AR 2882 door verse 15cm F8 planetaire Dobson

zonnevlek AR 2882 door 15cm F8 planetaire Dobson

Typisch gevalletje van goed voorbeeld doet goed volgen en een plezante samenloop van omstandigheden, want vorige week kreeg opeens weer een heftige aanval van “ATM-kriebels”, iets waarvoor ik trouwens heel zeker nooit een spuit voor in mijn mik wens te krijgen. Die “ATM-kriebels” (ATM=amateur Telescope Making) werden veroorzaakt door het aanzicht op het troosteloos als een gestrande walvis op haar buik liggende nog zo niet lang geleden nieuw aangeschafte en daarna heftig, zowel wat uiterlijk als innerlijk betreft, verbouwde 15cm F8 Skywatcher Newtonnetje.

Deze zogenaamde planetaire Newton, door de optische wijsheid in pacht hebbende opstandige lieden zoals den schrijver dezes steevast aangeduid met de term “APO-killer”, deze verse telescoop zou oorspronkelijk haar werkzame leven gaan slijten op de onlangs ook gepimpte Skywatcher EQ3 GoTo Montering…..MAAR….helaas (voor het kekke apo-killertje)……is deze plek onlangs “ingepikt” door de 10 cm Maksutov (Wim….Frieda!!) welke ik onlangs heb omgebouwd voor spectroscopie, een onderwerp waarover ik in de nabije dan wel verre toekomst, als ik  deze boeiende maar vet-moeilijke tak van sport ooit onder de knietjes weet te kregen,  een blogje over hoop te mogen schrijven.

15cm F8 Planetaire Newton

Op zich is deze “montering-paleisrevolutie” overigens totaal geen ramp, hoor,  want de 15cm F8 (buislengte 120cm) bleek in dagelijkse praktijk eigenlijk toch net effe iets te veel “lange lel” voor de voor de  kleine prima EQ3,  echter…. zoiets compacts als de 10cm Maksutov staat op deze montering natuurlijk zo stevig gelijk de rots van Gibraltar!!

Eigenlijk zou de 15cmF8 op de EQ6 moeten staan….maar ja….die is al vele jaren de thuishaven voor mijn astrofotografische vlaggenschip, de 20cm F6 Orion Optics newton….en dus……had ik opeens een zeer fraaie gloedjenieuwe  opgepimpte maar nu wel zielig”dakloze” 15cm Newton binnen de optische gelederen….oh jee!!!

De reden waarom ik dit 15cm Newtonnetje in de eerste plaats heb aangeschaft is dat ik haar wilde inzetten als pure gespecialiseerde planetenkijker. Een goed gebouwde 15cm F8 Newton is namelijk niet alleen op de optische as perfect, maar ook tot aan de rand van het beeldveld, Dit vanwege het bij deze tamme openingsverhouding nagenoeg afwezig zijn van de primaire Newton-beeldkwaliteit-killer genaamd “coma”!!.

Dit betekent dat het planeetbeeldje over het gehele beeldveld altijd dezelfde  kwaliteit heeft  daarom laat dit type kijker zich dus ook uitstekend  lenen om ingezet te worden als planetenkijker op een (stevige!!!) Dobsonmontering i.p.v. de gebruikelijke zware parallactische montering.  Nu zijn er bij mijn weten geen losse Dobsonmonteringen te koop en ik ben eerlijk gezegd ook niet echt onder indruk van de mechanische kwaliteiten van de Dobsonmonteringen bij de (goedkopere) commerciële Dobson-telescopen. Dat kan (IK!!) beter!!!!

Het mooie aan zelf bouwen is dat je heerlijk zelf net zolang aan kunt klooien met construeren totdat ie helemaal aan jouw  specifieke wensen voldoet…..enne….ook wat mijn persoonlijke “Dobsonwensen” betreft ben ik zoals als vaker vastgesteld een behoorlijke mierenneuker!!!  In principe zijn (vind ik!!) de standaard huis tuin en keuken Dobsonmonteringen nogal…eh….grofstoffelijk en heel vaak gewoonweg niet boterzacht bewegend goed genoeg. Vaak zie ik ze gemaakt van (wit) gefineerd keukenkastjes pisbakken spaanplaat uitgerust met veels te kleine  verticale en horizontale PVC-lagers op nylon lagerblokjes en soms ook zelfs met van die achterlijke veersystemen om de benodigde wrijving te verzorgen….jakkes. Watervast multiplex, Teflon en Stardust  #1782 formica, that’s the only Dobson-way to go!

Wat ik ook niet echt lekker elegant vind, dat zijn van die zware, toegegeven originele, maar ozo lompe grafkist-achtige Dobson-constructie’s……Ik hou van open lichte, NIET gelijmde, constructie’s  die helemaal uit elkaar te halen dank zij  bout en moer-verbindingen!  Het grote voordeel van het gebruik van bout en moer verbindingen i.p.v. lijmverbindingen is dat je na het grove constructiewerk heel je Dobsonmontering heel precies kunt na/afstellen. Met lijmverbindingen moet je alles in ene keer op orde hebben EN je kunt ook nooit meer heel de boel in kleine componenten uit elkaar halen mocht transportruimte eventjes heel beperkt zijn…. (vliegvakantie/krampeervakantie)!!

Het Dobson bouwproces in zes afbeeldingen

De hoogtelager-zijpanelen (18mm Multiplex) zitten aan de onderkant met bouten, moeren en hoekijzers op het draaiplateau bevestigd en zijn aan de bovenkant middels  twee verstelbare stukken draadeind (de bovenste M10 en die andere M8) aan elkaar verbonden. Door die verstelbare stukken draadeind kan je heel precies de bovenkanten van de hoogtelager-zijpanelen naar elkaar toe forceren om zo een minimale zijdelingse speling te verkrijgen. Op de zijkanten van de hoogtelagers zit ook Stardust #1782 formica geplakt en die wrijft zijdelings tegen twee extra teflonblokjes aan waardoor je een hele soepele en nagenoeg spelingvrije op en neer beweging krijgt.

