Nieuwe aanwijzing dat zware sterren niet eindigen als supernova

Arp 299. Credit: NASA, ESA, the Hubble Heritage Team (STScI/AURA)-ESA/Hubble Collaboration and A. Evans (University of Virginia, Charlottesville/NRAO/Stony Brook University)

Volgens de conventionele theorie blazen lichte sterren als onze zon hun verschillende lagen zachtjes weg als ze sterven, waar zware sterren ontploffen als supernova’s. Maar om de een of andere reden zijn sterrenkundigen er nog niet in geslaagd supernova’s te vinden van sterren die zwaarder zijn dan achttien zonmassa’s. Een team onder leiding van SRON-sterrenkundigen heeft nu een nieuwe aanwijzing gevonden voor het bestaan van dit mysterie. Het onderzoek verschijnt in Astrophysical Journal Letters.

Het onderzoeksteam bestudeerde het sterrenstelsel Arp 299 met de XMM Newton-telescoop, waarmee ze de grote hoeveelheden verschillende chemische elementen wilden meten die normaal gesproken in de ruimte vrijkomen wanneer een zware ster ontploft. Toen de onderzoekers de gemeten hoeveelheden ijzer, neon en magnesium vergeleken met bestaande modelberekeningen die beschrijven hoe sterren hun directe omgeving verrijken, bleken die behoorlijk van elkaar te verschillen. “Dit is een nieuwe aanwijzing dat heel zware sterren niet als supernova’s eindigen,” zegt eerste auteur Junjie Mao (Hiroshima/Strathclyde/SRON). “Als we de verwachte bijdrage door supernova’s zwaarder dan 23 tot 27 zonmassa’s uit de modelberekening voor chemische verrijking weglaten, dan is het verschil tussen het model en onze waarnemingen ineens veel minder groot.”
Sterrenkundigen begrijpen nog steeds niet waarom sterren van ongeveer achttien zonmassa’s niet gehoorzamen aan de conventionele theorie voor sterevolutie, en weigeren te ontploffen als supernova’s. “Een mogelijke verklaring is dat ze direct ineenstorten tot een zwart gat, zonder explosie,” zegt Aurora Simionescu (SRON). “We hebben nu nieuw bewijs dat de dood van zware sterren er wel eens heel anders uit zou kunnen zien dan we tot nu toe dachten. Het zou wel eens meer een zacht wegglijden kunnen zijn dan een kosmisch vuurwerk.”

Sterevolutie
Een pas geboren ster bestaat grotendeels uit waterstof, het lichtste element in het universum. De enorme zwaartekracht zorgt ervoor dat de druk in de sterkern oploopt, waardoor waterstof via kernfusie wordt omgezet in helium. Dit verschijnsel trekt als een brandende schil naar de buitenste lagen, waarbij een helium kern overblijft. Wanneer deze kern zwaar genoeg wordt, doet de zwaartekracht zijn werk weer en komt er een fusieproces op gang waarbij helium wordt omgezet in koolstof en zuurstof. Uiteindelijk ontstaat een schilstructuur als die van een ui, met lagen van zwaardere elementen dichter bij de kern. Sterren zwaarder dan acht zonmassa’s krijgen lagen van waterstof, helium, zuurstof, koolstof, neon, natrium en magnesium, en een kern van ijzer. Dit is hoe een groot deel van de zware atomen in onze wereld ontstaan.
Onder normale omstandigheden versmelt ijzer niet zodat ijzer zich ophoopt in de sterkern, totdat deze bezwijkt onder het eigen gewicht en er een kettingreactie op gang komt: een supernova. Dit zou moeten gebeuren bij alle sterren die zwaar genoeg zijn om ijzer in hun kern op te slaan. Over het algemeen is het zo dat hoe zwaarder de ster, hoe meer chemische elementen door de supernova-explosie worden verspreid in de ruimte, als zaden waaruit nieuwe sterren ontstaan. Het is nog altijd een mysterie waarom sterrenkundigen steeds meer bewijs vinden dat dit niet opgaat voor sterren die zwaarder zijn dan achttien stermassa’s. Bron: SRON.

