Zelfs de grootste structuren in het heelal – de filamenten van het kosmische web – roteren

Impressie van de filamenten in het kosmische web. Credit: AIP/ A. Khalatyan/ J. Fohlmeister

We weten dat planeten en sterren roteren, dat zelfs sterrenstelsels en mogelijk ook de halo’s van donkere materie rondom sterrenstelsels roteren. Maar nu blijkt uit onderzoek dat zelfs de allergrootste structuren in het heelal, de filamenten van het kosmische web, roteren en wel om hun lengte-as. Voor de duidelijkheid: die filamenten bestaan uit enorme lange, dunne slierten van sterrenstelsels, met aan de uiteinden van de filamenten clusters van sterrenstelsels als knooppunten. Ze kunnen honderden miljoenen lichtjaren lang worden (sommigen zelfs nóg groter) en het ‘skelet’ van dat web van filamenten wordt gevormd door de donkere materie, die alles via z’n zwaartekrachtswerking bijeen houdt. Sterrenkundigen van het Leibniz Institute for Astrophysics Potsdam (AIP) hebben samen met collega’s in Estland en China de snelheden bestudeerd van maar liefst 213.625 sterrenstelsels in 17.181 filamenten. De gegevens daarvoor haalden ze uit de databanken van de Sloan Digital Sky Survey (SDSS). Die gegevens analyseerden ze met een algoritme genaamd Bisous, dat oorspronkelijk bedoeld was om wegen te herkennen op satellietfoto’s. Hieronder een schematische voorstelling van zo’n filament, met aan de uiteinden clusters van sterrenstelsels.

Credit: Roan Haggar

Uit de analyse van de gegevens komt naar voren dat de sterrenstelsels in de filamenten niet alleen langs de lengte-as van filamenten bewegen, maar ook dat ze om die as heendraaien, een kurkentrekkerachtige ‘helix’ beweging dus. Bij de filamenten met grote clusters aan het uiteinde blijkt de beweging groter te zijn dan met kleinere clusters, dus er lijkt een verband te zijn met de zwaartekracht. De vraag is wel waar de rotatie precies vandaan komt. Er is een behoudswet van impulsmoment, dus die rotatie kan niet zomaar ontstaan. In het standaardmodel van de vorming van grootschalige structuren in het heelal groeiden in het vroege heelal de plekken met gemiddeld iets meer materie door de zwaartekracht uit tot filamenten. Die plekken zouden rotatievrij of krulvrij moeten zijn, er is geen oerrotatie in het vroege heelal. De rotatie moet dus tijdens de vorming van deze grote structuren zijn ontstaan. Volgende vraag die rijst: roteert ook de grootste schaal die we kennen, het heelal als geheel? Hier het vakartikel over de rotatie van de filamenten, verschenen in Nature Astronomy. Bron: Phys.org + Astrobites.

Superzwaar zwart gat Sagittarius A* lijkt een trage spin te hebben

Voorstelling van de banen van de S-sterren die om Sagittarius A* draaien. Credit: Barker, Patterson, & Spivey; U. Ill. NCSA Advanced Visualization Laboratory

‘Zwarte gaten hebben geen haar’. Die wijsheid is ooit als eerste gebezigd door John Wheeler en hij bedoelde er mee dat zwarte gaten slechts drie eigenschappen hebben, massa, lading en spin. En van die drie valt lading af, omdat de deeltjes die door het zwarte gat ingevangen worden elektrisch neutraal zijn (een mix van positief en negatief geladen deeltjes). Wat feitelijk dus overblijft zijn massa en spin, dat laatste is een maat voor z’n rotatie. Van Sagittarius A* (Sgr A), het superzware zwarte gat in het centrum van de Melkweg, is de massa al jaren bekend. Die bedraagt ongeveer 4,3 miljoen zonsmassa, bepaalt door te meten hoe snel de sterren in de buurt van Sgr A bewegen. Maar z’n spin is niet bekend. En dat valt ook niet mee om die te meten, want het zwarte gat Sgr A* is ehrr…. zwart. Je ziet dus niets roteren, zoals je wel bij bijvoorbeeld planeten ziet. En kijken naar hoe snel de rotatie van de omringende accretieschijf verloopt helpt je ook niet, want zwarte gaten kunnen met de accretieschijf mee roteren, maar ze kunnen ook de andere kant op draaien (of helemaal niet draaien), zoals je ziet in de onderstaande afbeelding, waarop geschetst is hoe de verhouding tussen de twee richtingen van rotatie tot uiting komt in het röntgenspectrum.

