ALMA bevestigt onderzoek wat laat zien wat sterrenstelsels van hun gasvoorraad berooft

Moleculaire gas in de Virgocluster, waargenomen met ALMA in het kader van VERTICO. Credit: ALMA (ESO/NAOJ/NRAO)/S. Dagnello (NRAO)/Böhringer et al. (ROSAT All-Sky Survey)

Het klinkt als een kosmische whodunit: wat is het precies dat sterrenstelsels berooft van hun kostbare koude gasvoorraad, hun brandstof voor stervorming dat hen in leven houdt? Onderzoek met de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) in Chili bevestigt nu wat eerder onderzoek al heeft laten zien, namelijk dat de dader van de ‘galaxy quenching’ (het verliezen van die koude gasvoorraden) het ijle, miljoenen graden hete gas is dat zich bevindt in de ruimte tussen de sterrenstelsels.

NGC 4567 en NGC 4568, twee van de waargenomen stelsels in de Virgocluster. Credit: ALMA (ESO/NAOJ/NRAO)/S. Dagnello (NRAO)

In het kader van de zogeheten Virgo Environment Traced in Carbon Monoxide Survey (VERTICO) onderzoek keken Christine Wilson (McMaster University) en haar collega’s naar 51 sterrenstelsels in de relatief nabijgelegen Virgocluster. Tussen de sterrenstelsels bevindt zich een zeer heet plasma, gas waar de stelsels als een razende roeland doorheen razen. Wat er dan gebeurt is wat sterrenkundigen ‘gas stripping’ noemen, de stelsels ondervinden dan zoveel ‘tegenwind’ dat ze grote hoeveelheden koud moleculair gas verliezen. En dat zorgt er dan voor dat de stervorming in de stelsels sterk terugloopt – de genoemde quenching – en dan kunnen ze veranderen in ‘dode sterrenstelsels’. Hier het vakartikel over het onderzoek met VERTICO aan de Virgocluster, te verschijnen in The Astrophysical Journal Supplement Series. Bron: NRAO.

Je verwacht ’t niet: zwarte gaten helpen bij de geboorte van sterren

Impressie van gas in en om een zwaar sterrenstelsel uit de TNG50 simulatie. Credit: TNG Collaboration/Dylan Nelson

Het imago van zwarte gaten is dat ze allesverslinders zijn, objecten die met hun extreme zwaartekracht alles oppeuzelen wat in hun nabijheid komt. En door hun enorme uitstoot van hete straling en gas zouden ze het hun omringende sterrenstelsel ook nog eens ontdoen van koud waterstofgas – het noodzakelijke ingrediënt voor de geboorte van nieuwe sterren. Maar wat blijkt nu uit onderzoek? Dat zwarte gaten ook kunnen zorgen voor stervorming – dezelfde bron van stellaire dood en verderf in ‘quenched galaxies‘ (‘quenching’ staat voor uitdoving) kan ook helpen bij de stervorming. Annalisa Pillepich (Max Planck Institute for Astronomy) en haar team hebben simulaties uitgevoerd op de computer op basis van de beroemde IllustrisTNG simulaties van het heelal. Bij de simulatie van Pillepich keken ze met name naar zogeheten ‘kwalstelsels’, kleine sterrenstelsel die door de ram pressure van grote naburige sterrenstelsel hun gas zijn kwijtgeraakt, gas dat vervolgens achter hun aan slingert, zoals de tentakels achter een kwal slingeren [1]Een onderwerp dat nu ook door vrijwillige amateurs in het kader van de Zooniverse wordt bestudeerd.. Die boeggolf is ontstaan door een actief superzwaar zwart gat in dat grote stelsel, die naar twee tegengestelde kanten uit een straalstroom de ruimte in spuwt. Gas wordt daardoor in de vorm van grote bellen weggeblazen, in het geval van spiraalstelsels één bel boven en één bel onder de schijf. Op de illustratie bovenaan zie je die twee bellen als de geeloranje cirkels. En toen kwam de vraag die Pillepich bezig hield: stel dat een klein satellietstelsel door die bellen van gas vliegt, wat gebeurt er dan? De verwachting was dat satellietstelsels door de passage door de bel ook van hun gas zouden worden ontdaan, waarna ze als kwalstelsels verder zouden vliegen en de productie van nieuwe sterren door quenching zou stoppen.