De hoogtelagers zelf zijn perfect (als je het goed doet!!) rondgezaagde stukken multiplex bekleed met Stardust formica en steunen en draaien op vier kleine Teflonblojes die op de hoogtelager-panelen zijn geschroefd……en dus NIET van die PVC en Nylon bagger….grrrrrr!!!!!

De (zware) hoekijzers waarmee de hoogtelager-zijpanelen op het draaiplateau bevestigd zijn zijn ook verstelbaar gemaakt zodat je beide hoogtelager-panelen heel precies uitgelijnd kunt krijgen met de hoogtelagers!

Voor het verbinding tussen OTA….(Optical Tube Assembly) en hoogtelagers heb ik dankbaar gebruik gemaakt van het luxe feit dat de buisringen van het Skywatchertje aan BEIDE kanten twee solide bevestigingsplekken hebben voor de (Vixen style) zwaluwstaarten en/of camera’s in zogenaamde “piggyback mode” (met de telescoop meelift methode), waarvan je er normaliter eentje nodig hebt om je OTA op je parallactische montering te plaatsen.  Nu was het een simpele kwestie van een tweede zwaluwstaart op die twee kneiterstevige buisringen vastbouten om daarna vervolgens aan beide zijden, al dan niet met twee afstandhoutjes,  je “versgebakken” hoogtelagers te bevestigen.

Het mooie is nu dat je heel makkelijk dat hoogtelager-buisringensetje kunt openklappen en zo in een handomdraai je OTA er in kunt leggen……dichtklappen, twee handbouten aandraaien,  in de Dobsonmontering plaatsen en….hup….waarnemen geblazen!!

Nog een aangenaam en niet te onderschatten voordeel is het feit dat je nu met deze constructie niet meer gebonden bent dat ene vaste evenwichtspunt zoals bij de originele Dobson.  Door de beide buisringbouten even een beetje te lossen kun je heel makkelijk je OTA een klein stukkie op en neer schuiven als je bij voorbeeld een zwaardere zoeker, een lichtgewicht ToU pro webcam of dit keer, voor het fotograferen van die joekel-zonnevlek, een gewichtige digitale spiegelreflexcamera (de onvolprezen Canon 1000D) in de oculairhouder wilt plaatsen.

In het draaiplateau voor de horizontale beweging heb ik de originele centrale bout Dobsonconstructie gebruikt maar deze centrale bout heb ik wel voorzien van een extra teflon lagering voor het verkrijgen van de vereiste soepele schokloze horizontale beweging.  Een planetaire Newton MOET tenslotte heel soepeltjes kunnen bewegen wil je een Jupiter met 250 x plus schokloos in beeld kunnen houden. Dit gaat alleen maar lukken als je met heel veel aandacht en precisie je Dobsonmontering in elkaar sleutelt!!

Wat ik ook nog aangepast heb is de manier waarop deze Dobsonmontering met Moeder Aarde is verbonden. Normaliter gebeurt dat altijd door middel van drie simpele houten blokjes vastgelijmd/geschroefd onder het horizontale draaiplateau…..enne….dat is toch eigenlijk als je er goed over nadenkt een compleet gestoorde manier van “aarding” voor een telescoop die toch eigenlijk juist bedoeld is voor gebruik in het vrije veld.

Ik bedoel…..probeer maar eens je standaard huis, tuin en keuken Dobsonnetje zomaar ergens off road op een hobbelig grasveldje neer te knallen. Dat is altijd net zo wiebelig onstabiel als dat je een parallactische montering op een luxe stalen zuil-statief ergens op een modderige plekje in het open veld probeert  neer te zetten. Ieder weldenkend amateur astronoom-mens weet dat  je daar een veldstatief voor moet gebruiken in de vorm van de overbekende houten danwel lichtmetalen DRIEPOOT!!

Ik heb in het vrije veld met menig Dobsontelescoop zo vaak lopen te kloten met het onder het draaiplateau moeten plaatsen van zware stukken hout of zelfs stoeptegels om het kreng stabiel genoeg overeind te houden op dat prachtige romantische grasveldje. Ofwel…..ga je met je originele lichtgewicht Dobsonnetje het  vrije veld in…..zorg dan wel dat je altijd drie zware stoeptegels in je oculairenkoffertje hebt want anders pleurt ie mooi om…ach…ach…ach….    Alsof je een zeer capabele off roader zoals een Land Rover (zucht…zulke leuke auto’s!!) uitrust met fietswielen i.p.v. terreinbanden.

Toen ik dit vreemde gegeven eens door mijn neuronenzolder liet rollen kwam ik tot de toch wel tamelijk schokkende conclusie dat ik vanwege dit absurde feit eigenlijk altijd mijn vrije veld Dobson waarneemsessies heb proberen te doen met het Dobsonnetje stevig geparkeerd op…..asfalt…hoe maf is dat!!???

Ofwel…..hoe maak je een Dobsonstatief off road waardig??

Welnu……dat bleek achteraf bekeken helemaal niet zo moeilijk te verwezenlijken. Ik heb uit een, nog ergens in een stoffig hoekje op mijn nedrige rijksmonumentale zolder rondzwervend, paar honderd jaar stukkie “oud eiken” drie kleine hockeystick-vormige “pootjes” gefabriekt en die met een paar stevige bouten en moeren onder het draaiplateau bevestigd. Het lange gedeelte vormt de bevestiging aan het draaiplateau en het korte 15cm hoge  gedeelte het surrogaat “off road-pootje” welke een centimetertje of 10 buiten het draaiplateau steekt.