Credit: NASA/JPL-Caltech

Toch kan de spin van een zwart gat gemeten worden en wel door te kijken naar z’n zogeheten ‘frame dragging’, dat wil zeggen dat een roterende massa ook de omringende ruimte meezwiept, een fenomeen dat volgt uit Einstein’s Algemene Relativiteitstheorie. En dat hebben twee sterrenkundigen van Harvard, Giacomo Fragione en Avi Loeb, gedaan: kijk naar de zwerm sterren die vlakbij Sgr A* staan en die daar met grote snelheid omheen draaien, de zogeheten S-sterren. Er zijn ongeveer 40 van die S-sterren bekend, waarvan S2 of SO-2 de bekendste is. Frame dragging zou een merkbaar effect moeten hebben op de banen van de S-sterren.

Impressie van frame dragging rondom een zwart gat. Credit: J. Bergeron/Sky & Telescope

Fragione en Loeb konden géén effect vinden in de banen van de S-sterren. op basis daarvan konden ze bepalen dat de maximale spin van Sgr A* 0,1 is. De spin van een zwart gat wordt dimensieloos weergegeven door een getal tussen 0 en 1, 0 is geen rotatie, 1 is de maximale rotatie, die schijnt volgens theoretische berekeningen in de buurt van de lichtsnelheid te liggen. Een spin van 0,1 betekent dus dat Sgr A* 10% van de maximale spin van een zwart gat heeft. Ter vergelijking: de spin van M87*, het superzware zwarte gat in het elliptische sterrenstelsel M87, dat met de EHT gefotografeerd is, bedraagt 0,4. Hier het vakartikel over de spin van Sgr A*, verschenen in the Astrophysical Journal. Bron: Phys.org + Universe Today.

Venus is een super-rotator en nu pas – na ruim vijftig jaar – weten we waarom dat is

Credit: NASA

Dat Venus een unieke planeet is dat wisten we al: de rotatie van de bloedhete planeet is retrograad, d.w.z hij draait de ‘verkeerde’ kant uit en een dag op Venus duurt langer dan een jaar – één omwenteling om z’n as duurt 243 dagen, één rondje om de zon duurt bijna 225 dagen. De ‘super-rotatie’ is ook zo’n vreemde eigenschap van Venus, al is er één hemelobject in het zonnestelsel die dat ook kent, namelijk Titan, de grootste maan van Saturnus. Super-rotatie wil zeggen dat de atmosfeer sneller beweegt dan de planeet. De wind op Venus kan wel zestig keer (!) zo snel bewegen als de planeet. Ter vergelijking bij de aarde heeft de atmosfeer een snelheid van zo’n 10 á 20% van de snelheid van de aardrotatie. Sinds eind jaren zestig weten we dat Venus een super-rotator is, maar al die tijd was niet bekend wat de reden daarvan was. Tot nu. Venus is jarenlang van dichtbij bestudeerd door twee ruimteverkenners, de Europese Venus Express en de Japanse Akatsuki. Op basis van die waarnemingen heeft een internationaal team onderzoekers onder leiding van Takeshi Horinouchi van de Universiteit van Hokkaido een model opgesteld, waarin meerdere factoren de oorzaak blijken te zijn van de snelle atmosferische beweging van Venus, namelijk een combinatie van atmosferische getijdegolven en turbulenties. In het tijdschrift Science schreven ze er dit artikel over: How waves and turbulence maintain the super-rotation of Venus’ atmosphere.”

Credit: Planet-C project team

Die atmosferische getijdegolven ontstaan door de opwarming van de zon aan de dagzijde van Venus bij de evenaar én aan de nachtzijde door afkoeling. Je krijgt dan een soort van warmtegetijde, die als een golf over de planeet trekt en die de atmosfeer z’n grootste versnelling geeft, de gele pijl in de afbeelding hierboven (naar het westen gericht, vanwege de retrograde, tegengestelde rotatie van Venus). Daarnaast is er ook een circulatie van turbulente winden die tussen de verschillende breedtegraden heen en weer gaat en die warmte transporteert van de evenaar naar de polen, weergegeven in de afbeelding met de witte pijlen. Het zijn deze twee systsmen van windcirculatie die de atmosfeer van Venus een boost geven en ervoor zorgen dat ‘ie veel sneller gaat dan de planeet zelf beweegt. Bron: Universe Today.