Acht voorbeelden van kwalstelsels, zoals die zijn opgedoken in de computersimulatie IllustrisTNG. Credit: IllustrisTNG collaboration.

Samen met Ignacio Martín-Navarro keek Pillepich naar de data van 30.000 groepen van sterrenstelsels, verzameld in het kader van de Sloan Digital Sky Survey (SDSS). Gemiddeld werd ieder van de sterrenstelsels in die groepen omgeven door vier satellietstelsels. Wat kwam uit de nieuwe simulatie naar voren die Martin-Navarro en Pillepich deden? Dat het verschil uitmaakt waar het satellietstelsel door de gasbellen vloog, of dat in het vlak van de schijf van het centrale sterrenstelsel was, waar de dichtheid van de gasbellen dichter was, of boven of onder het vlak, waar de dichtheid lager was. Bij passages boven en onder het vlak was de hoeveelheid quenching namelijk vijf procent minder dan wanneer de satellietstelsels door de dichtere bellen in het vlak vlogen. In de gebieden met minder tegenwind, minder ramdruk, wordt er minder gas uit de satellietstelsels geduwd, dus blijft er meer gas over om stervorming te krijgen. Voor satellietstelsels die al verschillende keren om hetzelfde centrale sterrenstelsels hebben gedraaid, waarbij ze bellen doorkruisen, maar ook de gebieden met een hogere dichtheid ertussen, zal het effect niet merkbaar zijn. Dergelijke sterrenstelsels zullen hun gas al lang geleden hebben verloren. Maar voor satellietstelsels die zich vrij recent bij de groep of cluster hebben aangesloten, zal de lokatie een verschil maken: als die satellieten als eerste in een bubbel landen en ze niet in de dichtste gebieden in het vlak van het centrale stelsel gaan, is de kans kleiner dat ze hun gas verliezen dan als ze buiten een bubbel landen. En daarmee maken (weliswaar indirect) ‘de kosmische massamonsters de weg vrij voor de vorming van nieuwe zonnen in satellietstelsels‘, zoals de kop luidt van het perbericht van het Max Planck instituut. Hier het vakartikel over de berekeningen aan de simulaties van satellietstelsels, op 10 juni verschenen in Nature. Bron: Eurekalert.

References[+]

References
1 Een onderwerp dat nu ook door vrijwillige amateurs in het kader van de Zooniverse wordt bestudeerd.

Stervorming kan ook worden veroorzaakt door botsingen tussen moleculaire gaswolken

Voorbeelden van botsende gaswolken in de Melkweg en twee andere sterrenstelsels. Credit: Nagoya University, National Astronomical Observatory of Japan, NASA, JPL-Caltech, R. Hurt (SSC/Caltech), Robert Gendler, Subaru Telescope, ESA, The Hubble Heritage Team (STScI/AURA), Hubble Collaboration, and 2MASS

Dat sterren ontstaan doordat grote moleculaire (H2) gaswolken onder invloed van de zwaartekracht krimpen en heet worden is al lang bekend. Recent onderzoek door een team van sterrenkundigen onder leiding van Kengo Tachihara en Yasuo Fukui (Nagoya Universiteit, Japan) laat zien dat ook botsingen tussen meerdere moleculaire gaswolken stervorming kunnen veroorzaken. Dergelijke botsingen kunnen leiden tot het ontstaan van grote clusters van sterren. Dat blijkt niet alleen uit theoretische modellen, maar ook uit onderzoek van waarneemgegevens, die over een periode van meer dan tien jaar zijn verzameld met radiotelescopen. Naast grote stervormingsgebieden in ons Melkwegstelsel, zoals RCW 120, M20, M42 en NGC 6334, werden ook in andere sterrenstelsels stervormingsgebieden bekeken, die gelegen zijn in grote moleculaire gaswolken. Ook de bolhopen in de halo van de Melkweg zouden door botsende gaswolken ontstaan kunnen zijn. Hier het vakartikel van de sterrenkundigen, verschenen in de Publications of the Astronomical Society of Japan. Bron: Phys.org.

