27 juni 2019

Het Kringmodel van het heelal

Rob Roodenburg bij Huygens

Rob Roodenburg bij Huygens

Afgelopen vrijdag was Rob Roodenburg te gast bij sterrenkundevereniging Christiaan Huygens om een lezing te geven over “Relativiteit gerelativeerd”, waarin hij z’n ideeën ontvouwde over ruimte en tijd in het heelal. Vantevoren was al aangekondigd dat Roodenburg, in het dagelijks leven ingenieur in de meet- en regeltechniek in Delft, met opzienbarende stellingen zou komen, zoals dat de Big Bang nooit heeft plaatsgevonden en dat zwarte gaten niet bestaan. Kom daar anno 2010 maar eens mee aan bij de gevestigde astro-orde. Welnu, de lezing van Roodenburg voor het geboeide publiek van Huygens bevatte inderdaad de nodige heilige-huisjes-omverwerpende-stellingen, niet alleen de genoemde stellingen, maar ook dat de Relativiteitstheorie van Einstein en de theorie van het expanderende heelal van Edwin Hubble incorrect zijn. Roodenburg’s alternatieve model van het heelal, het zogenaamde Kringmodel, is gebaseerd op het behoud van energie van het totale heelal. Hij las ooit ergens in een boek over dat de wet van behoud van energie lokaal geldt en daar is hij vervolgens over gaan nadenken en zo kwam hij op een alternatieve relativiteitstheorie, die hij de universele relativiteitstheorie noemt. Hij heeft er een boek over geschreven, waar hier een voorproefje van te lezen valt. Ben ik het met Roodenburg eens? Nee, absoluut niet en dat heb ik ‘m ook op die avond middels vele vragen laten weten. Het voert nu te ver om Roodenburg’s gehele theorie uit de doeken te doen, maar twee voorbeelden wil ik noemen waarop hij m.i. ongelijk heeft.

Veranderende eenheden

Het heelal nu en 10 miljard jaar geleden

Uit het Kringmodel blijkt dat de eenheden, waarin wij dingen meten zoals lengte en tijd, veranderen. Als wij het heelal anno 2010 vergelijken met het heelal anno tien miljard jaar geleden en in dat vroegere heelal zouden er ook mensen hebben geleefd dan zou dat heelal vroeger er voor de toenmalige waarnemers exact hetzelfde uitzien als wij het heelal nu zien. Kan dat, het heelal was tien miljard jaar geleden toch een stuk kleiner? Yep, het was een stuk kleiner, maar daar merkten waarnemers niets van, want de eenheden waren toen ook kleiner, aldus Roodenburg. Is de mens nu gemiddeld 1,50 meter lang, toen (10 miljard jaar geleden dus) zou de mens 15 cm groot zijn. Eenheden waren toen ook kleiner, dus de waarnemer toen zag geen ander heelal dan de waarnemer nu. Maar dat leidt direct tot m’n eerste bezwaar. Deze miniaturisatie van het heelal, zoals ik het maar eventjes noem, kan in feite ad infinitum doorgaan tot het heelal ten opzichte van het huidige heelal kleiner was dan een atoom en de waarnemers in dat mini-heelal nog steeds het idee hadden dat ze in een normaal heelal leefden en om zich heen sterren, sterrenstelsels en clusters van sterrenstelsels zagen in een ‘schijnbaar’ expanderend heelal. Roodenburg erkent het feit dat er in het vroege heelal een laatste verstrooiing heeft plaatsgevonden, een moment dat 379.000 jaar na de ‘klassieke’ oerknal plaatsvond en dat ik onlangs nog beschreven heb. De protonen en electronen combineerden op dat moment tot neutraal waterstofgas en de fotonen konden vervolgens ongehinderd hun weg vervolgen, waarmee het heelal doorzichtig werd. De miniaturisatie zou inhouden dat waarnemers een jaar vóór de laatste verstrooiing nog steeds een wereld om zich heen zagen die in niets afweek van het heelal wat wij zien. Maar in dát jaar was het heelal ondoorzichtig en dus was er niets te zien. Ergo, twee tegengestelde condities die ik niet kan verklaren. Ik snap sowieso niet hoe in een heelal met veranderende eenheden én gelijkblijvende natuurconstanten de atomen gewoon kunnen blijven draaien. Een atoom dat tien neer zo klein is zal met gelijkblijvende sterktes van de electromagnetische wisselwerking, wiens sterkte wordt uitgedrukt door α, de fijnstructuurconstante, in elkaar moeten klappen.

Overschot aan sterrenstelsels met z=1.

tellingen van het aantal sterrenstelsels

M’n tweede bezwaar betreft een stelling die in Roodenburg’s lezing naar voren kwam betreffende de sterrenstelsels in het ons omringende heelal. Uit tellingen aan het aantal sterrenstelsels op een bepaalde afstand zou naar voren komen dat de meeste sterrenstelsels in het heelal zich bevinden in een schil om ons heen met een afstand die uitgedrukt wordt in de roodverschuiving z=1. In deze conversietool zien we dat dit overeenkomt met een afstand van 7,7 miljard lichtjaar. Roodenburg liet een grafiek zien (zie afbeelding hiernaast) waarin een duidelijke piek te zien is in het aantal sterrenstelsels met z=1. Mijns inziens komt in geen enkele telling die ik ken een dergelijke piek naar voren, en de afgelopen jaren heb ik toch al aardig wat driedimensionale tellingen van de sterrenstelsels in het heelal gezien. Eén van de meeste recente tellingen is die van zCosmos, welke met behulp van de Very Large Telescope (VLT) van de ESO op de berg Paranal in Chili sterrenstelsels tot z=3 telt.\r\nOndanks al m’n bezwaren tegen Roodenburg’s theorie vond ik het een geslaagde avond, die een boeiende discussie opleverde. Ik waardeer ook Roodenburg’s durf om dwars tegen de gevestigde orde in stelling te nemen. Hij wijst er op – én terecht – dat er waarnemingen gedaan worden die niet met de standaardmodellen verklaard kunnen worden, zoals de Pioneer-anomalie en de vergelijkbare NEAR-Galileo anomalie. Ook is er het tot op heden onopgeloste probleem van de singulariteiten van de oerknal en de zwarte gaten, waarbij de oneindige dichtheid van de materie – gelegen boven de Planck-dichtheid – niet meer verklaard kan worden door die modellen. Ik zal een andere keer nog wel ingaan op andere stellingen van Roodenburg, zoals zwarte gaten die niet bestaan en een andere interpretatie die hij geeft van de Kosmische Microgolf-achtergrondstraling. Nu eerst een bakkie koffie drinken. 🙂

Laat wat van je horen

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.