Vergeleken met andere sterren lijkt de zon een ’tamme’ ster te zijn

De variatie van de lichtkracht van de zon vergelijken met die van ster KIC 7849521. Credit: MPS / hormesdesign.de

Onderzoek aan 369 sterren, die qua eigenschappen zoals rotatieperiode, massa en lichtsterkte op de zon lijken, heeft laten zien dat de zon een ’tamme’ ster lijkt te zijn, een tikkeltje saaie ster eigenlijk. We houden de zon sinds 1610 – het jaar dat de telescoop voor ’t eerst werd gebruikt om astronomische waarnemingen te doen – goed in de gaten en vanaf dat moment kennen we de activiteit van de zon, weergegeven door z’n zonnevlekken. Nou is die 410 jaar sindsdien maar een fractie van de leeftijd van de zon, die ruim 4,5 miljard jaar oud is. Boomringen en ijsboringen geven ons inzicht in de laatste 9000 jaar van zonneactiviteit, maar het blijft een knipoog in de leeftijd van de zon. Vandaar dat onderzoek aan andere sterren ons meer kan vertellen over de geschiedenis van de zon en hoe ‘ie zich in het verleden gedroeg. Timo Reinhold (Max Planck Institute for Solar System Research) en z’n team bestudeerden daarom de gegevens van NASA’s Kepler Space Telescope en van ESA’s Gaia ruimtetelescoop en daarbij keken ze met name naar de rotatieperiode van andere sterren. De rotatie van sterren houdt hun magnetisch veld in stand en dat is oop haar beurt weer de drijvende kracht achter de activiteit van sterren. De zon roteert gemiddeld in 24,5 dagen om haar as en de onderzochtte sterren hadden een rotatie tussen 20 en 30 dagen. Wat blijkt: in de periode van 2009 t/m 2013 variëerde de straling van de zon slechts 0,07%, die van de 369 andere sterren met dezelfde rotatieperiode was met 0,35% vijf keer zo sterk! Hieronder twee animaties waarin de variatie in de lichtsterkte van de zon en van ster KIC 7849521 te zien zijn.

Het vreemde is dat er naast de groep van 369 sterren nog een grotere groep bestudeerd is, van zo’n 2500 sterren, waarvan de rotatieperiode niet bekend is. Daaruit kwam naar voren dat de fluctuatie van deze sterren ook beduidend minder is dan die van de 369 sterren. Dat zou kunnen betekenen dat er een verschil is tussen beide groepen sterren. Maar het kan ook zijn dat onze zon de afgelopen honderden of duizenden jaren toevallig een erg rustige fase heeft doorgemaakt en dat ‘ie ergens in de toekomst weer erg actief gaat worden. Laten we hopen dat dat nog eventjes uitblijft, kunnen we nu net niet hebben. Vandaag verschijnt er over de studie dit vakartikel in Science Magazine. Bron: Phys.org.

Kiezelstenen bepalen de rotatievoorkeur van planeten

Artistieke impressie van een planeetstelsel in wording. Credit: NASA/JPL-Caltech.

Planeten draaien vaak in dezelfde richting om hun eigen as als de ster waar ze omheen draaien. De standaardtheorie kan deze waarnemingen niet verklaren, maar het relatief nieuwe kiezelgroeimodel wél. Dat blijkt uit onderzoek onder leiding van de net afgestudeerde UvA-astronoom Rico Visser. Het resultaat is geaccepteerd voor publicatie in het vakblad Icarus.

Het is een mysterie waardoor planetoïden en planeten in ons zonnestelsel roteren om hun eigen as. De aarde heeft bijvoorbeeld 24 uur nodig om een volledig rondje om zijn as te draaien. Als de richting van deze draaiing hetzelfde is als de baanrotatie om de zon, wat het geval is voor de aarde, wordt dit prograde rotatie genoemd. Als deze tegengesteld is aan de baanbeweging, heet dit retrograde rotatie.

Uit waarnemingen is gebleken dat planetoïden en planeten bij voorkeur prograde om hun as draaien en dat de benodigde tijd voor een rondje om de eigen as tussen ongeveer 1 en 40 uur ligt. De klassieke groeimodellen voor planeten kunnen niet verklaren hoe dit tot stand is gekomen. In deze modellen vegen planeten in wording grote rotsblokken op, maar die komen van alle kanten en veroorzaken in theorie geen rotatie.