Opgezwollen sterrenstelsels kunnen langer sterren vormen dan hechte compacte sterrenstelsels

Een verzameling van 25 schijf-sterrenstelsels. Links foto’s van de stelsels in H-alpha van interstellair gas, een graadmeter voor de stervorming, rechts in optisch licht van jonge (blauwe) en oude (rode) sterren. Credit: TNG Collaboration.

Recent onderzoek laat zien dat ‘opgezwollen’ sterrenstelsels, formeel heten ze ‘extended galaxies’, langer stervorming in stand houden dan hechte, compacte sterrenstelsels. Het heelal is 13,8 miljard jaar oud en ongeveer vier miljard jaar na de oerknal bereikt de stervorming in het heelal z’n hoogtepunt. Onderzoek door een team van sterrenkundigen onder leiding van Anshu Gupta en Kim-Vy Tran (ARC Centre of Excellence in All Sky Astrophysics in 3 Dimensions) laat nu zien dat die ‘puffy galaxies’, zoals ze ook wel worden genoemd, hun verhoogde stervorming langer volhielden dan stelsels die hecht waren, die veel van hun materie dicht bijeen in de kern hadden. Die laatste categorie had in eerste instantie een hele hoge snelheid van stervorming door die hecht verzamelde materie, met als gevolg dat er veel zware sterren onstonden, die na een relatief kort maar heftig leven als supernovae explodeerden. Dat zorgde er voor dat veel materie in het centrale superzware zwarte gat terecht kwam, wiens accretieschijf sterk actief werd. Dat laatste leidde er weer toe dat uiteindelijk veel materie het stelsel uit werd geblazen, materie zoals koud waterstofgas, dat de noodzakelijke grondstof vormt voor de vorming van nieuwe sterren. Geen koud waterstofgas in de buurt, dan ook geen nieuwe stervorming.

Het verschil in stervorming tussen de opgezwollen en compacte sterrenstelsels. Credit: Anshu Gupta / Kim-Vy Tran from Australia’s ARC Centre of Excellence in All Sky Astrophysics in 3 Dimensions (ASTRO 3D).

Opgezwollen stelsels daarentegen doen het een stuk rustiger. Hun materie zit niet compact bijeen in de kern, dus er is geen hausse aan massieve stervorming en daaropvolgende supernovae. Daar dus geen oververhit superzwaar zwart gat dat alle ingrediënten voor nieuwe stervorming wegblaast. Voor het onderzoek van Gupta et al werd gebruik gemaakt van de TNG100 (100 Mpc)³ simulatie van het IllustrisTNG project. Hier het vakartikel over de opgezwollen sterrenstelsels, dat op 2 februari verscheen in the Astrophysical Journal. Bron: Astro3D.

Sterren centrale verdikking Melkweg het resultaat van één grote stervormingsgolf

Sterren in de centrale verdikking. CREDITS:
CTIO/NOIRLab/NSF/AURA/STScI, W. Clarkson (UM-Dearborn), C. Johnson (STScI), and M. Rich (UCLA)

Net zoals de meeste andere spiraalstelsels heeft het Melkwegstelsel een zogeheten centrale verdikking (Engels: ‘bulge’) in z’n centrum, een bolvormige grote hoop van dicht opeengepakte sterren, van waaruit de spiraalarmen ontspringen. De vraag was lange tijd hoe de sterren in die centrale verdikking zijn ontstaan, in één keer of in meerdere golven van stervorming? Recent onderzoek laat nu zien dat die sterren tijdens één grote ‘geboortegolf’ zijn gevormd, die meer dan 10 miljard jaar geleden heeft plaatsgevonden. Om tot die conclusie te komen hebben sterrenkundigemn miljoenen sterren bekeken in een gebied aan de hemel dat zo’n 200 vierkante graad groot is, pakweg de omvang van 1.000 Volle Manen aan de hemel. Het gaat om de binnenste 1.000 lichtjaar van de Melkweg, waarvan nu blijkt dat de meeste sterren daarvan ontstaan zijn door invallend gas meer dan 10 miljard jaar geleden (de Melkweg is naar schatting 10-12 miljard jaar oud). Dat gas kan primordiaal gas van de oerknal zijn geweest, maar het kan ook zijn dat het nog jonge Melkwegstelsel in botsing kwam met een ander stelsel en zo aan het gas kwam.