Voor het eerst is duidelijk waar kosmische straling in de Melkweg vandaan komt

Credit: Astrophysics Laboratory, Nagoya University

Voor het eerst zijn sterrenkundigen erin geslaagd om precies te kwantificeren hoeveel protonen en elektronen er zitten in de kosmische straling afkomstig van het restant van een supernova in de Melkweg. Kosmische straling werd voor het eerst ontdekt door Victor Frans Hess in 1912 bij hoge ballonvluchten en sindsdien is de exacte bron van kosmische straling (die feitelijk helemaal geen straling is, maar die bestaat uit hoogenergetische deeltjes, zoals protonen, elektronen en heliumkernen) een groot raadsel. Een team van sterrenkundigen onder leiding van Yasuo Fukui (Nagoya University) heeft de radio-, röntgen- en gammastraling afkomstig van het supernovarestant RX J1713.7-3946 in de Melkweg geanalyseerd en daaruit komt naar voren dat 67% van de gammastraling geproduceerd is door relativistische protonen, 33% komt van relativistische elektronen (relativistisch wil zeggen met bijna de lichtsnelheid reizend). In de grafiek bovenaan zie je een voorstelling hoe CR (Cosmic Ray) protonen en elektronen gammastraling kunnen maken. Het zijn deze protonen en elektronen die reageren met protonen resp. fotonen uit interstellaire gaswolken (ISM in de grafiek) en kosmische microgolf-achtergrondstraling (CMB) en het is na die interactie dat hoogenergetische fotonen (gammastraling) worden geproduceerd.

Kaarten van de intensiteit van gammastraling Ng, de interstellair gasdichtheid Np en de röntgenintensiteit Nx in het supernovarestant RX J1713.7-3946. Credit: Astrophysics Laboratory, Nagoya University

Voor het onderzoek maakte men gebruik van de NANTEN radiotelescoop en de Australische Telescope Compact Array (TCA) plus de gegevens eerder verzameld met de Europese XMM-Newton röntgenruimtetelescoop. Hier het vakartikel over de waarnemingen aan het supernovarestant, verschenen in The Astrophysical Journal. Bron: Phys.org.

Stof zorgt ervoor dat we de helft van het aantal supernovae niet zien

In de cirkel in rood een supernova, die door Spitzer is gedetecteerd, in het sterrenbeeld ARP 148. Optisch is er niets van de supernova te zien geweest. Credit: NASA/JPL-Caltech.

De zogeheten ‘supernova discrepantie’ lijkt te zijn opgelost. Jarenlang was het probleem dat het voorspelde aantal supernovae op grond van modellen van zware sterren niet overeen kwam met het waargenomen aantal supernovae. In sterrenstelsels in het nabije heelal kwamen voorspelling en waarneming aardig overeen, maar hoe verder weg men keek des te minder supernovae zag men in vergelijking met het voorspelde aantal. Nu blijkt waarom. Ori Fox (Space Telescope Science Institute in Baltimore, Maryland VS) en zijn team bestudeerden gegevens van 40 zogeheten luminous and ultra-luminous infrared galaxies (LIRG’s en ULIRG’s), verzameld met de (inmiddels niet meer functionerende) Spitzer infrarood- ruimtetelescoop van de NASA. In die 40 sterrenstelsels, die allemaal erg veel stof [1]zeer kleine, vaste deeltjes, die zich als de deeltjes van rook gedragen. bevatten, kon men maar liefst vijf supernovae ontdekken, die met optische telescopen niet te zien waren. De supernovae waren door het stof in de stelsels onzichtbaar voor de optische telescopen, maar met Spitzer’s IR-ogen kon men daar doorheen kijken. Er zijn volgens de sterrenkundigen daarom twee keer zo veel supernovae in de verre stofrijke sterrenstelsels als waargenomen en daarmee voldoen ook die stelsels aan het voorspelde aantal supernovae. Het gaat hier om ‘core-collapse supernovae’, ook wel type II supernovae genoemd, zware sterren (minstens acht zonsmassa) die aan het einde van hun leven zijn gekomen, waarbij hun kern implodeert tot neutronenster of zwart gat en hun buitenlagen worden weggeblazen. Sterrenstelsels in het vroege heelal bevatten veel meer stof dan stelsels in het huidige, lokale heelal. Dat komt omdat in die vroege stelsels de productie van sterren veel hoger ligt dan in tegenwoordige stelsels en daarbij komt heel veel stof vrij. Hier het vakartikel over de waarnemingen met Spitzer aan de supernovae in de stofrijke sterrenstelsels, verschenen in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society. Bron: NASA/JPL.

