21 september 2018

Wie kwam als eerste aan met de term ‘donkere materie’?

Henri Poincaré

Boeiende vraag, nietwaar? Wie kwam als eerste aan met de term ‘donkere materie’? Nee, het was niet Vera Rubin, die begin jaren zeventig door metingen aan de rotatiesnelheid van sterren in andere sterrenstelsels het bestaan van donkere materie vermoedde. Het was ook niet Fritz Zwicky die in 1933 aan de hand van de Comacluster berekende dat er meer massa moest zijn dan hij kon zien. Het was evenmin Jan Oort, die in 1932 als eerste de snelheid van sterren in de buurt van de zon bestudeerde om aan de hand daarvan te zien hoeveel onzichtbare sterren er waren. En tenslotte was het ook niet Jacobus Kapteyn, die al in 1922 de verdeling van massa, krachten en snelheden in de Melkweg bestudeerde en die op grond daarvan inschatte dat er ook verborgen, donkere materie moest zijn.

Afbeelding uit Poincaré’s The Milky Way and the theory of gases

Nee, de eer voor degene die als eerste kwam met de term donkere materie was… de Franse natuurkundige Henri Poincaré, die het in 1906 in zijn ‘The Milky Way and the theory of gases‘ noemde, een artikel waarin hij inging op een suggestie die de Engelsman Lord Kelvin in 1904 in z’n Baltimore Lezingen deed, namelijk dat je aan de hand van de verspreiding van snelheden van sterren in de Melkweg kon inschatten hoeveel massa de Melkweg moest hebben en daarmee hoeveel sterren er waren die je niet kon zien.

Hoewel hij de term donkere materie gebruikte dacht Poincaré niet dat ‘t zou bestaan. “… since his number is comparable to that which the telescope gives, then there is no dark matter, or at least not so much as there is of shining matter”, schreef hij in reactie op Kelvin’s idee. De informatie over de geschiedenis van het gebruik van de term donkere materie komt uit het zeer nuttige en leesbare artikel A History of Dark Matter van Gianfranco Bertone and Dan Hooper.

Bron: Francis Naukas.

Reacties

  1. Over de metingen van Vera Rubin en een grote ergernis over mijn eigen slordigheid:
    Als ik het mij goed herinner heb ik ongeveer een jaar geleden een artikel gelezen waarin de metingen van Rubin over werden gedaan met een 10-tal andere stelsels. De conclusies waren dat de afwijkingen van de voorspellingen van de relativiteitstheorie aanzienlijk kleiner waren dan Rubin had gevonden, en vrijwel geheel kon worden verklaard als men uitging van een iets andere verdeling van de massa’s van het stelsel. Waarmee een indirect bewijs voor het bestaan van dat donkere spul ter discussie werd gesteld. Dus ik dacht “daar gaan we nog veel meer over horen” en heb het artikel niet opgeslagen. Om er vervolgens helemaal niets meer over te horen.
    Weer iemand wat ik gelezen heb ?
    Dank!

    • Hoi Wim, ik denk dat je verwijst naar de gegevens van de zogeheten ‘Spitzer Photometry and Accurate Rotation Curves (SPARC) database’ uit 2016, waaruit naar voren komt dat de radiële versnelling van sterren in sterrenstelsels volledig verklaard kan worden uit de verdeling van gewone (baryonische) materie. Meer daarover vind je hier: https://arxiv.org/abs/1609.05917
      Overigens is er geen sprake van relativistische effecten in de rotatiecurves. De snelheden zijn allemaal zo laag (relatief tenminste) dat het allemaal volgens de wetten van Newton kan worden beschreven. Einstein komt pas kijken als de snelheid richting de lichtsnelheid gaat.

Laat wat van je horen

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.