Hubble laat zien dat snelle radioflitsen plaatsvinden in de spiraalarmen van sterrenstelsels

Een voorbeeld van de lokatie waar de snelle radioflitsen zich afspeelden. Credit: NASA, ESA, Alexandra Mannings (UC Santa Cruz), Wen-fai Fong (Northwestern)

Afgelopen twintig jaar zijn er meer dan duizend van waargenomen: snelle radioflitsen [1]Waargenomen vanaf 24 juli 2001, toen de eerste werd ontdekt met de Parkes radiotelescoop in Australië. (Fast Radiobursts, FRB’s), uitbarstingen in radiolicht waarbij in een duizendste van een seconde net zoveel energie vrijkomt als de zon in een heel jaar produceert. Sterrenkundigen willen graag de ware aard van de snelle radioflitsen doorgronden, maar probleem daarbij is dat ze zo kort duren dat in de meeste gevallen de exacte bron aan de hemel niet meer te achterhalen valt – van slechts 15 stuks is ze dat gelukt. Nu hebben sterrenkundigen met behulp van de Hubble ruimtetelescoop van vijf snelle radioflitsen hun precieze positie aan de hemel kunnen vaststellen en die blijkt telkens te liggen in de spiraalarmen van sterrenstelsels. Alexandra Mannings (University of California, Santa Cruz) en haar team konden met behulp van de hoge resolutiefoto’s die Hubble kon maken zien dat de vijf snelle radioflitsen niet plaatsvonden in de helderste delen van de spiraalarmen, waar zich de jonge, zware sterren bevinden, maar in de minder heldere gebieden. Men denkt daarom dat de oorzaak van de radioflitsen niet ligt bij de jonge, zware sterren die als supernovae exploderen, en ook niet bij botsende neutronensterren. Ook vinden ze niet plaats in dwergsterrenstelsels. Wat vermoedelijk wel de oorzaak is en welk model door deze waarnemingen ook wordt versterkt, zijn magnetars, zeer snel roterende neutronensterren met een zeer krachtig magnetisch veld. Jonge magnetars zouden dan af en toe uitbarstingen kunnen hebben, die als de snelle radioflitsen worden waargenomen. Het vakartikel over de waarnemingen zal binnenkort verschijnen in the Astrophysical Journal. Bron: Hubble.

References[+]

References
1 Waargenomen vanaf 24 juli 2001, toen de eerste werd ontdekt met de Parkes radiotelescoop in Australië.

FRB 20180916B op microseconde niveau onder de loep genomen

Een team astronomen van het Anton Pannekoek-instituut te Amersterdam en ASTRON o.l.v. Kenzie Nimmo heeft recent één van de FRB’s of ‘Fast Radio Burst’ in het microseconden-bereik geanalyseerd. Het team onderzocht FRB 20180916B in miniscule periodes van slechts 3 tot 4 microseconden binnen de milliseconden die de FRB’s normaliter duren. Van FRB’s, plotselinge en tot op heden onverklaarbare radiopulsen in het heelal, is de oorsprong nog onbekend. De astronomen werkten met gegevens verkregen van het European Very Long Baseline Interferometry Network (EVN, een uitgebreid netwerk van radiotelescopen dat zich uitstrekt over vier continenten. Het team, dat eerder al deze FRB gelokaliseerd had, publiceerde de resultaten van dit onderzoek recent in Nature Astronomy. Nimmo heeft er recent tevens een artikel op AstronomyCommunity aan gewijd.* Lees verder

Sterrenkundigen zien een magnetar bizar gedrag vertonen

Impressie van Swift J1818.0-1607. CREDIT: Carl Knox, OzGrav.

