Er is een ‘breuk’ ontdekt in één van de spiraalarmen van de Melkweg

Credit: NASA/JPL-Caltech

We dachten het Melkwegstelsel aardig goed te kennen – hierboven dé standaard afbeelding die je altijd ziet van de Melkweg – maar soms komen we nog steeds voor verrassingen te staan. Zo hebben sterrenkundigen recent een ‘breuk’ ontdekt in één van de spiraalarmen van de Melkweg. Het is een soort van uitsteeksel bestaande uit jonge sterren en gaswolken waaruit sterren ontstaan van zo’n 3000 lichtjaar lengte in de Sagittariusarm, één van de spiraalarmen van de Melkweg. Hieronder zie je er een illustratie van (de zon zit dichterbij de Orionarm).

Credit: NASA/JPL-Caltech

De sterrenkundigen maakten voor deze ontdekking gebruik van de gegevens verzameld met de Spitzer IR ruimtetelescoop van de NASA en van de Europese Gaia ruimtetelescoop. Vier gaswolken in de breuk kennen we goed, want dat zijn de bekende Adelaarsnevel, de Omeganevel, de Trifidnevel en de Lagunenevel (zie afbeelding hieronder).

Credit: NASA/JPL-Caltech

Om aan te geven hoe strak een spiraalarm opgewonden zit rondom de kern van een sterrenstelsel hanteren sterrenkundigen een maat, de zogeheten pitchhoek. Die is bij een perfecte cirkelvorm 0° en als de armen meer open zijn, losser om de kern, dan wordt de pitchhoek groter. De Sagittariusarm heeft een pitchhoek van 12°. Maar het uitsteeksel in deze arm heeft een pitchhoek van 56°, dus die wijkt erg af van de rest van de arm. De sterren en gaswolken in de breuk hebben een snelheid en bewegingsrichting die afwijkt van de sterren en wolken in de Sagittariusarm. Bij andere sterrenstelsels vindt men vaker van deze ‘sporen’ of ‘veren’, zoals ze ook wel worden genoemd, en dat bracht Alberto Krone-Martins (Universiteit van Californië) en z’n collega’s op het idee om deze ook bij de Melkweg te gaan zoeken… en met succes. Hier het vakartikel over de ontdekking van de breuk, verschenen in Astronomy & Astrophysics. Bron: NASA-JPL.

Gloednieuwe techniek werpt meer licht op de vorming van de jonge Melkweg en ontdekt ‘gemigreerde’ sterren

Een internationaal team astrofysici heeft met behulp van een gloednieuwe techniek – asteroseismologie gecombineerd met spectroscopie – de ouderdom van 100 Rode reuzen in de Melkweg nauwkeurig weten vast te stellen. Daarbij ontdekte het team dat een aantal van deze reuzensterren helemaal niet afkomstig is uit onze Melkweg. Het zijn, zeg maar, ‘gemigreerde’ sterren uit een ander sterrenstelsel, i.d. het satellietstelsel ‘Gaia-Enceladus’. In zijn geheel levert het onderzoek het beste bewijs tot nu toe voor de timing hoe onze vroege Melkweg samenkwam, inclusief de fusie zo’n 10 miljard jaar geleden van de Melkweg met dit dwergstelsel ‘Gaia-Enceladus’. Het wetenschappelijk paper van het onderzoek, werd op 17 mei j.l. gepubliceerd in Nature Astronomy. Onderzoeksleider en eerste auteur is Dr. Josefina Montalbán van de Universiteit van Birmingham.

Infraroodbeeld van sterren in het centrum van de Melkweg (Spitzer). Infrarood-observaties ‘kijken’ achter de gaswolken. Ong. 10 miljoen sterren zijn er binnen 3,3 lj van het galactische centrum. Deze worden gedomineerd door Rode reuzen, dezelfde soort oude sterren die in dit onderzoek uit een ander sterrenstelsel blijken te komen. Afbeelding via NASA/JPL-Caltech/S. Stolovy (SSC/Caltech).

