in ‘golven’ en als ‘individuele’ objecten, in allerlei vormen, en gaat ze in op de definitie van UFO versus UAP. Kean stelt dat deze termen op hetzelfde neerkomen. Kean startte haar eigen onderzoek nadat ze een Engelstalige versie van het Cometa-rapport overhandigd had gekregen. Het rapport dat door Franse generaals en CNES was samengesteld aan de hand van UFO-meldingen. De bedoeling was dat Kean over Cometa zou publiceren in een grote krant, i.d. de Boston Globe, en haar artikel verscheen in mei 2000. Met dit rapport wilde het Franse leger en het CNES druk op de VS uitvoeren voor meer samenwerking  om UFO’s verder te onderzoeken met name m.b.t. de nationale veiligheid.

Indeling, de Belgische UFO-golf
Het boek is opgezet in drie grote delen (‘objecten van onbekende oorsprong’, uit plichtsbesef’, en ‘een oproep tot handelen’), en telt, exclusief een index van personen en de aanvullende noten en verwijzingen naar alle literatuur en websites, 310 bladzijden. Het boek bevat redelijk wat foto’s (allen zwart/wit) en illustraties van UFO’s gemaakt door ooggetuigen. Het boek gaat uit van de volgende standpunten: Kean is zelf overtuigd van het bestaan van UFO’s, ze wil beschrijven hoe ze worden onderzocht, ze vraagt zich af waarom het thema zoveel hoon opwekt en wil tevens een oproep doen voor meer (internationale) samenwerking c.q. onderzoek op dit gebied. Het eerste deel ‘objecten van onbekende oorsprong’ bevat tien hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken betreffen louter de UFO-golf in België, volgens Kean een van de best gedocumenteerde UFO-series ooit. Voormalig generaal bij de Belgische luchtmacht en NATO-strateeg Wilfried De Brouwer vertelt in dit deel over de twee jaar durende UFO-golf, welke begon eind 1989. Destijds werd De Brouwer door de Belgische Minister van BuZa gevraagd zich om deze UFO-meldingen te bekommeren. In totaal was er sprake van 2000 ooggetuigenverslagen van ‘meest driehoekige’, ‘snelbewegende, uiterst stille en met zeer felle lampen uitgeruste’ vliegende objecten, en de meeste werden ’s nachts waargenomen. Ze leken te zweven (soms laag boven de grond 30-40 m), acceleren, enz. boven het gebied rond Luik (en later ook Brussel), op enkele kilometers vanaf de Duitse grens. Van 500 meldingen kon de oorsprong en aard niet verklaard worden.