Sterrenkundigen van het ARC Centre of Excellence for Gravitational Wave Discovery (OzGrav) en CSIRO in Australië hebben een magnetar waargenomen die een bizar gedrag vertoont, welke nooit eerder is gezien. Magnetars zijn neutronensterren met een zeer sterk magnetisch veld, zeg de massa van de zon gepropt in een bolletje van 15 km doorsnede, dat zeer snel rondtolt en een enorm sterke magneet is. In maart 2020 werd Swift J1818.0-1607 (kortweg J1818) voor het eerst gezien en wel met de Amerikaanse Swift satelliet. In eerste instantie zag men een uitbarsting van energierijke röntgenstraling, maar later bleek J1818 ook sterke radiostraling uit te zenden. Tot zover niets nieuws onder de zon, radiosterke magnetars zijn vaker waargenomen, hoewel de meeste magnetars radiostil zijn. Bij Swift J1818.0-1607 was het radiosignaal echter anders: sterk bij de lagere frekwenties, zwak bij de hogere frekwenties, terwijl dat ‘normaal’ een gelijke sterkte is. Die radiostraling van J1818 lijkt op pulsars, dat zijn ook rondtollende neutronensterren, maar dan zonder dat krachtige magnetische veld. Maar we zijn er nog niet. In mei vertoonde J1818 dat radiogedrag zoals beschreven, maar in juni ging ‘ie plotseling ook variëren in de sterkte van het signaal, hetgeen piekte. Het leek alsof hij heen en weer ging van pulsargedrag naar magnetargedrag. Uiteindelijk ging J1818 alleen magnetar-gedrag vertonen. De waarnemingen die gedaan zijn aan J1818 laten zien dat z’n magnetische as niet gelijk is aan z’n rotatieas. Eén van z’n magnetische polen lijkt in de buurt van de evenaar te liggen van J1818. Mogelijk dat door deze afwijkende magnetische as de bundel radiostraling van J1818 op een gegeven moment tijdelijk verschoof naar de magnetische noordpool.

Waarnemingen aan de radiostraling van J1818. Credit: Lower et al., 2020

Een duidelijk gebrek aan veranderingen in de vorm van het pulsprofiel van de magnetar geeft aan dat dezelfde magnetische veldlijnen die de ‘normale’ radiopulsen triggeren, ook verantwoordelijk moeten zijn voor de pulsen die worden gezien vanaf de andere magnetische pool. Het onderzoek suggereert dat dit het bewijs is dat de radiopulsen van J1818 afkomstig zijn van lussen van magnetische veldlijnen die twee dicht bij elkaar gelegen polen met elkaar verbinden, zoals de polen die worden gezien tussen de twee polen van een hoefijzermagneet of zonnevlekken op de zon. Dit is in tegenstelling tot de meeste gewone neutronensterren, waarbij de noord- en zuidpolen verbonden zijn door een ringvormig magnetisch veld.

Het model dan de bizarre magnetische eigenschappen van J1818 wordt ondersteund door een onafhankelijke studie van de röntgenpulsen van J1818, die werden gedetecteerd door de NICER-telescoop aan boord van het internationale ruimtestation ISS. De röntgenstralen lijken afkomstig te zijn van een enkel vervormd gebied van magnetische veldlijnen die uit het magnetisch oppervlak komen óf van twee kleinere, maar dicht bij elkaar gelegen gebieden.  Met de Parkes-telescoop wil men het komende jaar de magnetar nauwlettend in de gaten houden. Hier het vakartikel over de  magnetar J1818, verschenen in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Eurekalert.

Magnetars veroorzaken waarschijnlijk snelle radioflitsen

Artistieke weergave van de magnetar (linksboven) die op 24 mei twee snelle radioflitsen uitzond. De flitsen werden opgevangen door een telescoop van ASTRON in Westerbork. (c) Danielle Futselaar, artsource.nl

Een internationaal team van wetenschappers met daarbij Nederlandse sterrenkundigen vermoedt dat magnetars de bron zijn van zogenoemde snelle radioflitsen. Ze volgden vier weken lang een sterk-magnetische neutronenster in onze Melkweg en vingen twee snelle radioflitsen op. De sterrenkundigen publiceren hun bevindingen maandagavond in Nature Astronomy.

Astronomen onderzoeken al meer dan tien jaar het fenomeen van de snelle radioflitsen (in het Engels fast radio bursts genoemd). Deze opmerkelijk heldere, maar extreem korte flitsen van radiogolven bereiken de aarde meestal vanuit sterrenstelsels die zich miljarden lichtjaren bij ons vandaan bevinden. Daardoor was het tot nu toe onduidelijk hoe deze flitsen precies werden veroorzaakt.

In april 2020 werd echter voor het eerst een snelle radioflits gedetecteerd die uit onze eigen Melkweg moest komen. De flits kwam van SGR 1935+2154 in het sterrenbeeld Vos (Vulpecula) op slechts 25.000 lichtjaar van de aarde. SGR 1935+2154 is een zogeheten magnetar. Dat is een neutronenster met een sterk magnetisch veld.

