Zwart gat verstopt zich in sterrenhoop buiten ons Melkwegstelsel

Artist’s impression van het zwarte gat in NGC 1850, die zijn begeleidende ster vervormt. Credit: ESO/M. Kornmesser

Met behulp van de Very Large Telescope (VLT) van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO) hebben astronomen een klein zwart gat buiten ons Melkwegstelsel weten op te sporen, door te kijken naar hoe het de beweging van een ster in zijn nabijheid beïnvloedt. Het is voor het eerst dat deze detectiemethode is gebruikt om een zwart gat buiten ons Melkwegstelsel te ontdekken. De methode zou van cruciaal belang kunnen zijn voor het opsporen van verborgen zwarte gaten in de Melkweg en in nabije sterrenstelsels, en zou licht kunnen werpen op de manier waarop deze geheimzinnige objecten ontstaan en evolueren.

Het pas ontdekte zwarte gat hield zich schuil in NGC 1850, een verzameling van duizenden sterren op ongeveer 160.000 lichtjaar afstand in de Grote Magelhaense Wolk – een klein buurstelsel van de Melkweg.

NGC1850 zoals vastgelegd met de Very Large Telescope en Hubble. Credit:
ESO, NASA/ESA/M. Romaniello

‘Ongeveer net zoals Sherlock Holmes een criminele bende opspoort aan de hand van hun misstappen, bekijken we elke ster in deze sterrenhoop met behulp van een vergrootglas en proberen we aanwijzingen te vinden voor de aanwezigheid van zwarte gaten, zonder ze rechtstreeks te zien,’ zegt Sara Saracino van het Astrophysics Research Institute van de Liverpool John Moores University in het Verenigd Koninkrijk, die de leiding had over het onderzoek dat nu geaccepteerd is voor publicatie in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. ‘Het hier getoonde resultaat betreft slechts één van de gezochte misdadigers, maar als je er één hebt gevonden, zit je op het goede spoor om er nog veel meer te ontdekken, die zich andere sterrenhopen verschuilen.’

De eerste ‘boef’ die het team heeft opgespoord, blijkt ongeveer elf keer zoveel massa te hebben als onze zon. De astronomen kwamen hem op het spoor via de zwaartekrachtsinvloed die hij uitoefent op de ster van vijf zonsmassa’s die om hem heen draait. Eerder hebben astronomen zulke kleine zwarte gaten al in andere sterrenstelsels weten op te sporen door de röntgenstraling te detecteren die zwarte gaten uitzenden wanneer ze materie opslokken of via de zwaartekrachtgolven die zwarte gaten uitzenden wanneer ze in botsing komen met elkaar of met neutronensterren.

Positie van de sterrenhoop NGC 1850 in het sterrenbeeld Goudvis. Credit:
ESO, IAU and Sky & Telescope

De meeste zwarte gaten van enkele stermassa’s verraden hun bestaan echter niet door het uitzenden van röntgenstraling of zwaartekrachtgolven. ‘De overgrote meerderheid kan alleen door middel van dynamica worden ontdekt,’ zegt teamlid Stefan Dreitzler, verbonden aan de Georg-August-Universität Göttingen in Duitsland. ‘Wanneer ze een gewone ster als begeleider hebben, beïnvloeden ze diens beweging op een subtiele maar detecteerbare manier, zodat we ze met geavanceerde instrumenten kunnen opsporen.’

Met behulp van de dynamische methode die Saracino en haar team hebben gebruikt, zouden astronomen veel meer zwarte gaten kunnen opsporen en ontraadselen. ‘Elke detectie die we doen zal belangrijk zijn voor ons begrip van sterrenhopen en de daarin aanwezige zwarte gaten,’ zegt medeauteur Mark Gieles van de Universiteit van Barcelona, Spanje.

De Grote Magelhaense Wolk door het oog van VISTA. Credit:
ESO/VMC Survey

Het is voor het eerst dat een zwart gat is aangetroffen in een jonge sterrenhoop (NGC 1850 is slechts ongeveer 100 miljoen jaar oud – een oogwenk naar astronomische maatstaven). Door de dynamische methode op vergelijkbare sterrenhopen toe te passen, kunnen de astronomen nog meer jonge zwarte gaten opsporen, en deze vergelijken met de grotere rijpere zwarte gaten in oudere sterrenhopen. Op die manier kan meer inzicht worden verkregen in de wijze waarop deze objecten ‘groeien’ door zich met sterren te voeden of met andere zwarte gaten samen te smelten. Bovendien zou het in kaart brengen van de demografie van zwarte gaten in sterrenhopen ons begrip van de oorsprong van de bronnen van zwaartekrachtgolven verbeteren.

Bij hun zoektocht maakten de astronomen gebruik van gegevens die verspreid over twee jaar zijn verzameld met de Multi Unit Spectroscopic Explorer (MUSE), gekoppeld aan ESO’s VLT, die in de Chileense Atacama-woestijn staat opgesteld. ‘MUSE stelde ons in staat om zeer dichtbevolkte gebieden te observeren, zoals de binnenste regionen van sterrenhopen, en het licht van elke ster in de omgeving te analyseren. Met het instrument kan in één klap informatie over duizenden sterren worden verzameld, minstens tien keer meer dan met welk ander instrument dan ook’, zegt medeauteur Sebastian Kamann, een MUSE-deskundige die al lange tijd werkzaam is aan het Liverpool Astrophysics Research Institute. Dit maakte het mogelijk om de ster te ontdekken waarvan de eigenaardige beweging de aanwezigheid van het zwarte gat verried. Gegevens van het Optical Gravitational Lensing Experiment van de Universiteit van Warschau en van de Hubble-ruimtetelescoop van NASA en ESA stelden de astronomen in staat om hun bevindingen te bevestigen en de massa van het zwarte gat te meten.

Met ESO’s Extremely Large Telescope in Chili, die later dit decennium operationeel zal worden, zullen astronomen nog meer verborgen zwarte gaten kunnen opsporen. ‘De ELT zal zeker een revolutie teweegbrengen op dit gebied,’ zegt Saracino. ‘Daarmee zullen we beduidend zwakkere sterren in hetzelfde beeldveld kunnen waarnemen, en ook naar zwarte gaten kunnen gaan zoeken in bolvormige sterrenhopen op veel grotere afstanden.’ Bron: ESO.