Montalbán stelt dat de samensmelting met Gaia-Enceladus beschouwd wordt als een van de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van de Melkweg, die gebeurtenis heeft vorm gegeven aan hoe we de Melkweg vandaag de dag waarnemen. Wat betekent de vondst van deze ‘gemigreerde’ sterren? Co-auteur Fiorenzo Vincenzo stelt: “Ons bewijs suggereert dat toen de fusie met een dwergstelsel plaatsvond, de Melkweg al een grote populatie van zijn eigen sterren had gevormd.” De fusie met Gaia- Enceladus vond zo een 8 tot 11 miljard jaar geleden plaats. Daarentegen is de leeftijd van de Melkweg ongeveer 13,6 miljard jaar. Deze fusie gebeurde dus vroeg in de geschiedenis van het Melkwegstelsel. Vincenzo vervolgt: “Veel van die ‘eigengemaakte’ sterren kwamen terecht in de dikke schijf in het midden van de Melkweg, terwijl de meeste sterren die werden gevangen vanuit Gaia-Enceladus zich in de buitenste halo van de Melkweg bevinden.” Door het berekenen van de leeftijd van de sterren, kon men nu voor het eerst vaststellen dat de sterren die zijn ingevangen vanaf Gaia-Enceladu,s een vergelijkbare of iets jongere leeftijd hebben vergeleken met de meeste sterren die in de Melkweg zijn ‘geboren’. De botsing van zo een 10 miljard jaar geleden, was een ‘gewelddadige’ aangelegenheid, Vincenzo stelt: “De resultaten toonden aan dat de fusie de banen van de sterren die zich al in de Melkweg bevonden, deed veranderen, ze werden excentrieker.” Ook bleek de chemische samenstelling van de ‘gemigreerde’ sterren anders te zijn.

Artistieke impressie van de galactische schijf Credits: ESO/NASA/JPL-Caltech/M. Kornmesser/R. Hurt

Hoe vond men deze sterren? Het team nam een willekeurig hondertal oude sterren die met de Kepler telescoop zijn waargenomen, het betrof rode reuzen, sterren in hun laatste ‘levensfase’. M.b.v. data van Kepler, de Gaia-satelliet en de APOGEE, paste men de techniek van de asteroseismologie toe (de studie van de manier waarop sterren oscilleren vergelijkbaar met helioseismologie die de zonnetrillingen bestudeert). D.w.z. de techniek meet regelmatige variaties binnen de ster. Door te leren hoe een ster oscilleert, verkrijgt men informatie over de grootte en interne structuur van een ster, waardoor ze op hun beurt de leeftijd van de ster kunnen schatten. Teamlid Mathieu Vrard, Ohio State University, stelt: “De techniek stelt ons in staat om zeer precieze leeftijden voor de sterren, die belangrijk zijn bij het bepalen van de chronologie van wanneer gebeurtenissen plaatsvonden in de vroege Melkweg. Spectroscopisch onderzoek deed men om de chemische samenstelling van de sterren te achterhalen. Dit helpt ook bij het bepalen van de leeftijd, en in combinatie hielp dit de leeftijden van de sterren te bepalen met een ongekende precisie. De astronomen merkten op dat een aantal van hen even oud was, en dat deze leeftijd iets jonger was dan de meeste van de sterren waarvan men weet dat ze hun leven begonnen in de Melkweg. Teamlid Andrea Miglio voegde toe: “We hebben het enorme potentieel van asteroseismologie in combinatie met spectroscopie laten zien om nauwkeurige relatieve leeftijden te bepalen voor individuele, zeer oude sterren. Alles bij elkaar dragen deze metingen bij aan een scherpere kijk op de jonge Melkweg en beloven ze een mooie toekomst voor [Melkweg] archeoastronomie.” Nu willen de onderzoekers hun benadering toepassen op grotere aantallen sterren om een nog beter zicht op de vorming van de Melkweg te krijgen. Bronnen: Ohio State University, EarthSky, Universiteit van Birmingham, ESA

Zetelt er in het centrum van de Melkweg mogelijk een klomp donkere materie in plaats van een zwart gat?