Omdat één enkele flits nog geen hard bewijs is, besloot een team van wetenschappers onder leiding van Franz Kirsten (Chalmers University, Zweden) vier van de beste radiotelescopen van Europa op SGR 1935+2154 te richten. Het gaat om een telescoop van ASTRON in Westerbork, twee telescopen bij het Onsala Space Observatory in Chalmers (Zweden) en een telescoop in Toru, Polen.

Op 24 mei, om 23.19 uur ving de telescoop van ASTRON twee snelle radioflitsen op van elk een milliseconde lang en 1,4 seconden na elkaar. Mede-onderzoeker Kenzie Nimmo (ASTRON en Universiteit van Amsterdam) zegt daarover: “De flitsen leken sterk op de fast radio bursts die we vanuit het verre heelal kennen. Die van ons zijn alleen minder intens.”

Teamlid Marc Snelders (UvA) vult aan: “Net als de verre flitsers lijkt SGR 1935+2154 willekeurig te flitsen en met grote variatie in helderheid. De helderste flitsen van deze magnetar zijn minstens tien miljoen keer zo fel als de minst felle uitbarstingen.”

De onderzoekers vermoeden dat de uitbarsting van 24 mei ontstond door een grote verstoring in de magnetosfeer, dichtbij het oppervlak van de neutronenster. Andere mogelijke verklaringen, zoals schokgolven verder bij de ster vandaan, lijken minder waarschijnlijk.

Het onderzoeksteam wil in de toekomst SGR 1935+2154 met radiotelescopen in de gaten blijven houden. Ook willen ze andere nabije magnetars bestuderen om erachter te komen hoe precies deze extreme sterren hun korte uitbarstingen van straling bewerkstelligen. Teamlid en fastradioburst-specialist Jason Hessels (ASTRON en UvA) legt uit: “We vermoeden nu dat de fast radio bursts buiten ons eigen sterrenstelsel ook door magnetars worden veroorzaakt. Als dat het geval is, dan creëren de magnetars radiogolven die constant door het universum zigzaggen. En het mooie is dat veel van deze golven binnen het bereik liggen van telescopen met een bescheiden formaat, zoals die van ons.” Dit bericht is een aanvulling op ons eerdere bericht hierover. Bron: Astronomie.nl.

Voor het eerst is de afstand tot een snelle radioflitser direct gemeten

Impressie van een magnetar. Credit: Sophia Dagnello, NRAO/AUI/NSF

Sterrenkundigen zijn erin geslaagd om voor het eerst een directe meting te maken van de afstand van een snelle radioflitser. Dat deden ze met de Very Long Baseline Array (VLBA), een serie aaneengeschakelde radiotelescopen in de VS. Het gaat om ‘Fast Radio Burst’ (FRB) XTE J1810-197, die al in 2003 werd ontdekt, maar waarvan pas recent werd vastgesteld dat ‘ie in onze eigen Melkweg gelegen is (niet te verwarren  met de snelle radioflitser SGR 1935+2154, waarvan óók onlangs bleek dat ‘ie in de Melkweg ligt). Het gaat om een neutronenster met een extreem krachtig magnetisch veld, een magnetar genaamd. Met de VLBA konden ze de parallax van de magnetar bepalen, een klassieke methode met eenvoudige trigonometrie om nabije afstanden van objecten te bepalen. Hierbij maakt men gebruik van de baan van de aarde, die op één moment in het jaar een verschillende positie van de magnetar laat zien ten opzichte van een half jaar later (zie de afbeelding hieronder).

Credit: Sophia Dagnello, NRAO/AUI/NSF

Daarmee konden ze zien dat de magnetar iets verschuift ten opzichte van verder weg staande sterren in de loop van een jaar. De afstand tot XTE J1810-197 die hiermee kon worden bepaald bedraagt ongeveer 8100 lichtjaar, ruim binnen de ‘grenzen’ van ons Melkwegstelsel. Dat betekent dat de magnetar die deze kortstondige radioflits heeft veroorzaakt goed onderzocht kan worden. Hier het vakartikel over de waarnemingen aan de magnetar in ons Melkwegstelsel, verschenen in the Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Eurekalert.

