Je verwacht ’t niet: mogelijk dat de zon een belangrijke bron van het water op aarde is

Impressie van de zon, de zonnewind en planetoïde Itokawa. Credit: Curtin Universiteit.

Dat we op aarde veel water (H2O) hebben is bekend en al tientallen jaren is de grote vraag waar dat water allemaal vandaan is gekomen. Vergeleken met de andere rotsachtige planeten in het zonnestelsel heeft de aarde heel veel water – maar liefst 70% van het oppervlak is bedekt met water. Lang werd gedacht dat een bepaald type van planetoïden – de zogeheten C-klasse van planetoïden, die veel koolstof bevatten – in de beginfase van de vorming van het zonnestelsel het water naar de aarde hebben gebracht. Probleem van deze theorie: een deel van het water op aarde is isotopisch anders dan het water in de C-planetoïden. Ergo: er moet nog een andere bron zijn.

Recent onderzoek gedaan door een internationaal team onder leiding van de Universiteit van Glasgow laat nu mogelijk een nieuwe en onverwachte bron van het water zien: de zon! Ehhh…. wacht even, de zon die aan de buitenkant bijna 6000 K heet is en in de kern 15 miljoen K, die zou een belangrijke bron van het water op aarde kunnen zijn? Yep, die zon. Phil Bland en z’n team hebben onderzoek gedaan aan monsters die afkomstig zijn van Itokawa, een S-type planetoïde (die veel silicium bevatten), en die verzameld zijn door de Japanse sonde Hayabusa, die de monsters in 2010 terug naar de aarde bracht.

De planetoïde Itokawa. Credit: JAXA.

Dat onderzoek laat zien dat de stofkorrels op het oppervlak van Itokawa heel veel water bevatten, opgeteld maar liefst 20 liter per kubieke meter rots. De stofkorrels, die zelf al zuurstrof bevatten, hebben op hun beurt dat water gekregen door de interactie met de zonnewind, die vooral uit waterstof (H) bestaat, yep de interactie H en O levert H2O op. Dat water is isotopisch gezien lichter dan het water van de C-planetoïden (die deuterium bevatten, waterstof met een extra neutron, da’s zwaarder dan H). Men denkt dat het water op aarde dus twee bronnen heeft: de C-klasse en S-klasse planetoïden, waarvan die laatste het water weer via de interactie met de zonnewind heeft geproduceerd. Afijn, lees het allemaal nog maar eens na in dit vakartikel, verschenen in Nature Astronomy. Bron: Curtin Universiteit.

Planetair onderzoekers simuleren transformatie van asteroïde naar komeet

Een team planetair wetenschappers van NASA/JPL en de Universiteit van Chicago heeft met behulp van computermodellen nauwkeurig het transformatieproces van asteroïde naar komeet kunnen simuleren. Het nieuwe onderzoek legt de dynamiek uit van dit complexe systeem dat wetenschappers meer moet leren over de samenstelling van kometen en de vorming van aardachtige planeten in ons zonnestelsel. Voor het onderzoek heeft dit team het dynamische proces van de Centauren-planetoïden, – dit zijn een soort hybriden, ze delen enkele kenmerken delen met zowel asteroïden als kometen – gemodelleerd en zo getracht te begrijpen hoe de overgang van asteroïde tot komeet tot stand komt. De Centauren is een groep ijzige ruimterotsen die rond de zon draaien bij de gasplaneten Jupiter en Saturnus. Van deze duizenden kleine brokken ijs en gesteente, worden enkele ingevangen in de baan van Jupiter, en richting het binnenste zonnestelsel geslingerd om te transformeren in kometen. Het onderzoek o.l.v. Darryl Segelman wordt gepubliceerd in The Planetary Science Journal, zie hier voor de preprint, arXiv.