Deel van de ‘ontbrekende materie’ blijkt te zitten in galactische winden

Credit: Johannes Zabl

Over de ontbrekende materie hebben we het hier vaker gehad. Nee, het gaat dan niet om donkere materie die we niet direct kunnen zien, maar om doodgewone materie, die bestaat uit wat men ‘baryonen’ noemt, waarvan de bekendste voorbeelden de protonen en neutronen zijn. Uit waarnemingen en berekeningen blijkt dat maar liefst 80% van de baryonische materie vermist wordt, Afgelopen jaren is al een deel ervan gevonden, o.a. in de vorm van waterstofsneeuw en in het kosmische web. En nu is weer een deel van de ontbrekende materie gevonden en wel in de zogeheten galactische winden. Een internationaal team van sterrenkundigen heeft met behulp van het MUSE [1]MUSE staat voor het Multi Unit Spectroscopic Explorer instrument, een 3D spectrograaf. verbonden aan de Very Large Telescopes (VLT) van de ESO in Chili gekeken naar het sterrenstelsel genaamd Gal 1. Dat stelsel staat vlakbij een quasar, die ‘m als ware het een vuurtoren fel verlicht, zodat alles wat er in en om Gal 1 gebeurt goed te zien is. Dankzij die exta belichting was men in staat om met MUSE goed de interactie te volgen tussen het stelsel Gal 1 en z’n directe omgeving, waar zich een grote intergalactische wolk van gas en stof bevindt. In het sterrenstelsels vinden supernovae plaats en die zorgen er voor dat er materie vanuit het sterrenstelsel naar buiten stroomt in de vorm van galactische winden. Die voeden op hun beurt de wolken buiten het sterrenstelsel. De wolk bij Gal 1 bleek magnesium uit te zenden én te absorberen en daar kon men een gedetailleerde kaart van maken (hierboven, de middelste foto in blauw). Uit het onderzoek komt naar voren dat maar liefst 80 tot 90% van de gewone, baryonische materie zich bevindt in intergalactische wolken zoals die bij Gal 1. De meeste baryonische materie zit dus buiten de sterrenstelsels, hetgeen je niet verwacht. Het gaat dan ook om zeer lichtzwakke materie, die alleen door foefjes van de natuur, zoals de verlichting door een nabije quasar, kan worden gedetecteerd. Hier is het vakartikel over het onderzoek aan Gal 1, verschenen in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: Science Daily.

References[+]

References
1 MUSE staat voor het Multi Unit Spectroscopic Explorer instrument, een 3D spectrograaf.

Galactisch vuurwerk: nieuwe ESO-opnamen tonen prachtige kenmerken van nabije sterrenstelsels

Vijf sterrenstelsels op verschillende golflengten, zoals waargenomen met het MUSE-instrument van ESO’s VLT. Credit: ESO/PHANGS

Een team van astronomen heeft nieuwe waarnemingen gepresenteerd van nabije sterrenstelsels die op kleurrijk kosmisch vuurwerk lijken. De opnamen, verkregen met de Very Large Telescope (VLT) van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO), tonen verschillende componenten van de sterrenstelsels in afzonderlijke kleuren, wat astronomen in staat stelt om de locaties van jonge sterren en het warme gas om hen heen te lokaliseren. Door deze nieuwe waarnemingen te combineren met gegevens van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA), waar ESO een van de partners van is, helpt het team nieuw licht te werpen op wat gas ertoe aanzet om sterren te vormen.

Astronomen weten dat sterren worden geboren in wolken van gas, maar wat de stervorming in gang zet, en welke rol sterrenstelsels als geheel daarbij spelen, blijft een raadsel. Om dit proces te begrijpen, heeft een onderzoeksteam diverse nabije sterrenstelsels waargenomen met krachtige telescopen op de grond en in de ruimte, om daarin de verschillende gebieden op te sporen die bij de geboorte van nieuwe sterren betrokken zijn.

NGC 4303 op verschillende golflengten, zoals waargenomen met het MUSE-instrument van ESO’s VLT. Credit: ESO/PHANGS

‘Voor het eerst kunnen we afzonderlijke kernen van stervorming over een breed scala aan locaties en omgevingen analyseren in een steekproef die representatief is voor de verschillende soorten sterrenstelsels,’ zegt Eric Emsellem, ESO-astronoom in Duitsland en hoofd van de VLT-waarnemingen die zijn gedaan in het kader van het Physics at High Angular resolution in Nearby GalaxieS (PHANGS)-project. ‘We kunnen het gas dat tot de geboorte van sterren leidt rechtstreeks waarnemen, we zien de jonge sterren zelf en we zijn getuige van de verschillende levensfasen die zij doorlopen.’

Emsellem, die tevens verbonden is aan de Universiteit van Lyon, Frankrijk, en zijn team hebben nu hun meest recente galactische scans gepresenteerd, zoals die zijn gedaan met het Multi-Unit Spectroscopic Explorer (MUSE)-instrument van ESO’s VLT in de Atacama-woestijn in Chili. Ze gebruikten MUSE om pasgeboren sterren en het omringende gas op te sporen, dat door de sterren wordt verlicht en verwarmd, en als een indicator van actieve stervorming fungeert.

NGC 1087 op verschillende golflengten, zoals waargenomen met het MUSE-instrument van ESO’s VLT. Credit: ESO/PHANGS

De nieuwe MUSE-opnamen worden nu gecombineerd met waarnemingen van dezelfde sterrenstelsels die met ALMA zijn gedaan en eerder dit jaar zijn vrijgegeven. ALMA, die ook in Chili staat, is bijzonder geschikt om koude gaswolken in kaart te brengen – de delen van sterrenstelsels die de grondstof leveren waaruit sterren ontstaan.

Door de MUSE- en ALMA-opnamen met elkaar te combineren, kunnen astronomen de galactische gebieden onderzoeken waar stervorming plaatsvindt, vergeleken met waar deze naar verwachting zou plaatsvinden, om zo beter te begrijpen wat de aanzet geeft tot de geboorte van nieuwe sterren, en wat deze juist stimuleert of afremt. De resulterende opnamen zijn verbluffend mooi, en geven een spectaculair kleurrijk kijkje in de stellaire kraamkamers van naburige sterrenstelsels.

