Grootste cluster van sterrenstelsels ontdekt in het vroege heelal met GRANTECAN

Enkele leden van de cluster uitvergroot. Credit: NASA/ESA/GOODS-N+3DHST+CANDELS Team/Daniel López/IAC

Sterrenkundigen hebben een cluster van sterrenstelsels ontdekt dat maar liefst 12,5 miljard lichtjaar (roodverschuiving z=5,2) van ons verwijderd is en dat het grootste cluster is dat (tot nu toe) bekend is in het vroege, primitieve heelal. Het team van sterrenkundigen, dat onder leiding stond van Rosa Calvi (Instituto de Astrofísica de Canarias), vond de cluster met behulp van GRANTECAN, da’s de Gran Telescopio Canarias op de Canarische Eilanden. Met het OSIRIS instrument verbonden aan die telescoop vonden ze de cluster, die de grootste dichtheid van sterren telt in vergelijking met andere clusters in het vroege heelal. Eén van de leden van de cluster, HDF850.1, was al in 2012 ontdekt, een sterrenstelsel met een hoge snelheid van stervorming, liggend in een stukje van de sterrenhemel dat bekend staat als ‘Hubble Deep Field/GOODS-North‘.

Dat is ‘,, GRANTECA< de Gran Telescopio Canarias. Credit: Daniel López/IAC.

Nader onderzoek in het kader van SHARDS (Survey for High-z Absorption Red and Dead Sources) liet zien dat HDF850.1 deel blijkt te zijn van de cluster van een paar dozijn sterrenstelsels. HDF850.1 is het centrale stelsel ervan en eigenlijk is het de enige die een hoge stervorming kent – de andere protostelsels in de cluster blijken een normale stervorming te hebben. De cluster kwam al voor toen het heelal nog maar 10% van z’n huidige leeftijd had. Men denkt dat PCl-HDF850.1, zoals de cluster wordt genoemd, in het hedendaagse heelal ongeveer de grootte van de Virgocluster zou hebben, waar de Lokale Groep van de Melkweg en het Andromedastelsel ook toe behoren. Hier het vakartikel over de waarnemingen aan PCl-HDF850.1, verschenen in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: IAC.

Waar is het superzware zwarte gat in het centrale sterrenstelsel van cluster Abell 2261 gebleven?

Röntgenstraling (paar) en optische en IR-straling (wit) van de cluster Abell 2261. Credit: X-ray: NASA/CXC/Univ of Michigan/K. Gültekin; Optical: NASA/STScI and NAOJ/Subaru; Infrared: NSF/NOAO/KPNO

Alle sterrenstelsels hebben in hun kern een superzwaar zwart gat. Nou ja, bijna allemaal dan. Het grote sterrenstelsel A2261-BCG (‘Abell 2261 Brightest Cluster Galaxy’) in het midden van Abell 2261, een cluster van vele sterrenstelsels 2,7 miljard lichtjaar van ons vandaan in het sterrenbeeld Hercules, lijkt echter vreemdgenoeg géén superzwaar zwart gat te hebben. Berekeningen laten zien dat A2261-BCG een zwart gat met een massa van ergens tussen de 3 en 100 miljard (!) zonsmassa zou moeten hebben, maar waarnemingen met de Hubble ruimtetelescoop en Chandra röntgen-ruimtetelescoop geven geen aanwijzingen dat zo’n zwart gat zich daar bevindt. Je zou bijvoorbeeld röntgenstraling verwachten als er materie dat wordt aangetrokken in het zwarte gat valt en in de omringende accretieschijf tot enorme temperaturen en snelheden wordt gebracht. Het zou kunnen dat het centrale sterrenstelsel van de cluster inderdaad geen superzwaar zwart gat heeft, omdat dat zwart gat na een botsing van A2261-BCG met een ander sterrenstelsel (waarin zich een ander superzwaar zwart gat bevond) is weggestoten. Sterrenkundigen noemen dat een ‘recoil’, als door de zwaartekrachtwerking de twee zwarte gaten eerst samensmelten, om vervolgens als het ware te worden weggekaatst.