XMM-Newton detecteert jongste babypulsar ooit ontdekt

Impressie van een magnetar. Credit: ESA.

Sterrenkundigen hebben met ESA’s XMM-Newton, een ruimtetelescoop die röntgenstraling kan detecteren, de jongste pulsar ooit gezien – het overblijfsel van een ooit massieve ster die ook een ‘magnetar’ is, met een magnetisch veld dat zo’n 70 quadriljoen keer sterker is dan dat van de aarde. Het gaat om de pulsar Swift J1818.0-1607, die oorspronkelijk in maart door NASA’s Swift Observatory werd ontdekt. Met XMM-Newton zagen ze een uitbarsting van Swift J1818.0-1607, waarbij ‘ie in röntgenlicht tien keer zo krachtig werd. De pulsar staat ongeveer 16.000 lichtjaar vam ons vandaan en volgens de berekeningen moet ‘ie slechts 240 jaar oud zijn, d.w.z. dat ‘ie ergens tussen de Amerikaanse en Franse Revoluties moet zijn ontstaan. Swift J1818.0-1607 heeft een magnetisch veld dat wel duizend keer sterker is dan van een gewone pulsar/neutronenster en dat maakt ‘m een magnetar. Hij draait eens per 1,36 seconde één rondje om z’n as. Z’n massa is ongeveer twee keer die van de zon en dat zit gepropt in een bolletje dat een biljoen keer zo klein is – niet voor niets dat een theelepel van Swift J1818.0-1607 vier miljard ton zou wegen op aarde.

Swift J1818.0-1607, waargenomen met XMM-Newton’s EPIC-camera. Credit: ESA/XMM-Newton; P. Esposito et al. (2020)

Swift J1818.0-1607 blijkt niet alleen röntgenstraling uit te zenden, maar ook radiogolven. En dat maakt ‘m best bijzonder, want van magnetars die radiogolven uitzenden zijn er maar vijf bekend. Er is een discussie hoe vaak pulsars voorkomen als magnetars. Op dit moment zijn er meer dan drieduizend neutronensterren bekend en maar 31 magnetars. De waarnemingen aan Swift J1818.0-1607, die vóór z’n recente uitbarsting niet bekend was, maken duidelijk dat er wellicht veel meer magnetars zijn, die in een niet-actieve staat verkeren en dan niet worden waargenomen – een suggestie die hier tien jaar geleden ook al eens voorbij kwam drijven, oud nieuws dus eigenlijk. 😀 Hier het vakartikel over de waarnemingen aan Swift J1818.0-1607, verschenen in The Astrophysical Journal Letters. Bron: NASA + ESA.

Ook gammaflitser GRB160821B blijkt een kilonova – een botsing van twee neutronensterren –  te zijn geweest

Animatie van GRB160821B op basis van HST waarnemingen. Credit: ESA /NASA /E. Troja.

Op 17 augustus 2017 werd de eerste kilonova ontdekt, een botsing van twee neutronensterren in een sterrenstelsel, ver verwijderd van de aarde. Van die botsing zagen we niet alleen de zwaartekrachtgolven (GW170817, gedetecteerd met LIGO/Virgo), maar ook de elektromagnetische straling van kilonova AT2017gfo. Een team van sterrenkundigen onder leiding van Eleonora Troja (University of Maryland, VS) heeft nu de gegevens onderzocht van een zogeheten gammaflitser die op 21 augustus 2016 verscheen, GRB160821B, een zeer kortstondige uitbarsting van gammastraling, ontdekt met NASA’s Neil Gehrels Swift Observatory in de ruimte. Dankzij de waarnemingen aan GW170817 wisten Troja en haar collega’s wat de kenmerken van een kilonova zijn en met die kennis wisten ze dat GRB160821B ook een kilonova moet zijn geweest. Deze vond plaats in een sterrenstelsel ruim twee miljard lichtjaar verwijderd van de aarde. Er zijn geen zwaartekrachtgolven van gedetecteerd.

Infrarood straling van GRB160821B vergeleken met de straling van kilonova AT2017gfo en van een andere kilonova-kandidaat, GRB130603B. Credit: E. Troja.