‘Er zijn nog veel raadsels die we willen oplossen,’ zegt co-auteur Kathryn Kreckel van de Universiteit van Heidelberg in Duitsland. ‘Worden sterren vaker geboren in specifieke delen van hun moederstelsels en zo ja, waarom? En hoe beïnvloedt de evolutie van pasgeboren sterren de vorming van volgende generaties van sterren?’

NGC 1300 op verschillende golflengten, zoals waargenomen met het MUSE-instrument van ESO’s VLT. Credit: ESO/PHANGS.

Dankzij de schat aan gegevens van MUSE en ALMA die het PHANGS-team heeft verzameld zullen astronomen deze vragen nu kunnen beantwoorden. MUSE verzamelt spectra – de ‘streepjescodes’ die astronomen scannen om de eigenschappen van kosmische objecten te onthullen – voor elke plek in zijn beeldveld, en levert daardoor veel rijkere informatie dan traditionele instrumenten. Voor het PHANGS-project heeft MUSE 30.000 nevels van warm gas waargenomen en ongeveer 15 miljoen spectra van uiteenlopende galactische gebieden verzameld. De ALMA-waarnemingen hebben astronomen juist in staat gesteld om ongeveer 100.000 gebieden van koud gas in 90 nabije sterrenstelsels in kaart te brengen, wat een ongekend detailrijke atlas van stellaire kraamkamers in het nabije heelal heeft opgeleverd.

Daarnaast maakt het PHANGS-project ook gebruik van waarnemingen met de Hubble-ruimtetelescoop van NASA en ESA. De verschillende sterrenwachten waren zo geselecteerd dat het team onze galactische buren op verschillende golflengten (zichtbaar, nabij-infrarood en radio) nauwkeurig konden onderzoeken, waarbij elk golflengtegebied specifieke delen van de waargenomen sterrenstelsels ontsluierde. ‘Deze combinatie stelt ons in staat om de verschillende stadia van de stergeboorte – van de vorming van de stellaire kraamkamers tot de aanvang van de eigenlijke stervorming en de uiteindelijke verwoesting van de kraamkamers door de pasgeboren sterren – in meer detail te onderzoeken dan met afzonderlijke waarnemingen mogelijk is,’ zegt co-auteur Francesco Belfiore van INAF-Arcetri in Firenze, Italië. ‘PHANGS biedt ons voor het eerst de mogelijkheid om zo’n compleet beeld van het stervormingsproces te verkrijgen, en opnamen te maken die scherp genoeg zijn om de afzonderlijke wolken, sterren en nevels te bekijken die indicatief zijn voor stervorming.’

De resultaten van het PHANGS-project zullen verder worden aangescherpt door toekomstige telescopen en instrumenten, zoals NASA’s James Webb Space Telescope. De gegevens die op deze manier worden verkregen, zullen een stevigere basis vormen voor de waarnemingen die met ESO’s toekomstige Extremely Large Telescope (ELT) zullen worden gedaan. Deze telescoop zal later dit decennium in bedrijf komen en een nog detailrijker beeld kunnen geven van de structuren van stellaire kraamkamers.

‘Hoe verbazingwekkend PHANGS ook is, de resolutie van de kaarten die we produceren is net voldoende om afzonderlijke stervormende wolken te herkennen en te scheiden, maar niet goed genoeg om in detail te zien wat daarbinnen gebeurt’, aldus Eva Schinnerer, leider van een onderzoeksteam aan het Max-Planck-Institut für Astronomie in Duitsland en hoofdonderzoeker van het PHANGS-project, in het kader waarvan de nieuwe waarnemingen werden uitgevoerd. ‘Nieuwe observatie-inspanningen van ons team en anderen verleggen de grens steeds verder, dus we hebben nog tientallen jaren van spannende ontdekkingen voor de boeg.’ Bron: ESO.

Astronomen brengen spinrag van kosmisch web in kaart

Een beeld van zo’n twee miljard jaar na de oerknal in het sterrenbeeld Fornax (Oven). Elk lichtpuntje is een compleet sterrenstelsel. Het blauwe spinrag van het kosmische web is met MUSE ontdekt. Het gas strekt zich uit over een afstand van 15 miljoen lichtjaar. Dat is ongeveer gelijk aan 150 keer onze Melkweg achter elkaar gelegd. (c) ESO/NASA/Roland Bacon et al.

Een internationaal team van astronomen, onder wie een aantal Nederlanders, heeft voor het eerst een stukje kosmisch web in kaart gebracht, zonder gebruik te maken van felle quasars. Ze publiceren hun bevindingen binnenkort in het vakblad Astronomy & Astrophysics.

Sterrenkundigen gaan er al langer vanuit dat de miljarden sterrenstelsels in ons heelal verbonden zijn via een enorm kosmisch web van gasstromen. Het web zelf is lastig te zien, omdat het bijna geen licht geeft. Tot nu toe waren wel knooppunten in het kosmische web in kaart gebracht aan de hand van quasars. Dat zijn superzware zwarte gaten in de centra van sterrenstelsels waarvan de omgeving enorme hoeveelheden licht uitzendt. Het licht wordt vervolgens verstrooid door het kosmische web en daardoor wordt het web rond de quasars zichtbaar. Helaas zijn quasars zeldzaam. Bovendien bevinden ze zich alleen op knooppunten van het kosmische web. Daardoor leveren ze een beperkt beeld op.

Nu is het onderzoekers voor het eerst gelukt om een klein stuk van het kosmisch web te zien zónder quasars te gebruiken. Een team geleid door Roland Bacon (CNRS, Centre de Recherche Astrophysique de Lyon, Frankrijk) richtte de Very Large Telescope 140 uur lang (verspreid over zes nachten tussen augustus 2018 en januari 2019) op een deel van het iconische Hubble Ultra Deep Field.

Met behulp van de Multi Unit Spectroscopic Explorer (MUSE) konden de onderzoekers het licht van groepjes sterren en sterrenstelsels opvangen dat verstrooid werd door gasfilamenten van het kosmische web. Het gaat om licht van zo’n twee miljard jaar na de oerknal.

Uit de waarnemingen bleek dat mogelijk meer dan de helft van het verstrooide licht niet van grote felle stralingsbronnen komt, maar van een zee van tot nu toe onontdekte sterrenstelsels met een zeer lage lichtkracht die veel te zwak zijn om afzonderlijk te kunnen worden waargenomen.