Credit: NASA/CXC, NASA/STScI, NAOJ/Subaru, NSF/NRAO/VLA

Er zijn twee aanwijzingen dat zoiets inderdaad gebeurd is: de eerste is dat het centrale deel van A2261-BCG, de plek in het stelsel waar het maximale aantal sterren per eenheid gehaald wordt, zeer groot is, véél groter dan wat men zou verwachten. De tweede aanwijzing is dat er 2000 lichtjaar van de kern van A2261-BCG vandaan een zeer dichte concentratie van sterren is. Als de twee superzware zwarte gatan nog in de fase zijn van nadering tot elkaar worden vele sterren in de buurt weggeslingerd en dat heeft die grote kern van A2261-BCG opgeleverd. Het vreemde is dat ook die andere dichte concentratie van sterren geen piek van röntgenstraling oplevert, dus waarschijnlijk bevindt het superzware zwarte gat zich daar ook niet. Waar is ‘ie dan wel?

Hier is het vakartikel over het onderzoek aan A2261-BCG, te verschijnen in een tijdschrift van de American Astronomical Society. Bron: Chandra.

Astronomen zien gigantische botsingen van clusters van sterrenstelsels in jong heelal

Afbeelding van een cluster van verre sterrenstelsels op 7 miljard lichtjaar van de aarde. De meeste geelwitte vlekken zijn complete sterrenstelsels, sommige vlekken zijn sterren in de voorgrond. De röntgenstraling (blauw) komt van gas van zo’n 10 miljoen tot 100 miljoen graden heet. De radiostraling (rood) is van deeltjes die tot bijna de lichtsnelheid zijn versneld. (c) PanSTARRS/NASA/ Chandra/LOFAR.

Een internationaal team van onderzoekers onder Leidse leiding heeft negen gigantische botsingen in kaart gebracht van clusters van sterrenstelsels. De botsingen vonden zeven miljard jaar geleden plaats en konden worden waargenomen omdat ze deeltjes versnellen tot grote snelheden. Het is voor het eerst dat botsingen van zulke verre clusters zijn bestudeerd. De onderzoekers publiceren hun bevindingen maandagavond 2 november in het vakblad Nature Astronomy.

Clusters van sterrenstelsels zijn de grootste structuren in het heelal. Ze kunnen bestaan uit duizenden sterrenstelsels met elk miljarden sterren. Als zulke clusters samensmelten dan worden de elektronen die zich tussen deze clusters bevinden, versneld tot bijna de lichtsnelheid. Deze deeltjes zenden vervolgens radiostraling uit als ze in contact komen met magneetvelden in de clusters.

Tot nu toe waren telescopen niet sterk genoeg om de radiostraling van verre botsende clusters op te vangen. Maar dankzij het Nederlands-Europese netwerk van aan elkaar geschakelde LOFAR-antennes en een ‘belichtingstijd’ van acht uur per cluster konden de onderzoekers voor het eerst gedetailleerde gegevens verzamelen van verre clusters.

Uit de gegevens blijkt onder andere dat de radiostraling van verre botsende clusters veel helderder is dan gedacht. Volgens de heersende theorieën komt de radiostraling van deeltjes die worden versneld door turbulente wervelingen. Onderzoeksleider Gabriella Di Gennaro, promovenda aan de Universiteit Leiden voegt toe: “We denken dan ook dat de turbulentie en de wervelingen die bij de botsingen ontstaan, sterk genoeg zijn om de deeltjes ook in het jonge heelal te versnellen.”

Verder bleken de magneetvelden in de verre clusters ongeveer net zo sterk als in eerder onderzochte nabije clusters. Volgens medeauteur en magneetveld-expert Gianfranco Brunetti (INAF-Bologna, Italië) was dat onverwacht: “We weten nog niet hoe die magneetvelden zo sterk kunnen zijn in een nog jong heelal, maar door ons onderzoek komen we wel dichter bij een oplossing. We hopen dat toekomstige waarnemingen aan verre clusters meer inzicht geven.” Bron: Astronomie.nl.

Je verwacht ’t niet: slijmzwammen geven meer inzicht in grootschalige structuren heelal

Simulatie van grootschalige structuren van het heelal door middel van een slijmzwam algoritme. Credit: NASA, ESA, and J. Burchett and O. Elek (UC Santa Cruz).

“De slijmzwammen (Mycetozoa) zijn een groep eukaryote organismen, die zich voortplanten door middel van sporen” – aldus Wikipedia. Tsjonge, wie had kunnen denken dat slijmzwammen ons meer inzicht hebben geboden in de grootschalige structuren van het heelal, het kosmische web van dichtbevolkte cluster van sterrenstelsels met daartussen lege ruimtes.