Dit korte surrogaat “veldpootje” moet je trouwens toch maar niet te ver buiten het draaiplateau laten uitsteken. Ook al zou dit zeer zeker de stabiliteit ten goede komen, de kans wordt dan wel erg groot dat je in het pikke-donker je nek erover gaat breken en dan zie je opeens biologische sterren i.p.v. “het echte werk”.

In de vrije veld praktijk blijkt dit surrogaat veld driepoot draaiplateau het wat extra off road stabiliteit betreft boven verwachting goed te voldoen, althans op het lokale grasveldje alhier aan de overkant van de straat. Hoe dat gaat uitpakken op een wat ruiger Drents open bos-veldje tijdens een vakantie-tripje, dat zien we dan wel weer…..maarre….voorlopig ben ik erg tevreden over deze aanpassing.  Uiteraard is de stabiliteit op vlak asfalt nu helemaal fantastisch.

Nog een voordeel van dit soort van “pootjes” is dat je de oculairhoogte, zeg maar de gemiddelde afstand van de grond tot het oculair nog meer naar je eigen hand kunt zetten waardoor je voor jezelf de meest comfortabele waarneemhoogte kunt verkrijgen.

Het verkregen resultaat blijkt nu zowel optisch (zie een eerder blogje betreffende deze OTA) als Dobson-mechanisch zeer aangenaam te voldoen aan het beeld wat ik voor ogen had. Ik had de combinatie al eerder tot grrot genoegen visueel uitgeprobeerd op Jupiter en Saturnus en toen Hopman Arie met de tip op de proppen kwam aangaande die joekel van een Zonnevlek, heb ik dat feit meteen aangegrepen om ook de fotografische vermogens van het “setje” eens goed aan de tand te voelen.

Nu is de (aangepaste en vintage) Philips ToU Pro vastgeknoopt aan mijn eveneens vintage windows 98 lap top  normaliter gesproken HET optische gereedschap van dienst voor Zon, Maan en planeten-klusjes maar daar had ik deze keer  effe geen zin an en heb ik gekozen om de Canon 1000D geplaatst in het primaire brandpunt (120cm) het fotonenvangwerk te laten doen…..eh….veilig voor het veels te intense zonlicht verscholen achter een Baader astro-solar objectief zonnefilter uiteraard!!!!.

ISO 100 en 1/100 seconde belichten et voila….een kekkie vlekkie….en de voldoening dat ook fotografisch het nieuwbakken Dobsongeval prima opgewassen is voor haar toekomstige taken. Missie geslaagd en U allen….tot een volgend keer en van harte gegroet!!!

 

Krachtigste zonnevlam in vier jaar tijd geregistreerd met radioblackout rond de Atlantische Oceaan

De grootste zonnevlam in vier jaar tijd heeft zich gemanifesteerd op drie juli j.l. De zonnevlam barstte los vanaf een zonnevlek genaamd AR2838 en is geclassificeerd als een X1-klasse vlam door het US Space Weather Prediction Center (SWPC). Dit betekent dat de zonnevlam het helderste en grootste type in zijn soort was – groot genoeg om een korte radiostoring op aarde te veroorzaken. Deze uitbarsting van röntgenstraling reisde zaterdagmiddag met de snelheid van het licht naar de aarde, botste, na zo een acht minuten, tegen de bovenlaag van de aardse atmosfeer en veroorzaakte een radioblackout boven de Atlantische Oceaan en de kustgebieden. De blackoutkaart hier laat zien waar radio-operators rond 15:30 UTC (17:30 NL’se tijd) de blackout hebben opgemerkt, zie bv hier in het Noorse Lofoten.  Zonnevlammen worden gecategoriseerd in A, B, C, M of X. A’s zijn de kleinste en de X-klasse vertegenwoordigen de grootste en helderste klasse van zonnevlammen.

Zonnevlek met vlam AR2838 Credits; NaSA/SDO

Op NASA’s Spaceweather stelde astronoom Tony Phillips dat de zonnevlam vrij plotseling opkwam: “Yesterday it did not even exist, highlighting the unpredictability of solar activity.” Een zonnevlam is een intense uitbarsting van straling is die voortkomt uit het vrijkomen van magnetische energie geassocieerd met zonnevlekken. Zonnevlekken zijn tijdelijk aanwezig donkere plekken op de zon, die ten opzichte van hun omgeving minder heet zijn, in afmeting variërend van enkele tot duizenden kilometers. De zon kent perioden met veel en weinig zonnevlekken, die elkaar afwisselen, de zogeheten zonnecycli. Gedurende de perioden met de meeste zonnevlekken spreken we van een zonnevlekkenmaximum en de perioden met geen of nauwelijks zonnevlekken staan bekend als zonnevlekkenminima. Zonnevlammen zijn de grootste explosieve gebeurtenissen in het zonnestelsel, ze kunnen enkele minuten tot enkele uren aanhouden. De zonnevlam van 3 juli was de eerste X-klasse vlam die de zon produceerde sinds zich in december 2019 een nieuwe zonnecyclus aanving. Tijdens de zonnecyclus ’24’ produceerde de zon 49 X-flares. En daarom verwachten wetenschappers nog tientallen X-flares als de zon tegen het jaar 2025 het zonnemaximum nadert. In het verleden hebben sterke zonnevlammen en coronale massa-ejecties (CME’s) wijdverbreide stroomstoringen en communicatiestoringen op aarde en de satellieten in de ruimte veroorzaakt. Zijn we voorbereid op komende zonnestormen? Lees hier meer over op Ethan Siegels recente blog over CME’s in ‘Ask Ethan’. Deze zonnevlek ‘AR2838’ verdween ook weer snel, op 3 juli bewoog de zonnevlek zich naar het noordwestelijke deel van de zon en zal zich de komende twee weken naar de andere kant van de ster verplaatsen. Bronnen: NASA/SDO, NOAA, Spaceweather PC, Forbes, Space.com.