Het onderzoek versterkt de hypothese dat het jonge heelal bestond uit enorme aantallen, kleine groepjes pasgevormde sterren. Mede-auteur Joop Schaye (Sterrewacht Leiden, Universiteit Leiden): “We denken dat het licht dat we zien voornamelijk afkomstig is van jonge sterrenstelsels die elk miljoenen keren minder sterren bevatten dan ons eigen Melkwegstelsel. Dergelijke piepkleine stelsels zijn waarschijnlijk verantwoordelijk geweest voor het einde van de kosmische donkere tijden, toen minder dan een miljard jaar na de oerknal het heelal werd verlicht en verhit door de eerste generaties sterren.”

Mede-auteur Michael Maseda (Sterrewacht Leiden, Universiteit Leiden) voegt toe: “De MUSE waarnemingen geven ons dus niet alleen een beeld van het kosmisch web, maar leveren ook nieuw bewijs voor het bestaan van de extreem kleine sterrenstelsels die een zo cruciale rol vervullen in modellen van het vroege heelal.”

In de toekomst willen de astronomen graag grotere stukken van het kosmische web in kaart brengen. Daarom werken de sterrenkundigen aan een verbetering van het MUSE-instrument zodat het een twee tot vier keer grotere blikveld oplevert.

Wetenschappelijk artikel
The MUSE Extremely Deep Field: the Cosmic Web in Emission at High Redshift. By: Roland Bacon et al. Accepted for publication in Astronomy & Astrophysics.
Origineel: https://doi.org/10.1051/0004-6361/202039887
Gratis preprint: https://arxiv.org/abs/2102.05516v1

Bron: Astronomie.nl.

ESO-waarnemingen tonen het ontbijt van een zwart gat in het vroege heelal

Gashalo, waargenomen door MUSE, rond botsende sterrenstelsels die door ALMA zijn vastgelegd. Credit:
ESO/Farina et al.; ALMA (ESO/NAOJ/NRAO), Decarli et al.

Astronomen die gebruik maken van ESO’s Very Large Telescope hebben voorraden van koel gas waargenomen rond enkele van de vroegste sterrenstelsels in het heelal. Deze gashalo’s zijn het perfecte voedsel voor superzware zwarte gaten in het centrum van deze stelsels, die we nu waarnemen zoals ze er meer dan 12,5 miljard jaar geleden uitzagen. Deze voedselvoorraad kan verklaren waarom deze kosmische monsters zo snel konden groeien tijdens de periode die ook wel de kosmische dageraad wordt genoemd.

‘We kunnen nu voor het eerst aantonen dat de eerste sterrenstelsels genoeg voedsel in hun omgeving hebben om zowel de groei van superzware zwarte gaten als de snelle vorming van sterren gaande te houden’, zegt Emanuele Paolo Farina van het Max-Planck-Institut für Astronomie in Heidelberg, Duitsland, die leiding gaf aan het onderzoek waarvan de resultaten vandaag in de Astrophysical Journal zijn gepresenteerd. ‘Dit voegt een belangrijk stukje toe aan de puzzel van de vorming van de kosmische structuren, die meer dan 12 miljard jaar geleden plaatsvond.’

Astronomen vragen zich al geruime tijd af hoe superzware zwarte gaten al zo vroeg in de geschiedenis van het heelal zo groot kunnen zijn geworden. ‘Het bestaan van deze vroege monsters, met enkele miljarden keren zoveel massa als onze zon, is een groot raadsel’, zegt Farina, die tevens verbonden is aan het Max-Planck-Institut für Astrophysik in Garching bei München. Het betekent dat de eerste zwarte gaten, die kunnen zijn ontstaan door de ineenstorting van de eerste sterren, heel snel zijn gegroeid. Maar tot nu toe hadden astronomen nog niet genoeg voedsel in de vorm van gas en stof opgespoord om deze snelle groei te kunnen verklaren.

Om de zaken nog ingewikkelder te maken zijn bij eerdere waarnemingen met ALMA, de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array, grote hoeveelheden stof en gas in deze sterrenstelsels opgespoord die klaarblijkelijk voor de snelle vorming van sterren werden gebruikt. Deze ALMA-waarnemingen leken erop te wijzen dat er maar weinig overbleef om een zwart gat te voeden.

Om dit mysterie op te lossen hebben Farina en zijn collega’s het MUSE-instrument van ESO’s Very Large Telescope (VLT) in de Chileense Atacama-woestijn gebruikt om zogeheten quasars te onderzoeken – extreem heldere objecten die hun energie ontlenen aan superzware zwarte gaten die zich in de kernen van massarijke sterrenstelsels bevinden. Bij het onderzoek zijn 31 quasars bekeken die worden waargenomen zoals ze er meer dan 12,5 miljard jaar geleden uitzagen. Op dat moment bestond het jeugdige heelal nog maar ongeveer 870 miljoen jaar. Het betreft een van de grootste verkenningen van verre quasars die ooit zijn gedaan.

De astronomen ontdekten dat twaalf van deze quasars zijn omgeven door enorme voorraden gas: halo’s van koel, dicht waterstofgas die zich tot op 100.000 lichtjaar van de centrale zwarte gaten uitstrekken en miljarden malen zoveel massa hebben als de zon. Het team, bestaande uit onderzoekers uit Duitsland, de VS, Italië en Chili, hebben ook ontdekt dat deze gashalo’s nauw verbonden zijn met de sterrenstelsels, en dus de perfecte voedselbron zijn voor zowel de groei van superzware zwarte gaten als de vorming van grote aantallen nieuwe sterren.

Artistieke impressie van een verre quasar, omgeven door een gashalo. Credit: ESO/M. Kornmesser.

Het onderzoek was mogelijk dankzij de grote gevoeligheid van MUSE, de Multi Unit Spectroscopic Explorer van ESO’s VLT, die door Farina wordt omschreven als een baanbrekend instrument voor het quasaronderzoek. ‘In slechts enkele uren per object konden we in het omhulsel van enkele van de zwaarste en meest vraatzuchtige zwarte gaten in het jonge heelal duiken’, voegt hij daaraan toe. Quasars zelf zijn erg helder, maar de gasvoorraden om hen heen zijn veel moeilijker waarneembaar. Met MUSE is het echter gelukt om de zwakke gloed van het waterstofgas in de halo’s te detecteren, zodat astronomen nu eindelijk weten waar het materiaal vandaan komt dat de superzware zwarte gaten in het vroege heelal van energie voorziet.