Visser en collega’s hebben daarom gekeken of het kiezelgroeimodel wel in staat is om de waarnemingen te verklaren. Met dit model groeit een rotsblok uit tot een groter object zoals een planetoïde door het opvegen van kleine kiezelsteentjes. Deze groeifase speelt zich af in een vroeg stadium van de vorming van het zonnestelsel, waarbij het gas en stof zich nog los van elkaar in de planeetvormende schijf rond de ster bevinden.

Terwijl steentjes van alle soorten en maten worden opgeveegd, groeit het object snel en wordt het zwaarder. De wrijving van het gas remt de steentjes af, die vervolgens worden opgeveegd. Het blijkt dat steentjes in een baan tussen de ster en de planetoïde het langst in de buurt van de planeet in wording blijven. Kiezels in een baan daarbuiten gaan doorgaans te snel langs de planetoïde of de planeet om opgeveegd te worden. Effectief zullen de steentjes in de binnenbaan de planetoïde of de planeet onder een bepaalde hoek raken en die als het ware ‘opspinnen’ als een tol, in de prograde richting.

De richting en tijdschaal voor een rondje om de eigen as die de onderzoekers hebben berekend, komen uitstekend overeen met de waarnemingen in het zonnestelsel. Visser: “Het resultaat is niet alleen een verklaring voor de draaiing van planeten; het is een extra bevestiging dat het kiezelgroeimodel een veelbelovend model is om zowel groei als eigenschappen van planeten en planetoïden te verklaren.” Bron: Astronomie.nl.

Nee, het heelal als geheel roteert niet

Hubble Deep Field. Credit: NASA.

Alle hemelobjecten draaien om hun as, sterren zoals de zon, planeten zoals de aarde, kometen, planetoïden, noem het maar op. Logische veronderstelling dat het grootste wat er is ook misschien wel roteert, het heelal zelf. Nou is het natuurlijk de vraag hoe je dat zou moeten waarnemen, want het heelal is zo verschrikkelijk groot en hoe zou je zo’n rotatie moeten meten? Dáár heeft men wel een manier voor gevonden en wel in de kosmische microgolf-achtergrondstraling (Engels: Cosmic microwave background, CMB), de straling die zich 380.000 jaar na de oerknal loskoppelde van de materie en die het alleroudste licht in het heelal vormt. Die straling is waargenomen door satellieten zoals COBE, WMAP en Planck en door allerlei instrumenten op aarde, zoals vanuit balonnen die op de Zuidpool worden opgelaten. Als het heelal als geheel zou roteren dan zou dat merkbaar moeten zijn als een zogeheten non-gaussiaanse afwijking in de polarisatie van de CMB, dat is de oriëntatie van de golven van het licht van de CMB – een gauss-verdeling of normale verdeling verwacht je bij een verdeling zonder ‘anomaliën’ of afwijkingen, een eventuele rotatie zou als een anomalie of non-gaussiaanse afwijking te zien moeten zijn.

Zó zou een non-gaussiaanse verdeling van de CMB er uit zien. Alleen is dit niet hetgeen is waargenomen. Credit: Planck.

Eén van de grondbeginselen van de theorie van de oerknal volgens het gangbare ?CDM model is het zogeheten kosmologisch principe, dat zegt dat het heelal op grote schaal er in alle richtingen hetzelfde uitziet (isotroop) en dat het op iedere plaats dezelfde eigenschappen bezit (homogeen). Isotroop betekent dat het heelal er voor een waarnemer in elke richting hetzelfde uitziet en dat het naar alle kanten toe even snel expandeert. De isotropie van het heelal is te zien in de CMB, die in alle richtingen dezelfde temperatuur oplevert met slechts zeer minieme afwijkingen. Welnu, de isotropie en homogeniteit van het heelal is door de Europese Planck satelliet gemeten en wel door zeer nauwkeurige bestudering van die polarisatie in de CMB. Uitkomst van die metingen: de CMB heeft een gauss-verdeling, het is isotroop en homogeen. Er komen wel gaussiaanse ‘fluctuaties’ voor, maar die kunnen geheel verklaard worden uit het ontstaan van het kosmische web van enorme superclusters van sterrenstelsels in het vroege heelal. Anders gezegd: het heelal roteert niet. Hieronder de twee vakartikelen waarin het allemaal beschreven wordt.