Sterrenkundigen in 2.034 stersystemen zitten eersterangs om de aarde te zien

Credit: GooKinSword/Pixabay.

Met ruimtetelescopen zoals voorheen Kepler en nu TESS kunnen we bij andere sterren dan de zon exoplaneten zien, planeten die zich, ‘verraden’ doordat ze gezien vanaf de aarde periodiek voor hun centrale ster langsschuiven en door die transitie een kleine dip in de lichtsterkte van de ster veroorzaken. Maar het omgekeerde kan uiteraard ook: dat vanaf planeten bij andere sterren door hypothetische sterrenkundigen aldaar wordt gezien dat de aarde voor de zon langs schuift, voor sol, zoals het geloof ik in galactisch spraakgebruik heet. En dat is precies wat sterrenkundigen van Cornell University en het American Museum of Natural History duidelijk probeerden te krijgen: vanuit welke stersystemen binnen een afstand van 326 lichtjaar (100 parsec) zijn in de periode van 5000 jaar geleden tot 5000 jaar na nu transities van de aarde voor de zon langs te zien?

Impressie van de aarde en de zon met op de achtergrond de vele stersystemen in de Melkweg waarvandaan men een transitie van de aarde voor de zon langs kan zien. Credit: OpenSpace/American Museum of Natural History

Om dat heel nauwkeurig te kunnen berekenen maakten ze gebruik van de gegevens uit de eDR3 catalogus, die met de Europese Gaia ruimtetelescoop zijn verzameld. Dat leverde welgeteld 2.034 stersystemen op waar dat mogelijk is, 1.715 waar dat afgelopen 5000 jaar al kon en daar komen komende vijf millennia nog 319 stersystemen bij (een eerdere berekening vorig jaar leverde 1.004 sterren op waar dan kon). Dat het niet altijd dezelfde sterren zijn waar vandaan transities van de aarde zichtbaar zijn is eenvoudig te verklaren: sterren in de Melkweg bewegen voortdurend en daardoor verandert hun onderlinge positie en daarmee ook hun blik op elkaar continu. Tot de 2.034 stersystemen zijn er zeven waarvan we weten dat die exoplaneten hebben.

Impressie van Ross 128b met op de achtergrond de rode dwergster. Credit: ESO/M. Kornmesser

Eentje daarvan is het Ross 128 systeem met een rode dwergster in het sterrenbeeld Maagd, waar een planeet omheen draait die op de aarde lijkt, slechts 11 lichtjaar van ons verwijderd (zie impressie hierboven). Op die planeet konden ze transities van de aarde zien startend vanaf 3057 jaar geleden en dat vervolgens 2158 jaar lang, tot pakweg 900 jaar geleden. Het welbekende TRAPPIST-1 systeem, waar maar liefst zeven op de aarde lijkende planeten omheen draaien (waarvan vier in de leesbare zone van de ster), is over 1642 jaar aan de beurt om aarde-transities te zien en dan 2371 jaren achtereen. In Nature verscheen het vakartikel over de berekeningen aan de stersystemen waar vandaan ze transities van de aarde konden/kunnen zien. Bron: Science Daily.

Alfvén-golven aangetoond in de fotosfeer van de zon

Een internationaal team astronomen van de University of London, Queen Mary, i.s.m. het Nationale Italiaanse ruimteorganisatie (ASI) heeft het bestaan aangetoond van de zogeheten Alfvén-golven in de zonnefotosfeer, de buitenste laag van de zon, grenzend aan de zonneatmosfeer. Alfvén-golven zijn magnetische plasmagolven in de zonneatmosfeer, ze vormen zich wanneer geladen deeltjes oscilleren als reactie op interacties tussen magnetische velden en elektrische stromen. En ondanks eerdere claims zijn Alfvén-golven nooit direct geïdentificeerd in de zonnefotosfeer. Het team gebruikte data afkomstig van de IBIS imager van ESA, en computersimulaties om het bestaan ??van antisymmetrische torsiegolven (de eenvoudigste vorm van Alfvén-golven) te tonen in de zonnefotosfeer. Het wetenschappelijk artikel over dit onderzoek is recent gepubliceerd in Nature Astronomy, en het voorziet in nieuw inzicht wat betreft deze bijzondere plasmagolven die als eerste ontdekt zijn door Hannes Alfvén in 1942, die voor zijn werk aan de plasmafysica de Nobelprijs voor de fysica in 1970 in de wacht sleepte.

Alfvén-golven in de fotosfeer, artistieke afbeelding Credits; University of London, Queen Mary

Alfvén-golven zijn belangrijk gebleken in een reeks fysieke systemen vanwege hun vermogen om enorme hoeveelheden niet-thermische energie over zeer lange afstanden in een gemagnetiseerd plasma te transporteren. De directe ontdekking van deze golven in de zonnefotosfeer biedt mogelijkheid voor een breed scala aan onderzoeksvelden, van meer specifiek belang is het voor de zonneplasma-fysica, daar ze de extreme verhitting van de zonneatmosfeer zouden kunnen helpen verklaren, een mysterie dat al meer dan een eeuw onopgelost is.