Slijmzwammen (Latijn: Physarum polycephalum) zijn eencellige organismen die op zoek naar voedsel complexe, webachtige vertakkingen kunnen maken, vol met lange filamenten. Die filamenten tref je ook aan bij het kosmische web van sterrenstelsels, die elkaar door middel van de zwaartekracht – van zowel gewone materie als donkere materie – in een gravitationele greep houden. Tussen deze twee is een geheimzinnige relatie, de ene het gevolg van biologische evolutie, de ander het gevolg van de zwaartekracht.

Impressie van het kosmische web. Credit: Volker Springel (Max Planck Institute for Astrophysics) et al.

Een team van sterrenkundigen, dat onder leiding stond van Joseph Burchett van de University of California (VS), heeft nu de filamenten van slijmzwammen gebruikt om meer te weten te komen over de filamenten in het lokale heelal, een gebied dat een straal van 100 miljoen lichtjaar vanaf de aarde heeft. Probleem tot nu toe was dat men de filamenten van (donkere) materie wel goed in kaart heeft gebracht, maar dat het koele gas in en tussen de filamenten te lichtzwak is om waar te nemen en daarmee in kaart te brengen. De wijze waarop slijmzwammen filamenten maken werd door de sterrenkundigen vertaald in een computeralgoritme en dat werd vervolgens gebruikt om een simulatie van te maken van de filamenten van het kosmische web in het lokale heelal. Daarbij maakte men gebruik van de gegevens van 37.000 sterrenstelsels, vergaard in het kader van de Sloan Digital Sky Survey (SDSS). Ook werd het licht van 350 ver verwijderde quasars gebruikt, dat in het kader van het Hubble Spectroscopic Legacy Archive werd verzameld. In het spectrum van dat licht zit ook een signaal van waterstofgas, dat tussen de quasar en de aarde in verscholen zit.

Uit de simulatie op basis van het slijmzwam algoritme en de SDSS en Hubble gegevens kwam naar voren dat ook het gas in filamenten voorkomt, tot afstanden van meer dan 10 miljoen lichtjaar van de sterrenstelsels. Ook blijkt dat het zwakke ultraviolette licht van het gas sterker wordt in de dichtere delen van de filamenten, maar dat het opeens verdwijnt. Men vermoedt dat het gas daar op een gegeven moment zo heet wordt dat daar er zaken optreden, waardoor het UV-licht wegvalt. Een vakartikel over deze opmerkelijke simulatie van de grootschalige structuren in het heelal zal verschijnen in Astrophysical Journal Letters. Bron: Hubble.

Megabotsing van vier clusters van sterrenstelsels door Chandra in beeld gebracht

Credit: X-ray: NASA/CXC/SAO/G.Schellenberger et al.; Optical:SDSS

Sterrenkundigen hebben met behulp van o.a. de Chandra röntgenruimtetelescoop van de NASA een megabotsing in beeld gebracht van vier clusters van sterrenstelsels. De vier clusters samen heten Abell 1758, gelegen op 3,2 miljard lichtjaar afstand in de richting van het noordelijke sterrenbeeld Jachthonden (Canis Venatici). Abell 1758 bestaat uit twee paren van clusters, elk bestaande uit honderden sterrenstelsels, waartussen zich heet gas en de onzichtbare donkere materie bevinden. Ieder cluster telt een paar honderd biljard aan zonsmassa. Het noordelijke paar clusters is zo’n 300 á 400 miljoen jaar geleden al langs elkaar gevlogen en dat zal in de toekomst nog een keer gaan gebeuren. Het zuidelijke paar nadert elkaar voor de eerste keer. Uiteindelijk zullen de vier clusters van Abell 1758 samensmelten tot één grote megacluster van sterrenstelsels en zal het één van de meest massarijke objecten in het heelal vormen. Hieronder een gelabelde versie van de foto, waarin met blauw-wit de röntgenstraling van het hete gas in de clusters te zien is.

Credit: X-ray: NASA/CXC/SAO/G.Schellenberger et al.; Optical:SDSS

In het noordelijke paar heeft men met Chandra ook een schokgolf ontdekt, die als een boeggolf van een boot door het hete gas vliegt – op de gelabelde versie is die aangegeven. Bij die schokgolf is de relatieve snelheid tussen de twee clusters 3 tot 5 miljoen km per uur. Verder heeft men gekeken naar de hoeveelheid metalen in de clusters, dat zijn de elementen zwaarder dan helium. In clusters die reeds een botsing (of nauwe passage) hebben ondergaan zijn die zware elementen meer gemixt en verspreid dan bij clusters die nog moeten botsen. En dat klopt: in het noordelijke paar bevinden de metalen zich tussen de centra van de clusters en links ervan, in het zuidelijke paar bevinden de metalen zich nog in het centrum.