Foto waarop te siren is waar de centrale verdikking in de `merlkweg zich bevindt. CREDITS:
Milky Way photo: Akira Fujii; Inset photo: CTIO/NOIRLab/NSF/AURA/STScI, W. Clarkson (UM-Dearborn), C. Johnson (STScI), and M. Rich (UCLA).

De sterrenkundigen, die onder leiding stonden van Christian Johnson (Space Telescope Science Institute in Baltimore, Maryland) keken naar de chemische samenstelling van de sterren in de centrale verdikking. De oudste generatie van sterren bevat weinig metalen (elementen zwaarder dan helium), pas latere generaties sterren bevatten geleidelijk aan meer metalen, omdat in die sterren de resten zitten van sterrenwinden en supernovae van vorige generaties. In het onderzoek, dat gedaan werd met de Blanco DECam Bulge Survey van de vier meter telescoop van het Cerro-Tololo Inter-American Observatorium in Chili, keek men naar de helderheid in ultraviolet licht van 70.000 sterren en daarmee kon men goed het metaalgehalte van de sterren bepalen, die allemaal binnen de centrale verdikking liggen, maximaal 1000 lichtjaar van het centrum (waar Sagittarius A*) zich bevindt. Uit het onderzoek komt naar voren dat de sterren ruwweg evenveel metalen bevatten. Dat geeft aan dat ze rond dezelfde tijd zijn ontstaan, in één grote geboortegolf van stervorming.

Vakartikelen:

Bron: Hubble.

Clusters van supernovae in Melkwegkern slingeren mogelijk sterren weg

Een gesimuleerd sterrenstelsel in het FIRE-2 project. Credit: Sijie Yu / UCI.

Het zou best wel eens kunnen zijn dat er in de halo rondom de platte schijf van het Melkwegstelsel sterren zijn die daar zijn als gevolg van ‘clusters van supernovae’. Sterrenkundigen van de Universiteit van Californië/Irvine (UCI) hebben in het zogeheten Feedback in Realistic Environments 2 project (FIRE-2) simulaties uitgevoerd op de computer en daaruit blijkt dat het goed mogelijk is dat er sterren door een cluster van supernova-explosies de halo in worden geslingerd. Een team van sterrenkundigen, onder leiding van James Bullock, heeft daar in the Monthly Notices of the Royal Astronomical Society een artikel aan gewijd. in de kern van het Melkwegstelsel, waar de dichtheid aan grote, zware sterren erg groot is, kunnen groepen supernovae achter elkaar exploderen. Door die explosies wordt het gas in hun omgeving weggeblazen en komt het terecht in de bolvormige halo rondom de Melkweg. Als dat gas dan afkoelt kunnen er sterren uit ontstaan. In die zin zijn het dan ook geen sterren die uit de Melkweg worden gekatapulteerd, zoals waar de bron over spreekt, maar het materiaal waaruit die halo-sterren ontstaan.

Een simulatie die laat zien waar sterren vormen aan de rand van een supernova bel. Paars laat zien waar sterren zich vormen, blauw een regio met reeds gevormde, jonge sterren, rood/bruin waar stof het sterlicht verduisterd. Credit: Sijie Yu / UCI.