In het centrum van de Melkweg zetelt het superzwarte zwarte gat Sagittarius A*, in het bezit van zo een 4 miljoen zonsmassa’s. Astronomen van het International Centre for Relativistic Astrophysics (ICRA, La Sapienza) in Rome hebben recent onderzoek gedaan naar de aard van het zwarte gat. Sgr A* kan niet direct waargenomen worden maar wordt afgeleid van de bewegingen van de sterren die eromheen dwalen. Misschien is een zwart gat niet de enige kandidaat om in het centrum van de Melkweg te zitten, zo opperde het team. Twijfels hierover bestaan al langer, met name gezaaid door het onderzoek aan de G2-gaswolk. Het team voerde computersimulaties uit waarin het ‘zwarte gat-model’ vervangen werd door een klomp donkere materie. Donkere materie is een veronderstelde materie in het heelal (27% van de totale materie/energie-inhoud van het heelal), die niet interageert met EM-straling en dus lastig te detecteren is met optische middelen. Niet zichtbaar, maar de zwaartekracht die wordt veroorzaakt door DM houdt wel de melkwegstelsels en clusters van melkwegstelsels bij elkaar. Een theorie voor de identiteit van DM suggereert dat het is gemaakt van hypothetische deeltjes genaamd ‘darkino’s’. Het ICRA-team ontdekte dat als DM hieruit zou bestaan, het in sommige gevallen nauwkeuriger een reeks waarnemingen in het Melkweg-centrum zou kunnen verklaren, beter dan het zwarte gat. Het wetenschappelijk paper van het team met als eerste auteur Edoardo Becerra-Vergara is op 20 mei j.l. gepubliceerd in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society Letters.

Sagittarius A met Sgr A* Credits; NASA/UMass/D.Wang et al., IR: NASA/STScI

Sgr A* in het centrum van de Melkweg bevindt zich in de samengestelde radiobron Sagittarius A op zo een 25.800 lichtjaar afstand van de Zon. De bron werd Sgr A* genoemd om het te onderscheiden van andere componenten van Sgr A. Sgr A* kan niet direct waargenomen worden maar wordt afgeleid van de bewegingen van de sterren die eromheen dwalen. En misschien is het zwarte gat niet de enige kandidaat om in het centrum van de Melkweg te zetelen. De twijfels werden zeven jaar geleden gezaaid. Een gaswolk, G2, bleek in een baan om Sgr A* te cirkelen, en deze zou begin 2014 gevaarlijk dicht langs het object zou gaan. Astronomen keken vol verwachting toe – en als Sgr A* een superzwaar zwart gat was zoals verwacht, dan zou G2 aan flarden worden verscheurd. Verrassend genoeg overleefde G2 de nadering zonder problemen. Astronomen noemden het een ‘lack of fireworks’ en het leidde tot speculatie dat G2 i.p.v. een gaswolk, een opgeblazen, ‘puffy’, ster zou zijn, met voldoende zwaartekracht om zijn vorm te behouden. De aard van G2 trok ICRA niet in twijfel, maar wel die van Sgr A*. Het team simuleerde het centrum van de Melkweg, als bestaande uit een klomp DM. Deze DM zou bestaan uit darkino’s, neutrale ultralichte deeltjes die behoren tot een groep die fermionen wordt genoemd. Deze darkino’s klonteren in het centrum van de Melkweg en spreiden zich uit in een meer diffuse wolk. Een belangrijk kenmerk van fermionen (i.t.t. bosonen) is dat slechts één van hen tegelijkertijd een bepaalde kwantumtoestand in een bepaalde ruimte kan innemen, wat beperkt hoe dicht ze samen kunnen worden verpakt. Als zodanig is de kern van deze ‘klomp’ een veel minder extreme omgeving dan een superzwaar zwart gat, waardoor G2 ongedeerd heeft kunnen passeren. (M.a.w. als DM bestaat uit darkino’s, en het zijn fermionen, dan zouden deze DM-deeltjes zich slechts tot op zekere hoogte in de kern van een melkwegstelsel concentreren. I.p.v. een superzwaar zwart gat, met een scherp gedefinieerde rand aan de waarnemingshorizon, is er een gigantische bal van dicht opeengepakte darkino’s.)  Maar dat is niet de enige observatie dat het model past. Het team ontdekte ook dat als darkino’s een massa van ongeveer 56 keV hadden, de simulatie nauwkeurig de bewegingen voorspelde van een cluster van nabije sterren genaamd de S-sterren, evenals de rotatiecurve van de buitenste halo van de Melkweg. Al met al is het mysterie nog niet opgelost, en blijft een superzwaar zwart gat de meest waarschijnlijke kandidaat op die positie in de Melkweg, daar het de waargenomen fysische fenomenen op een relatief eenvoudige manier verklaart. Bovendien ziet men zwarte gaten in het centrum van de meeste andere sterrenstelsels. Het team stelt dat verder onderzoek nodig is om hier meer licht op te werpen. Bronnen: LiveScience, EarthSky, New Atlas, ESO

 

Het Breakthrough Listen project heeft géén SETI-signaal gevonden vanuit het centrum van de Melkweg