In de toekomst zal ESO’s Extremely Large Telescope (ELT) nog meer details van sterrenstelsels en superzware zwarte gaten in de eerste paar miljard jaar na de oerknal onthullen. ‘Met de kracht van de ELT zullen we nog dieper het heelal in kunnen duiken en nog meer van zulke gasnevels ontdekken’, voorspelt Farina. Bron: ESO.

Directe waarneming van twee puinruimende planeten rond jonge ster

Artistieke weergave van de ster PDS 70 met twee groeiende protoplaneten. (c) STScI.

Een internationaal team van sterrenkundigen onder leiding van Sebastiaan Haffert (Universiteit Leiden) heeft een directe afbeelding gemaakt van twee exoplaneten die als een stofzuiger een spoor trekken in de planeetvormende schijf rond de jonge ster PDS 70. Het is pas het tweede meervoudige exoplaneetsysteem dat direct gefotografeerd is en het eerste waarbij de planeten nog steeds materiaal verzamelen en groeien. Het onderzoek verschijnt vandaag in het vakblad Nature Astronomy.

PDS 70, de ster waaromheen de twee exoplaneten draaien, bevindt zich op ongeveer 370 lichtjaar van de aarde. De ster is slechts 6 miljoen jaar oud, iets kleiner dan onze zon en omgeven door twee schijven van gas en stof. De twee exoplaneten draaien hun rondjes tussen de twee schijven. Ze hebben als het ware een pad schoongeveegd en de grote schijf in tweeën gehakt.

De binnenste planeet, PDS 70 b, staat op ongeveer 3 miljard kilometer van zijn ster. Dat is vergelijkbaar met de baan van Uranus in ons zonnestelsel. De planeet is ongeveer 4 tot 17 keer zo zwaar als Jupiter. Deze planeet was in 2018 al ontdekt. De buitenste planeet, PDS 70 c, draait op ongeveer 5 miljard kilometer om zijn ster. Dat is vergelijkbaar met de afstand van Neptunus tot onze zon. Planeet c is ongeveer 1 tot 10 keer zo zwaar als Jupiter.

MUSE, de Multi Unit Spectroscopic Explorer, is een verzameling van 24 spectrometers die het licht in verschillende kleuren uiteenrafelen.
Credit: Eric Le Roux / Service Communication / UCBL / MUSE

Het team detecteerde PDS 70 c met behulp van de MUSE-spectrograaf op de Very Large Telescope (VLT) van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO). Deze, mede door Nederland ontwikkelde, spectrograaf is een enorm stabiel instrument met een lange sluitertijd. Daardoor kan het zeer lichtzwakke objecten waarnemen. Het instrument is oorspronkelijk ontwikkeld om zwakke sterrenstelsels in het vroege heelal te onderzoeken.

Dankzij een nieuwe instelling die corrigeert voor verstoringen in de atmosfeer kan MUSE sinds 2018 beelden maken met heel hoge resolutie. De telescoop is zo nauwkeurig dat het zogeheten H-alpha-straling kan opvangen die bij groeiende exoplaneten vrijkomt.

De planeten PDS 70 b en PDS 70 c hebben een bijzondere verhouding in omlooptijden. In de tijd dat planeet b twee rondjes aflegt rond de ster, maakt planeet c er één. Sommige sterrenkundigen vermoeden dat een vergelijkbare vorm van baanresonantie tussen Jupiter en Saturnus ook een rol speelde in het ontstaan van ons planetenstelsel. Ze noemen dat de ‘grand tack hypothese’ (vrij vertaald: de grote laveerhypothese). Die gaat ervan uit dat Jupiter in het begin van zijn bestaan onder invloed van Saturnus een omtrekkende, laverende beweging maakte: eerst richting de zon en daarna weer naar buiten.

Voor sterrenkundigen komt de ontdekking van de exoplaneten in een stofschijf als geroepen. Ze hadden namelijk al tientallen stofschijven met gaten rond sterren gezien, maar nooit waren de bijbehorende planeten zichtbaar. In de toekomst hopen ze meer exoplaneten in stofschijven zichtbaar te maken. Ook hopen ze meer planeten te vinden die nog in hun groeifase zijn. Zo kunnen de wetenschappers beter begrijpen hoe planeten ontstaan en zich ontwikkelen. Bron: Astronomie.nl.

Bellen van gloednieuwe sterren

Bellen van gloednieuwe sterren. Credit: ESO, A McLeod et al.

Dit wonderschone gebied van sterren-in-wording in de Grote Magelhaense Wolk (GMW) is vastgelegd met het Multi Unit Spectroscopic Explorer-instrument (MUSE) van de Very Large Telescope van ESO. Dankzij de relatief kleine hoeveelheid stof in de GMW en de scherpe blik van MUSE komen de complexe details van deze stellaire kraamkamer goed tot uiting in zichtbaar licht.

Dit deel van de Grote Magelhaense Wolk (GMW) vertoont op deze opname van het Multi Unit Spectroscopic Explorer-instrument (MUSE) van ESO’s Very Large Telescope (VLT) opvallende kleuren. De nevel, die bekendstaat als LHA 120-N 180B of kortweg N 180B, is een zogeheten H II-gebied (spreek uit als ‘H twee’) en een vruchtbare bron van nieuwe sterren.

De GMW is een satellietstelsel van de Melkweg dat vooral vanaf het zuidelijk halfrond goed te zien is. Met een afstand van slechts ongeveer 160.000 lichtjaar ligt het praktisch voor onze deur. Niet alleen ligt de GMW dicht bij huis, we zien zijn enige spiraalarm ook nog eens van bovenaf, waardoor gebieden zoals N180 B zich gemakkelijk laten onderzoeken.

Digitized Sky Survey-opname van het H II-gebied LHA 120-N 180B en omgeving. Credit: ESO/Digitized Sky Survey 2. Acknowledgment: Davide De Martin

H II-gebieden zijn interstellaire wolken van geïoniseerde waterstof – de kale kernen van waterstofatomen. Deze regio’s zijn stellaire kraamkamers, en de pas gevormde zware sterren zijn verantwoordelijk voor de ionisatie van het omringende gas, wat een spectaculair schouwspel oplevert. De karakteristieke vorm van N180 B bestaat uit een reusachtige bel van geïoniseerde waterstof, omgeven door vier kleinere bellen.