Skunk Works, Lockheed’s F-117A, NARCAP
Kean gaat in op het feit dat er in 1975 in het uiterste geheim in Californië bij Lockheed’s Skunk Works (project Have Blue, projectleider Ben Rich), gestart wordt met de ontwikkeling van de F-117A Nighthawk, de eerste Amerikaanse lichte precisiebommenwerper met stealtheigenschappen. Het toestel is het summum in stealth technologie en driehoekig van vorm. Het is juist in deze periode, 1982-1992, dat deze vliegtuigen van de band rollen en er worden er enkele tientallen in het buitenland gestationeerd, ook in Europa. Het boek ‘Skunk Works’ van Rich gaat grotendeels over de ontwikkeling van de F-117A. Zou het mogelijk zijn dat bijvoorbeeld in België enkele van de 2000 UFO-meldingen te maken had met de aanwezigheid van Nighthawks? Rond die periode, in de jaren ’90, zo speculeert Kean, is de VS verwikkeld in enkele heftige oorlogen, o.a. in de Golfoorlog (1991, Desert Storm), en in voormalig Joegoslavië (Operation Allied Force). Zouden deze strijdtonelen een verband houden met de UFO-meldingen? Echter, generaal de Brouwer zelf twijfelt niet, en houdt deze mogelijkheid (een F-117A, of de Marke-B2 aanzien voor een UFO) voor uitgesloten. De Brouwer stelt dat een land steevast wordt geïnformeerd over missies met prototypen van geavanceerde vliegtuigen. In 1992 sluit de Belgische minister van BuZa het UFO-onderzoek af. Enkele hoofdstukken van het boek behandelen individuele gevallen, waarbij Kean met name ingaat op de UFO-encounters van resp. twee jachtvliegers van de Iranese luchtmacht in 1976 (Parwis Dschafari) en in 1980 van een Chileense luchtmachtpiloot (Oscar St. María Huertas). Kean kwam er later achter dat, ook al had de VS geen eigen officieel UFO-onderzoek meer lopen, de VS wel degelijk in beide encounters zeer veel interesse had daar beide jachtvliegers de UFO onder vuur genomen hadden. Verder besteed Kean de nodige aandacht aan de O’Hare-encounter (7 november 2006, O’Hare vliegveld Chicago), met name daar de berichtgeving hierover minimaal was. De afwikkeling van het O’Hare UFO-incident toont, volgens Kean, de ‘verdoezelstrategie’ van luchtvaart- en overheidsdiensten inzake UFO-meldingen. De FAA deed het later af als een ‘hole punch cloud‘. Verder schrijft ze, om de sprong te maken van de veiligheid in het luchtruim naar UFO-onderzoek, over de oprichting van NARCAP (National Aviation Reporting Center on Anomalous Phenomena). Dr. Richard Haines, destijds medewerker van NASA, en betrokken geweest bij grote ruimtevaartprojecten als Apollo en Skylab, maakte zich zorgen over de UFO-meldingen m.b.t. de veiligheid van het luchtruim. Met enkele collega’s uit de lucht- en ruimtevaart richtte Haines in 2000 een database op (resultaat 3400 UAP-meldingen) en stelt zijn team Haines een rapport samen waarin 100 meldingen van piloten uitgebreid behandeld worden. Veel van deze personen wiens incidenten, hetzij beschreven door Kean in haar boek, hetzij door een eigen verslag in het boek geplaatst, zijn in 2007 op een UAP-conferentie, mede georganiseerd door Leslie Kean, samengekomen en hebben elkaar ontmoet en informatie uitgewiseld over de UAP-incidenten.

