Heeft de Aarde Trojanen?

De Lagrangepunten van de Aarde. Zijn er Trojanen in L4 en L5? Credit: NASA/WMAP Science Team

Heeft de Aarde Trojanen, planetoïden die zich ophouden in z’n baan om de Zon zestig graden verderop (Lagrangepunt L4, 60° ten oosten van de Zon) of zestig graden terug (Lagrangepunt L5, 60° ten westen van de Zon) [1]De Lagrangepunten L4 en L5 bevinden zich op de baan van de aarde, met voor- of achterstand van 1 maal de afstand aarde-zon (in rechte lijn, niet langs de kromming van de baan). Het object staat zo in … Continue reading? Mars heeft Trojanen in L4 en L5, Jupiter heeft ze, Neptunus heeft ze en zelfs twee manen van Saturnus zijn in het bezit van Trojanen. Waarom zou de Aarde geen Trojanen kunnen hebben? De vraag stellen is de vraag beantwoorden en het antwoord luidt dat op dit moment niet bekend is of de Aarde Trojanen heeft in L4 en L5. Velen hebben gezocht naar planetoïden in de omgeving van L4 en L5 van de Aarde, maar ondanks enkele vermeende kandidaten is er geen enkele Trojaan daadwerkelijk gevonden. Wel heeft de Aarde naast de Maan nog een planetoïde die om haar heen cirkelt, de planetoïde genaamd 3753 Cruithne, maar diens baan is quasi-stabiel en op een gegeven moment zal ’t brokstuk z’n baan om de aarde verlaten. Wat zich misschien wél in de omgeving van L4 en L5 bevindt zijn concentraties van stof, de zogenaamde Wolk van Kordylewski. De Poolse sterrenkundige Kazimierz Kordylewski beweerde de roodgekleurde stofwolk te hebben gezien in 1956 en 1961 en in 1990 deed z’n landgenoot Winiarski ’t nog eens dunnetjes over. Maar of  de Trojaanse stofwolk echt bestaat is nog niet bevestigd. De Japanse Hiten-satelliet (Muses-A) is in 1992 dwars door L4 en L5 gevlogen en die heeft géén stof gedetecteerd. Zou je toch verwachten als Kordylewski’s wolken zouden bestaan? Kortom, voorlopig gaan we er maar even vanuit dat L4 en L5 van de Aarde leeg zijn. Hoe zit het dan met planetoïden in L1, L2 en L3? Kunnen ze zich daar niet ophouden? Het antwoord is simpel: dat kan in principe wel, maar in tegenstelling tot L4 en L5 zijn L1 t/m 3 niet stabiel. Satellieten die daar heen worden gestuurd, zoals Planck en Herschel in L2, hebben raketjes aan boord om hun positie af en toe te corrigeren. Trojanen zouden daar dus nooit lang kunnen verblijven, de minste schommeling zou ze uit hun positie doen verwijderen. Vraag voor een volgende blog: heeft onze Maan Trojanen? Bron: Website van Joan Baez.

References[+]

References
1 De Lagrangepunten L4 en L5 bevinden zich op de baan van de aarde, met voor- of achterstand van 1 maal de afstand aarde-zon (in rechte lijn, niet langs de kromming van de baan). Het object staat zo in de tip van een gelijkzijdige driehoek, met de as aarde-zon als basis. Omdat de afstanden van het object tot de zon en tot de aarde gelijk zijn, is de verhouding tussen de aantrekkingskrachten gelijk aan de verhouding tussen de massa’s van zon en aarde. Hierdoor zal de resulterende kracht exact door het zwaartepunt van het tweelichamensysteem gaan. De resulterende kracht is exact groot genoeg zodat de omlooptijd gelijk is aan die van de aarde. Bron: Wikipedia.