De sterrenkundigen denken dat de sterren in de halo die door deze “supernova feedback” zijn ontstaan maar liefst 40% van alle sterren daar vormen. Tot nu toe dacht men altijd dat de meeste sterren daar kwamen door botsingen van kleine dwergstelsels met het Melkwegstelsel, waardoor die dwergstelsels uit elkaar werden getrokken en slierten sterren in de halo terecht kwamen. De clusters van supernovae treden niet continu op, dat is iets wat vermoedelijk in golven gaat, waarbij periodes van grote stervorming worden afgewisseld met periodes van lagere stervorming. Genomen over de hele levensduur van een sterrenstelsel zouden sterren gevormd door clusters van supernovae zo’n 2% van het totaal uitmaken. Maar ten tijde van uitbarstingen van stervorming kan dat aantal wel oplopen tot 20%.

Bron: UCI.

NASA’s Pleiades supercomputer genereert miljoenen virtuele universums

Een team van de Universiteit van Arizona heeft met behulp van NASA’s Pleiades supercomputer miljoenen simulaties van de vorming van het universum gegenereerd elk volgens een andere theorie van de vorming van sterrenstelsels. Het computermodel, zie ook video hieronder, laat de gesimuleerde universums  groeien vanaf de kosmologische jeugd tot heden. Dit alles om meer inzicht te verkrijgen in de evolutie van sterrenstelsels en uiteindelijk het gehele universum. Het team stond onder leiding van Peter Behroozi, professor in de theoretische astrofysica. Behroozi: “Telescopen kunnen heel veel sterrenstelsels in minieme details waarnemen, maar het zijn slechts kleine snapshots van hun geschiedenis. Sterrenstelsels hebben honderden miljoenen jaren nodig om te evolueren en natuurlijk, tijdens een mensenleven kunnen we daar niet eens een klein deel van zien, dus we kunnen niet zeggen hoe ze zijn geëvolueerd met alleen observaties.”
Lees verder

Superzware zwarte gaten belemmeren de groei van dwergstelsels

Negen van de onderzochte dwergstelsels. Credit: SDSS.

Drie sterrenkundigen van de Universiteit van Californië, Riverside (VS) hebben ontdekt dat de superzware zwarte gaten in kleine dwergstelsels door hun krachtige winden de groei van die stelsels belemmeren en wel door de stervorming te verminderen. Dwergstelsels hebben gemiddeld zo’n 100 miljoen tot enkele miljarden sterren, terwijl bijvoorbeeld de Melkweg er veel meer heeft, zo tussen de 200 en 400 miljard. Het heelal bevat veel meer dwergstelsels dan gewone sterrenstelsels. Een team van sterrenkundigen onder leiding van Gabriela Canalizo deed onderzoek naar 29 dwergstelsels, waarvan ze de gegevens haalden uit de Sloan Digital Sky Survey.

De drie UCR sterrenkundigen die het onderzoek deden, Gabriela Canalizo (r), Laura Sales (l) en Christina Manzano-King (m). Credit: UCR/Stan Lim.

Al die dwergstelsels vertoonden signalen dat ze een superzwaar zwart gat in hun kern hebben. Bij zes dwergstelsels konden ze zien dat geïoniseerde gaswolken met hoge snelheid (>1000 km/s) uit het stelsel vlogen en dat zestal hebben ze nader bestudeerd met de Keck telescoop op Hawaï. Daarmee konden ze diverse eigenschappen van die gaswolken onderzoeken en ze ontdekten toen dat die wolken de snelheid van stervorming in de stelsels onderdrukken. Gas- en stofwolken die normaal gesproken de geboorteplaatsen zijn van sterren worden door de krachtige wind van de gaswolken, die door het zwarte gat uitgestoten zijn, uit het dwergstelsel geduwd en daardoor blijft er geen gas meer over voor stervorming. Hier het vakartikel over het onderzoek, verschenen in The Astrophysical Journal, 2019; 884 (1). Bron: Universiteit van Californië.