References[+]

References
1 zeer kleine, vaste deeltjes, die zich als de deeltjes van rook gedragen.

HAWC toont galactische kosmische straling met de hoogste energie afkomstig van stercluster Cygnus OB2

Een team astrofysici van het Los Alamos National Laboratory (New Mexico) heeft vastgesteld dat de kosmische stralng met de hoogste energie niet afkomstig is van supernovae, maar van sterclusters. De data is afkomstig van de HAWC, of ‘High-Altitude Water Cherenkov’, met water gevulde detectietanks op een berghelling in het zuidoosten van Mexico. Het onderzoek o.l.v. A Abeysekara, is recent gepubliceerd in het wetenschappelijk journal Nature Astronomy.*
Lees verder

Het duurt nog minstens 100.000 jaar voordat Betelgeuze als supernova ontploft

De lichtcurve van Betgelgeuze de laatste jaren. Boven: opnames van het oppervlak van Betelgeuze. Credit: ESO/M. Montargès et al.

Een jaar geleden maakte Betelgeuze (α Ori), de rode reus in het sterrenbeeld Orion, een sterke dip mee in z’n lichtsterkte (zie de afbeelding hierboven). Direct waren er speculaties of dit gedrag misschien te maken heeft met een aanstaande explosie van Betelgeuze als supernova, hetgeen een spectaculair gezicht zou geven als dit zou gebeuren – Betelgeuze zou dan een tijdlang zo helder als de Volle Maan aan de hemel staan. Om te kijken wat de sterke afname in de lichtkracht van de reuzenster veroorzaakte heeft een internationaal team van sterrenkundigen onder leiding van Meridith Joyce (Australian National University) Betelgeuze onderzocht. De conclusie van het team is dat Betelgeuze verkeert in de fase van vroege heliumverbranding in z’n kern, dat hij kleiner is en minder massa heeft dan eerst gedacht en dat hij dichter bij de aarde blijkt te staan. Met name die vaststelling dat Betelgeuze bezig is aan een vroege kern-heliumverbranding betekent dat ‘ie nog minstens 100.000 jaar verwijderd is van een explosie als supernova. Dus alle speculaties vorig jaar zaten er flink naast, we moeten nog flink geduld hebben. Dát Betelgeuze periodiek in lichtkracht veranderd was al lang bekend. Door het zogeheten kappa-mechanisme, waarbij de ster voortdurend afwisselend krimpt en uitzet, heeft Beteleuze twee door elkaar lopende periodes van veranderlijkheid, de een 185 dagen lang, de ander 400 dagen lang.

Variaties in de lichtkracht van Betelgeuze afgelopen 15 jaar. Credit: L. Molnár, AAVSO, UCSD/SMEI, NA-SA/STEREO/HI)

Die pulsaties kunnen de grote dip van begin 2020 echter niet verklaren. Het team denk dat een grote stofwolk die dip heeft veroorzaakt, iets wat eerder ook al is gesuggereerd en zoals ook blijkt uit de foto die eind 2019 van Betelgeuze is gemaakt (zie afbeelding bovenaan). De massa van Betelgeuze blijkt tussen 16,5 en 19 zonsmassa te liggen, iets minder dan eerdere schattingen. Ook blijkt de ster iets kleiner te zijn: eerst dacht men dat als Betelgeuze op de plaats van de zon zou staan hij tot voorbij de baan van Jupiter zou reiken. Nu denkt men dat z’n straal 2/3e van die eerdere schatting is – altijd nog 750 keer zo groot als de zon. Tenslotte blijkt Betelgeuze op 530 lichtjaar te staan, da’s 25% minder ver dan men eerst dacht. En het is altijd nog een veilige afstand: áls Betelgeuze over pakweg 100.000 jaar eindelijk explodeert als type II supernova, hoeven onze nakomelingen niet te vrezen voor hun leven, áls ze er nog zijn. Hier het vakartikel over het onderzoek aan Betelgeuze, verschenen in The Astrophysical Journal. Bron: IPMU.