Eerste Trojaan ontdekt in Neptunus’ Lagrangepunt L5

Ontdekkingsfoto van 2008 LC18. Credit: Carnegie Institution of Washington / National Astronomical Observatory of Japan

Goh, daar hebben we weer zo’n titel die menig wenkbrauwen zal doen fronzen. Trojanen? Lagrangepunt L5? Adrianus, explain! Welnu, dat we het over de planeet Neptunus hebben, na de degradatie van Pluto tot dwergplaneet de verste planeet in het zonnestelsel, zal duidelijk zijn. De sterrenkundigen Scott Sheppard en Chad Trujillo zijn er onlangs in geslaagd om bij Neptunus voor het eerst een Trojaan te ontdekken in het zogenaamde Lagrangepunt L5. Trojanen zijn een specifieke groep planetoïden die zich kúnnen ophouden in de Lagrangepunten L4 en L5 van een planeet. Jupiter telt de meeste Trojanen en wel 4.076 stuks (telling februari 2010), Mars telt er 4 – da’s een tikkie minder – en Neptunus telde er tot voor kort zes. Saturnus kent géén Trojanen-planetoïden, maar heeft wél, om het voor de verandering wat ingewikkelder te maken, twee Trojanen-manen. Dat zijn de manen Thetys en Dione die hún eigen Trojanen hebben. 😯

Lagrangepunten L4 en L5

Die genoemde punten L4 en L5 maken deel uit van de vijf Lagrangepunten, die iedere planeet die om een ster draait heeft. De zwaartekracht van planeet en ster heffen elkaar in die vijf punten min of meer op en daardoor kunnen objecten die daar zijn een vaste relatieve positie behouden ten opzichte van ster en planeet. Allemaal ontdekt door de Franse wiskundige Louis Lagrange in 1772. L4 bevindt zich in de baan van een planeet 60° verderop (‘loopt dus voor op die planeet’) en L5 ligt 60° terug (‘loopt achter’), zie deze afbeelding ter verduidelijking. De meeste Trojanen van Jupiter bevinden zich in L4 en die behoren tot het zogenaamde ‘Griekse Kamp’ (naar Homerus’ Ilias), terwijl de minderheid in L5 tot het ‘Trojaanse Kamp’ behoort. Zoals gezegd kende men bij Neptunus zes Trojanen en die bevinden zich allemaal in L4. Maar met de ontdekking van planetoïde 2008 LC15 hebben Sheppard en Trujillo de allereerste ‘Trojaanse Trojaan’ van Neptunus ontdekt (ingewikkeld hoor, al die namen), zich ophoudend in L5 van die gasplaneet. Over de wijze waarop de ontdekking is gegaan en de moeilijkheden die daarbij optraden moet je de bron lezen, zeker de moeite waard! Bron: Planetary Society.

Kleine kans dat planetoïde de Aarde raakt in 2182

Radaropname van 1999 RQ36. Credit: Lance, NASA

Je hoeft er nog niet direct wakker van te liggen en je kinderen en kleinkinderen evenmin, maar er bestaat een kleine kans dat de planetoïde (101955) 1999 RQ36 – vergeet die naam niet! 😉 – in het jaar 2182 tegen de Aarde botst. Woehahaha… Wetenschappers van de Universiteit van Valladolid in Italië hebben van een groep potentiëel gevaarlijke planetoïden (Potentially Hazardous Asteroids, PHA’s) de kans berekend dat ze tot het jaar 2200 tegen de Aarde kunnen botsen en in het geval van 1999 RQ36 bedraagt die kans 0,00092, d.w.z. bijna 1 op 1000. Bijna de helft van die kans, 0,00054 om precies te zijn, wordt gevormd door de mogelijkheid van een botsing in 2182. Mocht in de volgende eeuw blijken dat 1999 RQ36 inderdaad gaat botsen met de Aarde, hoe klein die kans ook lijkt te zijn, dan zal men het liefst voor 2060 maatregelen moeten nemen om ‘m van baan te doen veranderen. Eerder is al het voorstel gedaan, in het geval van de planetoïde Apophis, welke op vrijdag 13 april (woehahaha…) 2029 tegen de Aarde zou kunnen botsen, om ‘m gravitationeel af te leiden door er een satelliet vlakbij omheen te laten cirkelen. Dat moet dan bij 1999 RQ36 wel voor het jaar 2060 gebeuren, want dan is ‘ie nog het meest beïnvloedbaar. Eh… nog even voor de statistieken: 1999 RQ36 werd in 1999 ontdekt, heel juist, en hij is 560 meter in diameter. Ding dong… Bron: Eurekalert.

Wat levert een blik op Hayabusa’s binnenste op?

Het binnenste van de Hayabusa. Credit: JAXA.