Komeet ‘Siding Spring’ Credits; NASA/JPL, Caltech, UCLA

Wetenschappers zijn zeer bekend met de asteroïdengordel bij Mars, en ook met die in de Kuipergordel.
Echter de Centauren is een minder bekende populatie, en zijn zo genoemd daar ze een soort hybriden zijn, die enkele kenmerken delen met zowel asteroïden als kometen. Centauren zijn mogelijk onstaan bij deze voornoemde reuzenplaneten, maar weliswaar het grootste deel van hun bestaan hebben ze doorgebracht in de Kuipergordel, de ring buiten de baan van Neptunus. Gravitatie-interacties hebben de Centauren lang geleden daarheen gewerkt maar ook, relatief recent, weer teruggebracht.
Enkele van de Centauren ondergaan uiteindelijk nog een extra zwaartekrachtstoot die de objecten in de richting van de zon duwt. Deze objecten worden dan kometen, die coma’s en lange, fraaie staarten ontwikkelen als ze de zon naderen en opwarmen. Geschat wordt dat ongeveer de helft van de Centauren, door interactie met de banen van Jupiter en Saturnus naar het centrum van het zonnestelsel geslingerd. Seligman stelt: “Deze objecten zijn erg oud en bevatten ijs uit de vroege dagen van het zonnestelsel dat nooit is gesmolten. En zeer geschikt om de chemische samenstelling van objecten uit het verre zonnestelsel te onderzoeken.

NASA komeet missie EPOXI, flyby Credits; NASA

Mogelijk zouden toekomstige ruimtesondes dit proces over enkele decennia van dichtbij kunnen bestuderen. Een sonde zou naar Jupiter kunnen vliegen, in de baan van Jupiter wachten tot een van deze objecten in de zwaartekracht van de planeet terechtkomt, en ‘meereizen’ met het object om te zien hoe het in realtime een komeet wordt. Dit is een mooi maar destructief proces: de prachtige staart van een komeet wordt geproduceerd als het ijs ervan afbrandt als de temperatuur stijgt. Komeetijs bestaat uit verschillende soorten moleculen en gassen, die elk op verschillende punten op weg naar de zon beginnen op te branden. Seligman: “Je zou kunnen achterhalen waar typische komeetijsvorming plaatsvindt, en ook wat de gedetailleerde interne structuur is, iets dat lastig is te ontdekken met grondtelescopen.” Ook barst het oppervlak van de komeet als het opwarmt, waardoor pokdalingen en kraters ontstaan. Eenmaal in kaart gebracht, kun je aldus Seligman, de dynamiek van het zonnestelsel beter begrijpen, wat belangrijk is voor zaken als het vormen van aardachtige planeten in zonnestelsels, Mede dankzij de ontdekkingen van verschillende grote asteroïdengordels hebben wetenschappers de afgelopen 50 jaar hun theorieën over het ontstaan van ons zonnestelsel herzien. I.p.v. ontwikkeling op hun plaats, stelt men zich nu een veel dynamischer en onstabieler proces van vorming voor; stukken ijs en gesteente die verspreid en tegen elkaar aan botsen, zich opnieuw vormend en rondbewegend binnen het zonnestelsel. Veel van deze objecten vloeiden uiteindelijk samen in de acht grote planeten, maar andere blijven los en verspreid in verschillende gebieden van de ruimte.

Komeet P2019LD2 Hubble, publ. 21 februari 2021 Credits; NASA/HST

Seligman en zijn team identificeerden zelfs een mogelijk doelwit voor een ruimtemissie: een Centaur, de P/ 2019 LD2, die in 2063 dicht bij Jupiter zal cirkelen. Het team heeft berekend dat er een kans van meer dan 98% is, dat deze ontmoeting het object naar de zon zal duwen en het in een komeet zal veranderen. Hun berekeningen tonen verder aan dat een sonde die op de loer ligt in de buurt van Jupiter het object zou kunnen inhalen en een tijd meevliegen, zolang de sonde reeds op weg zou gaan in 2061 naar een van te voren bepaald ontmoetingspunt. En astronomen kunnen uiteraard ook nog andere Centauren identificeren die vóór 2063 zouden kunnen worden bezocht, aldus het team dat hoopt dat dergelijke doelen mogelijk kan worden ontdekt door het Vera C. Rubin Observatorium. Centauren zijn nooit eerder bezocht door een sonde, de missies van NASA’s Discovery-programma, dat relatief goedkope robotische planetaire exploratie verzorgt, koos niet voor Centaur-voorstellen. Bronnen; Universiteit van Chicago/Space.com/NASA/JPL/Astronomy