Het H II-gebied LHA 120-N 180B in het sterrenbeeld Mensa. Credit: ESO, IAU and Sky & Telescope

Diep in deze gloeiende wolk heeft MUSE een jet ontdekt die wordt uitgezonden door een jonge ster – een zwaar jong stellair object met twaalf keer zoveel massa als onze zon. De jet, die Herbig-Haro 1177 of kortweg HH 1177 wordt genoemd – is op bijgaande foto goed te zien. Het is voor het eerst dat zo’n jet buiten onze Melkweg in zichtbaar licht is waargenomen – doorgaans worden ze aan het zicht onttrokken door het vele stof in hun omgeving. Het relatief stofvrije karakter van de GMW maakt het echter mogelijk om HH 1177 op zichtbare golflengten waar te nemen. Met een lengte van bijna 33 lichtjaar is dit een van de langste jets van dit type die ooit zijn waargenomen.

HH 1177 geeft inzicht in de vroege levensfasen van sterren. De jet is sterk gecollimeerd: hij wordt naar het uiteinde toe nauwelijks breder. Jets zoals deze houden verband met de accretieschijven van hun ster en kunnen licht werpen op de manier waarop jonge sterren materie verzamelen. Astronomen hebben ontdekt dat zowel zware als lichte sterren gecollimeerde jets zoals HH 1177 uitstoten. Dat doen ze ongeveer op dezelfde manier, wat erop wijst dat de vorming van zware sterren op vergelijkbare wijze verloopt als die van hun lichtere tegenhangers.

MUSE is onlangs enorm verbeterd door de toevoeging van de Adaptive Optics Facility, die in 2017 zijn eerste licht zag in Wide Field Mode. Adaptieve optiek is het middel waarmee ESO-telescopen het beeldvertroebelende effect van de aardatmosfeer tegengaan dat sterren doet fonkelen. Op die manier kunnen toch scherpe, detailrijke opnamen worden gemaakt. Sinds het verkrijgen van deze beeldgegevens heeft MUSE door de toevoeging van de Narrow Field Mode een blik gekregen die bijna even scherp is als die van de Hubble-ruimtetelescoop van NASA en ESA. Daardoor kan hij het heelal nu gedetailleerder verkennen dan ooit tevoren. Bron: ESO.

ALMA en MUSE detecteren een galactische fontein

ALMA en MUSE detecteren galactische fontein. Credit: ALMA (ESO/NAOJ/NRAO), Tremblay et al.; NRAO/AUI/NSF, B. Saxton; NASA/Chandra; ESO/VLT

Aan de hand van waarnemingen met ALMA en gegevens van de MUSE-spectrograaf van ESO’s Very Large Telescope is een kolossale fontein van moleculair gas ontdekt, die wordt aangedreven door een zwart gat in het helderste sterrenstelsel van de cluster Abell 2597. De volledige galactische cyclus van instroom en uitstroom die zo’n enorme kosmische fontein aandrijft is nooit eerder binnen één stelsel waargenomen.

Op slechts één miljard lichtjaar van ons vandaan, in de nabije cluster die bekendstaat als Abell 2597, bevindt zich een reusachtige galactische fontein. In het hart van een van de stelsels in deze cluster is een enorme straal van koud moleculair gas waargenomen die de ruimte in spuit en vervolgens als een intergalactische stortbui op het zwarte gat neerregent. De in- en uitstroom van zo’n enorme kosmische fontein zijn nog nooit eerder gezamenlijk waargenomen. Ze vinden hun oorsprong in de binnenste 100.000 lichtjaar van het helderste sterrenstelsel in Abell 2597.

Digitized Sky Survey-opname van Abell 2597 en omgeving. Credit: ESO/Digitized Sky Survey 2. Acknowledgment: Davide De Martin

Dit is mogelijk het eerste stelsel waarin we duidelijk bewijs aantreffen voor zowel de instroom van koud moleculair gas naar het zwarte gat toe en de uitstroom van de jets die het zwarte gat lanceert’, aldus Grant Tremblay van het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics en voormalig ESO Fellow, die leiding gaf aan dit onderzoek. ‘Het superzware zwarte gat in het centrum van dit reusachtige sterrenstelsel fungeert als de mechanische pomp in een fontein.

Tremblay en zijn team gebruikten ALMA om de posities en bewegingen van koolstofmonoxidemoleculen in de nevel te volgen. Deze koude moleculen, met temperaturen tot minus 250 à 260 °C, bleken naar binnen – dat wil zeggen: naar het zwarte gat toe – te vallen. Het team maakte ook gebruikt van gegevens van het MUSE-instrument van de Very Large Telescope van ESO om warmer gas te kunnen volgen dat in de vorm van jets door het zwarte gat wordt gelanceerd.

Abell 2597 in het sterrenbeeld Waterman. Credit: ESO, IAU and Sky & Telescope

Het unieke aspect hier is een zeer nauwkeurige gecombineerde analyse van de bron met behulp van gegevens van ALMA en MUSE’, legt Tremblay uit. ‘Deze twee faciliteiten vormen een ongelooflijk krachtige combinatie.

Tezamen geven de beide sets gegevens een compleet beeld van het proces: koud gas valt in de richting van het zwarte gat, waardoor deze wordt geactiveerd en in reactie daarop twee snel bewegende jets van gloeiende plasma de ruimte in blaast. Deze jets spuiten vervolgens als spectaculaire galactische fonteinen het zwarte gat uit. Het plasma kan echter niet aan de zwaartekrachtsgreep van het sterrenstelsel ontsnappen: het koelt af, vertraagt en regent uiteindelijk weer terug naar het zwarte gat, waarna de cyclus opnieuw begint.

Deze unieke waarneming zou licht kunnen werpen op de levenscyclus die sterrenstelsels doorlopen. Het onderzoeksteam denkt dat dit proces niet alleen universeel is, maar ook essentieel voor ons begrip van de vorming van sterrenstelsels. Hoewel de instroom en uitstroom van koud moleculair gas beide eerder zijn gedetecteerd, is het voor het eerst dat beide binnen één stelsel zijn gedetecteerd. Daarmee is het bewijs geleverd dat zij deel uitmaken van één en hetzelfde grootschalige proces.

Abell 2597 bevindt zich in het sterrenbeeld Waterman en is genoemd naar de Abell-catalogus van rijke clusters van sterrenstelsels, waarin hij is opgenomen. Deze catalogus omvat ook talrijke andere clusters, waaronder de Fornaxcluster, de Herculescluster en de Pandoracluster. Hier het vakartikel. Bron: ESO.