In 2016 zag men de infraroodstraling van GRB160821B in de weken na de gammaflits niet toenemen, zoals wel de verwachting was. Maar ook GW170817 miste zo’n toename van IR-straling, dus dat hoort kennelijk bij kilonovae. Het lijkt erop dat het resultaat van de botsing van de twee neutronensterren bij GRB160821B een magnetar was, een zware neutronenster met een zeer sterk magnetisch veld. Die magnetar zou vervolgens in elkaar zijn geklapt tot een zwart gat. Bij de botsing werd zeer veel goud en platina geproduceerd, zoals ook bij GW170817 werd waargenomen. En da’s best opvallend eigenlijk, want van magnetars dachten ze altijd dat die de productie van goud en platinum verhinderen, maar dat is kennelijk niet het geval. Hier is het vakartikel over GRB160821B, verschenen in the Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Science Daily.

Magnetische hotspots op neutronensterren kunnen wel miljoenen jaren standhouden

Credit: K. Gourgouliatos, R. Hollerbach, U. Durham, U. Leeds

Onderzoek aan de ontwikkeling van magnetische velden van neutronensterren laat zien dat er door instabiliteiten in de neutronenster magnetische hotspots kunnen ontstaan, die wel miljoenen jaren stand kunnen houden, zelfs als het magnetische veld van de neutronenster zelf is afgezwakt. Het onderzoek is uitgevoerd door Konstantinos Gourgouliatos en Rainer Hollerbach (Durham University). Met de ARC supercomputer van de Universiteit van Leeds voerden zij talloze simulaties uit van magnetische velden van neutronensterren, velden die weliswaar net zoals het aardmagnetisch veld een noord- en een zuidpool hebben, maar die zeer complex zijn. Jonge neutronensterren draaien zeer snel rond, maar dat gaat niet op alle breedtegraden met dezelfde snelheid, vergelijkbaar met de differentiële rotatie van de zon. Dat zorgt er voor dat het magnetisch veld zich als het ware oprolt tot diep in de neutronenster, gelijkend op een bol wol (zie afbeelding hierboven). Het magnetisch veld is instabiel en er kunnen dan knopen ontstaan, die aan het oppervlak komen als plekken waar het magnetisch én electrisch veld sterker is. Die plekken zijn heter dan de omgeving en daarom zijn ze als magnetische hotspots te zien, die enkele kilometers in doorsnede groot kunnen worden. De sterkte van het magnetisch veld kan er wel tien miljard Tesla zijn en ze kunnen wel miljoenen jaren oud worden.

Voorstelling van een uitbarsting bij magnetar SGR 0418+5729. Credit: ESA/ATG Medialab

Neutronensterren of magnetars met een afgezwakt magnetisch veld zouden op deze manier toch periodieke uitbarstingen van hun hotspots kunnen hebben, zoals is waargenomen bij de magnetar SGR 0418+5729 (zie de afbeelding hierboven). Hier het vakartikel over het onderzoek aan de magnetische hotspots, verschenen in The Astrophysical Journal. Bron: Science Daily.

Sterrenkundigen ontdekken zeldzame metaalrijke superheldere supernova

Impressie van een magnetar. Credits: M. Weiss/CfA.

Sterrenkundigen hebben met de Nordic Optical Telescope (NOT) een supernova ontdekt, die in twee opzichten bijzonder is. Ten eerste is SN 2017egm, zoals de supernova wordt genoemd, een superheldere supernova (Engels: superluminous supernova), eentje die wel honderd keer zo helder kan zijn als ‘gewone’ supernovae. Men heeft afgelopen decennia al duizenden supernovae ontdekt en zo’n vijftig stuks daarvan zijn superhelder. Ten tweede is SN 2017egm ontstaan uit een ster die veel metalen bevatte, elementen die zwaarder zijn dan waterstof en helium – sterrenkundigen noemen al die elementen metalen. En da’s een eigenschap waarin SN 2017egm verschilt van de andere superheldere supernovae. Normaal gesproken vinden ze plaats in dwergsterrenstelsels, kleine stelsels die metaalarm zijn. Maar SN 2017egm vond plaats in een gewoon spiraalstelsel, NGC 3191 (zie foto hieronder) ‘slechts’ 420 miljoen lichtjaar van ons vandaan, voor de categorie superheldere supernovae de meest nabije die iOS waargenomen.

SN 2017egm in NGC 3191. Credits: Pan-STARRS/CfA/M. Nicholl et al.