Ontmoet de 42: ESO fotografeert enkele van de grootste planetoïden in ons zonnestelsel

42 planetoïden gefotografeerd door ESO’s VLT. Credit:
ESO/M. Kornmesser/Vernazza et al./MISTRAL algorithm (ONERA/CNRS)

Met behulp van de Very Large Telescope (VLT) van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO) in Chili hebben astronomen opnamen gemaakt van 42 van de grootste objecten in de planetoïdengordel tussen Mars en Jupiter. Nooit eerder is zo’n grote groep planetoïden zo scherp in beeld gebracht. De waarnemingen tonen een breed scala aan eigenaardige vormen, van bolvormig tot ‘hondenkluif’, en helpen astronomen om de oorsprong van de planetoïden in ons zonnestelsel te achterhalen.

De gedetailleerde opnamen van deze 42 objecten betekenen een sprong voorwaarts in het planetoïdenonderzoek. Deze is mogelijk gemaakt dankzij telescopen op de grond, en draagt bij aan het beantwoorden van de ultieme vraag naar leven, het heelal en de rest [1]In The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy (Het transgalactisch liftershandboek) van Douglas Adams, het getal 42 het antwoord op de ‘ultieme vraag naar het leven, het heelal en de rest’. … Continue reading.

Ceres en Vesta. Credit:
ESO/Vernazza et al./MISTRAL algorithm (ONERA/CNRS)

‘Tot nu toe waren slechts drie grote planetoïden in de hoofdgordel – Ceres, Vesta en Lutetia – gedetailleerd in beeld gebracht, omdat ze zijn bezocht door de ruimtemissies Dawn en Rosetta van respectievelijk NASA en ESA,’ aldus Pierre Vernazza van het Laboratoire d’Astrophysique de Marseille in Frankrijk, die de leiding had over het planetoïdenonderzoek waarvan de resultaten vandaag in Astronomy & Astrophysics zijn gepubliceerd. ‘Onze ESO-waarnemingen hebben scherpe beelden van een veel groter aantal opgeleverd: 42 in totaal.’

Het tot nog toe geringe aantal gedetailleerde waarnemingen van planetoïden betekende dat belangrijke kenmerken zoals hun driedimensionale vorm of dichtheid tot nu toe grotendeels onbekend waren gebleven. Tussen 2017 en 2019 hebben Vernazza en zijn team het plan opgevat om deze leemte opvullen door de belangrijkste objecten in de planetoïdengordel aan een grondig onderzoek te onderwerpen.

De meeste van de 42 objecten in hun steekproef zijn groter dan honderd kilometer. In het bijzonder heeft het team bijna alle planetoïden in de gordel met afmetingen groter dan tweehonderd kilometer in beeld gebracht (20 van de 23). De twee grootste objecten die het team heeft onderzocht zijn Ceres en Vesta, met diameters van ongeveer 940 en 520 kilometer. De twee kleinste planetoïden in de steekproef, Urania and Ausonia, zijn elk slechts ongeveer negentig kilometer groot.

Poster van 42 planetoïden in ons zonnestelsel en hun omloopbanen. Credit:
ESO/M. Kornmesser/Vernazza et al./MISTRAL algorithm (ONERA/CNRS)

Door de vormen van de objecten te reconstrueren, realiseerde het team zich dat de waargenomen planetoïden in grote lijnen in twee families kunnen worden ingedeeld. Sommige, zoals Hygiea and Ceres, zijn bijna volmaakt bolvormig terwijl andere een meer eigenaardige, ‘langgerekte’ vorm hebben, met als onbetwiste koningin de ‘hondenkluif’-planetoïde Kleopatra.

Door de vormen van de planetoïden te combineren met informatie over hun massa’s, ontdekte het team dat de dichtheid van de planetoïden over de hele linie sterk verschilt. De vier minst dichte onderzochte planetoïden, waaronder Lamberta and Sylvia, hebben een dichtheid van ongeveer 1,3 gram per kubieke centimeter – zo’n beetje de dichtheid van steenkool. Met respectievelijk 3,9 en 4,4 gram per kubieke centimeter – hoger dan de dichtheid van diamant (3,5 gram per kubieke centimeter) – hebben Psyche and Kalliope de hoogste dichtheden.