Superscherpe foto’s van Neptunus met de nieuwe adaptieve optiek van de VLT

Neptunus, gefotografeerd met de VLT en de MUSE/GALACSI adaptieve optiek in Narrow Field Mode. Credit: ESO/P. Weilbacher (AIP)

ESO’s Very Large Telescope (VLT) heeft zijn eerste licht opgevangen met behulp van een nieuwe adaptieve optische modus die ‘lasertomografie’ wordt genoemd. Dat heeft opmerkelijk scherpe testbeelden opgeleverd van de planeet Neptunus, sterrenhopen en andere objecten. Het baanbrekende MUSE-instrument van de VLT in Narrow Field Mode kan, in samenwerking met de adaptieve-optiekmodule GALACSI, deze nieuwe techniek gebruiken om te corrigeren voor turbulentie op verschillende hoogten in de atmosfeer. Het is nu mogelijk om op zichtbare golflengten foto’s vanaf de grond te maken die scherper zijn dan die van de Hubble-ruimtetelescoop van ESA en NASA. De combinatie van uitmuntende beeldscherpte en de spectroscopische mogelijkheden van MUSE stelt astronomen in staat om de eigenschappen van hemelobjecten veel gedetailleerder te onderzoeken dan tot nu toe mogelijk was.

Neptunus, gefotografeerd met de VLT met en zonder adaptieve optiek. Credit:ESO/P. Weilbacher (AIP)

Het MUSE (Multi Unit Spectroscopic Explorer)-instrument van ESO’s Very Large Telescope (VLT) werkt met een adaptieve-optiekeenheid die GALACSI heet. Deze maakt gebruik van de Laser Guide Stars Facility, 4LGSF, een subsysteem van de Adaptive Optics Facility (AOF). De AOF voorziet de instrumenten van de Unit Telescope 4 (UT4) van de VLT van adaptieve optiek. MUSE was het eerste instrument dat deze nieuwe faciliteit kon benutten en vanaf nu heeft dit instrument twee adaptieve optische modi: een groothoekmodus (Wide Field Mode) en een kleinhoekmodus (Narrow Field Mode) [1]In Wide Field Mode leveren MUSE en GALACSI al een correctie over een beeldveld van 1 boogminuut, met pixels van 0,2 bij 0,2 boogseconde. De nieuwe Narrow Field Mode bestrijkt een veel kleiner … Continue reading.

Neptunus, gefotografeerd met de VLT en de Hubble-ruimtetelescoop. Credit:ESO/P. Weilbacher (AIP)/NASA, ESA, and M.H. Wong and J. Tollefson (UC Berkeley)

De combinatie van MUSE in Wide Field Mode en GALACSI in atmosferische grondlaagmoduscorrigeert over een relatief groot beeldveld voor de effecten van atmosferische turbulentie tot één kilometer boven de telescoop. Maar dankzij lasertomografie corrigeert de nieuwe Narrow Field Mode bijna álle atmosferische turbulentie boven de telescoop. Dat resulteert in veel scherpere beelden, maar wel van een kleiner stukje hemel [2]Atmosferische turbulentie varieert met de hoogte: sommige lagen verstoren de lichtbundels van sterren meer dan andere. De complexe adaptief-optische techniek van de lasertomografie heeft tot doel om … Continue reading.
Met de nieuwe techniek wordt het beeld van de 8-meter UT4-telescoop gecorrigeerd voor atmosferische vertroebeling en kan het zijn maximale theoretische scherpte bereiken. Op zichtbare golflengten is dit extreem moeilijk, maar de resulterende beelden zijn qua scherpte vergelijkbaar met die van de Hubble-ruimtetelescoop van NASA en ESA. Vanaf nu kunnen astronomen fascinerende objecten zoals de superzware zwarte gaten in de centra van verre sterrenstelsels, de jets van jonge sterren, bolvormige sterrenhopen, supernova’s, de planeten en hun manen van ons zonnestelsel ongekend gedetailleerd onderzoeken.

MUSE-opnamen van de bolvormige sterrenhoop NGC 6388. Credit:ESO/S. Kammann (LJMU)

Adaptieve optiek is een techniek om het beeldvertroebelende effect van de aardatmosfeer, waar alle telescopen op de grond mee te kampen hebben, te onderdrukken. Dezelfde atmosferische turbulentie die ervoor zorgt dat de sterren aan de hemel twinkelen, maakt de hemelfoto’s van grote telescopen onscherp. Het licht van sterren en sterrenstelsels wordt vervormd als het door de beschermende laag van onze atmosfeer heen gaat, en dat noopt astronomen ertoe om slimme technologie in te zetten die de beeldkwaliteit verbetert.

Om dit te bereiken worden vier heldere lasers aan UT4 gekoppeld, die 30 centimeter brede bundels van intens oranje licht op de hemel projecteren. Dit brengt natriumatomen hoog in de atmosfeer in aangeslagen toestand, waardoor ze gaan gloeien. Op die manier ontstaan kunstmatige richtsterren aan de hemel die door het adaptieve optische systeem worden gebruikt om vast te stellen hoe turbulent de atmosfeer is. Het systeem berekent duizend keer per seconde hoe het beeld gecorrigeerd moet worden en geeft daarbij de dunne, vervormbare secundaire spiegel van UT4 de opdracht om steeds zodanig van vorm te veranderen dat de atmosferische beeldvervorming wordt gecorrigeerd.

MUSE is niet het enige instrument dat van de Adaptive Optics Facility kan profiteren. Een ander adaptief optisch systeemGRAAL, wordt al ingezet met de  infraroodcamera HAWK-I. Over enkele jaren zal dit worden opgevolgd door het krachtige nieuwe instrument ERIS. Tezamen verbeteren deze belangrijke ontwikkelingen in de adaptieve optiek de toch al krachtige vloot van ESO-telescopen bij het in beeld brengen van het heelal.

De nieuwe modus is ook van belang voor ESO’s Extremely Large Telescope, die op lasertomografie vertrouwt om zijn wetenschappelijke doelen te bereiken. Deze resultaten met de AOF van UT4 helpen de ingenieurs en wetenschappers van de ELT bij de ontwikkeling van vergelijkbare adaptieve optische technologie voor deze reus van 39 meter. Bron: ESO.