Credits; Urania sterrenwacht. In het binnenste van de zon reikt de temperatuur tot wel 15 miljoen graden, maar de buitenste laag, de fotosfeer, is nog geen 6000 graden. De eerste atmosfeerlaag van de zon, de chromosfeer, is zo’n 2000 kilometer dik, op de grens met fotosfeer reikt de temperatuur tot 6000 graden. Op het hoogste punt van de chromosfeer kan de temperatuur tot 20.000 graden oplopen. In de corona, om de chromosfeerlaag, is het wel miljoenen graden. Hoe kan de zonneatmosfeer heter zijn dan de buitenlaag van de zon? Het zou het magnetisch effect van de Alfvén-golven kunnen zijn, of zo is ook geopperd, spicula, smalle uitbarstingen aan het oppervlak van de zon, plasmafonteinen. In 2007 ontdekte men ‘type 2-spicula’, m.b.v. geavanceerde meetinstrumenten mat men een temperatuur die wél hoog genoeg bleek te zijn om de corona op te warmen, naar enkele miljoenen graden.

Alfvén-golven vormen zich wanneer geladen deeltjes (ionen) oscilleren als reactie op interacties tussen magnetische velden en elektrische stromen. Binnen de zonneatmosfeer kunnen bundels magnetische velden, bekend als magnetische fluxbuizen, worden gevormd. Alfvén-golven zullen zich echter tweeledig manifesteren in magnetische zonnefluxbuizen; ofwel als axis-symmetrische torsiepertubaties (waarbij symmetrische oscillaties optreden rond de as van de fluxbuis) ofwel als antisymmetrische torsiepertubaties (waarbij oscillaties optreden als twee wervelingen die in tegengestelde richtingen in de fluxbuis draaien). Ondanks eerdere claims zijn Alfvén-golven nooit direct geïdentificeerd in de zonnefotosfeer, zelfs niet in hun eenvoudigste vorm van assymmetrische oscillaties van magnetische fluxbuizen. Echter dit team o.l.v. Dr. Marco Stangalini (ASI), verkreeg m.b.v. de hoge resolutie IBIS-waarnemingen van de zonneatmosfeer, en de gecreërde computersimulaties meer inzicht in het mechanisme achter de torsiepertubaties. Met een door de astronomen van Queen Mary University ontworpen magnetohydrodynamische (MHD) simulatie (gebruikt om de dynamiek van gemagnetiseerde vloeistoffen te modelleren) lukte het de observaties te reproduceren. Zowel de waarnemingen als de simulaties wezen op de ontdekking van Alfvén-golven in de fotosfeer. Co-onderzoeker Callum Boocock stelt; “De waarnemingen van Alfvén-torsiegolven gemaakt door Marco en zijn team waren opmerkelijk vergelijkbaar met het gedrag dat werd waargenomen in onze MHD-simulaties, wat het belang van deze simulaties voor het ontdekken en verklaren van golfgeneratiemechanismen aantoont.” Nieuwe faciliteiten als de Solar Orbiter-satelliet en de op de grond gebaseerde Daniel K. Inouye Solar Telescope (DKIST), moeten nog meer inzicht geven in de Alfvén-golven en daarbij ook van de zon als geheel. Bronnen: Phys.org / University of London, Queen Mary

Gevlekte koperen ploert!!

een hele kudde zonnevlekken!!

En hoe!!! Het zonnevlekkenminimum heeft lang (langer dan normaal??) geduurd….maar daar lijkt nu dan toch echt een definitief eind aan gekomen te zijn?? Als je deze hele kudde aan zonnevlekken zo aanschouwt zou je denken van wel.  Het is (voor mij) langgeleden dat ik zo’n fraai schouwspel op “onze” Zon heb gezien! Deze groepering deed me wat vorm op dit moment betreft zelfs een beetje denken aan het  W-vorminge markante sterrenbeeld Cassiopeia!

Voordat ik het hele zooitje op de foto nam heb ik haar eerst uitgebreid visueel geobserveerd en als je maar lang genoeg wacht op die paar korte momenten van stabiele lucht dan kan je allerlei mooie details zien zoals de de vorm van de Umbra (zonnevlekkern), penumbra (het iets lichtere gebied rondom de Umbra), zogenaamde “lichtbruggen” (heldere streepvormige structuren in de Umbra) en de granulatie (het continu “kokende”..”zonne-oppervlak”).

Al deze verschijnselen vallen onder het zogenaamde wit licht regime. Als je ook zonnevlammen (van die mooie spectaculaire uitbarstingen) en zo wilt waarnemen dan heb je een speciale zogenaamde H-alpha telescoop nodig. Wat ook kan is je “gewone wit licht telescoop” middels speciale inbouwfilterset geschikt maken voor het waarnemen in het licht van H-apha. Hoe je het ook doet,  een H-alpha telescoop is een pittig geprijst stuk astro-speelgoed,  die uitgerust is met een best wel gecompliceerd en delicaat filtersysteem die al het zonlicht tegenhoudt behalve dat ene hele smalle gebiedje rond 656.3 Nanometer  in het rode licht gebied van waterstof in het zonnespectrum. Heel mooi speelgoed die hele spectaculaire zonnedingen laat zien….maar een veel duurdere en ingewikkelder tak van zonnewaarneemsport dan gewone simpele wit licht zonnewaarnemingen.

Het goed kunnen waarnemen van zonnedetails is iets wat met je telescoop, al badend in de warme middagzonnestralen, trouwens best wel “een moeilijk dingetje” is. Formeel gezien is de beste tijd voor het goed kunnen waarnemen van zonnedetails ergens vroeg in de ochtend wanneer de zon nog niet de kans heeft gehad om de waarneemplek en omgeving op te warmen. Daar staat dan weer tegenover dat de zon zo vroeg op de dag laag boven de horizon staat en dat is ook weer niet zo best voor het waarnemen van details. Nou ja…..wil je er “echt voor gaan” dan vergt ook het waarnemen van de zon het nodige aan kunst en vliegwerk. Wie heeft ooit gezegd dat sterrenkunde een makkelijke bezigheid is???