Dat ‘ie compleet leeg is! Tenminste, zo lijkt het op het eerste gezicht. Ik kwam de foto hiernaast tegen die gemaakt is van de sacrale binnenste container van de Japanse satelliet Hayabusa, die november 2005 getracht heeft materiaal mee te nemen van de planetoïde Itokawa en die 13 juni j.l. terugkeerde naar Aarde. In die container zou het spul van Itokawa moeten zitten, maar afgezien van wat stofjes op het tussenliggende beveiligingsglas lijkt de container leeg. Máár volgens Japanse media zouden wetenschappers ín de container minuscule deeltjes hebben gevonden van ongeveer 0,01 mm groot. Eéntje ervan zie je op deze foto, aangewezen door een soort naald. De Japanse ruimtevaartorganisatie JAXA is niet zo scheutig met het geven van info, dus vallen we op dit moment terug op die media. Volgens dezelfde bron zou men aan de buitenkant van de binnenste container een dozijn grotere deeltjes hebben gevonden, ca. 1 mm in doorsnede. In alle gevallen is de vraag of we met aardse deeltjes van doen hebben of dat ze echt van Itokawa zijn. Het laatste woord is toch aan JAXA. Bron: Planetary Society.

Heeft Hayabusa wel iets meegenomen van Itokawa?

De berging van de Hayabusa-capsule. Credit: JAXA.

Op 13 juni j.l. kwam de Hayabusacapsule terug van een 614 miljoen km lange tocht die november 2005 langs de kleine planetoïde Itokawa voerde. Hayabusa heeft toen een tweetal landingen op die aardappelvormige rots gemaakt en de hoop was dat ‘ie daarbij enkele bodemmonsters zou hebben meegenomen. De capsule is door wetenschappers van JAXA, de Japanse ruimtevaartorganisatie, meegenomen naar het laboratorium en daar wordt ‘ie op dit moment onderzocht. Geruchten doen de ronde dat er géén monsters zouden zijn aangetroffen in het opslaggedeelte van de capsule van de 4,6 miljard jaar oude planetoïde (zie foto). Maar die geruchten zijn wel erg voorbarig als ’t juist is dat de capsule nog moet worden opengemaakt, zoals commentatoren schrijven op Phil Plait’s bericht (zie de bron) over de geruchten. Wel zouden er volgens dezelfde geruchtenbron wél gassporen van verdampt materiaal zijn gevonden, die wellicht van Itokawa afkomstig zijn. Als dat opslaggedeelte inderdaad nog moet worden geopend dan kunnen we de negatieve berichten met een grote korrel zout nemen en moeten we maar gewoon afwachten wat JAXA er zelf over te melden heeft. Bron: Bad Astronomy.

8 juli 2010 bedekt planetoïde Roma de ster Delta Oph

Het traject van de eclips van Delta Oph door Roma. Credit: Dutch Occultation Association/Iota

Delta Oph (δ Ophiuchus) is een ster van magnitude 2,7 in het sterrenbeeld Slangendrager en 472 Roma is een planetoïde, welke op 11 juli 1901 – dus bijna honderd jaar geleden – ontdekt werd door Luigi Carnera. Beiden zijn geen bijzondere objecten, ware het niet dat ze op 8 juli a.s. voor iets moois gaan zorgen. Die dag zal gezien vanaf een lange, smalle strook op Aarde Roma Delta Oph gaan bedekken! En wat helemaal mooi is: die strook is niet ver hiervandaan, want hij loopt van Finland via de Oostzee, vlak langs Limburg naar de zuidelijkste punt van Portugal. 😀 De bedekking zou rond 23h57m MEZT (Midden-Europese Zomertijd, dat hebben wij nu dus) plaatsvinden, binnen een ‘waarneemvenster’ van 2 minuten. Roma heeft een helderheid van ongeveer 10,7 m, dus die is zwak, maar de verwachting is dat Delta Oph zo’n vijf seconden wordt ‘uitgedoofd’ tot 13,5 m. Aangeraden wordt om vanaf 23h52m waar te nemen, want het zo kunnen zijn dat Roma een satelliet heeft, welke voor een kleine extra dip in de lichtkracht van Delta Oph zorgt. De gehele strook is hier te zien, dus je kunt dan mooi zien waar je je moet positioneren, als je deze ‘eclips’ wilt waarnemen. Op de kaart zie je een licht groene lijn. Dat is de centrale lijn van de bedekking. De grijze lijnen kun je zelf definiëren en geven jou ROI (Region of Interest) ten opzichte van de centrale lijn weer. De blauwe lijnen zijn de begrenzingen van het theoretische pad. Dit moet bij Roma met de nodige voorzichtigheid beschouwd worden. Roma is langwerpig van vorm en de breedte van dit spoor is de grootste maat die men nu inschat van Roma. Op de centrale lijn (groene lijn) is de kans dat je een bedekking ziet 52%, aan de rand van het pad (blauwe lijn) 42% en op de 1 sigma lijn (rode lijn) 15%. Harrie Rutten, President van de DOA (Dutch Occultation Association), heeft vandaag een mail rondgestuurd met meer info én waarneemtips over het waarnemen van deze once in a lifte time event. Voor wie geïnteresseerd is kan ik die mail wel toesturen. Bron: Iota + Astroforum.