References[+]

References
1 In Wide Field Mode leveren MUSE en GALACSI al een correctie over een beeldveld van 1 boogminuut, met pixels van 0,2 bij 0,2 boogseconde. De nieuwe Narrow Field Mode bestrijkt een veel kleiner beeldveld van 7,5 boogseconde, maar met veel kleinere pixels van slechts 0,025 bij 0,025 boogseconde. Daarmee wordt de uitstekende beeldresolutie van de VLT volledig benut.
2 Atmosferische turbulentie varieert met de hoogte: sommige lagen verstoren de lichtbundels van sterren meer dan andere. De complexe adaptief-optische techniek van de lasertomografie heeft tot doel om de turbulentie van met name die atmosferische lagen te corrigeren. Voor de MUSE/GALACSI-modus wordt een specifieke reeks lagen gekozen met hoogten van 0 (de grondlaag – altijd een belangrijke bijdrager), 3, 9 en 14 kilometer. Vervolgens wordt het correctie-algoritme geoptimaliseerd voor deze lagen, opdat astronomen een beeldkwaliteit kunnen bereiken die bijna even goed is als met een natuurlijke richtster. Op die manier kan de theoretische beeldscherpte van de telescoop worden benaderd.

VLT doet meest precieze test van Einsteins algemene relativiteitstheorie buiten de Melkweg

Foto van ESO 325-G004. Credit:ESO, ESA/Hubble, NASA

Astronomen die gebruik maken van het MUSE-instrument van ESO’s Very Large Telescope in Chili en de Hubble-ruimtetelescoop van NASA en ESA hebben de meest precieze test tot nu toe gedaan van Einsteins algemene relativiteitstheorie buiten de Melkweg. Het nabije sterrenstelsel ESO 325-G004 fungeert als een sterke zwaartekrachtlens en vervormt het licht van een verder weg staand sterrenstelsel tot een Einsteinring. Door de massa van ESO 325-G004 te vergelijken met de kromming van de omliggende ruimte, ontdekten de astronomen dat de zwaartekracht zich op deze astronomische lengteschalen gedraagt zoals voorspeld door de algemene relativiteitstheorie. Daarmee zijn enkele alternatieve zwaartekrachttheorieën ontkracht.

Met behulp van het MUSE-instrument van ESO’s VLT heeft een team onder leiding van Thomas Collett van de Universiteit van Portsmouth (VK) eerst de massa van ESO 325-G004 berekend door de bewegingen van sterren in dit relatief nabije elliptische sterrenstelsel te meten.

Twee manieren om de massa van een sterrenstelsel te bepalen. Credit:ESO, ESA/Hubble, NASA

Collett legt uit: ‘We hebben gegevens van de Very Large Telescope in Chili gebruikt om te meten hoe snel de sterren in ESO 325-G004 bewegen. Hieruit konden we afleiden hoeveel massa er in dit sterrenstelsel aanwezig moet zijn om deze sterren in hun omloopbanen te houden.’

Maar het team heeft ook een ander aspect van de zwaartekracht gemeten. Met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop van NASA en ESA namen ze een Einsteinring waar die is ontstaan doordat ESO 325-G004 het licht van een ver verwijderd sterrenstelsel vervormt. Aan de hand van deze waarnemingen konden de astronomen meten hoe licht, en daarmee dus ook de ruimtetijd, door de enorme massa van ESO 325-G004 wordt afgebogen.

Het gravitatielenseffect op verre sterren-vormende sterrenstelsels (schematisch). Credit: ALMA (ESO/NRAO/NAOJ), L. Calçada (ESO), Y. Hezaveh et al.

Einsteins algemene relativiteitstheorie voorspelt dat objecten de hen omringende ruimtetijd vervormen, waardoor passerend licht wordt afgebogen. Dit resulteert in een verschijnsel dat het zwaartekrachtlenseffect wordt genoemd. Dit effect valt alleen op bij objecten die heel veel massa hebben. Inmiddels zijn een paar honderd van die sterke zwaartekrachtlenzen bekend, maar de meeste zijn te ver weg om hun massa exact te kunnen meten. Met een afstand van ‘slechts’ 450 miljoen lichtjaar is het sterrenstelsel ESO 325-G004 een van de meest nabije lenzen.

Collett vervolgt: ‘We kennen de massa van het voorgrondstelsel van MUSE en we hebben de sterkte van het lenseffect gemeten zoals Hubble dat laat zien. Vervolgens hebben we deze twee manieren om de sterkte van de zwaartekracht te meten met elkaar vergeleken, en het resultaat was precies wat de algemene relativiteitstheorie voorspelt, met een onzekerheid van slechts 9 procent. Daarmee is dit de meest precieze test van de algemene relativiteitstheorie buiten de Melkweg tot nu toe. En dit met behulp van slechts één sterrenstelsel!’

Cluster Abell S0740. Credit:NASAESA, and The Hubble Heritage Team (STScI/AURA)

Op de schaal van ons zonnestelsel is de algemene relativiteitstheorie met grote nauwkeurigheid getoetst, maar aan nauwkeurige tests op grotere astronomische schalen ontbrak het tot nu toe. Het testen van de langeafstandseigenschappen van de zwaartekracht is van cruciaal belang om de geldigheid van ons huidige kosmologische model te onderzoeken.

Deze bevindingen kunnen belangrijke gevolgen hebben voor alternatieve zwaartekrachtmodellen. Deze alternatieve theorieën voorspellen dat de effecten van de zwaartekracht op de kromming van ruimtetijd ‘schaalafhankelijk’ zijn. Dit betekent dat de zwaartekracht zich op extragalactische lengteschalen anders zou moeten gedragen dan op de kleinere schaal van het zonnestelsel. Collett en zijn team hebben vastgesteld dat dit waarschijnlijk niet het geval is tenzij de verschillen alleen optreden op lengteschalen van meer dan 6000 lichtjaar.

‘Het is geweldig dat het heelal ons lenzen levert die we als laboratoria kunnen gebruiken’, voegt teamlid Bob Nichol van de Universiteit van Portsmouth daaraan toe. ‘Het is zo bevredigend om de beste telescopen ter wereld in te zetten om Einstein op de proef te stellen, en erachter te komen dat hij gelijk had.’ Hier het vakartikel over de test, dat in het tijdschrift Science verschijnt. Bron: ESO.