Sylvia en Lamberta. Credit:
ESO/Vernazza et al./MISTRAL algorithm (ONERA/CNRS)

Deze grote verschillen in dichtheid wijzen erop dat de samenstelling van de planetoïden aanzienlijk varieert, wat astronomen belangrijke aanwijzingen geeft over hun oorsprong. ‘Onze waarnemingen onderbouwen het idee dat deze objecten sinds hun vorming een substantiële migratie hebben doorgemaakt. De enorme variatie in hun samenstelling kan, kort gezegd, alleen worden begrepen als de objecten in verschillende delen van het zonnestelsel zijn ontstaan,’ legt Josef Hanuš van de Karelsuniversiteit Praag, Tsjechië, een van de auteurs van de studie uit. De resultaten ondersteunen met name de theorie dat de planetoïden met de laagste dichtheid zich in het afgelegen gebied voorbij de baan van Neptunus hebben gevormd, en later naar hun huidige locatie zijn gemigreerd.

Deze bevindingen zijn te danken aan de gevoeligheid van het Spectro-Polarimetric High-contrast Exoplanet REsearch (SPHERE)-instrument dat aan ESO’s VLT is gekoppeld [2]Alle waarnemingen zijn uitgevoerd met de Zurich IMaging POLarimeter (ZIMPOL), een beeldvormend subsysteem van het SPHERE-instrument dat op zichtbare golflengten opereert.. ‘Dankzij de verbeterde mogelijkheden van SPHERE en het feit dat er weinig bekend was over de vormen van de grootste planetoïden in de hoofdgordel, hebben we aanzienlijke vooruitgang kunnen boeken op dit gebied,’ zegt medeauteur Laurent Jorda, eveneens van het Laboratoire d’Astrophysique de Marseille.

Astronomen zullen nog meer planetoïden gedetailleerd in beeld kunnen brengen met ESO’s Extremely Large Telescope (ELT), die momenteel in Chili wordt gebouwd en later dit decennium in gebruik zal worden genomen. ‘ELT-waarnemingen van planetoïden in de hoofdgordel zullen ons in staat stellen om objecten te onderzoeken met diameters tot 35 à 80 kilometer, afhankelijk van hun locatie in de gordel, en kraters tot ongeveer 10 à 25 kilometer groot,’ zegt Vernazza. ‘Met een SPHERE-achtig instrument op de ELT zouden we zelfs een vergelijkbare steekproef kunnen nemen van objecten in de verre Kuipergordel. Dit betekent dat we de geologische geschiedenis van een veel grotere steekproef van kleine objecten vanaf de grond in kaart kunnen brengen.’

De resultaten van dit onderzoek zijn te vinden in een artikel dat in Astronomy & Astrophysics verschijnt (https://www.aanda.org/10.1051/0004-6361/202141781).

Bron: ESO.

References[+]

References
1 In The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy (Het transgalactisch liftershandboek) van Douglas Adams, het getal 42 het antwoord op de ‘ultieme vraag naar het leven, het heelal en de rest’. Vandaag, 12 oktober 2021, is de 42ste verjaardag van de publicatie van het boek.
2 Alle waarnemingen zijn uitgevoerd met de Zurich IMaging POLarimeter (ZIMPOL), een beeldvormend subsysteem van het SPHERE-instrument dat op zichtbare golflengten opereert.

Is 2005 QN137 nou een planetoïde of een komeet?

Linksboven 2005 QN137, met een héél lange staart achter ‘m aan. Credit: Henry H. Hsieh (PSI), Jana Pittichová (NASA/JPL-Caltech).

Op 7 juli van dit jaar werd met de Asteroid Terrestrial-Impact Last Alert System (ATLAS) survey ontdekt dat (248370) 2005 QN137 actief is, een planetoïde die zich samen met een half miljoen andere planetoïden in de ‘gordel’ tussen Mars en Jupiter bevindt. Anders dan gewone planetoïden blijkt 2005 QN137 actief te zijn, niet eenmalig actief, maar regelmatig. En daarmee is dit de achtste planetoïde die zich gedraagt als komeet, een mix dus van planetoïde en komeet. Men noemt hem daarom ook wel een ‘main-belt comet‘, waarvan er inmiddels zo’n 20 bekend van zijn [1]Dus resumerend: de achtste planetoïde die zich gedraagt als komeet, de 20e komeet die zich gedraagt als planetoïde. Begrijpen jullie het?. Hij heeft de fysieke kenmerken van een komeet, maar de typische baan van een planetoïde (zie de afbeelding hieronder, waarin je ook de typische baan van een komeet ziet, in dit geval komeet Halley).