Oh ja….net zoals iedereen die ook maar iets schrijft over het waarnemen van de zon, ga ook ik weer waarschuwen voor de gevaren van het waarnenem van de zon. Van alle takken van de astronomische waarneemsporten is het waarnemen van de zon één van de gevaarlijkste.

Het staat en valt bij deze tak van sport met goede echte zonnefilters om de menselijk oog te beschermen tegen het felle zonlicht. Richt NOOIT een verrekijker/telescoop zomaar onbeschermd op de zon….en als je telescoop hebt staan van het type “speelgoedwinkel” maak dan NOOIT gebruik van die vaak erbij geleverde zogenaamde “oculairzonnefilters”. Dit zijn van die kleine inschroeffiltertjes van donker glas die je aan de telescoopkant van het oculair in het oculair kunt schroeven. Op de plek waar die filters ingeschroefd kunnen worden bevind zich ook, nadat je het oculair in je telescoop hebt geplaatst, het brandpunt van telescooplens/spiegel. Als je ooit met een “brandglas” gespeeld hebt dan weet je gestoord loeierheet het op die plek kan worden…..inschroefzonnefilters gaan uiteindelijk ALTIJD stuk en dat kost je heel fijn een oog…NOOIT gebruiken!!

Professionele objectieffilters (filters die je over “lichtingang” van de telescoop plaatst) are the ONLY SAFE WAY to go. Je hebt ze in twee smaken…..van die hele dunne mylar achtige folie en van optisch vlak glas. Beide bieden dezelfde gegarandeerde veiligheid. De glasfilters zijn in principe iets minder kwetsbaar dan de foliefilters, maar wel een (flink) stukkie duurder. Een glas objectieffilter koop je kant en klaar….voor  foliefiltermateriaal moet je (even) zelf een deugdelijke filterhouder in elkaar knutselen.

De standaard foliefiltervellen zijn groot genoeg voor telescoopdiameters tot zo’n 25cm en kosten een eurotje of 20. Als je een foliefilterhouder maakt moet je er vooral op letten dat je het folie LOSJES op de houder bevestigt (met plakband o.i.d.)….Er moet voor een goede beeldkwaliteit vooral geen spanning op het filter staan…lekker lichtkens laten “wapperen”!!!

Je hebt voor het leuk kunnen waarnemen van de zon geen dikke telescoop nodig…..een kleine tot middelgrote (van 6 tot 15 cm) refractor of (beter nog….maar da’s mijn persoonlijke mening) een kleine tot middelgrote langfocus  10 tot 20cm (zogenaamde planetaire)Newtontelescoop….in mijn geval is dat mijn nieuwbakken 15cm F8 Newton.

Zonnevlekken zijn dynamische verschijnselen aan het “zonne-oppervlak”…Het zijn, even kort door de bocht omschreven, gebieden van verhoogde magnetische aktiviteit waarbij de lokale temperatuur vanwege die verhoogde magnetische aktiviteit ietsje lager is dan de omgeving. Vanwege dit geringe (een graadje of 500) temperatuurverschil steekt een zonnevlek “zwart” af tegen de rest van het “zonneoppervlak”. Zou je echter een enkel zonnevlekje “van de zon afplukken” en aan de nachthemel plaatsen, dan zou dat ene kleine k.tvlekkie net zo helder schijnen als de volle maan. Om alles maar even in het juiste perspectief geplaatst te hebben!!

Zogezegd…zonnevlekken zijn heel dynamische verschijnselen en dat maakt het observeren van zonnevlekken zo’n spannende bezigheid…..je ziet ze nog net niet letterlijk voor je ogen van vorm veranderen, maar veel scheelt het niet….Elke dag een zonnekijkje nemen laat zeker duidelijk zichtbare veranderingen zien….en…met dank aan de zonne-rotatie kan je een kudde zonnevlekken ook nog eens in twee weken van zonnerand naar zonnerand zien wandelen.

Na het visuele feestje toch ook nog maar als aandenken een plaatje geschoten. Daar kan je een speciale astrofoto-variant van foliefilter voor gebruiken…maar die is danweer niet echt geschikt voor het visuele werk….laat hiervoor net effe iets te veel licht door. Voor fanatieke zonnefotografen ideaal maar niet voor de zo nu en dan plaatjesschieters zoals uw nedrig scribent.

Maar goed…..oculairtje weg…Canon 1000D in het primaire brandpunt geplaatst en even snel een korte overzichtsopname geschoten. Als het je gaat om het echte betere detailwerk dan geldt voor de zon hetzelfde als voor maan en planeetfotografie……heel veel plaatjes schieten met een (ouderwetschen) gemodificeerde webcam of met een hedendaagse specialistische “planetcam”….en dan vervolgens die dikke 2000 plaatjes door een stackprogramma zoals Registax of autostackert halen om de luchtonrust te verslaan.

Dat laatste is mij uiteraard niet gelukt met die ene opname…maarre…..dat was dan ook niet bedoeling….wilde alleen maar slechts mijn blijdschap delen vanwege het heuglijken feit dat “ze weer terug is” en ik zou zo zeggen….ga ook eens zo nu en dan een (VEILIG) “zonnetje schieten”….dazzzzz leuk!!!

 

Er lijkt een verband te zijn tussen de zonnecyclus en La Nina en El Nino

Kaart van afwijkende watertemperatuur [°C] in de oceanen gedurende de El Niño in december 1997. Credit: NOAA.