  • Planck 2018 results. VII. Isotropy and Statistics of the CMB, arXiv:1906.02552 [astro-ph.CO]
  • Planck 2018 results. IX. Constraints on primordial non-Gaussianity, arXiv:1905.05697 [astro-ph.CO]

Zoals je ziet zijn dit de delen VII en IX van de Planck-saga. De andere gepubliceerde vakartikelen met de wetenschappelijke erfenis van Planck zijn in deze Astroblog te vinden. Bron: Space.com + Francis Naukas

Rotatiesnelheid Saturnus door Cassini nauwkeurig bepaald dankzij z’n ringen

Credit: NASA/JPL-Caltech/Space Science Institute.

Wetenschappers zijn er dankzij waarnemingen gedaan met de Cassini ruimteverkenner in geslaagd om heel nauwkeurig de rotatiesnelheid van Saturnus te bepalen. Dat was altijd lastig omdat Saturnus als gasplaneet geen vast oppervlak heeft met opvallende landschapskenmerken die gebruikt kunnen worden om de rotatie te meten. Ook heeft ‘ie een ‘afwijkend’ magnetisch veld [1]Bij de aarde en Jupiter is de as van het magnetisch veld afwijkend van de rotatieas. De magnetische as draait rondjes door de draaiing van de rotatieas en dankzij radiometingen van het magnetisch … Continue reading, dat verhinderd dat z’n binnenste rotatietijd kan worden bepaald. Maar dankzij Cassini is de rotatiesnelheid nauwkeurig bepaald en wel op 10 uur, 33 minuten en 38 seconden. En dat dankzij… de ringen van Saturnus.

Impressie van Cassini die tussen Saturnus en z’n ringen vliegt. Credit: NASA/JPL-Caltech

In die ringen zijn namelijk met Cassini golfpatronen gedetecteerd, die verbonden blijken te zijn met trillingen in het binnenste van Saturnus. Die trillingen zijn van invloed op het zwaartekrachtsveld van Saturnus en dat is op zijn beurt weer van invloed op de ringen. Net als seismometers reageren op trillingen van aardbevingen in de aarde, zo registreren de ringen de trillingen in Saturnus’ binnenste – ‘ring seismology’ heet het in dit vakartikel. En dankzij Cassini’s waarnemingen aan die golfpatronen was sterrenkundestudent Christopher Mankovich (UC Santa Cruz, VS) in staat de rotatiesnelheid van Saturnus te bepalen. Die 10 uur, 33 minuten en 38 seconden is korter dan de eerdere bepaling van de rotatiesnelheid (10:39:23), die dateert uit 1981 op grond van metingen aan het magnetisch veld, gedaan door de Voyager. Bron: NASA/JPL.

References[+]

References
1 Bij de aarde en Jupiter is de as van het magnetisch veld afwijkend van de rotatieas. De magnetische as draait rondjes door de draaiing van de rotatieas en dankzij radiometingen van het magnetisch veld kan men op die manier van Jupiter nauwkeurig z’n rotatie bepalen. Probleem bij Saturnus is dat diens magnetische as vrijwel samenvalt met z’n rotatieas.

Zwart gat ASASSN-14li draait eens per 131 seconden om z’n as

Impressie van een roterend zwart gat. Credit: NASA/CXC/M.Weiss;

Sterrenkundigen zijn er in geslaagd om met twee röntgentelescopen in de ruimte – de Amerikaanse Chandra en de Europese XMM-Newton ruimtetelescopen – én met de all-round Neil Gehrels Swift ruimtetelescoop de ‘spin’ van een zwart gat te bepalen, dat is z’n rotatiesnelheid. Zwarte gaten hebben twee eigenschappen, massa en spin. Van die twee is de massa gemakkelijk te bepalen, de spin is erg lastig. Maar waarnemingen aan zwart gat ASASSN-14li, die voor ’t eerst werd waargenomen in november 2014 met de All-Sky Automated Survey for Supernovae (ASASSN), is ’t eindelijk gelukt die spin te bepalen. ASASSN-14li is een superzwaar zwart gat in het centrum van een sterrenstelsel op 290 miljoen lichtjaar afstand en met de drie genoemde telescopen werd ‘ie een jaar lang in de gaten gehouden. Daaruit bleek dat ASASSN-14li bezig was om een ster in z’n buurt te verorberen, iets wat leidde tot een ’tidal disruption’ van de ster, waarbij ‘ie door de sterke getijdekrachten uit elkaar werd getrokken. Alle materiaal dat naar het zwarte gat toe viel werd sterk verhit en begon röntgenstraling uit te zenden. Die straling bleek een regelmatige fluctuaties te vertonen met een periode van 131 seconden.