Credit: Henry H. Hsieh (PSI).

In juli had 2005 QN137 een staart die maar liefst 720.000 km lang was, drie keer de afstand aarde-maan. Sterrenkundigen denken dat de activiteit veroorzaakt wordt door het sublimeren (verdampen) van ijs op het oppervlak. De staart was ook heel smal, slechts 1400 km. De kern van 2005 QN137 is naar schatting 3,2 km groot. Zou je de staart van de komeet verkleinen tot de lengte van een voetbalveld, dan zou die staart 18 cm breed zijn en zou de kern slechts een halve mm groot zijn. Dat de staart zo extreem smal is laat zien dat de stofeeltjes die de kern verlaten een lage snelheid hebben. De gasstroom, die de stofdeeltjes normaal gesproken tot in een wijde boog om de kern brengt, moet daarom erg zwak zijn. Dat de stofdeeltjes toch kunnen ontsnappen van de kern komt wellicht doordat deze snel roteert. Bron: PSI.

References[+]

References
1 Dus resumerend: de achtste planetoïde die zich gedraagt als komeet, de 20e komeet die zich gedraagt als planetoïde. Begrijpen jullie het?

Waarom zijn alle ‘ongeschonden oer-planetoïden’ ongeveer 100 km groot?

Hoe turbulenties een rol spelen bij het ontstaan van planetoíden. Credit: MPIA/MPIA, Judith Neidel

Er zijn meer dan een miljoen planetoïden bekend, waarvan de meesten zich bevinden in de gordel tussen Mars en Jupiter. Het overgrote deel daarvan is in te delen in zogeheten families, planetoïden die terug te voeren zijn op één oorspronkelijke ouder-planetoïde, die lang geleden door een botsing gefragmenteerd is in vele kind-planetoïdes. Door onderzoek aan de scheikundige samenstelling van planetoïden zijn al die families en hun leden duidelijk te rangschikken. Maar toen een team van sterrenkundigen in 2017 onderzoek deed naar die verschillende families bleken er 17 planetoïden te zijn die tot geen enkele familie behoren. Die blijken nooit tot zo’n gezamenlijke voorouder te hebben gehoord en daarmee ook nooit een botsing te hebbben ondergaan.

impressie van 2004 EW95, een voorbeeld van zo’n oer-planetoïde. Credit: M. Kornmesser/ESO.

Het opmerkelijke is nu dat al die ongeschonden oer-planetoïden, zoals we ze mogen noemen, ongeveer 100 km in doorsnede zijn. En dat is best vreemd eigenlijk, want als je uit gaat van het model dat planetoïden en op grotere schaal ook planeten ontstaan door het samenvoegen van kleinere delen, dus opbouw van klein naar groot, dan zou je verwachten dat die oer-planetoïden ook verschillend in grootte zijn. Maar er is dus een ‘sweet-spot’ van circa 100 km. Onderzoekers onder leiding van Hubert Klahr zijn nu met een verklaring gekomen: turbulentie is hiervoor het toverwoord. Wij kennen turbulentie, bijvoorbeeld als het in de lucht voorkomt en vliegtuigen plotseling kunnen zakken, maar het kwam ook in de oerwolk van gas en stof voor waaruit ons zonnestelsel is ontstaan. Het blijkt dat als turbulenties optreden in zo’n oerwolk er een ideale, vaste omvang is van de planetoïden die zo ontstaan en dat is die 100 km, iets wat je bij de klassieke botsingen en samenvoegingen niet krijgt. Hier het vakartikel over het onderzoek aan de oer-planetoïden, verschenen in the Astrophysical Journal. Bron: Phys.org.