Het leefbare gebied in ons Melkwegstelsel. Credit: NASA/Caltech

Meestal concentreert het Breakthrough Listen project zich op radiosignalen afkomstig van exoplaneten die zich in de bewoonbare zone bevinden van sterren in de buurt van de zon. Maar bij Breakthrough Listen dachten ze ‘laten we eens gek doen’ en luisterden ze met hun grote radioschotels een keer naar signalen afkomstig vanuit het centrum van de Melkweg. Het is een dichtbevolkt gebied van sterren én daarbij behorende exoplaneten, maar omdat het daar door de extreme omstandigheden niet behoort tot het leefbare gebied van de Melkweg zou je daar statistisch gezien weinig kans hebben intelligent leven aan te treffen (zie afbeelding boven). In dat centrum, vlakbij het superzware zwarte gat Sagittarius A*, zijn supernovae en gammaflitsers schering en inslag en dat maakt het daar niet echt geriefelijk om intelligente buitenaardse beschavingen te krijgen, dé doelgroep van de SETI-speurtochten. Maar toch deed men het met het Breakthrough Listen project en wel met de Green Bank Telescoop in West Virginia (VS) en de Parkes radiotelescoop in Oost-Australië gedurende 600 uur waarneemtijd. Het resultaat raadt zich raden: geen periodiek radiosignaal dat de aanwezigheid verraad van een intelligente buitenaardse beschaving ergens in de centrale contreien van ons Melkwegstelsel. Hier het vakartikel om het allemaal nog eens na te lezen.

De speurtocht naar intelligente buitenaardse beschavingen. Credit: 12222786/Pixabay.

Nou we het toch over SETI hebben, de search for extraterrestrial intelligence: september 2019 , nog voordat de COVID-19 wereldwijd toesloeg, werd in Rome de tweede INAF SETI georganiseerd, een symposium rondom SETI. Eén van de auteurs van de Astroblogs, Daniela de Paulis, was niet alleen aanwezig bij die meeting, maar ze was ook één van de sprekers. Daar vertelde ze over haar experimenten om met de Dwingeloo radiotelescoop hersengolven de ruimte in te sturen met het COGITO project, hersengolven die naar Titan werden gestuurd, de grootste maan van Saturnus. Uitgeverij Springer heeft de presentaties van dat symposium gebundeld en die zijn tegen een prijskaartje van € 106,99 bij Springer Verlag te krijgen – niet allemaal tegelijk bestellen. Bron: Universe Today

Astronaut Soichi Noguchi maakt weergaloze timelapse van de Melkweg

De Japanse astronaut Soichi Noguchi heeft recent tijdens een parkeermanoeuvre met de Crew Dragon Resilience bij het ISS een zeer fraaie timelapse van de Melkweg gemaakt. Noguchi is momenteel één van de tien astronauten aan boord van het ISS en arriveerde met de Crew-1 missie in november 2020. Het viertal astronauten moest de Resilience herparkeren om een dockingport vrij te maken voor de aanstaande SpaceX-missie Crew-2, die op 22 april a.s. gelanceerd wordt. De Crew-1 is de eerste bemanning die door een commerciële partij naar het ISS is gebracht en tevens de eerste ISS-missie die vanaf Amerikaanse bodem is gelanceerd sinds de laatste vlucht van de Space shuttle in 2011. Soichi Noguchi is zelf drie maal naar het ISS geweest, de eerste keer met de shuttle, vervolgens met de Sojoez en nu met de SpaceX’ Crew Dragon.
Lees verder

HAWC toont galactische kosmische straling met de hoogste energie afkomstig van stercluster Cygnus OB2

Een team astrofysici van het Los Alamos National Laboratory (New Mexico) heeft vastgesteld dat de kosmische stralng met de hoogste energie niet afkomstig is van supernovae, maar van sterclusters. De data is afkomstig van de HAWC, of ‘High-Altitude Water Cherenkov’, met water gevulde detectietanks op een berghelling in het zuidoosten van Mexico. Het onderzoek o.l.v. A Abeysekara, is recent gepubliceerd in het wetenschappelijk journal Nature Astronomy.*
Lees verder

In het Melkwegstelsel vinden zo’n vier dozijn novae per jaar plaats

Het restant van Nova Perseï 1901, ongeveer honderd jaar later gefotografeerd. Credit: X-RAY: D. TAKEI ET AL, NASA, CXC, RIKEN; OPTICAL: STSCI, NASA; RADIO: VLA/NRAO.