Dit vakartikel over de waarnemingen aan Abell 1758 werd op 1 september gepubliceerd in The Astrophysical Journal. Bron: Chandra.

Clusters van melkwegstelsels betrapt bij hun eerste ‘kus’

De twee clusters 1E2216 en 1E2215 bij hun eerste ‘kus’. Credit: NASA/CXC (X-rays); SDSS (optical); GMRT (radio); Liyi Gu et al. 2019

Astronomen hebben voor het eerst twee enorme clusters van melkwegstelsels gevonden die op het punt staan om te botsen. De ontdekking vormt een van de ontbrekende puzzelstukjes in ons begrip van het ontstaan van structuur in het heelal. Grootschalige structuren —zoals melkwegstelsels en clusters van melkwegstelsels—lijken namelijk te groeien via botsingen en samensmeltingen. De ontdekking is vandaag gepubliceerd door Nature Astronomy.

Clusters zijn de grootste objecten in het heelal. Ze bestaan uit honderden sterrenstelsels die elk honderden miljarden sterren herbergen. Sinds de oerknal zijn clusters steeds verder gegroeid door te botsen en te versmelten met elkaar. Door hun enorme omvang—miljoenen lichtjaren in diameter—kunnen botsingen uitmonden in een miljard jaar durende paringsdans. Uiteindelijk blijft er één groter cluster over.

Deze figuur toont het proces van samensmelting door verschillende fases op een rij te zetten. Röntgenafbeeldingen (blauw) zijn gecombineerd met radio-afbeeldingen (rood). De derde figuur van boven toont de ‘eerste kus’ van twee clusters.

Omdat het samensmeltingsproces veel langer duurt dan een mensenleven, zien we alleen snapshots van de verschillende stadia van een botsing aan de sterrenhemel. De uitdaging is om botsende clusters te vinden die net bezig zijn met een eerste “kus” of aanraking. In theorie duurt die fase relatief kort en is hij dus moeilijk te vinden.

Schokgolf

Een internationaal team van astronomen heeft nu de ontdekking gepubliceerd van twee clusters die op het punt staan te botsen. Hiermee kunnen sterrenkundigen hun computersimulaties testen, die voorspellen dat er in het begin een schokgolf ontstaat tussen beide clusters, die zich loodrecht op de botsingsrichting voortplant. ‘De clusters die we hebben waargenomen geven het eerste duidelijke bewijs voor dit type schokgolf,’ zegt eerste auteur Liyi Gu van het Japanse RIKEN Laboratory en SRON Netherlands Institute for Space Research. ‘De schokgolf heeft een gordel van gas met een temperatuur van 100 miljoen graden gecreëerd tussen de clusters. We verwachten dat de golf uiteindelijk ver in de buitengebieden van het cluster terecht zal komen en daar langzaam uitdooft.

De verdeling van de temperatuur is de clusters 1E2216 en 1E2215
Copyright: ESA/XMM-Newton; GMRT; Liyi Gu et al. 2019.

Campagne

Liyi Gu en zijn collega’s bestudeerden het botsende paar tijdens een observatiecampagne met drie röntgensatellieten (ESA’s XMM-Newton, NASA’s Chandra en JAXA’s Suzuka) en twee radiotelescopen (LOFAR, een Europees project onder leiding van ASTRON, en de Indiase Giant Metrewave Radio Telescope). Bron: SRON.

Hubble kan met zwak intracluster licht de verdeling van donkere materie nog beter zien

Intracluster licht (in blauw) in Abell S1063. Credit: NASA, ESA, and M. Montes (University of New South Wales, Sydney, Australia)

Sterrenkundigen zijn erin geslaagd om met een nieuwe revolutionaire methode met behulp van de Hubble ruimtetelescoop de verdeling te ‘zien’ van donkere materie in een cluster van sterrenstelsels. Donkere materie is zelf niet zichtbaar, maar de effecten ervan zijn indirect wel zichtbaar, door hun zwaartekrachtswerking. Dat deed men al eerder, maar door deze nieuwe techniek, waarbij gebruik wordt gemaakt van het zogeheten intracluster licht, het licht van zwermen van sterren die tussen de sterrenstelsels door zwerven als gevolg van interacties tussen die stelsels, kan men die verdeling nog beter in kaart brengen. Die zwermen van sterren blijken een nauwkeurige ‘tracer’ te zijn van donkere materie, beter dan de gangbare methode, waarbij men kijkt naar zwaartekrachtlenzen rondom de clusters.