Astronomen voorspellen bombardement van asteroïden en kometen in ander planetenstelsel

Credit: Anastasia Kruchevska

Het planetenstelsel rond de ster HR8799 lijkt opmerkelijk veel op ons eigen Zonnestelsel. Het heeft vier gasreuzen tussen twee asteroïdegordels. Onderzoekers van de RuG en SRON hebben deze gelijkenis gebruikt om de aanvoer te simuleren van materiaal afkomstig van asteroïden, kometen en andere kleine hemellichamen. De simulatie laat zien dat de vier gasplaneten materiaal ontvangen van kleine hemellichamen, net als in ons Zonnestelsel.

Vanaf de Zon geteld heeft ons Zonnestelsel vier rotsachtige planeten, een asteroïdegordel, vier gasreuzen en nog een asteroïdegordel. De binnenste planeten zijn rijk aan vuurvaste materialen zoals metalen en silicaten, de buitenste hebben juist veel vluchtige stoffen zoals water en methaan. Tijdens het vormingsproces hadden de binnenplaneten het moeilijk om een vluchtige atmosfeer te verzamelen omdat de sterke zonnewind het gas steeds wegblies. Tegelijkertijd verdampte elk ijsklontje door de warmte van de Zon, wat het lastig maakte om water vast te houden. In de buitenste regionen was er minder zonnewind en -warmte, zodat de uiteindelijke gasreuzen waterijs konden verzamelen en ook een grote atmosfeer vol vluchtige stoffen konden opbouwen.

Het HR 8799 systeem, direct gefotografeerd vanaf de aarde. De ster HR 8799 in het midden is verduisterd. CREDIT: NRC-HIA/C. MAROIS/W. M. KECK OBSERVATORY

Kleine hemellichamen, waaronder asteroïden, kometen en stof, hebben deze uitkomst later verfijnd door vuurvaste materialen uit de binnenste gordel af te leveren en vanuit de buitenste gordel zowel vluchtige als vuurvaste stoffen. Een team van astronomen onder leiding van de Rijksuniversiteit Groningen en SRON Netherlands Institute for Space Research vroeg zich af of planetenstelsels rond andere sterren ook zo’n aanvoersysteem hebben. Ze bouwden een simulatie voor het stelsel rond HR8799. Dat lijkt sterk op ons eigen Zonnestelsel met vier gasreuzen en een binnen- en buitengordel, en mogelijk rotsachtige planeten binnen de binnengordel. Daarom kon het team een aantal onbekende factoren voor HR8799 adopteren vanuit ons Zonnestelsel.

De simulatie laat zien dat net als in ons Zonnestelsel de vier gasreuzen materiaal krijgen aangeleverd via kleine hemellichamen. Het team, bestaande uit Kateryna Frantseva (Rijksuniversiteit Groningen/SRON), Migo Mueller (NOVA/Universiteit Leiden/SRON), Petr Pokorný (NASA), Floris van der Tak (SRON/Rijksuniversiteit Groningen) en Inge Loes ten Kate (Universiteit Utrecht), voorspelt een totale aanvoer van beide typen materiaal van ongeveer een half miljoenste van de planeetmassa’s. Toekomstige telescopen—bijvoorbeeld NASA’s James Webb Space Telescope (lancering in 2021)—zijn in staat om de hoeveelheden vuurvaste materialen te meten in de gasreuzen, die rijk zijn aan vluchtige stoffen. Frantseva: ‘Als telescopen de voorspelde hoeveelheden vuurvaste stoffen detecteren, verklaren we die door aanvoer vanuit de gordels, zoals onze simulatie laat zien. Als ze meer vuurvaste stoffen detecteren dan voorspeld, dan is het aanvoerproces misschien actiever dan we dachten, bijvoorbeeld omdat HR8799 veel jonger is dan ons Zonnestelsel. Het HR8799-systeem bevat mogelijk aardachtige planeten. De aanvoer van vluchtige stoffen vanuit de asteroïdegordels kan daarvoor astrobiologisch gezien relevant zijn.’

Publicatie: K. Frantseva, M. Mueller, P. Pokorný, F. F.S. van der Tak, I. L. ten Kate, ‘Enrichment of the HR 8799 planets by minor bodies and dust‘, Astronomy & Astrophysics.