Een team van sterrenkundigen onder leiding van Kishalay De (California Institute of Technology) heeft op basis van waarnemingen met de telescoop van het Palomar observatorium én statistische analyses berekend dat er in ons Melkwegstelsel jaarlijks zo’n 46 +/- 13 novae plaatsvinden. Novae zijn uitbarstingen van witte dwergsterren, die door toevoer van materie door een naburige ster te zwaar zijn geworden. Bij zo’n uitbarsting kunnen ze wel 100.000 keer zo lichtsterk worden als de zon – niet zo heftig als ze zwaarder worden dan de Limiet van Chandrasekhar en ze wel miljoenen keren zo helder kunnen worden, maar toch zo helder dat we ze soms met het blote oog kunnen zien. Hier een lijst van de novae die we sinds 1612 in de Melkweg hebben ontdekt. Na eerst met de Palomar telescoop waarnemingen te hebben gedaan aan novae, konden De en z’n team vervolgens de gegevens statistisch analyseren, waarbij ze rekening hielden met de hoeveelheid stof in de Melkweg, dat licht van novae kan tegenhouden. Ook keken ze naar de omvang van het stukje aan de hemel dat ze in de gaten hielden en de tijdsduur van de waarnemingen. Dit alles leidde tot die slotsom dat er gemiddeld jaarlijks een kleine vier dozijn novae in de Melkweg ‘afgaan’. Op grond van die lijst van waargenomen novae kunnen we rustig stellen dat de meeste novae onopgemerkt blijven. Hier het vakartikel van De et al, te verschijnen in the Astrophysical Journal. Bron: Science News.

De aarde staat 2000 lichtjaar dichter bij het superzware zwarte gat Sagittarius A* dan we dachten

Credit: NAOJ

Sterrenkundigen hebben ontdekt dat de aarde 7 km/s sneller dan ze eerst dachten om de kern van het Melkwegstelsel draait én dat de aarde 2000 lichtjaar dichterbij Sagittarius A* staat dan ze eerst dachten, da’s het superzware zwarte gat in het centrum van het Melkwegstelsel. Om tot die nieuwe waarden te komen hebben ze meer dan 15 jaar waarnemingen gedaan, o.a. in het kader van het Japanse radiosterrenkunde-project VERA. Bij dat project, waarvan de naam staat voor VLBI Exploration of Radio Astrometry (en VLBI op haar beurt betekent weer Very Long Baseline Interferometry) hebben ze vanaf het jaar 2000 snelheden en ruimtelijke structuren in de Melkweg driedimensionaal gemeten. Door met de techniek der interferometrie 224 objecten in de verschillende spiraalarmen van de Melkweg te bestuderen (welke te zien zijn in de afbeelding hierboven, GC daarin is ‘galactic center’) kon men meer te weten komen over de ruimtelijke opbouw van de Melkweg. En daaruit blijkt dat de afstand van het zonnestelsel tot het centrum van de Melkweg (waar Sgr A* zich bevindt) 25.800 lichtjaar is en niet 27.700 lichtjaar, zoals tot nu toe werd aangenomen en officieel werd aanvaard door de International Astronomical Union (IAU) in 1985. En zoals gezegd draaien we ook sneller om het centrum van de Melkweg dan eerst gedacht: onze snelheid is 227 km/s in plaats van 220 km/s. Mmmm… 2000 lichtjaar dichterbij een zwart gat dat 4,3 miljoen keer zo zwaar als de zon is, moeten we ons daar zorgen over maken? Nee allerminst, die afstand is veilig genoeg voor de aarde! Hier (zit achter een paywall, snif snif. Hier is ‘ie gratis) het vakartikel over de ‘The First VERA Astrometry Catalog’, verschenen in Publications of the Astronomical Society of Japan (2020). Bron: Phys.org.

Bolhopen en oude sterren leveren nieuwe inzichten op in het Melkwegstelsel

Credit
D. Kruijssen / Heidelberg University

Afgelopen week waren er twee publicaties die gaan over de Melkweg en die ons meer inzicht geven in de ontwikkeling van ons Melkwegstelsel:

  • Ten eerste was daar een onderzoeksteam onder leiding van Diederik Kruijssen van de Universiteit van Heidelberg en Joel Pfeffer van de John Moores University in Liverpool, dat onderzoek heeft gedaan aan de bolvormige sterrenhopen (kortweg: bolhopen) in de halo van de Melkweg. Bij dat onderzoek hebben ze gebruik gemaakt van simulaties op de computer, genaamd E-MOSAICS, en dat heeft de sterrenkundigen inzicht gegeven in de ‘stamboom van de Melkweg’, dat wil zeggen dat men meer te weten is gekomen over de verschillende botsingen die ons sterrenstelsels in het verre verleden met dwergstelsels heeft gehad. In de afbeelding bovenaan, zie je verschillende ‘leden’ van de stamboom, zoals de botsingen met het dwergstelsel Sagittarius en met Kraken, dat wellicht nog groter was dan een dwergstelsel. Op de troffeelijst van de Melkweg staan vijf sterrenstelsels met meer dan 100 miljoen sterren en nog eens vijftien stelsels met minstens 10 miljoen sterren, waarvan de meesten ergens tussen 6 en 11 miljard jaar geleden zijn verorberd. Hieronder een video over de similaties die gedaan zijn.

    Hier het vakartikel van Kruijssen et al, , verschenen in Monthly Notices of the Royal Astronomical Society 498 (2), pp. 2472-2491 (2020).

  • Ander onderzoek is gedaan aan de de banen van de oudste sterren in het Melkwegstelsel, sterren met een zeer laag ‘metaalgehalte’, metalen zijn elementen zwaarder dan helium, aldus de definitie van sterrenkundigen. Zo hebben zeer oude sterren wel duizend keer zo weinig ijzer als onze zon, die een latere-generatie-ster is. Het onderzoek aan die banen heeft opgeleverd dat een deel van de oudste sterren exact beweegt zoals de modellen dat voorspellen, namelijk in banen in de halo rondom de melkweg, maar dat een deel ook beweegt in cirkelvormige banen in de platte schijf van de melweg, precies zoals de zon dat doet. Maar dat laatste is nou juist niet wat de modellen voorspellen, daar hadden ze geen rekening mee gehouden. Hieronder zie je zo’n baan van een oude ster, ster 232121.57-160505.4 om precies te zijn.

    CREDIT: Cordoni et al

    Ook bij dit onderzoek heeft men gebruik gemaakt van de gegevens van Gaia, plus van de Skymapper en 2,3 meter telescoop van  de Australian National University (ANU). 11% van de oudste sterren bleek zich te bewegen in het platte vlak van de Melkweg. Uit de banen kwamen ook andere structuren tevoorschijn, zoals de bekende Gaia Sequoia, die ook in de stamboom hierboven voorkomt. Werk aan de winkel dus om de modellen weer kloppend te krijgen. Hier het vakartikel van Cordoni et al over het onderzoek aan de oudste sterren in het Melkwegstelsel, verschenen in MNRAS,

Bron: RAS + Eurekalert.

Astronomen willen exoplaneten inzetten als ‘natuurlijke’ donkere materie detectoren

Een team astronomen van de Amerikaanse Cornell Universiteit, Ithaca (NY), heeft recentelijk een gedurfd nieuw plan bepleit om donkere materie op te sporen. Zij stellen voor om exoplaneten, waarvan er meer en meer geïdentificeerd worden, te gebruiken als ‘natuurlijke’ donkere materie detectoren. De onderzoekers geven met dit DM-onderzoek een eigen bijzondere draai aan de zoektocht naar buitenaards leven op exoplaneten. Exoplaneten worden in een steeds sneller tempo ontdekt met behulp van NASA’s Kepler en TESS, en alleen al in de Melkweg verwacht men dat er miljarden tot wel een biljoen exemplaren zijn. En volgens het Cornell Team zouden deze exoplaneten als DM detectoren kunnen dienen. DM is de, tot op heden onzichtbare kandidaat-ingrediënt, die fungeert als ‘lijm’ die sterren, stof en gas in sterrenstelsels bij elkaar houdt. Daar om waarnemingen zoals de rotatie van sterrenstelsels te verklaren, moet het heelal wel een verborgen ingrediënt hebben. Sterclusters, de meest massarijke structuren in het heelal, zijn de grootste opslagplaatsen van DM. M.b.v. geavanceerde computersimulaties hebben astronomen al gezien dat donkere materie zich in de richting van de centra van sterrenstelsels beweegt. En het is deze theoretische verschuiving in dichtheid die astronomen zou moeten helpen bij het identificeren van donkere materie. Het 26 pagina’s tellende wetenschappelijk artikel van het team, Rebecca K. Leane en Juri Smirnov,* over de inzet van exoplaneten als DM-detectoren, is recent geplaats in arXiv.*
Lees verder