In het kader van het Frontier Fields programma keken de sterrenkundigen naar dat intracluster licht en enkele clusters, zoals de cluster Abell S1063 (zie foto hierboven) en MACSJ0416. Over die laatste cluster gaat de video hieronder.

Door waarnemingen zoals deze hoopt men naast de verdeling van donkere materie ook meer te weten te komen over de aard van donkere materie, de substantie die 85% van alle materie in het heelal vormt. Hier het vakartikel over de waarnemingen. Bron: Hubble.

ALMA en MUSE detecteren een galactische fontein

ALMA en MUSE detecteren galactische fontein. Credit: ALMA (ESO/NAOJ/NRAO), Tremblay et al.; NRAO/AUI/NSF, B. Saxton; NASA/Chandra; ESO/VLT

Aan de hand van waarnemingen met ALMA en gegevens van de MUSE-spectrograaf van ESO’s Very Large Telescope is een kolossale fontein van moleculair gas ontdekt, die wordt aangedreven door een zwart gat in het helderste sterrenstelsel van de cluster Abell 2597. De volledige galactische cyclus van instroom en uitstroom die zo’n enorme kosmische fontein aandrijft is nooit eerder binnen één stelsel waargenomen.

Op slechts één miljard lichtjaar van ons vandaan, in de nabije cluster die bekendstaat als Abell 2597, bevindt zich een reusachtige galactische fontein. In het hart van een van de stelsels in deze cluster is een enorme straal van koud moleculair gas waargenomen die de ruimte in spuit en vervolgens als een intergalactische stortbui op het zwarte gat neerregent. De in- en uitstroom van zo’n enorme kosmische fontein zijn nog nooit eerder gezamenlijk waargenomen. Ze vinden hun oorsprong in de binnenste 100.000 lichtjaar van het helderste sterrenstelsel in Abell 2597.

Digitized Sky Survey-opname van Abell 2597 en omgeving. Credit: ESO/Digitized Sky Survey 2. Acknowledgment: Davide De Martin

Dit is mogelijk het eerste stelsel waarin we duidelijk bewijs aantreffen voor zowel de instroom van koud moleculair gas naar het zwarte gat toe en de uitstroom van de jets die het zwarte gat lanceert’, aldus Grant Tremblay van het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics en voormalig ESO Fellow, die leiding gaf aan dit onderzoek. ‘Het superzware zwarte gat in het centrum van dit reusachtige sterrenstelsel fungeert als de mechanische pomp in een fontein.

Tremblay en zijn team gebruikten ALMA om de posities en bewegingen van koolstofmonoxidemoleculen in de nevel te volgen. Deze koude moleculen, met temperaturen tot minus 250 à 260 °C, bleken naar binnen – dat wil zeggen: naar het zwarte gat toe – te vallen. Het team maakte ook gebruikt van gegevens van het MUSE-instrument van de Very Large Telescope van ESO om warmer gas te kunnen volgen dat in de vorm van jets door het zwarte gat wordt gelanceerd.

Abell 2597 in het sterrenbeeld Waterman. Credit: ESO, IAU and Sky & Telescope

Het unieke aspect hier is een zeer nauwkeurige gecombineerde analyse van de bron met behulp van gegevens van ALMA en MUSE’, legt Tremblay uit. ‘Deze twee faciliteiten vormen een ongelooflijk krachtige combinatie.

Tezamen geven de beide sets gegevens een compleet beeld van het proces: koud gas valt in de richting van het zwarte gat, waardoor deze wordt geactiveerd en in reactie daarop twee snel bewegende jets van gloeiende plasma de ruimte in blaast. Deze jets spuiten vervolgens als spectaculaire galactische fonteinen het zwarte gat uit. Het plasma kan echter niet aan de zwaartekrachtsgreep van het sterrenstelsel ontsnappen: het koelt af, vertraagt en regent uiteindelijk weer terug naar het zwarte gat, waarna de cyclus opnieuw begint.