Bepaling expansiesnelheid heelal met supernovae nader bekeken

In stelsel 1 wordt de roodverschuiving van het sterrenstelsel, waarin de supernova plaatsvind gemeten.  Credit: Peter Laursen.

De bepaling van de snelheid waarmee het heelal uitdijt blijft ons bezighouden. Al meer dan vier jaar is een discussie gaande over de vraag hoe hoog die snelheid is, een discussie waarin twee ‘kampen’ te onderscheiden zijn, het kamp van het vroege heelal dat zich o.a. baseert op metingen aan de kosmische microgolf-achtergrondstraling en dat met een lage waarde van de expansiesnelheid komt versus het kamp van het huidige heelal dat zich o.a. baseert op metingen aan supernovae en dat men een hoge waarde van die snelheid komt. Die discussie staat bekend als de Hubble-spanning en er zijn twee mogelijke oplossingen: één van de twee kampen heeft het bij het verkeerde eind of er klopt iets niet aan het gangbare heelalmodel, het Lambda-CDM model, het model dat ervan uit gaat dat het heelal donkere energie (Lambda=de Kosmologische constante) en donkere materie (Cold Dark Matter) bevat.

Die supernovae welke voor de snelheidsbepaling van het huidige heelal-kamp gebruikt worden zijn type Ia supernovae, witte dwergen die exploderen als ze door massatoevoer van een begeleider zwaarder worden dan de Limiet van Chandrasekhar. Kijk wat de roodverschuiving van die supernovae is, bepaal daarmee de snelheid waarmee ze zich van ons verwijderen en bepaal daar vervolgens de snelheid van de expansie van het heelal mee, dát is afgelopen 25 jaar de manier geweest waarmee men gepoogd heeft die expansiesnelheid van het heelal te bepalen. Maar recent onderzoek van sterrenkundigen van het Cosmic Dawn Center (Niels Bohr Institute, University of Copenhagen) laat echter zien dat het niet zo makkelijk is. Het probleem is namelijk dat die roodverschuiving van het licht dat van de supernova op ons af komt niet alleen komt door de snelheid waarmee het moeder-sterrenstelsel, waarin de supernova plaatsvind, van ons af beweegt, maar het komt deels ook door de expansiesnelheid van het materiaal dat door de supernova is weggeblazen. De Deense groep heeft meer dan duizend waaernemingen aan type Ia supernovae geanalyseerd en daaruit blijkt dat het niet zo gemakkelijk is een model te maken voor de expansie van het explorende materiaal van zo’n supernovae en dat het daarom lastig is te bepalen welke invloed dat heeft op de roodverschuiving. Vandaar dat men het plan heeft opgevat om met de Nordic Optical Telescope op Gran Canaria roodverschuivingen van moederstelsels van supernovae te gaan meten en om daarmee het verschil te krijgen met de roodverschuiving van moederstelsels + supernovae. Dat zou dan meer inzicht moeten bieden in de wijze waarop type Ia supernovae exploderen en ze hun materiaal wegslingeren. Hier het vakartikel over de recente analyse aan de supernovae. Bron: Eurekalert.

Met Hubble is een spectaculaire timelapse van een supernova gemaakt

SN2018gv in NGC 2525. Credit: ESA/Hubble & NASA, A. Riess and the SH0ES team Acknowledgment: Mahdi Zama.

Met de Hubble ruimtetelescoop van ESA en NASA is de lichtsterkte van een supernova, die zich afspeelde in het balkspiraal-sterrenstelsel NGC 2525, 70 miljoen lichtjaar van ons vandaan, minutieus in beeld gebracht. Het gaat om supernova SN2018gv, die half januari 2018 voor het eerst werd opgemerkt. Een team sterrenkundigen onder leiding van Nobelprijswinnaar Adam Riess (Space Telescope Science Institute (STScI) and Johns Hopkins University, in Baltimore, USA) heeft de supernova vervolgens met Hubble nauwlettend gevolgd en dat heeft tot een unieke timelapse van de supernova geleid, te zien in de video hieronder. De waarnemingen aan SN2018gv door Riess’ team bestrijken de periode februari 2018-februari 2019.