Bron: SRON.

Bijna botsing asteroïde 2020 HS7 met geosynchrone satelliet

Een kleine asteroïde, 2020 HS7, is op 28 april j.l. op relatief geringe afstand een geosynchrone communicatiesatelliet gepasseerd. De asteroïde passeerde de satelliet om 21:49 Nl’se tijd (19:49 GMT) op een afstand van 1200 km. De flyby van de asteroïde 2020 HS7 is één van de 50 meest nabije flybys met de aarde ooit geregistreerd. De asteroïde passeerde een geosynchrone (of geostationair) satelliet. Geosynchrone satellieten zitten in een orbitale cirkelbaan boven de evenaar op een hoogte van ruim 35.000 km., waar hun omlooptijd gelijk is aan de rotatie van de aarde, wat betekent dat ze altijd op dezelfde plek blijven. Deze satellieten vormen de ruggengraat van het orbitale telecommunicatiesysteem.
Lees verder

Terugblik op scheervlucht asteroïde (52768) 1998OR2 met twee video’s

Voor wie de scheervlucht langs de aarde van asteroïde (52768) 1998OR2 nog eens rustig terug wil kijken heb ik twee video’s over de asteroïde onder dit blogje geplaatst. De eerste bevat radarbeeldopnamen van 18 april j.l. afkomstig van het Arecibo observatorium te Puerto Rico en de tweede video is afkomstig van Gian Masi, hij heeft in het kader van het Virtual Telescope Project opnamen gemaakt op 29 april j.l. vanuit Rome. De meest nabije nadering van de aarde van (52768) 1998 OR2 was op 29 april om 11:56 NL’se tijd. De ruimterots scheerde toen op een afstand van 6,29 miljoen km langs de aarde. Een hemelobject dat dichter dan 7,5 miljoen km de aarde nadert en een absolute helderheidsmagnitude van 22 of meer heeft staat officieel gemeld als potentieel gevaarlijk object (afgekort PHO). Hiervan bestaat het merendeel uit asteroïden, 98%, en een klein deel zijn kometen. Bronnen: Arecibo / VideoFromSpace / Gian Masi

In vogelvlucht; asteroïde (52768) 1998 OR2 en een overzicht van planetaire defensie [update]

[update; vanwege bewolking is de webtv live uitzending van het Virtual Telescope Project uitgesteld naar 29 april 20:30 NL’se tijd] Op het moment dat ik dit schrijf staan wereldwijd (amateur-) telescopen scherp gesteld op asteroïde (52768) 1998 OR2 welke op 29 april a.s. langs de aarde scheert. Deze asteroïde staat als potentieel gevaarlijke asteroïde geregistreerd (PHA). De ruimterots zal om 11:56 NL’se tijd (9:56 UTC) op de 29ste langs de aarde scheren op een afstand van 6,29 miljoen km. Een hemelobject dat dichter dan 7,5 miljoen km de aarde nadert en een absolute helderheidsmagnitude van 22 of meer heeft staat officieel gemeld als potentieel gevaarlijk object (afgekort PHO). Hiervan bestaat het merendeel uit asteroïden, 98%, en een klein deel zijn kometen. Meer hierover later in onderstaand artikel.

Lees verder

16 Psyche asteroïde is rotsachtiger dan gedacht

NASA zal in 2022 de Psyche missie lanceren om meer te weten te komen over de 16 Psyche asteroïde. Deze asteroïde draait in een baan om de zon tussen Mars en Jupiter. Een team van de Universiteit van Arizona (ASU) o.l.v. professor en hoofd onderzoeker  Lindy Elkins-Tanton  heeft recent nieuwe ontdekkingen gedaan omtrent de samenstelling van de asteroïde. Psyche is van bijzonder belang omdat hij rijk is aan metaal en mogelijk de blootgestelde nikkel-ijzer kern is van een vroege planeet, een van de bouwstenen van het zonnestelsel van de zon. Het team vond uit dat Psyche toch rotsachtiger is dan gedacht. De ruimtesonde  zal als alles volgens schema verloopt in 2026 bij 16 Psyche aankomen om aldaar voor 21 maanden de eigenschappen van deze asteroïde te kunnen onderzoeken. Lees verder