Deze unieke waarneming zou licht kunnen werpen op de levenscyclus die sterrenstelsels doorlopen. Het onderzoeksteam denkt dat dit proces niet alleen universeel is, maar ook essentieel voor ons begrip van de vorming van sterrenstelsels. Hoewel de instroom en uitstroom van koud moleculair gas beide eerder zijn gedetecteerd, is het voor het eerst dat beide binnen één stelsel zijn gedetecteerd. Daarmee is het bewijs geleverd dat zij deel uitmaken van één en hetzelfde grootschalige proces.

Abell 2597 bevindt zich in het sterrenbeeld Waterman en is genoemd naar de Abell-catalogus van rijke clusters van sterrenstelsels, waarin hij is opgenomen. Deze catalogus omvat ook talrijke andere clusters, waaronder de Fornaxcluster, de Herculescluster en de Pandoracluster. Hier het vakartikel. Bron: ESO.

Wat zijn al die gebogen en S-vormige strepen in Abell 370?

Credit: NASA, ESA, and B. Sunnquist and J. Mack (STScI)

Abell 370 is een enorme cluster van honderden sterrenstelsels, zo’n vier miljard lichtjaar van ons vandaan, gelegen in het sterrenbeeld Walvis (Cetus). De sterrenstelsels houden elkaar gravitationeel vast en met hun massa – zowel van de gewone materie als van de mysterieuze donkere materie – zorgen ze er voor dat het licht van erachter liggende stelsels wordt versterkt en afgebogen tot zwaartekrachtslenzen. Hier en daar zie je die lenzen op de door de Hubble ruimtetelescoop gemaakte foto, concentrische gebogen vlekken rondom het centrum van Abell 370. Maar het bijzondere van de foto is dat er nog meer op te zien is, talrijke dunne, heldere gebogen en soms S-vormige strepen. Dat zijn sporen van hemelobjecten die totaal niets met Abell 370 te maken hebben. Het zijn namelijk sporen van… planetoïden. Die staan een stuk dichterbij de aarde dan de stelsels van Abell 370, met een afstand van 270 miljoen km liggen ze ergens tussen de banen van Mars en Jupiter. Maar waarom zien we ze dan als die gebogen strepen? Dat komt omdat Hubble gedurende de tien of soms twintig uur dat het maken van zo’n foto duurt zich richt op de achtergrondcluster. Die blijft dus stil in beeld, maar de rest die niet stil staat laat dan z’n sporen na, letterlijk dus. Op die manier zag Hubble maar liefst 22 planetoïden, waarvan er vijf waren die nog niet eerder bekend waren. Eh… over planetoïden gesproken: komende zaterdag 30 juni is het planetoïdendag! Bron: ESA.

Bewegingen van 1400 sterrenstelsels incl. Melkweg getraceerd in de lokale supercluster

Credit: R. Brent Tully

Sterrenkundigen zijn er in geslaagd om van 1400 sterrenstelsels binnen een straal van 100 miljoen lichtjaar de bewegingen in kaart te brengen, die ze de afgelopen dertien miljard jaar hebben afgelegd. Tot de sterrenstelsels behoren ook de leden van de zogeheten Lokale Groep, waarvan de Melkweg en het Andromedastelsel (M31) de grootste stelsels zijn. De kaart hierboven toont de beweging die gevolgd is, geel is de Melkweg en rood M31. Rechts is met paars het centrum van de Virgocluster te zien, de cluster van sterrenstelsels die met een massa van maar liefst 600 biljoen zonsmassa’s de grootste aantrekkende werking in de omgeving heeft en dat op 50 miljoen lichtjaar afstand staat. Al meer dan duizend sterrenstelsels zijn in de gravitationele greep van de Virgocluster en uit de berekeningen volgt dat alle sterrenstelsels binnen een straal van 40 miljoen lichtjaar van de kern van de Virgocluster, waarvan het grote elliptische sterrenstelsel M87 het centrum vormt, hetzelfde lot is beschoren. De Melkweg en M31, elk in totaal zo’n 2 biljoen zonmassa’s zwaar, liggen net buiten dat gebied, dus die blijven uit de greep van de Virgocluster. Wel beïnvloeden ze elkaar gravitationeel en dat zorgt er voor dat ze over zo’n vijf miljard jaar zullen botsen en samensmelten. Hier het artikel van de sterrenkundigen, die de bewegingen in kaart brachten, verschenen in The Astrophysical Journal, 2017; 850 (2). Bron: Science Daily.