SN2018gv was een type Ia supernova, een witte dwerg die door massatoevoer van een begeleider zwaarder wordt dan de Limiet van Chandrasekhar en dan explodeert. Riess z’n team heeft dergelijke type Ia supernovae in de jaren negentig gebruikt om de expansie van het heelal te meten – dergelijke type supernovae hebben een gelijke absolute helderheid en daarmee zijn ze te gebruiken als afstandsindicator (al wordt daar ook wel weer aan getwijfeld – zie de discussie rondom de Hubble spanning). Ter afsluiting hieronder nóg een video, waarin wordt ingezoomd op NGC 2525. Het kan vandaag niet op met de video’s.

Bron: Hubble.

Laat-Devonische massa-extinctie wellicht veroorzaakt door een nabije supernova

Simulatie van de invloed van een nabije supernova op de zonnewind in het zonnestelsel. De zon is het rode stipje, de blauwe stippelijn de baan van de aarde. Credit: Jesse Miller

Zo’n 359 miljoen jaar geleden vond de zogeheten ‘Laat-Devonische extinctie’ plaats, één van de vijf grote massa-extincties in de geschiedenis van het leven op Aarde. Bij deze extinctie stierven vooral veel zeedieren. Een team sterrenkundigen onder leiding van Brian Fields (University of Illinois) denkt dat deze extinctie veroorzaakt is door een supernova, die op zo’n 65 lichtjaar afstand staat, een afstand die relatief gezien erg dichtbij is. Het team onderzocht rotsen, die qua leeftijd op de grens liggen van het Devoontijdperk en het daarop volgende Carboontijdperk. Plantensporen in die rotsen laten zien dat er een overvloed is aan UV-licht van de zon, een teken dat er weinig ozon was in de atmosfeer, het molecuul dat UV-straling kan tegenhouden. Verdwijning van ozon zou ook kunnen komen door vulkaanuitbarstingen en klimaatopwarming, maar in die periode zijn daar geen tekenen van bekend. Gammaflitsers, zonneuitbarstingen en meteorietinslagen kunnen óók ozon doen verminderen, maar dat zijn meestal kortdurende gebeurtenissen, die niet voor een structurele verlaging van het ozon kunnen zorgen. Daarom denken de sterrenkundigen dat een supernova de oorzaak moet zijn geweest van deze extinctie. Zo’n nabije supernova bezorgt de aarde in eerste instantie een grote dosis UV- en röntgenstraling, gevolgd door energierijke kosmische straling (vooral protonen). De ozonlaag kan daardoor wel honderduizend jaar in omvang sterk afnemen.

Veroorzaakte een nabije supernova de Laat-Devonische extinctie? Credit: Geralt/Pixabay.

Nou blijkt uit onderzoek dat voorafgaand aan de Laat-Devonische extinctie er al een afname was van de bio-diversiteit. Het zou dus best kunnen dat er niet sprake was van één supernova, maar dat er een keten van sterexplosies was. Een bevestiging van de supernova-theorie voor de massa-extinctie zou de vondst kunnen zijn van de isotopen plutonium-244 en samarium-146 in de rotsen uit die tijd, maar dat is nog niet het geval. Men denkt dat de supernova ongeveer 65 lichtjaar van ons vandaan stond, net iets verder dan de ‘kill-distance’, de afstand die voor een totale massa-extinctie zou hebben gezorgd (25 lichtjaar). Eh… ter vergelijking: Betelgeuze, de rode reus die wellicht ook tussen nu en honderduizend jaar kan exploderen als supernova, staat op 600 lichtjaar afstand. Hier het vakartikel van Fields et al, verschenen in the PNAS. Bron: Universiteit van Illinois.