Stervorming wordt mogelijk tegengehouden door koud geïoniseerd waterstof

Een samengesteld beeld van onze Melkweg, boven de Engineering Development Array bij het Murchison Radio-astronomy Observatory in West-Australië. De locatie van het centrum van onze Melkweg wordt gemarkeerd naast het geïoniseerde waterstof (H+ ) signaal dat wordt gedetecteerd uit dit hemelgebied . Het wit-blauwe licht laat de sterren zien die deel uitmaken van de Melkweg en de donkere plekken die het licht verduisteren, tonen het koude gas dat zich ertussen bevindt. Credit: Engineering Development Array image met dank aan ICRAR. Afbeelding van de Melkweg met dank aan Sandino Pusta.

Voor het eerst is geïoniseerd waterstof gedetecteerd op de laagste frequentie ooit nabij het centrum van onze Melkweg. Deze ontdekking werd gedaan in een wolk die zowel erg koud is (ongeveer -230 graden Celsius) als ook geïoniseerd, iets wat nooit eerder is waargenomen. Deze ontdekking kan een verklaring zijn waarom sterren zich niet zo snel vormen als theoretisch mogelijk zou zijn.

Dr. Raymond Oonk (ASTRON/Sterrewacht Leiden/SURFsara) leidde deze studie die vandaag in MNRAS wordt gepubliceerd. Hij zei: “In eerder werk werd er gezinspeeld op het mogelijke bestaan van koud geïoniseerd gas, maar dit is de eerste keer dat we het ook duidelijk zien.”

Ionisatie is een energetisch proces waarbij atomen hun elektronen verliezen. Het atoom raakt hierdoor elektrisch geladen en kan dan een ion worden genoemd. Dit gebeurt normaal in erg heet gas (10.000 graden Celsius) waar de atomen hun elektronen gemakkelijk kunnen verliezen. Het was daarom raadselachtig om geïoniseerd waterstof van zeer koud gas te ontdekken in deze wolk. Normale energiebronnen, zoals fotonen van massieve sterren, zouden dit niet veroorzaken. Meer exotische energievormen, zoals hoogenergetische deeltjes die ontstaan in supernova schokgolven en nabij zwarte gaten, zijn waarschijnlijk verantwoordelijk.

Dr. Oonk vervolgt: “Deze ontdekking toont aan dat de energie die nodig is om waterstofatomen te ioniseren diep kan doordringen in koude wolken. Van zulke koude wolken wordt aangenomen dat ze de brandstof zijn waaruit nieuwe sterren worden geboren. We weten dat in onze Melkweg het geboortecijfer voor sterren zeer laag is, veel lager dan men in eerste instantie zou verwachten. Misschien fungeert de energie die hier waargenomen is als een stabilisator voor koude wolken, zodat de wolk niet ineen zal storten en nieuwe sterren kan vormen.”

The Engineering Development Array from ICRAR on Vimeo.

De waarneming werd uitgevoerd met de Engineering Development Array (EDA), een prototype station van de Square Kilometre Array (SKA), ’s werelds grootste radiotelescoop. A/prof. Randall Wayth (Curtin University / ICRAR) zegt: “Deze detectie werd mogelijk gemaakt door de brede bandbreedte van de EDA en de extreem ruis vrije locatie van het Murchison Radio-astronomy Observatory. Het laagfrequente deel van de Square Kilometre Array zal worden gebouwd op deze locatie in de komende jaren, dus dit uitstekende resultaat geeft ons een glimp van waar de SKA toe in staat is als deze eenmaal gebouwd is.”

De datareductie werd geleid door Emma Alexander (University of Manchester) als onderdeel van haar zomerstudentenstage bij ASTRON: “Het is een zeer opwindende tijd om je te begeven in de wereld van de radioastronomie, en het was geweldig om aan de eerste hoge resolutie spectroscopische gegevens van dit SKA prototype station te werken. De technologieën die worden ontwikkeld voor de SKA, en de wetenschappelijke resultaten die daaruit voortkomen, zullen een drijvende kracht zijn voor mijn generatie radioastronomen. ”

Dit onderzoek werd uitgevoerd als een samenwerking tussen het Nederlands Instituut voor Radioastronomie (ASTRON), de Universiteit Leiden, the International Centre for Radio Astronomy Research (ICRAR), University of Manchester en de Square Kilometre Array. Bron: ASTRON.