In het stelsel zijn veel zware metalen te vinden, dus de ster die explodeerde als SN 2017egm gedijde in een metaalrijke omgeving. Men denkt dat de ‘progenitor’, de ster die als supernova explodeerde, niet een gewone ster was, maar een magnetar, een zeer snel ronddraaiende neutronenster met een zeer krachtig magnetisch veld. SN 2017egm was iets minder helder dan de meeste andere superheldere supernovae, dus het zou kunnen zijn dat dit kwam door de invloed van de metalen. Meer informatie over SN 2017egm vind je in dit vakartikel. Bron: CfA.

Amsterdamse astronomen verklaren sloomste neutronenster

Twee röntgenopnamen van de slome magnetar 1E161348-5055. Links is de ster in rust. Rechts is de uitbarsting van 22 juni 2016. (c) NASA Swift-satellite/N. Rea.

Een team Nederlandse en Italiaanse sterrenkundigen onder leiding van Nanda Rea (Universiteit van Amsterdam) snapt eindelijk waarom de traagst draaiende magnetische neutronenster ooit, zo sloom is. Ze hebben meer dan zeventien jaar aan gegevens op een rij gezet en publiceren hun bevindingen binnenkort in het tijdschrift Astrophysical Journal Letters. De doorbraak in het onderzoek kwam op 22 juni 2016. Toen detecteerde de ‘burst alert’-telescoop van de Swift-satelliet een flits uit de richting van de bijzondere neutronenster 1E161348-5055. Meteen daarop richtten de wetenschappers de Swift-satelliet, de Chandra-satelliet en de NuSTAR-satelliet op de ster. Chandra had al sinds 1999 met tussenpozen naar de neutronenster gekeken en Swift nam de ster al geregeld waar sinds 2012. Met de nieuwe gegevens erbij konden de onderzoekers de ster nu eindelijk in detail bestuderen.De trage neutronenster is nu definitief bestempeld als een magnetar. De trage magnetar 1E161348-5055 bevindt zich in het centrum van de supernovarest RCW103 in het sterrenbeeld Winkelhaak dat te zien is vanaf het zuidelijk halfrond. De neutronenster is ongeveer 2000 jaar jong en staat op zo’n 10.000 lichtjaar van de aarde.Jarenlang braken astronomen zich het hoofd over het feit dat de slome neutronenster ‘maar liefst’ 6 uur en 40 minuten over een rondje om zijn as deed. De meeste neutronensterren tollen namelijk in milliseconden of hooguit seconden rond. Magnetars behoren tot de langzaamste draaiers, maar zelfs de tot nu gevonden magnetars draaiden sneller dan in twaalf seconden rond hun as.

Impressie van een magnetar. Credit:
ESO/L. Calçada

De theorieën over de slome ster liepen uiteen. Sommige astronomen opperden dat de trage neutronenster aan het eind van zijn leven was en nu nog rustig uitdraaide. Maar dat strookt niet met de uitbarstingen van de ster, met zijn leeftijd en met computersimulaties. Andere astronomen dachten dat de ster misschien een beschermde ring van materiaal om zich heen had. Maar de ster vertoont regelmatig uitbarstingen waardoor de ring al lang vernietigd moet zijn. Dan waren er nog sterrenkundigen die voorstelden dat de neutronenster zich samen met een partnerster in een soort houdgreep bevond. Dat lijkt stug omdat een neutronenster ontstaat na een uitbarsting en daarbij zou een eventuele partnerster weggeslingerd worden. De meest aannemelijke verklaring, zo denken de Amsterdamse astronomen nu, is een serie van gebeurtenissen. Eerst explodeerde een grote ster tijdens een zogeheten supernova. Daarbij bleef een magnetar achter en werd een grote hoeveelheid materiaal de ruimte in geslingerd. Het materiaal viel daarna terug in de richting van de magnetar, stortte vervolgens niet op het oppervlak, maar verzamelde zich op het magnetisch veld rond de magnetar. Daardoor werd de magnetar afgeremd en kon de sloomste neutronenster ontstaan.Het onderzoek werd geleid door Nanda Rea van het Anton Pannekoek Instituut voor Sterrenkunde van de Universiteit van Amsterdam. Ook de Amsterdamse postdoc Paolo Esposito en de PhD-studenten Alice Borghese en Francesco Coti Zelati uit de groep van Rea werkten aan het onderzoek mee. Bron: Astronomie.nl.’