Credit: Dutch Occultation Association/Iota

Daar ligt ‘ie dan, de Hayabusa-capsule

Zie daar de capsule van de Japanse missie Hayabusa – formeel de MUSES-C missie [1]Hetgeen staat voor Mu Space Engineering Spacecraft C. Even de missie in een notendop: gelanceerd 9 mei 2003, op 19 én 25 november 2005 volgde een landing op de planetoïde Itokawa en op 14 juni … Continue reading – in de woestijn van Woomera Prohibited Area, ergens in Australië en gefotografeerd vanuit de helikopter, die op zoek was naar de capsule.

Credit: JAXA/Hayabusa Team

De berging van de capsule is volgens JAXA, de Japanse ruimtevaartorganisatie, geslaagd. ‘The Japan Aerospace Exploration Agency (JAXA) has completed the retrieval of the Hayabusa capsule at 4:08 p.m. on June 14th, 2010 (JST). The capsule is deemed intact at the moment’. Bron: Planetary Society.

References[+]

References
1 Hetgeen staat voor Mu Space Engineering Spacecraft C. Even de missie in een notendop: gelanceerd 9 mei 2003, op 19 én 25 november 2005 volgde een landing op de planetoïde Itokawa en op 14 juni 2010 landde de Hayabusa-capsule op Aarde, met aan boord misschien afgegraven grondmonsters van Itokawa.