NGC 7000…”de….grrrr…Noord Amerikanevel” door een russisch oog!

NGC 7000, de Noord Amerikanevel gekiekt met een russische 500mm F8 Maksutov. Credit: J. Brandt.

Zucht…..moet je nou toch eens kijken wat voor schoons je krijgt als je de twee grote supermachten onzer Moedertje Aard astrofotografisch met malkander verbindt. Ik bedoel maar….de wonderschone emissienevel NGC 7000, beter bekend onder de naam Noord Amerikanevel op de gevoelige digitale plaat gezet met een oldtimer telelens uit het woestschone land van Oom Vladimir,  een 500mm F8 Maksutov,  van oerdegelijke optische en mechanische kwaliteit!! Dat is pas…detente…..dat is pas een plezante warme vrede in plaats van die duffe hernieuwde koude oorlog!!

Maar goed,  zo gaan die dingen helaas nu eenmaal in de grote boze mensenwereld maar gelukkig is het in mijn kleinknusse astrofotografiewereldje allemaal net effe iets “gezelliger”.  Het zijn de beruchte grijze nachten maanden zo rond de 21ste Juli en dus is het “lanceervenster” voor het maken van goede hemelfoto’s deze periode helaas een beetje erg ongemakkelijk laat en ook nog eens erg kort. Dit is dan ook de tijd dat ik eigenlijk meer bezig ben met het bouwen en daar waar nodig verbouwen van mijn astrospeelgoed, dan dat ik al dit optisch-mechanisch schoons mee de Biesbos in wens te sleuren. Normaal gesproken bestaat mijn standaard astrofotogereedschap uit mijn brave 20cm F6 high spec Orion Optics Newton geplaatst op een oude zwarte EQ6 montering, sedert een maandje of wat geleden aangevuld met een Lacerta Mgen stand alone autoguider gekoppeld aan een 7 x 50 zoeker.

Bij die zoeker is het oculair plus kruisdraadgedeelte vervangen door een speciale adapterring waarmee de Mgen autoguider aan het zoekertje kan worden bevestigd…..enne….zoals U weet ben ik uitnemend en nog steeds  best wel een beetje stomverbaasd tevreden hoe goed zo’n klein k…tzoekertje in combi met die Mgen haar werk doet. In de zogenaamde “old school days” werd er keer op keer ingepeperd dat de volgkijker in kwestie een brandpuntsafstand van minimaal twee maal als die van de hoofdkijker moest hebben….in mijn geval dus minumaal 2,40m…..en hier weet een volgkijkertje met een brandpuntsafstand van slechts 18cm (!!) die zwaarwichtige combinatie van een 20cm F6 (brandpuntsafstand 1,20cm) en een niet zo strak volgende oude EQ6 perfect in toom te houden……met als resultaat keer op keer kakelscherpe sterpuntjes!!

Nu heb ik nog niet zo lang geleden via Robtics (van harte aanbevolen trouwens!!)  ook een redelijk kekke tweedehands EQ3 op weten te tikken……vele malen lichter mee te slepen en toch sterk genoeg om kijkers (zoals mijn beide kleine Newtonnetjes) en telelenzen (zoals mijn beide Maksutov telelenzen) tot een cm of 15 strak langs de nachthemel te loodsen….EN…..het gebakkie is tot mijn stomme verbazing ook nog eens voorzien van een mogelijk tot autoguiding!!!

Hmmmmm……..wat zou de combinatie 500mm F8 Maksutov telelens (U weet wel dat ding welke ik 40 jaar geleden “voor heel weinag” op de toenmalige zwarte markt in Beverwijk als “optisch colaglas” heb aangeschaft), EQ3 en Lacerta Mgen doen als serieus astrofoto-gereedschap??