Nieuw-Zeeland, Omarama, ‘whole punch cloud’ wikimedia commons

UFO-onderzoek in de VS versus onderzoek in Frankrijk, het VK, Zuid-Amerika e.a.
In het tweede deel van het boek, getiteld ‘uit plichtsbesef’ behandelt Leslie Kean het opstarten van het UFO-onderzoek in de jaren ’40 door de Amerikaanse regering na vele meldingen van onbekende objecten in het luchtruim. Kean beschrijft de houding van het leger, en hoe deze zich ontwikkeld. Rapporteerde men vooreerst feitelijk en onbevooroordeeld de meldingen, later moest alles zoveel mogelijk verklaard worden, hoe vergezocht sommige verklaringen ook waren. De bal m.b.t. officieel onderzoek in de VS begon te rollen met de beroemde memo van USAF generaal Nathan Twining ‘Flying Saucers’, uit 1947, gericht aan het Pentagon. Het project ‘Blue Book’ werd opgestart. Alle inlichtingendiensten werden erbij betrokken en de DCI (Director of Central Intelligence) werd de spil in het grote UFO-informatieweb. De regering zag de noodzaak tot gedegen onderzoek, de nationale veiligheid was daarbij het leidende motief. De koude oorlog was immers in volle gang. Wetenschappers uit diverse disciplines werden bij het onderzoek betrokken en de belangrijkste onder hen was de astronoom J. Allen Hynek jr. (1910-1986). Kean benadrukt hoe dit onderzoek, met als afsluiting het in 1969 verschenen Condon-rapport, steevast meer en meer geleid werd vanuit de motieven ‘opheldering’ en ‘diskreditering’, alles moest opgehelderd worden. Als voorbeeld geef Kean de propaganda-woede rondom UFO’s; alle films, boeken enz. met UFO’s moesten een verklaring paraat hebben. De dynamiek rondom UFO’s kwam met het Condon-rapport tot stilstand. Daarop vergelijkt Kean de houding van de Amerikaanse leger en inlichtingendiensten met het UFO-onderzoek in Frankrijk, het VK en enkele landen in Zuid-Amerika. Kean benadrukt dat de houding van bijvoorbeeld een land als Frankrijk totaal anders is, open en onderzoeksgericht, en de organisatie die zich ermee bezighoudt GEIPAN, is onderdeel van het CNES. GEIPAN betrekt al in een vroeg stadium wetenschappers bij de onderzoeken, zijn niet terughoudend in het delen van data, en misschien wel het belangrijkste, ze sturen jachtvliegers naar de plekken van de UFO-encounters voor onderzoek ter plaatse. Kean bespreekt uitgebreidt het Cometa-onderzoek dat liep van 1996 tot 1999, projectleider van Cometa was destijds Jean-Jacques Velasco. Verder gaat Kean in op wat wel het Engelse ‘Roswell-incident’ wordt genoemd. In december 1980 trof luchtmachtpersoneel nabij hun basis (dubbelbasisWoodbridge/Bentwaters) in het Rendlesham Forest vreemde, helverlichte vliegende objecten aan. In Kean’s boek doen zowel voormalig USAF-medwerkers James Penniston alswel onderzoeksleider Charles L. Halt hun relaas. Kean toont het logboek van Penniston met aantekeningen van driehoekige objecten waarop symbolen zijn aangebracht. Ze konden het object aanraken, voelden zwakstroom in hun armen en vergeleken het met de pupil van een menselijk oog. De getuigen maakten melding bij het US Office of Investigation maar de ervaringen werden afgedaan o.a. als ‘hallucinaties’ o.i.d.

In het derde deel van het boek ‘een oproep tot handelen’ bespreekt Kean uitgebreid het stilzwijgen en de heimelijke houding inzake UAP-meldingen van de kant van de Amerikaanse regering, met in haar kielzog de betrokken organisaties, NASA, FAA, en de inlichtingendiensten. Hiermee, aldus Kean, wordt juist de schijn gewekt als zouden ‘zij’ iets heel bijzonders voor ‘ons’, het publiek, geheim houden. Ook stelt Kean dat zij mogelijk bewijs heeft gevonden, aan de hand van een Engels document, dat de VS middels de USAP (Unacknowledged Secret Area Program) wel degelijk, continu UFO-onderzoek door alle decenna, sinds de afsluiting van Blue Book heeft gedaan. Er zou een soort commissie ‘stiekum’ bestaan, met personen uit allerlei ambtelijke gremia die op de hoogte werd gehouden van de ontwikkelingen op UAP-gebied. Uit angst, wantrouwen of misschien juist uit veiligheidsoverwegingen zou dit onderzoek geheim zijn geweest en gebleven. Deze ‘verdoezelcampagne’ kan er, aldus Kean, zelfs mogelijk op duiden dat USAP zelf exotische technologiën en nieuwe fysica m.b.t. de ontdekte UAP’s aan het doorgronden is. Pas, en Kean vergelijkt het met ‘holenmensen die erachter moeten komen hoe een TV-toestel werkt’ nadat er duidelijk geen gevaar bestaat voor de mensheid zou openbaring volgen. Echter, en zo geeft zij ook zelf toe, blijft het bij speculatie, maar, zo concludeert ze, het is wel juist aan deze houding te danken dat het publiek tenslotte na al die decennia zelf op zoek gaat naar verklaringen, en eigenhandig gaan onderzoeken en documenteren. Als aanloop naar het komend UAP-rapport is het zeker interessant nog eens te lezen in dit boek over de periode tussen Blue Book en AATIP in. En verder, staan wij dan nu echt aan de vooravond dat de Amerikaanse regering openheid van zaken gaat geven. we zullen nog even geduld moeten hebben…Bronnen: L. Kean, CNES, NARCAP, NYM, e.v.a.