Nieuwe website over toekomstige aardscheerders

Aardscheerders in ’t zonnestelsel. Credit: IAU

Een nieuwe website geeft een overzicht van planetoïden die de komende 200 jaar langs de aarde scheren. Eens per ongeveer 200 jaar wordt de aarde getroffen door een middelgrote planetoïde (diameter 40-1000 m) die grote schade kan veroorzaken. En eens per circa 2 miljoen jaar slaat een planetoïde in die vergelijkbaar is met de planetoïde die een einde maakte aan het tijdperk van de dinosauriërs. Van de grote aardscheerders (diameter groter dan 1000 m) is nu zo’n 85% in kaart gebracht; van de middelgrote en kleinere planetoïden is dat waarschijnlijk slechts zo’n 1 procent. Dagelijks regent er ongeveer 100 ton aan interplanetair gruis op de aarde, veroorzaakt door gefragmenteerde kometen en planetoïden (zichtbaar als meteoren of ‘vallende sterren’). Een paar keer per jaar botst een planetoïde ter grootte van een auto met de aardatmosfeer en verbrandt als een vuurbal. Maar objecten groter dan circa 25 meter verbranden slechts gedeeltelijk, waardoor brokstukken het aardoppervlak kunnen bereiken: meteorieten. Eens per circa 200 jaar wordt de aarde getroffen door een planetoïde met een diameter van 40 tot 1000 m, die lokaal grote schade kan veroorzaken. En in het geval van een inslag in zee komen daar de tsunami’s bij, over een nog veel groter gebied. Eens per circa 2 miljoen jaar wordt de aarde getroffen door een planetoïde met afmetingen groter dan 1000 m. Zoals 65 miljoen jaar geleden, toen de inslag van een reusachtige planetoïde (met een geschatte diameter van 10 km) de Chicxulub-krater (diameter circa 265 km) veroorzaakte in Yucatan, Mexico, en een einde maakte aan het tijdperk van de dinosauriërs. Voor de Amerikaanse overheid is dit reden genoeg om alle planetoïden die in de buurt van de aarde kunnen komen (de zogenaamde Near Earth Asteroids, NEAs) en die een diameter hebben van meer dan 140 m, te inventariseren en nauwlettend te blijven volgen. En op korte termijn zal de grens bij 40m of 25 m gelegd moeten worden. Van de NEA’s, of aardscheerders, groter dan 1000 m zijn er nu ruim 800 bekend, ongeveer 85% van het geschatte aantal. Van de aardscheerders met diameters tussen de 1000 m en 140 m zijn er circa 6200 bekend, grofweg 25% van het geschatte aantal. Het aantal aardscheerders met afmetingen tussen 140 m en 25 m wordt geschat op circa 11 miljoen, waarvan momenteel slechts zo’n 1% bekend is. Het zijn vooral Amerikaanse observatoria die speuren naar planetoïden. In de jaren ’70 was een groep Leidse astronomen zeer actief betrokken bij het ontdekken van planetoïden. In de jaren ’80 heeft de Nederlands/Engelse/Amerikaanse infrarood satelliet IRAS ruim 4000 planetoïden waargenomen, waaronder een enkele aardscheerder. Sinds eind 2009 ontdekt de Amerikaanse infrarood satelliet WISE tientallen aardscheerders per maand. De Internationale Astronomische Unie (IAU) geeft op haar website onder de kop Near Earth Asteroids (NEAs) een chronologisch overzicht van mijlpalen van het onderzoek naar aardscheerders. Bovendien is er een overzicht te vinden van aardscheerders die binnen de afstand aarde-maan langs de aarde scheerden en scheren in de periode A.D. 1900 – 2200. De webpagina, die is samengesteld en wordt onderhouden door SRON-onderzoeker Karel A. van der Hucht, demonstreert dat er nog veel moet gebeuren. “De astronomische gemeenschap zal haar inspanningen aanmerkelijk moeten vergroten, willen we binnen twintig jaar een min of meer compleet overzicht hebben van de planetoïden die de aarde bedreigen,” zegt Van der Hucht. Van der Hucht is vertegenwoordiger van de IAU in het United Nations Committee on the Peaceful Uses of Outer Space (UN-COPUOS), dat zich sterk maakt voor NEA-inventarisatie en mogelijke maatregelen tegen inslag. De IAU webpagina registreert meer dan 500 relevante mijlpalen van NEA-onderzoek en – passages, met verwijzing naar de originele bronnen. Bron: Nova.

Over kikkervisjes, planetoïden en satellieten

IC 410 met kikkervisjes, planetoïden en satellieten. Credit: NASA/WISE

Met NASA’s Wide-field Infrared Survey Explorer (WISE) keken ze onlangs naar de zwakke emissienevel IC 410 in het sterrenbeeld Voerman (Aurigae). Die nevel zit vol met allerlei sliertvormige objecten, die erg lijken op kikkervisjes. Vandaar dat de nevel in ’t Engels de Tadpole nebula wordt genoemd, de kikkervisnevel. Omdat de nevel zwak is moest WISE 25 foto’s maken, die vervolgens gestackt werden en één resultaat opleverden. Dat laat niet alleen de 12.000 lichtjaar van ons verwijderde nevel zien, maar ook nog enkele objecten die zich toevallig in het beeldveld bevonden: twee planetoïden en twee satellieten. De planetoïde 1719 Jens (Ø 19 km) zien we in het centrum van IC 410, bovenin zien we z’n collega 1992 UZ5. Beiden zien we als groene stipjes, de kleur bepaald door het filter waarmee WISE kijkt en de stipjes  door de achtereenvolgende foto’s, waarbij de planetoïden telkens een stukje opschuiven. Van beide planetoïden is een uitvergroting weergegeven. Naast dit duo zijn op de foto ook twee satellieten te zien, eentje bovenin en eentje rechtsonder, beiden in de ovalen. Omdat deze vanaf de Aarde gezien een poepie sneller bewegen dan de planetoïden zijn ze als streepjes te zien. Leuk hoor, zo’n combi-foto. Een mega-versie (bijna 40 Mb, tif-formaat) is hier te bewonderen. Bron: NASA/JPL.