Inzet: röntgenstraling van ASASSN-14li. Credit: NASA/CXC/MIT/D. Pasham et al

Het zwarte gat is ongeveer een miljoen keer zo zwaar als de zon. Het blijkt dat de waarnemingshorizon van ASASSN-14li 300 keer de diameter van de aarde is, dus bijna 4 miljoen km in doorsnede. Die waarnemingshorizon is de grens van het zwarte gat, waarbinnen de ontsnappingssnelheid groter is dan de lichtsnelheid en materie onherroepelijk niet meer kan ontsnappen. ASASSN-14li blijkt met ongeveer 50% van de lichtsnelheid om z’n as te draaien, één omwenteling per 131 seconden, dus ruim twee minuten.

Hier het vakartikel over de waarneming aan het zwarte gat, verschenen in het tijdschrift Science. Bron: Chandra + .

De rotatieperiode en ashelling van de acht planeten in beeld gebracht

De acht planeten van het zonnestelsel hebben allemaal een bepaalde rotatieperiode en ashelling. Met de rotatieperiode bedoelen we de tijd die een planeet nodig heeft om één rotatie uit te voeren rond de rotatieas en met de ashelling (ook wel obliquiteit of axiale variatie genoemd) dee hellingshoek of inclinatie van de evenaar ten opzichte van het omloopvlak van de planeet. Dr. James O’Donoghue, planeetdeskundige bij NASA/Goddard, heeft een animatie gemaakt waarin die rotatieperiode en ashelling van de planeten mooi in beeld is gebracht. In deze tweet is die animatie te zien:

Even over de rotatieassen van Aarde en Maan

De huidige noord- en zuidpool van de maan en de plaats waar de polen drie miljard jaar geleden lagen. Credit: James Keane, University of Arizona; Richard Miller, University of Alabama at Huntsville

De Griekse filosoof Heraclites zei het al in de Oudheid: Panta rhei, oftewel alles is in beweging. Dat geldt niet alleen voor rivieren – ‘je kunt niet twee keer in dezelfde rivier stappen’, zei Heraclites ergens rond 500 voor Christus – maar ook voor rotatieassen. Yep, twee berichten hierover kwamen recentelijk tot mij, de ene over de rotatieas van de maan, de ander over de rotatieas van de aarde. Wat blijkt:

  • dat de rotatieas van de maan ongeveer drie miljard jaar geleden een beetje is gekanteld, zo blijkt uit onderzoek aan de verdeling van het ijs dat in diepe kraters rond de noord- en zuidpool van de maan is gelegen. Dat ijs blijkt niet gecentreerd te zijn rond de huidige polen, maar er 200 kilometer naast. Vanaf de aarde gezien is de noordkant van de maan een graad of vijf naar achteren gekanteld, en de zuidkant evenveel naar voren gekomen en dat schijnt in pakweg een miljard jaar te zijn gebeurd. Bij die verschoven zuidpool drie miljard jaar geleden sloeg op 9 oktober 2009 de LCROSS sonde te pletter, de plek waar nu de krater Cabeus A ligt. Bron: NASA.
  • dat de rotatieas van de aarde ook opschuift – alles beweegt zoals Heraclites zo’n 2500 jaar geleden al stelde – en dat die verschuiving sinds het jaar 2000 een bepaalde kant opgaat en de oorzaak van die verschuiving in richting komt door… de mens! Nee het is geen verlate 1 aprilgrap, onderzoek van wetenschappers van NASA’s Jet Propulsion Laboratory (JPL) laat zien dat de richting bepaald wordt door twee dingen, te weten het smelten van de ijskappen of Groenland en West-Antartica én de verdeling van de watermassa’s op land en zee. En waar ontstaan die twee dingen weer door: helemaal juist, door de opwarming van de aarde, die door de mens versterkt wordt. Hieronder een afbeelding waarop de verschuiving in de richting van de beweging van de rotatieas van de aarde goed te zien is. Voor de eeuwwisseling schoof de noordpool op richting Hudsonbaai in Canada, met een vaartje van zo’n 7 cm per jaar. Nu gaat ‘ie richting de nul-meridiaan in Greenwich en de snelheid is maar liefst verdubbeld. Hieronder nog een andere afbeelding, waarop te zien is welke verandering in de verdeling van water op aarde er gaande is, sommige gebieden krijgen meer water (in rood aangegeven) en sommige gebieden minder water (in blauw aangegeven).

    Credit: NASA/JPL-Caltech

    Bron: Gizmodo.