Voilà! Fysici creëren Jupiter’s heliumregen in het lab

De atmosferen van gasreuzen, zoals Jupiter en Saturnus, bestaan voornamelijk uit waterstof en helium. Recent heeft een internationaal team onderzoekers van de Universiteit van Rochester e.a. een bijna 40 jaar oude voorspelling gevalideerd die stelt dat helium aldaar onder bepaalde omstandigheden vloeibare druppeltjes zou vormen en neerregenen. Echter experimenteel bewijs voor deze heliumregen ontbrak tot nu toe. Maar nu heeft een internationaal team fysici de extreme omstandigheden die heersen op de gasreuzen na weten te bootsen, en voilà, er kon heliumregen worden geproduceerd. De resultaten van dit onderzoek, waarbij een mengsel van waterstof en helium onder hoge druk werd bewerkt voor de ‘heliumregen’ is recent gepubliceerd in het wetenschappelijk journal Nature.

Jupiter. Bij de drukken en temperaturen die aanwezig zijn in de gasreus, mengen waterstof en helium die het grootste deel van de atmosfeer vormen zich niet. Dat suggereert dat diep in de atmosfeer van Jupiter, waterstof en helium zich scheiden, waarbij zich heliumdruppels vormen die dichter zijn dan de waterstof, waardoor ze neerregenen. Credits;JPL-Caltech/NASA, SwRI, MSSS/Prateek Sarpal

Het team, bestaande uit onderzoekers van de Universiteit van Rochester, UC Berkeley, het Lawrence Livermore National Lab en van de Franse Alternative Energies and Atomic Energy Commission, voerde het experiment uit in het Laboratory for Laser Energetics (LLE) aan de Universiteit van Rochester. Om te beginnen gebruikte men diamanten aambeeldcellen om een ??mengsel van waterstof en helium te comprimeren tot 4 gigapascal (GPa; ongeveer 40.000 keer de atmosfeer van de aarde). Vervolgens vuurde het team 12 zeer krachtige laserstralen van de in LLE’s Omega Laser af om sterke schokgolven te veroorzaken om het mengsel verder te comprimeren, tot een einddruk van 60-180 GPa. Hierbij liepen de temperaturen op tot tussen de 4425 °C en 9925 °C. Toen de onderzoekers de reflectiviteit van het signaal bestudeerden, vertoonde de gassen aanwijzingen dat de elektrische geleidbaarheid op bepaalde punten snel veranderde. (In een paper dat in 2011 werd gepubliceerd, stelden LLNL-wetenschappers reeds voor om veranderingen in de optische reflectiviteit te gebruiken als aanwijzing voor het ontmengingsproces). Deze veranderingen duidden erop dat het helium en waterstof uit elkaar gingen, waardoor het helium samenklonterde tot druppeltjes in de waterstof. Daar deze druppels iets zwaarder zijn, zouden ze vervolgens als regen door de atmosfeer zinken – precies zoals voorspeld. Co-auteur van de studie, Gilbert Collins stelt: “Onze experimenten suggereren dat diep in Jupiter en Saturnus heliumdruppels door een enorme zee van vloeibaar metallisch waterstof vallen.” Iets om nog eens in het achterhoofd te houden als we ooit naar Jupiter in de nachtelijke hemel turen. Helium is niet het enige ongewone weer dat in de atmosfeer van andere, ook wel buiten het zonnestelsel gelegen, planeten voorkomt. Astronomen hebben eerder bewijs gevonden van ‘buitenaardse’ regenbuien van diamant op Neptunus en wolken van robijn op exoplaneet Hat-p-7b. Bronnen: Universiteit van Rochester, SciTechDaily, NASA/JPL,Sciencenews