Een recent onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat er mogelijk een verband is tussen de zonnecyclus en de overgang van El Nino naar La Nina in de Stille Oceaan. In het blad Earth and Space Science verscheen dit vakartikel, waarin Robert Leamon (University of Maryland-Baltimore County) en z’n team ingaan op dat mogelijke verband. Daarbij hebben ze niet gekeken naar de bekende 11-jarige cyclus van de zonnevlekken, die zich kenmerkt doordat begin en einde nooit echt duidelijk zijn, maar nogal wazig en onvoorspelbaar. Wel keken ze naar de 22-jarige cyclus, die wat preciezer is en die het begin en einde van de cyclus van de magnetische polariteit van de zon markeren. Zo’n cyclus begint als er bij de polen twee banden met tegenovergestelde lading verschijnen, bij de ene pool een min- en bij de andere pool een plus-band. Gedurende de cyclus zakken de banden naar lagere breedtegraden richting evenaar van de zon en zodra de midden-breedtegraden worden bereikt, gelegen tussen polen en evenaar, beginnen er in de banden zonnevlekken te verschijnen. De cyclus eindigt zodra de twee banden elkaar bij de evenaar raken en ze elkaar wederzijds vernietigen, gepaard gaande met allerlei ‘tsunami’s’ in wat men een ‘terminator event’ noemt.

Zonnevlekken bij de evenaar van de zon. Credit: NASA/SDO.

Het zijn die terminator events van de zon die Leamon en z’n team bekeken hebben, specifieke momenten die vanaf begin jaren zestig bekend zijn. Al die momenten werden vergeleken met de temperatuur van het zeewater in de Stille Oceaan. Wat bleek: alle vijf terminator events in de periode tot 2010-11 vielen samen met het moment dat op aarde El Nino (als het zeewater warmer is dan gemiddeld) veranderd in een La Nina (als het zeewater juist kouder is dan gemiddeld). Ook het einde van de meest recente zonnevlekkencyclus lijkt samen te vallen met de start van een La Nina. Het verband tussen de cyclus van de zonnevlekken en de wisselingen van El Nino en La Nino zou op toeval kunnen berusten, maar de kans dat dat het geval is lijkt erg klein: 1 op 5000. Neem je de zesde terminator event erbij, die ook samenvalt met een switch van El Nino naar La Nina dan is die kans nog kleiner. Hoe het precies kan dat de zonnevlekkencyclus de weerseizoenen van La Nina en El Nino beïnvloed is niet bekend. Wellicht dat de zonnevlekkenactiviteit de hoeveelheid kosmische straling die de aarde bestookt beïnvloed, maar dan zit je met de vraag welk verband er is tussen de kosmische straling en het weer op aarde en ook dat verband is niet duidelijk. Bron: Eurekalert.

De precieze lokatie waar energierijke deeltjes van de zon vandaan komen is bekend

Coronale lussen gefotografeerd door TRACE. Credit: NASA

Dat de zon bij grote uitbarstingen grote hoeveelheden energierijke deeltjes de ruimte in kan spugen, die na enkele dagen of soms zelfs uren de aarde kunnen bereiken en schade aanrichten is bekend. Niet bekend was wat nou de precieze lokatie is waar die deeltjes vandaan komen, waar hun bron gelegen is. Onderzoek door David Brooks (George Mason University in Virginia (VS)) en Stephanie Yardley (University College London (VK)) laat nu wel die lokatie zien. Het tweetal dook in de gegevens die verzameld zijn met de WIND satelliet van de NASA, die ergens op een punt tussen de aarde en de zon de zon waarneemt. In januari 2014 was er een erg actieve regio op de zon, AR 11944 genaamd, die door WIND werd waargenomen. Op aarde was AR 11944 zichtbaar als een grote zonnevlek.

De zonnevlekkengroep van AR 11944. Credit: meteomauritius.

Die gegevens zijn door Brooks en Yardley vergeleken met de gegevens die met de EUV Imaging Spectrometer aan boord van de Japanse Hinode satelliet van dezelfde storm van AR 11944 zijn gemaakt en daaruit konden ze een goed beeld krijgen van waar de deeltjes exact vandaan kwamen. Dat blijkt het grensgebied te zijn tussen de corona en de chromosfeer van de zon, nee nog preciezer: ze komen vanuit de ‘voetpunten’ van de zogeheten coronale lussen – enorme lussen van magnetische velden, die zich tot ver in de loeihete corona van de zon uitstrekken (zie de afbeelding hieronder voor de opbouw van de atmosfeer van de zon, de afbeelding bovenaan laat enkele van die coronale lussen zien).

Credit: ESA

Hoe ze dat weten? Brooks en Yardley zagen dat de chemische samenstelling van de door WIND waargenomen energierijke deeltjes van de zon ook dezelfde verhouding van zwavel en silicium hadden als van het plasma dat zich bevindt op de grens van chromosfeer en corona. Het magnetisch veld in die voetpunten is erg sterk – naar schatting tussen 245 en 550 Gauss – en dat is sterk genoeg om het plasma daar vast te houden. Pas als er grote zonnevlammen of coronal mass ejections (CME’s) vanaf het zonsoppervlak zijn kan het plasma bij de voetpunten ontsnappen en de ruimte in schieten. Hier het vakartikel over het onderzoek aan de exacte lokatie waar de energierijke deeltjes van de zon vandaan komen, verschenen in Science Advances. Bron: Eurekalert.