En dus……zeer plezant een tijdje bezig geweest om één en ander aan te passen en te integreren. De EQ3 heb ik middels een zelfgelaste adapter geschikt gemaakt voor het stalen zuil statief van de EQ6, waar ik al eerder het Lacerta Mgen handcontroler permanent in heb gebouwd. Verder heb ik puur voor de lol zelf, van een stukkie aluminium een zwaluwstaart, systeem celestron/skywatcher gefrabiceerd waar aan de ene kant de 500mm F8 maksutov telelens is opgehangen en aan de andere kant de Lacerta Mgen autoguider, die middels een duwschroeven en trekveren mechaniek zowel in Rechte klimming als in declinatie-richting te bewegen is zodat het vinden van een geschikte volgster redelijkerwijze “een makkie is”. In het midden op de zelfmaak-zwaluwstaart tussen de autoguider en de maksutov is er nog een plekkie gereserveerd voor een 6×30 zoeker.

De sky watcher EQ3 is op zich best wel een aardige montering, hoor….maarre….het is uiteraard geen high tech (en derhalve heavy pittig geprijsde!!) Mesu danwel Paramount klasse montering en dus moet je wel even goed de tijd nemen om het “gebakkie” lekker soepeltjes te laten lopen,  waarbij ik er wel achter ben gekomen dat (te) veel speling op beide aangedreven assen te prefereren is boven (te) weinig.  Om “het gebakkie” vervolgens  goed te laten volgen is het zeer te adviseren om de montering zo “uit evenwicht te brengen” door middel van het effe iets verder dan “normaal” doorschuiven van de contragewichten. Het risico wat je hiermee zou kunnen lopen is dat je volgmotoren wellicht iets meer belast dan wellicht wenselijk is…..eh…dat mot dan maar!!

Maar goed…..na een paar oefensessie’s voor de deur het hele zooitje fit genoeg gevonden voor het echte werk in de Biesbos. Overigens……op het moment van schrijven, zondagmiddag 7 Juli 2019 (!!!),  staat hier de TV aan enne….”we” schijnen in  die Sari van Veenendaal wel een hele goede keeper te hebben en dan weet U wel waar ik in elk geval echt NIET naar kan kijken……veels te slecht voor mijn zenuwen!!!

Afijn…..in  de serene Biesbos…… nou ja….sereen?? Het gebrul van de brulkikkers was werkelijk oorverdovend maar wel heel erg lollig……Het hele zooitje opgesteld en uitgelijnd en met de onberispelijk werkende GoTo functie naar het “object of my astrophotographical desire”……NGC 7000, de Noord Amerikanevel gedirigeerd. Deze grote emissienevel is te vinden pal naast Deneb de hoofdster van het sterrenbeeld de Zwaan en is ideaal van formaat voor de/een (500mm) telelens. Met de 500mm “glamourmak” gekoppeld aan de  gemodificeerde Canon 1000D, ingesteld op 8oo iso heb ik fijn automatisch volgend 7 subjes van 6 minuten geschoten terwijl ik heerlijk lekker lui op mijn rug liggend op een kleedje naar de kraakheldere sterrenhemel heb liggen staren….kolere, ik ga het weer zeggen…maarre….wat is zo’n autoguider toch een heerlijk stukkie astrospeelgoed…..oh..enne….laten we vooral niet vergeten te vermelden dat de nederige EQ3 zich echt geweldig in toom laat houden door diezelfde autoguider……retestrakke sterpuntjes!!

Na deze perfecte veldwerk-sessie thuisgekomen nog een paar flats en dark flats (een flatfield met dezelfde belichtingstijd maar dan met de lensdop erop) geschoten. De volgende dag één en ander digitaal afgewerkt op met deep sky stacker, Canon photo professionaal en photoshop……enne…zie hier het resultaat……een resultaat waar ik in elk geval zeer, maar dan ook echt zeer tevreden mee ben…..Als “onze” Oranjeleeuwinnen nou nog “effe” gehakt maken van die “Noord Amerika-voetbaldames” dan is de euforie, me dunkt, helemaal compleet!!!

Fuck…..penalty voor die yankee’s….Gaat.. piep..krachtterm..piep…..weer lekker zo…..Hmmmm…en waarom gaan mijn gedachten nu opeens weer naar het (ramp)jaar 1974…grrrr??? Gloeiende pestpokke…..2-0 voor die yankee’s!