Georgia Tech bouwt ‘supernova-machine’

Om een beter inzicht te verkrijgen in de fysische processen die zich voordoen bij supernovae heeft een team astronomen van de Georgia University of Technology een heuse ‘supernova machine’ gebouwd. Een kleine 2,5 jaar nam het project in beslag, zie ook de video onder het artikel. Projectleider Davesh Ranjan stelt dat de supernova-machine astronomen kan helpen met het berekenen van de snelheden van gassen in nevels van supernova en bij een meer nauwkeurige bepaling van de geboorte van de sterren. Het wetenschappelijk artikel over het project verscheen recent in Astrophysical Journal Letters*.
Lees verder

M61 supernova, goed voorbeeld……

Type 2 core collaps supernova 2020jfo in Messier 61 in het sterrenbeeld Virgo

……doet goed volgen. Zoals gevoegelijk bekend moge wezen  hebben we, astroboys and girls,  “het er maar (te!!??) druk mee”……visueel waarnemen, fotograferen…..you name it, van alles en nog wat aan zaken die de wonderschone corona-nachthemel maar te bieden heeft. En zo kon het dus zomaar gebeuren dat astrofoto/astroblogs-collega Jan H. en de schrijver dezes…Jan B. op dezelfde nacht in bijkans het hetzelfde stukkie sterrenhemel, te weten het gestoord melkwegstelselrijke sterrenbeeld Maagd (Virgo), fijn druk bezig waren met het op de kiek zetten van…..eh…melkwegstelsels uiteraard der zaak!!

Met dit verschil dat astrovriendje Jan de intergalactische kip met de gouden eieren….een melkwegstelsel met  een kakelverse supernova..(Messier 61 plus supernova 2020jfo)…op de gevoelige digitale plaat aan het zetten was, terwijl ondergetekende amper een volle maansdiameter verderop “zomaar een virgoclusterkipje aan het verschalken was”. Een “onhandige” combinatie van ontreddering en bewondering was derhalve zeker mijn deel toen ik Jan z’n kekke astroblogje plus dito opname onder de ogen kreeg.  Natuurlijk was ik best wel content met mijn eigen galactische huis, tuin en keuken-vangst van die bewuste nacht….maarre toch…….linksom danwel rechtsom, een eigen opname van M61 plus verse supernova, die most er toch echwel kome, hoor!!

Overigens ben ik “voor de lol” eerst visueel op supernovajacht gegaan met de 40cm Dobson….probeer tenslotte ook mijn oude tak van astrosport nog een beetje in ere te houden…maarre…ik moet toch wel een beetje triest bekennen dat M61, zelfs in mijn 40cm monsterscope, er toch niet echt daverend indrukwekkend uit zag.

Vooral en helaas, van alle deep sky objecten die er zijn, zijn melkwegstelsels het meest gevoelig voor de  mate van donkerte van de hemelachtergrond als het gaat om het zichtbaar worden voor het blote waarneem-oog van al hun mooie en ozo kenmerkende (spiraal)structuren. Contrast met de hemelachtergrond is “het essentiele dingetje” als het gaat om het kunnen waarnemen van mooie beelden van deze objecten en….. toegegeven wellicht iets te kort door de bocht….. helaas toch niet of je nu met een kleine dan wel dikke kijker aan het waarnemen bent. Ach…..was de menselijke oog/brein-detector maar in staat tot on the spot photoshop-achtige beeldbewerkingskunstjes direkt tijdens het gluren door het oculair….en…om het feestje nog stukkie verder te bederven……had “onze goede schepper” toch maar NIET de kleurgevoelige kegelvorminge lichtgevoelige receptorcellen in het midden van ons oogbeeldveld geplaatst,  inplaats van de vele malen lichtgevoeliger staafvorminge celletjes….die nu dus helaas in de periferie van onze “oogdetector” zitten. Ik blijf het nog steeds een bijkans ironische frustratie vinden dat al die prachtige spiraalarm, stofband en supernova-details pas leuk zichtbaar worden wanneer je NIET meer direkt naar het object aan het kijken bent…..”vloek…mopper….krachtterm…..geen ene spiraalarm-reet te zien….nou ja, laat dan maar….oh wow….daar zijn ze opeens toch wel….dan toch maar effe goed bekijken……en…vloek…mopper….schandalige krachtterm….en weg zijn ze weer”!!!