De zon alle 366 dagen van 2020 in beeld gebracht

Credit: ESA/Royal Observatory of Belgium

De Proba-2 is een satelliet van de Europese ruimtevaartorganisatie ESA die continu de zon in de gaten houdt. Met z’n SWAP [1]Dat staat voor de Sun Watcher using Active Pixel System detector and Image Processing. camera maakt ‘ie dagelijks foto’s van de zon en daar hebben ze bij de ESA bovenstaande selectie van gemaakt, waarop je de zon op alle 366 dagen van het jaar van 2020 ziet – jawel 366 dagen, het was een schrikkeljaar (hier de 2019 versie, daar de 2018 versie en weer hier de 2017 versie – het kan niet op). Met die SWAP camera kijkt de Proba-2 in het extreme ultraviolet deel van het EM-spectrum naar de corona, de gloeiendhete atmosfeer van de zon. Hieronder een geanimeerde versie van de foto.

via GIPHY

In 2020 startte een nieuwe cyclus van activiteit van de zon, de 25e cyclus van 11 jaar, sinds het begin van de metingen. Op de foto hierboven zie je de zon op alle 366 dagen van 2020. Begin 2020 was de zon nog rustig, maar aan het einde begon z’n activiteit toch wel toe te nemen. In november en december zie je op de zon enkele actieve gebieden van zonnevlekken verschijnen. Er zijn aanwijzingen dat komende cyclus een zeer krachtige gaat worden. Op 21 juni en 14 december was vanuit het gezichtspunt van de Proba-2 satelliet een gedeeltelijke zonsverduistering zichtbaar, welke door de SWAP camera is vastgelegd. Bron: ESA.

References[+]

References
1 Dat staat voor de Sun Watcher using Active Pixel System detector and Image Processing.

Video; grootste zonneuitbarsting sinds drie jaar gedetecteerd

Gisteren, de 29ste november om 5;11 NL’se tijd, ontdekten satellieten in een baan om de aarde de grootste zonnevlam in meer dan 3 jaar. NASA’s Solar Dynamics Observatory categoriseerde de uitbarsting als een M4,4 (medium). De röntgen- en UV-straling van de vlam ioniseerden de bovenste delen van de aardse atmosfeer en veroorzaakten een kortegolf-blackout boven de Zuid-Atlantische Oceaan. Radio-operatoren en boten hebben mogelijk vreemde propagatie-effecten opgemerkt bij frequenties onder 20 MHz, waarbij sommige transmissies onder 10 MHz volledig wegvielen. De zonnevlam was groter dan het leek, de explosiehaard bevond zich net achter de zuidoostelijke deel van de zon. Ten gevolge hiervan werd de uitbarsting deels overschaduwd door de zon zelf. Mogelijk was het een X-klasse uitbarsting, een grote vlam die werelomspannende radioblackouts kan veroorzaken. Zie blackoutmap op Spaceweather.com.
Lees verder

De zon heeft inderdaad een CNO-cyclus: z’n neutrino’s zijn waargenomen

De Borexino detector, die 2000 gevoelige sensoren bevat. Credit: Borexino Collaboration

Natuurkundigen hebben met behulp van de Borexino detector, die zich 1400 meter diep onder het San Grassogebergte in Midden-Italië bevindt, neutrino’s waargenomen die door de zon zijn geproduceerd door diens koolstof-stikstof cyclus, ook wel de CNO-cyclus genoemd. En daarmee is vast komen te staan dat de zon inderdaad een CNO-cyclus heeft, iets dat wel werd vermoed, maar tot nu toe niet kon worden bevestigd. Neutrino’s afkomstig van de zon zijn al in de jaren zestig gedetecteerd, maar die zijn van een andere cyclus die zich in de zon afspeelt, de proton-protoncyclus (PP-cyclus). Die laatste is de voornaamste energiebron van de zon, waarbij in verschillende stappen vier waterstofkernen (protonen) worden omgezet in een helium-4-kern (alfadeeltje). 99% van de energie die de zon produceert komt tot stand via het PP-cyclus. Bij de koolstof-stikstofcyclus worden ook vier protonen in een heliumkern omgezet, maar hierbij komen ook koolstof C), stikstof (N) en zuurstof (O) aan te pas en soms ook fluor (F) – hieronder een voorstelling van de CNO-cyclus (die in de jaren dertig van de vorige eeuw werd bedacht door de natuurkundigen Bethe en Weizsäcker).

Credit: Borb/Wikipedia.

Slechts 1% van de energie van de zon komt dus door de CNO-cyclus en daarmee ook 1% van de neutrino’s die de zon produceert. Eigenlijk is de CNO-cyclus meer iets van grotere en hetere sterren. Er is nog een derde manier om van waterstof helium te krijgen en wel via het triple-alpha proces, maar dat komt helemaal niet voor in de zon. Hieronder zie je een grafiek waarin de energieproductie van de drie cyli en de temperatuur waarbij ze optreden te zien is, op de horizontale lijn is de situatie van de zon weergegeven.

Drie cycli van energieproductie in sterren. Credit: RJ Hall

Neutrinos’waarnemen is heel lastig, want deze superlichte elementaire deeltjes reageren niet op de elektromagnetische en sterke wisselwerking. De zwaartekracht is van zichzelf te zwak om neutrino’s te beïnvloeden, dus blijft de zwakke wisselwerking over. En zo heeft men met de Borexino detector die neutrino’s van de CNO-cyclus gedetecteerd. Per seconde vliegen er door iedere vierkante centimeter op aarde 700 miljoen CNO-neutrino’s, zelfs dwars door de aarde heen zonder er iets van te merken. Maar van die 700 miljoen per cm² per seconde zijn er altijd wel een paar die met de zuivere vloeistof in de Borexino detector reageren. Daarbij moest men wel de neutrino’s van de PP-cyclus (zo’n 70 miljard per cm²/s) weten te onderscheiden van de neutrino’s van de CNO-cyclus én van storende neutrino’s die door de aarde zelf worden geproduceerd via zeldzaam radioactief verval, maar dat is de onderzoekers gelukt. Hier het vakartikel over de detectie van de neutrino’s van de CNO-cyclus van de zon, verschenen in Nature. Bron: Universiteit van Maintz.