Het visuele waarneem-paradijs is de getergde visuele astromensch blijkbaar niet gegund in het ondermaanse aardse tranendal…ach..ach..ach….hihi!! Ofwel…..Ik heb M61 in beeld gehad met de dikke Dobson en hij/zij was met behulp van een degelijke ouderwetschen sterrenkaart eigenlijk best wel hartstikke makkelijk te vinden….maarre……spiraalarmen plus kekke supernova….ho maar!! Blijkbaar is mijn biesbos-hemelachtergrond helaas toch niet goed genoeg “melkwegstelsel-proof” als het gaat om het betere visuele waarneemwerk….iets wat ik bijvoorbeeld ook merk als ik probeer de spiraalarmen van M51 danwel de stofbanden in M31 waartenemen. Voor dit soort werk moet de dikke Dobson toch maar eens een keertje worden meegesleurd naar echt donkere oorden zoals bijvoorbeeld ons eigen dark sky reserve van Oost Terschelling. Tot slot wel nog even de belangrijke opmerking dat sterachtige objecten zoals b.v. bolvormige en open sterrenhopen, ook onder een biesboshemel,  weer wel knalfantastisch zijn in zo’n monsterscope…en die vlieger gaat ook op voor planetaire en emissie-nevels als je gebruikt maakt van lichtvervuilingsfilters….het is dus niet allemaal kommer en kwel in het lichtvervuilde land der visuelen.

Maar goed….om die supernova bij de kladden te kunnen vatten toch maar weer de fijne en ozo donkere toverkunsten  der digitale astrofotografie uit de kast gerukt….enne….voila….galactische kip ik heb je!! En dan merk je hoe krachtig en razendrap effectief de edele zwarte magie der digitale astrofotografie toch is…..want met “slechts” een 20cm Newton…met de maan prominent eng hinderlijk nog net niet IN het sterrenbeeld Maagd…..en slechts 6 grijze nachten subjes a raison de 5 minuten…..heb ik het supernova’tje toch mooi duidelijk zichtbaar op de gevoelige plaat staan!!

Deze supernova lijkt trouwens, als ik de laatste berichten zo eens doorsnuffel, een heuse “echte” supernova te zijn….een zogenaamde type II “core collapse supernova”. Als een zware ster van minimaal 8 zonsmassa’s uiteindelijk “opgebrand” is dan valt de stralingsdruk in de kern opeens weg met als gevolg een hele snelle ineenstorting van de ster op leeftijd. Dat instorten onder de invloed van de inmense allesoverwinnende zwaartekracht wordt gevolgd door het even heel kort “terugveren” van de ineenstortende kern….dat even terugveren van die ineenstortende kern gaat over in een gigantische, de oude ster compleet vernietigende,  explosie…zijnde een type II supernova.

De meer bekende supernova variant is de zogenaamde type Ia supernova waarbij een witte dwerg in een dubbelstersysteem zichzelf  laaft aan zijn partner-ster. Als de witte dwerg vanwege dit opvreten van zijn partner-ster zichzelf over de zogenaamde Chandrasekhar vreet (1.4 zonsmassa’s) dan stort ook de witte dwerg ineen……et voila…een type 1a supernova. De helderheid van zeker de type 1a supernova’s zijn over het algemeen allemaal hetzelfde en daardoor zijn ze zeer geschikt als afstandsindicatoren bij het bepalen van afstanden naar verre melkwegstelsels, zoals o.a. bijvoorbeeld M61 op een afstandje van 52 miljoen lichtjaar.

Laatste “weetfeitje”….voor de liefhebbers van supernova’s is Messier 61 een waar “douze points” melkwegstelsel vanwege het feit dat dit stelsel zo ongeveer met supernova’s lijkt te smijten,  in tegenstelling tot het melkwegstelsel waarin wij “helaas” gedwongen zijn onze dagen te slijten…..want ons melkwegstelsel is echt een mega krenterige krent als het gaat om supernova’s….Het moyenne zou ongeveer één supernova per eeuw moeten zijn….maarre….wat dat betreft was de ster van Kepler in 1604 helaas de laatste “klapper-ster”. Als Betelgeuze nou eens effe lekker een lucifer bij het lontje zou willen houden….!!!!